[Inhoud]

HOOFDSTUK II

In handen der Bolsjewisten.

Het was een verrukkelijke morgen, doch buitengewoon warm voor den tijd van het jaar, en de meeste reizigers bevonden zich dan ook aan dek.

Het bleek Raffles al spoedig, dat de boot niet bijzonder veel behoefde onder te doen, wat weelderige inrichting betreft, voor hare zusters in West-Europa.

De eetzaal was zeer groot, en ontving haar licht door een reusachtigen koepel.

De wanden waren versierd met paneelen, op den vloer lag een wijnrood tapijt en men kon daar dineeren aan tafeltjes van verschillende grootte, bestemd voor groote gezelschappen, maar ook voor groepjes van twee, vier en zes personen.

De hutten der eerste klasse waren uitstekend ingericht, en aan alles kon men merken, dat de scheepvaartmaatschappij er op gerekend had, zeer rijke en verwende reizigers aan boord te krijgen.

En na het eerste ontbijt bleek het reeds, dat ook voor den inwendigen mensch goed gezorgd was.

Het eenige wat men de „President Carnot” zou kunnen verwijten, was, dat zij wel wat heel langzaam liep—maar dit was een wijze voorzorgsmaatregel van den kapitein, die heel goed wist, dat vele gedeelten van de Zwarte Zee nog steeds onveilig werden gemaakt door losgeslagen, drijvende mijnen, die ten tijde van den oorlog waren uitgezet door de Russen, zoowel als door de Turken.

De bemanning bestond voor het meerendeel uit Roemeniërs, maar de kapitein was een Franschman, die vele jaren in Roemenië had geleefd, en de taal des lands volkomen machtig was.

Zoodra Raffles en Charly zich hadden overtuigd, dat hun bagage in de hutten was gebracht, begaven zij zich naar het dek, om te genieten van het verrukkelijk schouwspel, dat zich aan hun blikken vertoonde.

Onder het lichtblauwe uitspansel, waaraan slechts een enkel wit wolkje voortdreef, teekende zich de heerlijke kust af van de Dobroedcha met haar dichte wouden, haar groene heuvels en haar weelderige akkers, die hier meestal tegen de hellingen der bergen zijn aangelegd.

Langzaam gleed de boot over de golven en vaak doemde een kleine stad op, uit louter witte huizen bestaande, als een Fata Morgana, daar er een zeer lichte nevel over het water hing, die de gewoone scherpte aan alle omtrekken en vormen ontnam.

Er was op gerekend, dat de tocht naar Constantinopel ongeveer drie dagen zou duren.

Op den eersten dag, laat in den avond, zou men Varna aandoen, in den middag van den tweeden dag Burgos, en in beide havensteden zou men niet langer dan een vol uur blijven liggen.

Reeds was men al Adjidja en Tusla voorbij gevaren en beide steden waren duidelijk zichtbaar geweest, want de boot bleef op slechts korten afstand van de oevers.

Omstreeks half twee in den middag werd het middagmaal opgediend en Charly, die tamelijk verwend en een soort smulpaap was, moest erkennen, dat het weinig te wenschen overliet—er waren abrikozen—er was zelfs Rijnwijn.

Hij wist echter ook, dat Raffles dan ook een verbazend groote som voor de passage had moeten betalen, al was het dan waar, dat die som heel wat zou slinken, wanneer zij eenmaal werd opgerekend in Engelsche ponden. Toen de beide vrienden de eetzaal weder verlaten hadden, Henderson had volgens zijn onveranderlijke gewoonte in het volkslogies gedineerd, begaven zij zich weder naar het dek om daar hun sigaret te rooken.

Talrijke passagiers hadden desgelijks gedaan en men zag nu deftige Turken met de roode fez op hun [6]hoofd, rijk geworden Grieken, en anderen langzaam rondwandelen, genietend van het heerlijke weder.

„Het is merkwaardig,” zeide Charly na eenigen tijd op zachten toon. „Maar ik zie die boeventronies ook onder de passagiers van de eerste klasse.”

Raffles haalde de schouders op en zeide:

„Je vergeet steeds, dat wij hier niet in het Westen van Europa zijn. De teint der menschen is eenmaal anders en wat wij in Engeland een ongunstig uiterlijk zouden noemen, dat noemt men onder de Slaven zeer waarschijnlijk een heel goed gezicht. Intusschen er is een kern van waarheid in je bewering. Reeds in de eetzaal heb ik een paar mannen opgemerkt, van wie een politierapport zou gewagen, dat het waren „als heer gekleede personen”, die er wel een weinig afschrikkend uitzagen, met hun zwarte, verwarde baarden en ongekamde haren en een woesten blik.”

Raffles had deze opmerking nauwelijks gemaakt of de beide vrienden wendden zich verschrikt en verrast om—op de voorplecht hadden zij snel achter elkaar een paar schoten meenen hooren vallen.

„Wat was dat?” vroeg Charly verrast, terwijl hij Raffles verwonderd aankeek.

„Het klonk alsof er geschoten werd. Misschien een veete tusschen een paar leden van de bemanning.”

Maar weer had Raffles nauwelijks uitgesproken, of daar klonken opnieuw, nu reeds wat dichter bij, drie scherpe knallen.

„Maar voor den drommel, daar heeft een geregeld gevecht plaats,” riep Charly verschrikt uit. „Laten wij spoedig eens gaan kijken.”

Zij snelden over het breede promenade-dek van de voorzijde van het schip en op hun weg daarheen ijlden verscheidene reizigers hen bleek en zeer ontsteld tegemoet.

„Wat is er toch aan de hand?” vroeg Charly nu werkelijk in de hoogste mate ongerust, zonder dat hij zichzelf kon begrijpen waarom.

„Ik weet het niet beter dan jij, Charly,” antwoordde Raffles een weinig ongeduldig.

Hij trachtte een paar van de passagiers onder het voortsnellen staande te houden, maar dezen rukten zich los, en ijlden voort alsof zij een groot gevaar te duchten hadden.

Raffles en Charly waren nu bijna de commandobrug genaderd, en toen geschiedde er iets, dat hun aanstonds den geheelen ernst van den toestand maar al te duidelijk onder het oog bracht.

Een vijftal mannen kwam snel aanstormen en allen waren met groote Mauserpistolen gewapend, die van zeven tot negen schoten kunnen afvuren, zonder opnieuw te worden geladen.

Twee hunner bestormden de commandobrug aan de eene zijde, de drie anderen snelden de trap aan den anderen kant op.

En tegelijkertijd klonk een kreet over het schip, die dadelijk den geheelen toestand ophelderde:

„De Bolsjewisten!”

Raffles en Charly bleven een oogenblik verstomd staan, zoo zeer had deze plotselinge gebeurtenis hen verrast. Toen zij tot het besef kwamen van de werkelijkheid, scheen het reeds te laat te zijn, om handelend op te treden.

De Bolsjewisten, of wat zij dan ook zijn mochten, hadden alles van te voren blijkbaar tot in de minste onderdeelen geregeld.

De vijf mannen, die de campagne waren opgesneld, hadden zich in een ommezien meester gemaakt van den kapitein en van den roerganger.

De tweede stuurman was zoo onvoorzichtig, zich te willen verzetten, en dit kostte den ongelukkige het leven. Een kogel uit een der Mauserpistolen velde hem neer. De kapitein, de stuurman en nog een officier, die zich op de brug hadden bevonden, werden gebonden en onmiddellijk namen twee der bandieten hun plaats in.

Want dat men hier met roovers te doen had, wat of wie zij dan ook waren, dat stond maar al te vast.

Dit alles was zoo vlug in zijn werk gegaan, dat Raffles en Charly nauwelijks tot het besef waren gekomen, van wat er eigenlijk geschiedde. Maar toen riep Raffles ook uit:

„Vervloekt. Zullen wij dit zoo maar dulden?”

Hij bracht reeds de hand naar zijn zak, maar de arm was nog niet geheel gedaald, of hij voelde zijn pols vast grijpen door sterke vuisten.

Hij wendde zich snel om en keek in het woeste gelaat van een man, dien hij aanstonds herkende als een van de lieden, op wie in de eetzaal zijn aandacht was gevallen. Hij trachtte zich los te rukken, maar dadelijk was er een andere bandiet bij de hand, die hem den loop van de revolver tusschen de ribben drukte en in slecht Engelsch uitriep: [7]

„Geen beweging, of wij schieten.”

Tegelijk stak hij zijn hand in den zak van Raffles, en haalde er een kleine revolver uit, die hij over boord wierp.

Daarna onderging Charly hetzelfde lot.

Intusschen hadden op verschillende plaatsen van het groote schip dezelfde tooneelen plaats.

Men had het echter in de eerste plaats op de bemanning voorzien, die uit ongeveer zestig koppen bestond.

De ongewapende mannen konden gemakkelijk overmeesterd worden, onder de bedreiging der Mauserpistolen werden zij door een twintigtal Bolsjewisten bijeen gedreven en in het volkslogies opgesloten, waarvoor een der bandieten de wacht hield.

Het was onmogelijk te zeggen, waar de bandieten zoo eensklaps vandaan kwamen.

Het moesten er minstens veertig of vijftig zijn, en zij waren allen juist op dezelfde wijze gewapend.

Reeds aanstonds hadden zij een paar leden van de bemanning, die tegenstand hadden durven bieden, lafhartig neergeschoten en de ongelukkigen hadden hun verzet met den dood moeten boeten—hun bloed verfde de witte planken van het voordek rood.

Terwijl dit geschiedde en de bemanning machteloos was gemaakt, verspreidden de Bolsjewisten zich over het geheele schip en zij hadden al zeer weinig moeite met de passagiers, die zoodanig door den schrik als het ware verlamd waren, dat verreweg de meesten er niet aan dachten, eenig verzet te plegen, hetgeen reeds aanstonds uitgesloten was voor degenen, die ongewapend waren.

Een paar Franschen, wier noodlot wilde, dat zij een kleine Browning bij zich droegen, en die ieder een Bolsjewist hadden neergelegd, werden aanstonds door zeven of acht kogels gedood.

En hierdoor werd zulk een schrik verwekt, dat de passagiers zich zelfs niet meer durfden bewegen.

Velen werden in hun hutten opgesloten, anderen werden weer op het achterdek bijeen gedreven, en de rest werd in bedwang gehouden in de groote eetzaal, de rookzaal, of de bibliotheek. Aanstonds waren de Bolsjewisten begonnen, hun slachtoffers te fouilleeren.

Ook dit geschiedde volgens een blijkbaar vooraf beraamde methode.

Paarsgewijze stroopten de Bolsjewisten als het ware het geheele schip af.

Terwijl de een met opgeheven Mauser den doodelijk ontstelden passagier in bedwang hield, onderzocht de ander zijn zakken en stopte alles van waarde, dat hij daarin vond, in een grooten linnen zak, die al verdacht veel geleek op een postzak, welke de bandieten waarschijnlijk elders hadden gestolen.

Sommige passagiers hadden een wapen bij zich, en in alle gevallen werd hen dit afgenomen en aanstonds over boord geworpen. [8]