[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE DROOM VAN DEN PRIESTER.

Niet ver van het hoogaltaar verwijderd, zat in een kerkstoel een jong priester, die de nachtwaak in de kapel had.

Het was zijn taak om bij het geringste verdachte geluid de Zwitsersche soldaten, die achter de breede gordijnen stonden opgesteld, te waarschuwen en met hen na te zoeken of misschien een inbreker de kapel was binnengeslopen.

Reeds meerdere malen hadden internationale dieven getracht, de in de kapel aanwezige kostbaarheden, die met prachtige edelsteenen versierd waren, te rooven.

De jonge priester las in een Latijnsch gebedenboek en prevelde halfluid voor zich heen.

Plotseling hoorde hij een geluid, alsof een metaal op elkander werd geslagen. Bij het heldere maanlicht, dat door de hooge boogvensters viel, kon hij duidelijk alles zien, wat gebeurde.

Het geluid herhaalde zich en de jonge priester merkte op, dat het van den zilveren apostel kwam. Hij zag nu zelfs, al was het maar voor een oogenblik, dat een hoofd van uit den zilveren apostel wegkeek.

De jonge priester stond op en daar hij niet bang was, ging hij naar het beeld toe en keek, of zich daarachter misschien een vreemdeling had verborgen.

Maar hij ontdekte niets en in de meening, dat zijn fantasie hem parten had gespeeld, ging hij naar zijn plaats terug en begon opnieuw bij het matte schijnsel van een lampje te lezen. [28]

Langzaam verstreken de nachtelijke uren.

De zoete wierookgeur drukte zwaar op de slapen van den jeugdigen waker, die de grootste moeite had, om wakker te blijven.

Hij legde het brevier terzijde, rekte de armen eens uit en keek met slaapdronken gelaat door de kapel.

En plotseling droomde hij, naar hij meende, een vreeselijken droom:

Hij zag, hoe het kleed van den zilveren apostel zich opende en een zwarte gedaante daaruit te voorschijn trad. Als verlamd keek de priester naar deze verschijning.

En de vreemde gestalte wendde zich tot hem en kwam met langzame schreden al nader en nader.

De jonge priester wilde om hulp roepen, maar zijn stem stokte hem in de keel. Hij liet de gedaante op zich afkomen en verzette zich niet, toen deze hem een doek voor het gelaat bond, die gedrenkt was in een vloeistof, welke naar amandelen riekte.

Slechts enkele seconden verliepen, toen viel de jonge priester bewusteloos in zijn bidstoel neer.

De vreemde priester bekeek hem eenige oogenblikken en sprak toen tot zichzelven:

„De vier-en-twintig uren in den zilveren apostel waren vreeselijk, maar ik heb nu mijn weddenschap zoo goed als gewonnen, want nu zal ik mij voor eenigen tijd de Murillo van den paus toeëigenen.”

Het was Raffles, die in den zilveren apostel had verborgen gezeten.

Tien uren voordat de stoomboot landde, was hij naar het ruim geslopen, had het slot geopend en was, met behulp van Charly Brand, in het zilveren beeld gekropen.

Op deze manier was Raffles aan boord van de stoomboot plotseling verdwenen en noch de detectives, noch de zeeofficiers hadden hem kunnen vinden.

Nu stond hij in de kapel en keek om zich heen.

Aan den linkermuur ontdekte hij al heel spoedig de gezochte Murillo.

Hij haalde uit een zijnis een ladder te voorschijn, klom daar doodstil op, nam een scherp mes uit zijn zak en sneed de schilderij langs de uiterste randen voorzichtig uit de lijst.

Bijna een uur had het werk geduurd, toen hij eindelijk de schilderij opgerold in de hand droeg en de ladder weer op haar plaats zette.

De kerktorens van Rome sloegen vier uur, toen Raffles de sloten der kerkdeuren hoorde knarsen, ten teeken, dat deze van buiten geopend werden.

Hij hurkte neer in een nis en achter een pijler verborgen wachtte hij, tot de dubbele deur geopend werd en de jonge priester zijn kameraad zou komen aflossen.

Toen deze eindelijk kwam en den slapende ontdekte, stiet hij hem aan en maakte hem wakker.

Slaapdronken opende de ander de oogen, mompelde eenige onverstaanbare woorden en stond op.

Hij hoorde niet eens, dat de ander zei:

„Ik zal den kardinaal rapporteeren, wat gebeurd is!”

Met wankele schreden, nog altijd onder de inwerking der verdooving, ging de jonge priester naar den uitgang van de kapel.

Toen hij voor de poort kwam, riepen de Zwitsersche soldaten een luid „Halt!”

Verbaasd bleef de priester staan en vroeg:

„Wat? Wat wilt ge van mij?”

De wachthebbende officier kwam naar hem toe en sprak:

„Wie zijt ge?”

„Ik heb de wacht gehad,” antwoordde de jonge priester.

„Dat kan niet in orde zijn; de priester, die de wacht had, heeft even voor u de kapel verlaten.”

„— —dat— —dat— —dat is onmogelijk! Ik was alleen in de kapel!”

„Neen,” zei de officier, „wij hebben onze oogen om te zien en niet om te slapen; even vóór u verliet een [29]priester de kapel, die zich naar het Vaticaan begaf.”

In hetzelfde oogenblik werd uit de kapel luid om de wacht geroepen.

IJlings stormden de soldaten binnen.

Midden in de kapel stond de priester, die den ochtenddienst had en met uitgestrekten arm wees hij naar de leege lijst van de schilderij aan den muur.

„Wat is er?” vroeg de officier.

„Daar—de Murillo is gestolen.”

Een oogenblik heerschte het diepste stilzwijgen. Het was den mannen te moede, alsof zij een spook zagen.

Zij gingen naar de leege lijst om zich nog eens te overtuigen en konden niets ontdekken dan den leegen muur.

De Murillo was verdwenen.

De priester wendde zich tot den officier:

„Ga vlug naar kardinaal Mansini en meld hem het gebeurde. Alarmeer de heele wacht en voorts de pauselijke politie. Alles moet in het werk gesteld worden om de Murillo terug te krijgen.”

De officier vloog weg om het bevel uit te voeren.

De priester wendde zich thans tot zijn ambtsbroeder, die als verdoofd tegen een pilaar stond:

„Ongelukkige, je plichtverzaking heeft ons groote schade berokkend!”

„Ik—ik weet niet, hoe het gebeurd is,” stamelde de priester, „ik moet wel verdoofd zijn geweest!”

Hij herinnerde zich thans den droom en vertelde dien, zoo goed en zoo kwaad als het ging.

Ook kardinaal Mansini, die intusschen was gekomen, herhaalde hij den droom.

De kardinaal ging naar den zilveren apostel en onderzocht dezen en toen ontdekte hij den geheimen ingang, waardoor een mensch gemakkelijk de figuur kon binnentreden.

Terzelfdertijd vond hij een brief, die aan het secretariaat van den paus gericht was.

De kardinaal opende dezen en las:

„Ik deel uw Hoogwelgeboren door dezen mede, dat ik helaas genoodzaakt ben om voor den tijd van eenige weken uw Murillo te leenen.

„Gij kunt onbezorgd zijn, daar de Murillo, als ze haar dienst heeft gedaan, weer onbeschadigd op de oude plaats zal worden teruggebracht.

Mijn naam zal daarvoor wel waarborg zijn.”

JOHN C. RAFFLES.”

De kardinaal las den brief twee keer, toen stak hij hem bij zich.

Zonder den omstanders eenige opheldering te geven, zei hij:

„De zaak is opgehelderd. Ik vertrouw volkomen op den inhoud van dezen brief. Gij allen moet over wat hier is voorgevallen, het diepste stilzwijgen bewaren en op de vragen van nieuwsgierigen naar het verblijf van de Murillo antwoorden, dat deze gerestaureerd wordt. Bedek de leege plek zoolang tot de schilderij weer in ons bezit is. Hang er een fluweelen gordijn voor.”

Met een groetende handbeweging verliet de kardinaal de kapel en niemand van hen, die waren achtergebleven waagde het, het bevel van den geestelijke te overtreden.


Het was ongeveer acht uur in den morgen, toen mr. Harry Smith met een priester samen het hotel Continental in een auto verliet om, zooals zij beweerden, een tochtje te gaan maken in de omstreken van Rome.

Maar tevergeefs wachtte des avonds de portier op de terugkomst van den gast en toen deze ook den volgenden dag nog niet was teruggekomen, werd de kamer van mr. Harry Smith weer verhuurd. [30]

Mr. Harry Smith was weer Charly Brand geworden, en de priester was veranderd in John C. Raffles. Zij waren met de auto naar het station gereden en hadden kaartjes genomen naar Brindisi. In Brindisi maakten zij van hun tijd gebruik om het uiterlijk te veranderen, door valsche baarden aan te doen. Zoo gingen zij den volgenden dag aan boord van een stoomboot met bestemming naar New-York.

Raffles noemde zich gezantschapssecretaris en Charly Brand stond op de passagierslijst ingeschreven als zijn bediende.

In een gewone rol papier lag in de hut van Raffles de gestolen Murillo.

Op den 22sten Januari liep de stoomboot New-York binnen.

Zij namen hun intrek in een klein boardinghouse van de 54ste straat. — — — — — — — — — —

In Player-club zaten dien avond als gewoonlijk de leden bij elkaar en het onderwerp van gesprek was als gewoonlijk de streken van Raffles. Mr. Bennet moest heel wat steken slikken en hij was maar blij, dat hij persoonlijk van Raffles nog niet de nadeelen had ondervonden.

Mr. Bennet had zoo juist voor den twaalfden keer verklaard, dat hij in mr. Whitney’s plaats dadelijk John Raffles herkend zou hebben, toen de lakei van de club, vergezeld van een vreemdeling, die een rol droeg, op mr. Bennet toetrad.

„Deze heer wenscht u te spreken”, zei de lakei.

Mr. Bennet kon zich niet herinneren, den vreemdeling ooit te hebben gezien en vroeg op hoogen toon, wat er van hem verlangd werd. De vreemdeling nam met een ruk zijn valschen baard af, kleefde glimlachend zijn monocle in het oog en mr. Bennet keek in het gladgeschoren, geestige gelaat van John C. Raffles.

Diepe stilte heerschte onder de aanwezigen. Raffles had slechts behoeven te roepen „handen hoog” en zonder eenigen tegenstand zouden hem alle portefeuilles, chèqueboeken, briljanten en horloges worden gegeven.

„Gentlemen”, zei Raffles en hij maakte een hoffelijke buiging, „ik kom naar aanleiding van mijn weddenschap met mr. Bennet en wil hem het bewijs leveren, dat ik de weddenschap gewonnen heb.”

Glimlachend maakte hij de rol los, die hij in de linkerhand droeg en spreidde toen op het tapijt voor den haard de Murillo uit.

Een luide kreet van bewondering ging op.

„Kunt ge de echtheid bewijzen?” vroeg mr. Bennet.

Zonder een woord te spreken keerde Raffles de schilderij om en nu kon ieder op de achterzijde het pauselijke wapen herkennen.

De clubleden bleven zwijgend staren,

„Hoe komt ge aan deze schilderij?” vroeg mr. Bennet.

Raffles maakte een komische beweging, toen hij zich voorstelde:

„John C. Raffles”.

Toen sprak hij:

„Ge ziet, mr. Bennet, dat ik dus wel degelijk in het bezit ben van een echte, een kostbare Murillo en dat ik dus mijn weddenschap, die hier in de club zoo groot opzien baarde, glansrijk heb gewonnen. Ge verbaast u er over? Maar dat moet ge niet doen, mr. Bennet, dat moet ge absoluut niet doen. Ge kunt uit het gebeurde wel eenig voordeel trekken en als ik u, voor zoo korte kennismaking, een goeden raad mag geven, dan zou ik u willen zeggen: Wees in ’t vervolg een beetje voorzichtiger met uw weddenschappen, mr. Bennet! En thans verzoek ik u zeer beleefd om de chèque, waarop ik recht heb.”

De clubleden barstten uit in vroolijk lachen.

En mr. Bennet? [31]

Hij was zoo verstandig om mee te lachen, al klonk die lach dan ook wel een heel klein beetje gedwongen.

Toen zei hij:

„Ge hebt gelijk. Ik heb mijn weddenschap verloren.”

Hij haalde zijn chèque-boek uit den zak, ging aan een der schrijftafeltjes zitten en vulde een der blaadjes in, dat hij daarna uit het boekje scheurde en den winner overhandigde.

„Hier is de chèque!”

Raffles nam het blaadje, bekeek het eens met alle aandacht en zei:

„Ik zal u morgen, zoodra de chèque door mij geïnd is, deze schilderij zenden. Gij, op uw beurt, kunt haar dan hoogst zorgvuldig laten inpakken en, liefst onder uitstekend en vertrouwd geleide, naar Rome terugzenden. Als ge dit doet, mr. Bennet, zult ge het Vaticaan voor eeuwig aan u verplichten, dat kan ik u ten stelligste verzekeren. Dan wilde ik nog dit zeggen. Ik hoop vooral, dat ge mij bij het innen van deze chèque op geenerlei wijze zult bemoeilijken en dat ge, indien ge daartoe wellicht het plan mocht hebben opgevat, de recherche niet vóór twaalf uur morgenmiddag van mijn afwezigheid zult in kennis stellen. Ge zult u zeker wel aan dit billijke verzoek mijnerzijds willen houden, want anders zoudt ge inderdaad handelen tegen de gewoonten van een gentleman en, mr. Bennet, ik verzeker u, dat ik mij op schitterende wijze zou weten te wreken.”

Na deze woorden, die met aangename, diepe en klankrijke stem werden geuit, rolde hij met kalm gebaar de schilderij weer op, stak de zoo pas ontvangen chèque in zijn borstzak en wilde heengaan, nadat hij voor de aanwezige heeren een onberispelijke buiging had gemaakt.

Maar toen trad een der clubleden hem in den weg, die hem een lijvig boek voorhield, gebonden in marrokijnleder, waarin alle gasten der club hun naam plachten te zetten. En met een hoffelijke beweging vroeg hij den bezoeker:

„Zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn, ons register te verrijken met uw handteekening, zooals ge dat ook eens in Windsor-club te Londen hebt gedaan?”

Verrast keek Raffles op.

„Ge doet ons daarmede inderdaad een groot genoegen,” voegde het club-lid er nog aan toe, „ik spreek uit naam van alle aanwezigen!”

Nu haalde Raffles uit zijn binnenzak een vulpenhouder voor den dag en met groote, forsche, vaste letters schreef hij zijn naam in het boek.

Raffles boog—de clubleden bogen—toen verdween de vreemdeling.

Den achterblijvenden heeren kwam de heele geschiedenis als een dolle droom, een verschijning uit bovenaardsche streken voor. En als niet in het lijvig register de sprekende handteekening van John C. Raffles had gestaan; als niet mr. Bennet, juist niet tot zijn allergrootst genoegen twee millioen armer was geworden, dan hadden de heeren zeker alles, wat zich in het laatste half uur had afgespeeld, voor een spookverschijning gehouden.

En Raffles?

Die inde den volgenden dag de chèque, bij de uitbetaling waarvan hij niet de geringste moeite ondervond.

Toen zond hij de kostbare Murillo uit het Vaticaan, naar mr. Bennet, die, zooals den vorigen avond was afgesproken, voor de verdere verzending naar Rome zorgde. En om twee uur in den middag vermeldden de middagbladen, die in extra-oplaag waren verschenen, het laatste sensatiebericht over Raffles.

Gretig kocht het publiek de kranten; de krantenjongens hadden geen handen genoeg om hun klanten te bedienen en de geschiedenis van de weddenschap en [32]van den ongehoord brutalen schilderijendiefstal werd door het op sensatie beluste publiek verslonden.

Omstreeks denzelfden tijd waren in Londen aangekomen politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard, vergezeld van den New-Yorker chef Pinkerton.

Een bom die aan hun voeten was ontploft, had geen schrikkelijker uitwerking kunnen hebben op de beide politie-mannen dan het ontstellende bericht dat Raffles, de Groote Onbekende, die naar hun meening over boord was gesprongen en verdronken, zich goed en wel in New-York bevond en daar zijn weddenschap van twee millioen van mr. Bennet had gewonnen.