Henderson keek Raffles eenige oogenblikken met strak gezicht aan, en hernam toen:
„Is hij als gevangene mede gevoerd, Mylord?”
„Neen—hij heeft zich vrijwillig aan boord begeven.”
„Maar dan loopt hij het grootste gevaar.”
„Hij loopt zeker gevaar—maar minder dan je denkt. Hij bevindt zich aan boord onder een vermomming—hij is daar als vrouw. Je weet hoe voortreffelijk mijnheer Brand de rol van een vrouw weet te spelen.”
„Maar Mylord—ik begrijp er niets van,” opperde Henderson. „Mijnheer Brand was toch volstrekt niet als vrouw verkleed, hoe kwam hij zoo spoedig aan de kleederen, aan de pruik, en alles wat hij noodig had?”
„Het toeval is ons daarbij gunstig geweest, vriend. Aan boord bevond zich een klein troepje tooneelspelers dat zich naar Turkije wilde begeven en de meesten hadden hun pruiken en schmink als hutbagage bij zich. Wij werden in de rookkamer opgesloten met bijna tachtig man en eenige vrouwen, die kans hadden gezien hun weinige bagage mede te nemen naar dat vertrek. Onder haar bevonden zich een paar tooneelspeelsters, en dat bracht mijnheer Brand op het denkbeeld zich verdienstelijk te maken. Wij hadden namelijk gillen hooren slaken—en wij begrepen wel dat de schurken voornemens waren eenige van de schoonste vrouwen te ontvoeren.”
„Maar Mylord—kon dat niet belet zijn geworden?” riep Henderson woedend uit. „Er waren toch een massa passagiers aan boord?”
Raffles haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde toen:
„Al die menschen waren als verlamd van schrik, ik heb nooit geweten dat een paniek zoo aanstekelijk kon werken. Niemand hunner scheen in staat te zijn geregeld te denken en hun vrees was zoo groot, dat zij niet alleen volstrekt niet naar mij wilde luisteren, toen ik hen vermaande zich te weer te stellen, maar zelfs dreigden mij aan de Bolsjewisten te zullen verraden.”
„Dat is—dat is ongeloofelijk,” zei Henderson tandenknarsend. „Ik hoop voor de eer van het land, Mylord, dat er aan boord weinig Engelschen zijn.”
„In de rookkamer waren er vijf of zes, Henderson, en ik ben wel verplicht om te zeggen, dat zij zich volstrekt niet moediger gedroegen dan de rest. Voor de deur van de rookkamer stonden twee gewapende bandieten en later kwamen er nog twee bij. Wij zouden volkomen nutteloos ons leven geofferd hebben, mijnheer Brand en ik, als wij hadden willen trachten die schurken met geweld de baas te worden. Maar Charly had een van de tooneelspelers terzijde genomen—en een oogenblik later zag ik hoe hij zich in een afgelegen hoekje haastig begon te verkleeden. Je weet hoe bijzonder mijnheer Brand in dergelijke zaken is. Het duurde geen tien minuten, of hij had zich met behulp van een pruik, vrouwenkleeren, schmink tot een bevallige jongedame weten te veranderen.”
„Maar met welk doel, Mylord. Met welk doel?” vroeg Henderson.
„Slechts met het doel, Henderson, aan boord te komen van de boot, welke wij reeds in de verte door de kleine patrijspoorten hadden zien naderen, toen de duisternis nog niet geheel gevallen was.”
„En—wat geschiedde er toen, Mylord?”
„Wel, de motorboot kwam langszij liggen, de stoomfluit weerklonk drie malen en dadelijk daarop hoorden wij haastige voetstappen zich verwijderen, het waren onze wachtposten, die zich gingen inschepen. [13]Nogmaals trachtte ik mijn metgezellen te overtuigen, dat het thans misschien mogelijk zou zijn, ons met ons allen op de Bolsjewisten te werpen, die zich nu in een ongunstige positie bevonden, maar hazen hadden niet vreesachtiger kunnen zijn.”
„En mijnheer Brand?”
„Wij hadden reeds een korte afspraak gemaakt en hij opende dadelijk de deur zoodra de voetstappen van onze bewakers niet meer hoorbaar waren. Toen moet hij het dek op een snellere wijze bereikt hebben dan de Bolsjewisten, tenminste toen ik op mijn beurt kwam zag ik dat zijn krijgslist gelukt was.”
„Maar ik heb toch nog meer vrouwen aan boord gezien van die motorboot?” drong Henderson aan.
„Zoo is het, Henderson,” zeide Raffles op doffen toon. „Wij stonden machteloos—de ongelukkigen bevonden zich reeds aan boord van de motorboot, toen wij het dek bereikten, het zou volkomen nutteloos zijn geweest, zelfs al hadden wij niet te doen met lafaards, om tegenstand te bieden want met hun Mauserpistolen hadden de Bolsjewisten een vreeselijke slachting onder de passagiers kunnen aanrichten.”
„Ik begrijp het, Mylord—maar het is toch vreeselijk. Die arme vrouwen. Wat zal hun lot zijn?”
„Hun lot is maar al te zeker, Henderson, als wij tenminste niet tijdig tusschenbeide kunnen komen,” antwoordde Raffles. „Zij zullen slechts een speeltuig zijn in de handen van de ellendelingen.”
„Maar op welke wijze zullen wij de ongelukkigen nog kunnen redden?” riep Henderson wanhopig uit.
„Ik hoop, dat mijnheer Brand ons daarbij van groot nut zal kunnen zijn, Henderson. Hij is bijzonder slim en misschien weet hij wel een middel, om de plannen van de schavuiten te dwarsboomen. In ieder geval zal hij in de eerste haven waar zij voor anker gaan een draadloos bericht zenden naar een Roemeensche haven. En dan zullen de Roemeensche autoriteiten zich wel haasten, een oorlogsschip op die roovers af te zenden.”
„Maar dan krijgen zij het misschien met de regeering te Moskou aan den stok.”
„Als de regeering te Moskou dergelijke schurken de hand boven het hoofd houdt, Henderson, dan is het te wenschen dat het Bolsjewisme spoedig met wortel en tak wordt uitgerukt,” riep Raffles op heftigen toon uit. „Moge de Roemeensche regeering nog maar een oogenblik aarzelen—dan zullen wij drieën eens zien, waartoe wij in staat zijn.”
„Zoo mag ik het hooren, Mylord,” riep de reus, met schitterende oogen. „Het zou verschrikkelijk zijn, als wij die ellendelingen maar kalmpjes hun gang lieten gaan.”
Dit gesprek had plaats gevonden dicht bij de verschansing en afgezonderd van de overige opvarenden.
Intusschen was er aan boord van het schip weer groote bedrijvigheid ontstaan.
De matrozen, van hun schrik bekomen, nu het gevaar geweken was, verspreidden zich weder over het schip, de kapitein, de officieren, namen hun posten weder in en dadelijk begon men alles in het werk te stellen, om de installatie tot het verzenden van draadlooze telegrammen weer in orde te brengen.
De chef-machinist was met zijn helpers naar de machinekamer gesneld, had de buis weder afgesloten, waardoor de stoom ontsnapte en had dadelijk bevel gegeven, de waterketels bij te vullen en zooveel mogelijk steenkolen op de haardvuren te werpen, teneinde het schip in staat te stellen, ten spoedigste zijn reis voort te zetten.
De reizigers hadden zich naar hun hutten begeven, teneinde zich te overtuigen van de geleden verliezen en nu hoorde men overal jammerklachten opgaan.
In bijna alle talen der wereld hoorde men schreeuwen, en vooral veel vloeken.
Deze had tien duizend piasters verloren, gene honderd duizend roebels, weer een derde verklaarde dat men hem voor een waarde van 12 000 pond sterling aan diamanten had ontstolen—en zoo klonk de klacht over het geheele schip.
Een troep sprinkhanen had een bloeienden akker onmogelijk zoo kaal kunnen vreten als de Bolsjewisten het de „President Carnot” hadden gedaan.
Maar vreeselijk was de toestand van een paar ongelukkige echtgenooten en vaders, die tot de ontdekking waren gekomen, dat men hun vrouwen en dochters had ontvoerd.
Er mankeerde vijf vrouwen, twee Armenische, twee Françaises en een Duitsche, wier opvallende schoonheid aan boord dadelijk de aandacht had getrokken, de achttienjarige dochter van een handelaar uit Hamburg, Heinrich Teichmann geheeten, een rijke weduwnaar, wiens eenig kind zijn oogappel was.
De ongelukkige man verkeerde in een toestand die voor zijn verstand moest doen vreezen en het gelukte [14]pas aan Raffles met veel moeite, om hem weder eenigszins tot bedaren te brengen.
Tot tweemaal toe had de ongelukkige vader een poging gedaan om zich in de golven te werpen, met het krankzinnige plan de snelle motorboot achterna te zwemmen.
Hij zat nu, met Raffles aan zijn zijde, in zijn hut en keek met starenden blik voor zich uit, den mond krampachtig vertrokken.
Het bleek al spoedig dat het toestel voor draadlooze telegrafie zoo grondig vernield was, dat het zeker een paar dagen zou duren, voor de reservedeelen op hun plaats waren gebracht.
Men behoefde er dus niet aan te denken, zich op die wijze in verbinding te stellen met een der kustplaatsen.
Het eenige mogelijke was, de dichtstbijzijnde haven binnen te loopen—in dit geval Mangatis, een kleine plaats op een honderdtal kilometers in rechte lijn van Varna gelegen.
Zoo werd ook besloten en om elf uur in den avond liet het groote schip op de reede van de genoemde stad het anker vallen.
Mangatis bezit geen haven, groot genoeg om schepen van een lengte en een diepgang van de „President Carnot” te herbergen en zoo moest het schip wel buitengaats voor anker gaan.
Onmiddellijk werd echter de kleine stoombarkas uitgezet, die met den eersten officier, den scheepsdokter en acht matrozen bemand zoo spoedig mogelijk koers zette naar de haven teneinde de autoriteiten op de hoogte te brengen van het voorval, dat zich zooeven als het ware in het gezicht van de stad had afgespeeld.
Dadelijk werd de telegraaf in werking gesteld en naar alle havensteden in de Zwarte Zee, voor zoover zij langs den draad te bereiken waren, werden telegrammen verzonden.
En nu kon men verder niet veel anders doen dan het resultaat afwachten, al begrepen alle opvarenden van de mailboot wel, dat de kans om nog iets van hun bezittingen terug te zien, bitter klein was.
Raffles had met Charly een afspraak gemaakt, dat hij in ieder geval te Varna aan wal zou gaan met Henderson.
Het had thans geen doel om tot Constantinopel door te gaan en Raffles wilde zoo dicht mogelijk in de buurt blijven van het schouwtooneel van den overval.
Varna is een zeer groote, en uitstekend ingerichte haven en vandaar zou hij spoedig genoeg naar een andere stad op de kust van de Zwarte Zee kunnen gaan, zoodra zulks noodzakelijk mocht blijken.
In ieder geval dacht Raffles er geen seconde aan, zich goedschiks te schikken in het verlies van zijn reispenningen.
Niet zoodra had Raffles zich met Henderson te Varna ontscheept, of hij stelde zich in verbinding met de stedelijke autoriteiten om zijn beklag te doen en te verzoeken hem dadelijk op de hoogte te brengen, indien er eventueel en onverhoopt toch nog een telegram van een der havensteden aan de Zwarte Zee mocht worden ontvangen.
Daarop ging hij met Henderson een hotel aan de haven opzoeken—en het was ditmaal geen groot hotel.
Zelfs had Raffles, om aan geld te komen, teneinde zijn logies te kunnen betalen, zijn toevlucht moeten nemen tot den lommerd, en door Henderson een van de kleine diamanten, die hij steeds in geval van nood in de hak van een zijner laarzen verborgen hield, laten verpanden.
De opbrengst van den kostbaren steen zou in ieder geval wel voldoende zijn om desnoods een week te Varna te kunnen blijven—en de bankier van Raffles te Londen zou hem des verlangd in dien tijd geld kunnen toe zenden.
Om zoo spoedig mogelijk bij de hand te zijn, in geval er eenig bericht van de Bolsjewisten mocht worden ontvangen, besloot Raffles, het hotel zoo weinig mogelijk te verlaten.
Hij had den man, die er als oberkellner fungeerde, maar veel meer geleek op een straatslijper, die zich in een oude kale rok had gestoken, in opdracht gegeven, hem dadelijk te waarschuwen, wanneer hij iets wist aangaande het lot van de motorboot, welke de bandieten van het beroofde schip hadden afgehaald.
Een goudstuk zette klem bij aan dit verzoek.
En nu zat Raffles in gezelschap van Henderson op het terras voor het kleine hotel en keek vol belangstelling naar het drukke gewoel voor de haven.
„Mag ik een vraag stellen, Mylord?” vroeg Henderson, die stil voor zich had uit zitten staren, na eenigen tijd.
„Ga je gang, Henderson,” zeide Raffles. [15]
„Hebt ge er eenig vermoeden van, waarheen die drommelsche motorboot zich kan hebben begeven?”
„Het eenige wat ik je hierop kan antwoorden, is, dat de Bolsjewisten zich nog wel eens zullen bedenken, alvorens in een niet Russische haven te landen. Dat zou zelfs des nachts met gevaar gepaard gaan, want op dit oogenblik zijn alle Roemeensche, Bulgaarsche, Servische en Grieksche, benevens enkele Turksche havensteden gewaarschuwd en in geen van die landen gevoelt men bijzondere sympathie voor de Bolsjewisten, en natuurlijk nog heel wat minder met de uitwassen van het Bolsjewisme, zooals wij er nu een hebben beleefd, want gelukkig is het echte Bolsjewisme toch nog wel iets anders dan rooven en plunderen, Henderson.”
„Dat hoop ik, Mylord,” zeide Henderson, langs zijn neus weg. „Want ik heb mij laten vertellen, dat die Russische methodes binnen een jaar over geheel Europa zullen zijn ingevoerd.”
Raffles trok de wenkbrauwen op en hernam:
„Het is mogelijk, Henderson. Ik ga verder en wil zelfs wel erkennen, dat het waarschijnlijk is, en dan kunnen wij slechts de hoop koesteren, dat het in de westelijke staten van Europa een weinig minder bloedig en ruw zal toegaan dan in het ongelukkige Rusland, wat nu je vraag van zooeven betreft, het spreekt vanzelf, dat de bandieten, die de „President Carnot” hebben leeg geplunderd en er met een buit van minstens een paar honderd duizend pond sterling vandoor zijn gegaan, de Zwarte Zee niet hebben kunnen verlaten, tenzij zij het gewaagd zouden hebben, die groote binnenzee door de Bosporus te ontvluchten, om aldus door de zee van Marmora de vrijheid te erlangen.”
„Waarom zouden zij dat niet durven doen denkt gij, Mylord?”
„Omdat ook naar Constantinopel een waarschuwingstelegram is gezonden en daar vertoeven nog steeds veel troepen der geallieerden, terwijl een intergeallieerde commissie voor de openbare veiligheid zorgt. Dat zullen de bandieten evengoed weten als wij.”
„Maar dan zijn zij opgesloten als ratten in de val, Mylord,” riep Henderson uit. „Vroeg of laat zullen zij dan toch in handen van de politie moeten vallen.”
„Dat zou wel eens kunnen, Henderson,” hernam Raffles glimlachend, „indien er niet toevallig op de kust van de Zwarte Zee nog andere dan alleen Roemeensche, Grieksche, Turksche en Bulgaarsche havensteden waren. Er zijn ook Russische, vergeet dat niet. Goed beschouwd hebben de Bolsjewisten de keus uit een groot aantal havens. Zij zouden bijvoorbeeld naar Odessa kunnen gaan, dat zich in handen van de Bolsjewisten bevindt, maar niets belet hen, het oostelijker te zoeken en Otschakoff, Cherson, Perekop, Sebastopol, Kertsch of Jenikale binnen te loopen. Maar ook daartoe is hun keuze niet beperkt. Wie zou hen beletten in de buurt van Batoem en Trebizonde een kreek op te zoeken, en daar hun buit aan wal te brengen?”
„Dan wordt het dus op die manier een heel werkje om die schavuiten weer te achterhalen, Mylord,” zeide Henderson, de wenkbrauwen fronsend.
„Dat vrees ik ook, James, en als mijnheer Brand geen kans ziet, zich met ons in verbinding te stellen, dan kan ik niet inzien, hoe wij ooit deze bandieten in handen zullen krijgen.” [16]