[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

De aftocht.

Een groep van vijf Bolsjewisten had zich dadelijk naar de kajuit van den kapitein begeven en zich daar meester gemaakt van alle geldswaardige papieren welke zij er aantroffen en die den opperbevelhebber in bewaring waren gegeven door angstige passagiers.

Het was nog volkomen dag, toen dit alles plaats greep en men moest zich verwonderen over de stoutmoedigheid van de bandieten, die zich niet ontzagen, een schip van ruim zes duizend ton, met meer dan drie honderd en zestig passagiers aan boord, en om zoo te zeggen in het gezicht van de kust, leeg te plunderen.

Het spreekt vanzelf, dat sommige van de passagiers er aanstonds aan gedacht hadden, den marconist te waarschuwen, opdat deze het s.o.s.-sein zou kunnen geven, waarop waarschijnlijk aanstonds hulp zou komen opdagen, maar ook hierop bleken de Bolsjewisten bedacht te zijn geweest, want de marconist was een der eersten die door de kerels overvallen en machteloos gemaakt was.

Zij waren zijn cabine binnen gedrongen, en hadden hem met een hevigen vuistslag neergeveld, vóór hij wist wat er geschiedde.

Aanstonds hadden de bandieten daarop het toestel voor het afzenden van radiografische berichten onbruikbaar gemaakt.

Er was nog geen half uur verloopen, sedert de eerste schoten gevallen waren, en op dat tijdstip was het schip letterlijk kaal geplunderd.

In de eerste en de tweede klasse hadden de Bolsjewisten letterlijk geen kast ondoorzocht gelaten en wat gesloten was hadden zij met behulp van bijlen en koevoeten met geweld geopend.

Hier en daar hadden zich reizigers onder de smalle bedden of de canapé’s verstopt, maar zij werden bijna allen ontdekt, en niet alleen nam men hen alles af, maar tot straf werden zij bovendien nog mishandeld ook.

Wat Raffles en zijn twee metgezellen betreft, zij hadden er niet aan kunnen denken, tegenstand te bieden.

Henderson had te doen gekregen met een troep van twaalf Bolsjewisten.

Hij bevond zich op dat oogenblik juist op weg naar zijn meester, want hij hield zich meestal op het voordek op, het verblijf van de tusschendekspassagiers.

Door zijn drift verleid, en aanstonds begrijpende, wat er aan de hand was, had hij een paar van de bandieten neergeslagen, maar bijna was hem dit slecht vergaan, en als zijn aanvallers niet geweten hadden, dat hij in dienst was van den schatrijken edelman, dan was het wel mogelijk geweest, dat hij zijn stoutmoedigheid met den dood had moeten betalen.

Nu bepaalden de Bolsjewisten zich er toe, hem bij tien tegelijk te overvallen en met sterke touwen te binden.

Een oogenblik had Raffles gehoopt, dat hij de passagiers zou kunnen verzamelen en hen zou kunnen bewegen tegen de Bolsjewisten op te rukken—minder vanwege hun bezittingen dan wel ter wille van zijn eigen beurs.

Hij moest hiervan echter spoedig afzien, want de passagiers waren letterlijk verlamd van schrik, en durfden zich bijna zelfs niet bewegen.

Daarenboven hadden de bandieten hun aanstonds de wapens afgenomen—en al vormden de passagiers een numerieke overmacht—zonder wapens zouden zij toch niets kunnen uitrichten tegen de roovers.

Raffles en Charly hadden zich dus kalm in hun lot [9]geschikt—tezamen ongeveer 2000 pond sterling armer, welke som zij in Engelsch bankpapier bij zich hadden.

Met een aantal andere reizigers waren zij opgesloten in de rookkamer.

Voor de deur hoorden zij de zware stappen van twee mannen, die daar heen en weer liepen en de wacht hielden.

„Wat zouden zij nu eigenlijk van plan zijn?” vroeg Charly nu op zachten toon aan Raffles.

„Vermoedelijk zullen zij wel van het schip worden afgehaald, Charly,” antwoordde Raffles.

„Waarom?”

„Omdat zij het wel zullen laten een of andere haven binnen te loopen. Dat is natuurlijk veel te gevaarlijk, want zij zouden wel eens geen tijd kunnen hebben om te vluchten met al het geroofde goed.”

Op dit oogenblik klonk het geraas van de beide schroeven veel onduidelijker en de reizigers kregen den indruk, alsof de „President Carnot” langzamer voer, en tenslotte bijna stil lag.

Men scheen alleen wat vaart in het schip te houden om het zijn bestuurbaarheid niet te laten verliezen.

„Wat voeren zij nu uit?” riep Charly verwonderd. „Ik geloof dat wij stil liggen.”

„Stil liggen niet, mijn waarde, maar het scheelt toch niet veel,” hernam Raffles. „Je ziet dat het al duister wordt en ik denk dat de bandieten de machines tijdelijk hebben stop gezet in de hoop, dat zij dan het geraas zullen hooren van het schip dat hen komt afhalen.”

Een paar malen werd deze manoeuvre herhaald—telkens voer de „President Carnot” een weinig verder om dan weer stil te liggen.

Eenige keeren hadden de reizigers een korten stoot uit de stoomfluit gehoord—klaarblijkelijk een sein.

Het was duidelijk, dat Raffles gelijk had, en dat de boot, die de bandieten van het schip moest halen, over haar tijd was, of de „President Carnot” niet had kunnen vinden.

In het vooronder was de toestand bijna even gedrukt en neerslachtig als in de zalen van de eerste en tweede klasse.

Van de schepelingen was weliswaar niets afgenomen, met uitzondering van de officieren, maar de matrozen vreesden, dat de Bolsjewisten het schip misschien zouden laten zinken, wanneer zij het verlieten.

Henderson lag een weinig afgezonderd, stevig met touwen gebonden, en wierp grimmige blikken om zich heen.

Een paar maal had hij eenige matrozen in de buurt verzocht, zijn touwen los te maken, maar de stakkerds hadden zulk een heilige vrees voor de Mauserpistolen, zij hoorden de voetstappen van de beide wachtposten zoo duidelijk, dat geen hunner het waagde.

Maar Henderson was er de man niet naar, om zich zonder meer goedschiks de mindere te verklaren van een troep bandieten.

Hij wilde weten wat er met zijn meester geschied was en hij zou het weten.

De reus begon dus naar een middel om te zien, om zich van de touwen te bevrijden en eindelijk had hij iets ontdekt.

De twee smalle en zeer lange tafels, waaraan het scheepsvolk den maaltijd gebruikte, waren met ijzeren pooten in den bodem bevestigd.

Die pooten waren vervaardigd van zoogenaamd T-ijzer en hadden dus een tamelijk scherpen kant.

Niet zonder moeite wist Henderson, op zijn rug liggend, een van deze pooten te bereiken en aanstonds begon hij met het grootste geduld, op de knieën liggend, het touw, dat zijn armen tegen zijn lichaam gedrukt hield, en dat ruim een duim dik was, tegen de scherpe kanten op en neer te wrijven.

Hij moest daarvoor voortdurend het lichaam op en neer bewegen, en dit was zoo vermoeiend, dat hij iedere vijf minuten moest ophouden, om van houding te veranderen.

Na een tijd van ongeveer een half uur ingespannen arbeid, waarbij de matrozen bleek en werkeloos toekeken, kon hij met een forschen ruk het stuk gerafelde touw lostrekken.

Nu kwamen zijn polsen aan de beurt, en dit ging heel wat vlugger.

Een kwartier later waren zijn handen bevrijd.

Henderson wreef de gekneusde polsen eens duchtig, maakte toen de touwen, die zijn knieën en enkels bijeen hielden los en bromde intusschen:

„Ik wil niemand beleedigen, maar als hier Engelsche bemanning aan boord was geweest, dan zouden die kerels zich wel anders gedragen hebben. Het lijkt waarachtig wel, of ik in een Zondagschooltje verzeild ben geraakt. Kijk me nou die lui eens als dooie dienders kijken, of hun laatste oortje versnoept is.” [10]

Nu gebiedt de waarheid om te verklaren, dat Henderson dit onmogelijk goed kon zien, want de duisternis was bijna zoo goed als geheel gevallen en in het groote logies brandde geen lamp.

En toch had er een kunnen branden, want daartoe behoefde men eenvoudig den schakelaar van het electrisch licht om te draaien.

Henderson begreep dit ook, en geduldig ging hij op zoek naar dien schakelaar, daar hij niet verkoos het woord te richten tot de „kostschooljuffies” zooals hij de verschrikte matrozen noemde.

Eindelijk had hij dit kleine voorwerp ontdekt, en het volgend oogenblik was het logies helder verlicht.

Maar de beide wachtposten daarbuiten schenen dit gemerkt te hebben en een barsche stem schreeuwde een bevel door de gesloten deur.

„Wat brult die kerel daar?” wilde Henderson weten. „Heeft hij het tegen ons?”

Een van de matrozen, die het dichtst bij hem stond en die blijkbaar een weinig Russisch verstond, knikte haastig met verschrikte oogen en wilde reeds de hand naar den schakelaar uitstrekken.

Maar Henderson greep die hand vast, zoodat de man een pijnlijk gezicht trok en vroeg op gedempten toon:

„Wat moet dat beteekenen. Wil je daar wel eens met je vingers afblijven, vriend?”

De man kende geen woord Engelsch, maar hij begreep blijkbaar de beteekenis van de vraag, want hij wees achtereenvolgens op den schakelaar en op het electrische licht.

Henderson was vlug van begrip en riep dan ook uit:

„O, is dat de zaak! Een van die zwarte schobbejakken, die zoo vreeselijk naar kaarsvet en uien ruiken, heeft zeker bevolen dat het licht weer moet worden uitgedraaid, nietwaar? Nu, als hij het weer uit wil hebben, moet hij het zelf maar komen uitdraaien.”

De matroos wilde blijkbaar nog iets zeggen, maar Henderson legde hem zijn zware hand met zooveel nadruk op den mond, dat zijn protesteerende stem verstierf tot een kinderachtig gebabbel, hetwelk niemand kon verstaan.

Henderson drukte nog een weinig harder met het gevolg, dat de man op den grond kwam te zitten en voor de rest slechts een welwillend toeschouwer bij het drama kon worden genoemd.

De andere matrozen hadden verschrikt toegekeken, maar durfden zich niet bewegen.

Toen vloog de deur open en de beide Bolsjewisten verschenen op den drempel.

Hun verschijning was echter van zeer korten duur, want hun noodlot wilde, dat de deur naar binnen openging.

Het was een ijzeren deur en Henderson stond er achter …

De beide Bolsjewisten, de revolver opgeheven en dreigend om zich heen ziende, deden een stap in de kamer.

En verder dan dien eenen stap zouden zij niet komen.

Want Henderson wierp de deur met zooveel geweld weder dicht, dat zij als het ware de beide bandieten wegveegden, van de been sloeg, en met geweld achterover in de gang deed tuimelen.

Henderson had dadelijk de deur weder open gerukt, en voor de twee schelmen weder overeind waren gekrabbeld had hij hen vastgegrepen.

Voor iedereen, die Henderson kende, zou deze aanduiding voldoende zijn geweest.

Het beteekende, dat de beide Bolsjewisten eenige seconden later niets meer wisten van hun bestaan en als een pak vodden in den hoek van het volkslogies lagen, met bebloede koppen, wezenlooze blikken en zonder besef van wat er om hen heen voorviel.

Toen Henderson dit werkje in enkele seconden had opgeknapt en de twee Mausers in zijn zak had laten glijden, steunde hij even de handen in de zijde, keek om zich heen en riep toen met stentorstem uit:

„Wie gaat met mij mee naar boven om even schoon schip te houden?”

Niemand antwoordde—ofschoon zeker de meeste matrozen de beteekenis van de vraag wel begrepen hadden, toen Henderson zich verduidelijkte door met uitgestrekte handen naar de openstaande deur te wijzen.

En in de stilte die nu volgde klonk eensklaps weder de stoomfluit die nu snel achter elkaar drie stooten liet hooren.

„Wat beteekent dat nu weer?” vroeg Henderson in zichzelf.

Hij snelde de smalle gang in, liep haar ten einde—en stond voor een ijzeren deur die op slot was.

Tevergeefs rukte hij er aan. [11]

Hij ijlde de gang weder terug, sloeg een dwarsgang in, liep een trap af—verdwaalde in de benedenste ruimen van het groote schip, moest weder terug, probeerde nog een aantal andere gangen en trappen—en toen hij eindelijk het dek bereikte begreep hij de beteekenis van die drie stooten op de stoomfluit.

Het was een waarschuwingssein geweest voor de Bolsjewisten aan boord, om zich te verzamelen.

Op een kabellengte van het schip verwijderde zich snel een motorboot, van de grootste soort, die gemakkelijk zestig of zeventig personen konde bevatten.

Op het dek meende Henderson in de duisternis eenige witte vlekken te ontdekken, het leken wel de witte japonnen van vrouwen.…

Henderson slaakte een kreet van woede, en trad op Raffles toe, die met bleek gelaat naar de snel wegvarende motorboot keek.

Met luid geraas ontsnapte aan de flank van het groote schip een dikke witte rookpluim.

„Moeten wij dat zoo maar toelaten, Mylord,” riep de brave reus uit, met de hand aan de kolf van zijn Mauserpistool.

„Wij kunnen niet anders Henderson—de schurken hebben den stoom afgeblazen voor zij het schip verlieten en wij zouden het eerste uur slechts met halve kracht kunnen varen”.

„Maar waar is mijnheer Brand, Mylord?” vroeg Henderson op gedempten toon. „Ik zie hem niet.”

„Mijnheer Brand … bevindt zich aan boord van gindsche motorboot,” antwoordde Raffles op ernstigen toon. [12]