[Inhoud]
DE GROOTE ONBEKENDE.

DE GROOTE ONBEKENDE.

HOOFDSTUK I.

De „President Carnot”.

Het was zeer druk in de haven van Constanza, de voornaamste Roemeensche haven aan de Zwarte Zee.

De scheepvaart op deze grootste binnenzee van Europa had zich nog niet lang hersteld, sedert de oorlog voorbij was.

Het was dan ook niet verwonderlijk, dat alle reizigers, die zich naar een of andere havenstad moesten begeven, aan de kust van de Zwarte Zee gelegen, hetzij die tot Roemenië, Rusland, Bulgarije, Turkije of Klein Azië behoorde, zich letterlijk verdrongen om een plaatsje te krijgen op een van de weinige booten, die den dienst onderhielden.

Voor het meerendeel waren het oude booten, slecht in de verf en slecht onderhouden, met stoomketels, die ieder oogenblik den geest schenen te zullen geven en meestal zoo smerig, dat men zich in normale omstandigheden nog wel een paar maal bedacht zou hebben, alvorens zich aan boord van deze drijvende varkenskotten te begeven.

Thans echter was men maar al te verheugd, zich een plaats op een van deze schepen te verzekeren—in de flauwe hoop, dat men wel ergens een spoorwegaansluiting zou vinden, dat er bij toeval een trein zou loopen van de plaats af, waar men voet aan wal zou zetten.

In geheel Roemenië was het spoorwegverkeer nog altijd jammerlijk ontwricht.

Duizenden vervelooze personenwagens stonden kilometers ver op dood spoor—zonder dat iemand zich blijkbaar om hun lot scheen te bekommeren en zij werden er gezelschap gehouden door eenige honderden stijfgeroeste locomotiefen, waarvan het wel leek, of geen macht ter wereld meer in staat zou zijn, ze ooit weder in beweging te brengen.

Slechts van Boekarest naar de voornaamste plaatsen, waaronder Constanza, werd de dienst nog onderhouden, weliswaar verre van geregeld en men moest soms dagenlang op een plaats wachten, maar als er eenmaal een trein vertrokken was, dan bestond er groote kans, dat hij tenminste het einddoel wel eens zou bereiken. [2]

Geduld, en een groote mate van opgewektheid, benevens een schier onuitputtelijke beurs, dat was alles wat er van de reizigers verlangd werd.

Reeds gedurende eenige dagen, op de mare, dat van Constanza een schip naar Constantinopel zou vertrekken, hadden zich tal van reizigers uit Galatz, Braila, Boekarest, Roestschuk, Sadova en andere plaatsen in groote getale naar Constanza opgemaakt.

Daar zou in den vroegen morgen van een dag in het begin van den herfst, de „President Carnot” vertrekken.

Een groot Fransch stoomschip, dat in vroeger jaren van Brest op een Zuid Amerikaansche haven had gevaren, maar na de vredesluiting voor een goeden prijs aan een ondernemende Scheepvaartmaatschappij te Constanza was verkocht.

Met aanzienlijke kosten had men het schip, dat zeker wel een uitzondering vormde, geheel gerestaureerd.

Er waren drie klassen en men moest onder de zeer gegoeden behooren wanneer men de passage eerste klasse kon betalen.

De „President Carnot” volgde geen vaste route, maar voer nu eens hier, dan weder daarheen, al naar de behoefte zich deed gevoelen.

In den laatsten tijd was er bijzonder veel vraag geweest naar Constantinopel, en daarom zou het schip ditmaal naar de hoofdstad van Turkije trekken.

Men zou echter als tusschenstations de havens Varna en Burgas aandoen, niet alleen om reizigers aan boord te nemen, maar ook om diegenen af te zetten, die daartoe den wensch hadden te kennen gegeven.

Reeds zeer vroeg in den morgen begonnen de reizigers, die zich van te voren reeds van een plaatsbewijs hadden moeten voorzien, zich aan boord van de „President Carnot” te begeven.

Het groote schip lag aan een der voornaamste steigers gemeerd, en drie loopplanken onderhielden de verbinding met den vasten wal.

Nog zelden had men ergens ter wereld voor den oorlog zulk een zonderling allegaartje van reizigers kunnen opmerken, zelfs in de cosmopolitische havensteden als Bombay, New-York of Singapore.

Men trof er lieden van alle standen der Maatschappij—rijk gekleede Russen, die bijtijds hun land waren ontvlucht met stug gelaat, en die instinctief aansluiting bij elkander zochten, havelooze Roemeniërs die wilden trachten elders hun fortuin te beproeven, die hun eigen land waarschijnlijk niet meer kon onderhouden, Slovaken, Tsjechen, Bulgaren, Serviërs, Armeniërs, en voorts vertegenwoordigers uit alle landen van Europa.

Duitschers naast Franschen, Hongaren naast Engelschen, en natuurlijk ook de onvermijdelijke Amerikanen met hun als uit hout gesneden gezichten, hun houten pijp, en hun wijde reiskleederen.

De bagage leverde al een even bont schouwspel op—dure lederen koffers die wel bijna een burgerfortuin moesten hebben gekost, en armoedige bundeltjes, samengehouden door een rooden zakdoek, en aan een stok over den schouder gedragen, zware reismanden, en armelijke papieren handvaliesjes, die ieder oogenblik dreigden te barsten, zoo vol als men ze had gestopt.

Soms schreeuwend en scheldend, dan weer zwijgend en onverschillig al naar de landaard, baanden de reizigers zich een weg over de drie smalle loopplanken.

Onder hen bevond zich een drietal personen, die blijkbaar bij elkander hoorden.

De oudste hunner kon ongeveer 40 jaar zijn, tenminste wanneer men moest afgaan op zijn hoofdhaar, dat aan de slapen reeds een weinig begon te grijzen, ofschoon de schittering in zijn staalgrijze oogen op groote levenskracht en energie en onbuigzamen wil wees.

Deze man was gekleed in een stevig reiscostuum, van grijsgeruite stof, zijn hoofd was bedekt met een pet van dezelfde stof.

In zijn rechter oog was een monocle geklemd, dat daar wel vastgekit scheen te zijn.

Het gladgeschoren gelaat was lichtbruin.

Een zijner metgezellen was een jongeman van nog zeer jeugdigen leeftijd met een grijsgespikkeld reispak.

Hij had een vroolijk opgewekt gelaat, waarop nog geen enkel rimpeltje te bespeuren viel, groote blauwe oogen, die schitterden van levenslust en een eigenaardige blanke huid, waarop menige vrouw jaloersch geworden zou zijn.

Hij was bijna een hoofd kleiner dan zijn metgezel, en zooals zij daar naast elkander stonden, wachtend tot de eerste drukte en het gedrang voorbij zouden zijn, zou men ze wel voor vader en zoon hebben kunnen aanzien. [3]

De derde man eindelijk was een ware reus.

Hij was grooter dan de man met het grijze haar, en zijn geweldige schouders, zijn breede borst en zijn zware vuisten wezen op een geweldige kracht.

Deze drie mannen waren John Raffles, de lang gezochte „Groote Onbekende”, de vijand van de Londensche politie, de stoutmoedige gentleman-inbreker: de jonge man met de vroolijke blauwe oogen was zijn vriend Charly Brand, die in al zijn moeilijke avonturen deelde, en de reus met de breede schouders was James Henderson, de derde in het verbond, die den stoutmoedigen avonturier reeds menigmaal met levensgevaar had gered—een dienst evenwel, die hem telkenmale met woeker was terug betaald.

Het zal wel niet nader behoeven te worden verklaard, dat Raffles zich niet onder zijn eigen naam had laten inschrijven op de passagierslijst van de „President Carnot” en reisde thans onder den aangenomen naam van Graaf Palmhurst—een pseudoniem, wat hij meestal koos, wanneer hij gegronde redenen had, om te beletten, dat men te Londen navraag deed naar de verblijfplaats van Lord Aberdeen, onder welken naam de Groote Onbekende reeds lange jaren in de Regent street woonde.

Hoe hij hier kwam, wat hij hier deed, dat zullen de lezers weldra vernemen uit het verdere verloop van dit verhaal.

Nog een half uur en de boot zou moeten vertrekken.

„Wordt het niet haast tijd, Edward, dat wij ons aan boord begeven?” vroeg Charly, na een blik op zijn horloge te hebben geworpen.

„Nog een oogenblikje, Charly. Het is nog zeer druk op de loopplanken en ik vind het een belangwekkend gezicht, al deze menschen, vertegenwoordigers van minstens twintig nationaliteiten, langs me heen te zien trekken.”

„Interessant zijn zij zeker, maar je vergeet mijn opmerking, dat ik onder hen heel veel boeventronies ontdek, die mij niet zeer aanstaan,” mompelde Charly.

Raffles haalde glimlachend de schouders op.

„Dat komt, omdat wij hier op den Balkan zijn, mijn jongen. Die zoogenaamde boeventronies zijn hier als het ware inheemsch. Wij met onze manier om onze gezichten kaal te scheren, zijn al zeer spoedig geneigd, om iemand met baard en knevel te versieren met het epitethon „boeventronies”.

Maar let liever eens op de schilderachtige gewaden, die de mannen en vooral ook de vrouwen dragen. Ik wil er niet aan denken, dat er misschien ooit een tijd zal aanbreken, waarop al die kostelijke kleederdrachten tot het verleden zullen behooren. De hemel beware deze menschen voor den invloed van het Westen.”

„In dat opzicht moet ik je gelijk geven, Edward. Ik zou het zeer betreuren wanneer de prachtige, schilderachtige, nationale costuums van de Roemeensche, de Russische, de Grieksche en de Bulgaarsche vrouwen werden afgeschaft.”

„Zoover zijn wij gelukkig nog niet, mijn waarde,” hernam Raffles. „In ieder geval zal het onzen tijd wel uithouden.”

„Je blijft bij je voornemen, om tot het einddoel van de reis, Constantinopel, mede te gaan?”

„Ja, dat is het allerbeste. Wij hebben dan de meeste kans, weer in meer beschaafde streken te lande te komen.”

„Het klinkt misschien wat ondankbaar, Edward, maar ik zal den hemel danken, als het zoover is. Het is natuurlijk maar verbeelding van mij, maar ik heb het gevoel, alsof het hier op den Balkan stinkt naar uien, knoflook en slechte sigarettentabak.”

„Ik hoop, dat je indrukken zich niet daartoe beperken, Charly,” hernam Raffles met een flauwen glimlach. „Er is hier waarlijk wel iets meer en beters op te merken. Ik wil je echter halverwege tegemoet komen, en erkennen, dat het reizen op het Balkan schiereiland op dit oogenblik niet bepaald een vermaak is. En wanneer ik mij niet eens persoonlijk had willen overtuigen, hoe het met mijn huizen in Boekarest gesteld was, en wanneer ik hier niet een paar oude vrienden had willen bezoeken, dan zou ik waarschijnlijk op dit oogenblik niet staan te midden van een groep lieden, die, het moet gezegd, wel zeer sterk de geuren uitwasemen, welke je zooeven noemde.”

„Maar was er geen andere weg geweest om terug te keeren?”

„Misschien wel, maar ik kies met opzet den omweg over Constantinopel.”

„Waarom?”

„Wel, omdat Constantinopel als het ware aan den ingang van de Middellandsche Zee ligt.”

„En wat zou dat?”

„Kom, ik zal je maar niet langer laten vragen. [4]

Het was mijn plan eens naar onze arme duikboot om te zien, welke wij in de onderzeesche rots op de Afrikaansche kust in den steek hebben moeten laten, omdat op een zeer noodlottig tijdstip, toen wij achtervolgd werden door oorlogsschepen, onze schroefas ons in den steek liet.”

„Mijn hemel, dat ik dat kon vergeten,” riep Charly uit. „Het was anders geen zaak om zoo ligt in het vergeetboek te geraken, want het had maar weinig gescheeld, of het had ons hachje kunnen kosten. Het was een zeer gevaarlijke tocht, en als het geluk ons niet gunstig was geweest, dan zou het waarschijnlijk onze laatste geweest zijn.”

„Intusschen ligt onze arme „Bruinvisch” daar nu gewond in het geheime, groote hol, en het wordt hoog tijd, dat wij eens naar haar gaan omzien.”

„Ik kan mij volstrekt niet voorstellen, hoe je die boot nog ooit gerepareerd krijgt.”

„Dat zal je meevallen. De as bestaat uit verschillende deelen en het stuk waar de breuk plaats vond, is gemakkelijk te vervangen. Met behulp van Henderson, die zoo’n voortreffelijk monteur is, zal het een kwestie van een week zijn.”

„Maar dat stuk van de as?”

„Dat is kant en klaar te koop bij iederen fabrikant van groote motorjachten. Daarmede heb ik juist rekening gehouden met den bouw van de „Bruinvisch”.”

Terwijl de beide mannen met elkander zoo stonden te praten, minderde de stroom van reizigers merkbaar, en eindelijk konden zij zich op hun beurt aan boord begeven.

Reeds vele dagen van te voren had Charly, die meestal dergelijke dingen voor zijn rekening nam, een paar hutten der eerste klasse besproken.

Een hofmeester, die behalve Fransch, ook nog Engelsch, Duitsch, Russisch, Grieksch en Roemeensch bleek te kunnen spreken, wees hun met vele buigingen den weg, want zijn scherp oog had in hen dadelijk de schatrijke Engelsche of Amerikaansche toeristen meenen te herkennen.

Zoodra het uur van het vertrek had geslagen, groote uitzondering in dit land van wanorde en onregelmatigheid, werden de drie loopplanken ingehaald, de stoomfluit liet een snerpend gefluit hooren, de beide schroeven sloegen het gele water tot schuim, en langzaam verliet de „President Carnot” de pier. [5]