Het was omstreeks half zes in den middag, toen de motorboot, die was gekomen om de bandieten van boord van het geplunderde schip te halen, in pijlsnelle vaart koers zette naar het oostelijke deel van de Zwarte Zee.
Men had de vrouwelijke gevangenen, zes in aantal, in een vertrek in het vooronder opgesloten en daar wachtten zij in een toestand van stomme vertwijfeling hun lot af, dat niet twijfelachtig kon zijn.…
De bandieten, zeer verheugd over het welslagen van hun onderneming, hadden zich over het dek verspreid, nadat de buit was weg geborgen in de kajuit van den kapitein, teneinde later te worden verdeeld, en hielden zich nu onledig met zingen, drinken, kaartspelen en schreeuwen.
De kapitein stond zelf aan het roer.
Het was een zeer groote, forsch gebouwde kerel, met een kenmerkend Mongoolsch type, uitstekende jukbeenderen, kleine, een weinig scheef geplaatste oogen, een zware aan weerszijden van den mond stijl neerhangende snor en een laag voorhoofd.
Die man was Iwan Nykin, en als men de gevangenisregisters van de stad Odessa eens had kunnen opslaan, dan zou men daarin zijn naam vinden met een rood kruisje er achter, hetgeen beteekende, dat Nykin tot de gevaarlijkste recidivisten behoorde.
Hij had reeds eenige jaren in die gevangenis doorgebracht, veroordeeld wegens poging tot moord en diefstal, toen hij verlost werd door de Bolsjewisten, die de gevangenisdeuren wagenwijd open zetten en aldus gelegenheid schonken aan de gevaarlijkste schurken, de gulden vrijheid weder te herkrijgen.
Het duurde niet lang, of Nykin was er ingeslaagd een bende mannen om zich heen te verzamelen, gewetenloos, en tot alles in staat en die al spoedig de schrik waren van alle boeren in den omtrek van Odessa.
Maar eenmaal raakte dit land uitgeplunderd, er viel niets meer te stelen en zoo richtte Nykin zijn roofgierige blikken naar elders.
Hij wist een groote motorboot machtig te worden en daarmee stroopte hij nu de Zwarte Zee af, met ongehoorde stoutmoedigheid, en daarbij geholpen door talrijke medeplichtigen op den vasten wal, die hem geregeld op de hoogte hielden van het vertrek der groote mailbooten.
De „President Carnot” was de eerste groote boot, die als slachtoffer viel.
Alles was lang van te voren tot in de minste bijzonderheden geregeld.
Een vijftigtal bendeleden hadden zich langs verschillende wegen naar Constanza weten te begeven, voorzien van valsche passen en hadden zich als passagiers van het schip laten inschrijven.
Van het oogenblik af, dat zij zich aan boord bevonden en de „President Carnot” zee had gekozen, was hun plan reeds voor de helft gelukt.
Iwan Nykin stond in zijn volle lengte opgericht aan het stuurrad en keek met zijn kleine groenachtige zwarte oogen triomfantelijk om zich heen, de aanslag was buiten verwachting goed geslaagd, en gaf hoop voor de toekomst.
Ook de buit was bijzonder meegevallen.
Nykin grinnikte even voor zich heen, zoodat zijn groote blinkend witte tanden zichtbaar werden, en spuwde op het dek.
Toen richtte hij zich tot een man met gitzwart haar en korten gedrongen bouw, die naast hem stond, met de handen op den rug gevouwen en zeide in het Russisch:
„Een goede dag, Grandloup.” [17]
„Het had slechter kunnen zijn, patroon,” antwoordde de aangesprokene, een Franschman, die jaren in Rusland vertoefd had en die landstaal uitstekend sprak. „Heel veel goud en zilver, een stapel diamanten, en dan spreek ik nog niet eens van de vrouwtjes, die in hun soort immers ook juweelen zijn.”
„Haha,” lachte Nykin, het hoofd achterover buigend, „die Franschen zijn toch altijd even galant. Je zou zeker wel een van die diamanten het jouwe willen noemen, Franschman?”
„Wel chef, ik geloof, dat ik er, als de eerste luitenant, wel eenigszins recht op heb,” antwoordde de ander luchtig, maar met scherpen blik uit zijn zwarte oogen naar het lachende gezicht naast hem.
„Nu, ik zou je niet gaarne dat plezier ontnemen. Je weet hoezeer ik je hulp op prijs stel,” hernam Nykin. „En om je te toonen, hoe bijzonder hoog ik je schat, zul je aanstonds een keuze uit de zes poesjes mogen doen, wel te verstaan, na mij.”
Grandloup zeide niets, maar knikte zwijgend.
Nykin vervolgde, met zijn zware vuist op het stuurrad slaande:
„Wij zullen ons amuseeren, nietwaar? En als wij genoeg van hen hebben, nu, dan moeten zij maar een goed heenkomen zoeken, haha. De bordeelen in ons land zijn immers nog niet verdwenen. Die kunnen altijd nieuwen aanvoer gebruiken.”
Hij stiet een ruwen vloek uit en spuwde opnieuw op het dek.
Toen scheen hem iets in te vallen.
„Wij kunnen die lieverdjes wel eens aan dek inviteeren,” riep hij uit, terwijl zijn oogen schitterden. „Dan kunnen de drie anderen, die in de termen vallen, eveneens hun keus doen, of anders moet er geloot worden. Laat den roerganger eens hier komen, dan kan hij het roer van mij overnemen. Hij weet waarheen de koers is”.…
Grandloup verwijderde zich en een oogenblik later trad er een man op het kleine plankier, waar zich het stuurrad bevond, om dit uit de handen van zijn chef over te nemen.
Nykin trad op het dek, en zeide handenwrijvend tot Grandloup:
„Ik zal zelf maar eens naar beneden gaan, en zien, hoe onze duifjes het maken, dan kan ik meteen hen goed opnemen, want daartoe heeft mij tot dusverre de tijd ontbroken.”
Hij knikte Grandloup toe, die was blijven zwijgen, en richtte zijn schreden naar de trap, die naar beneden voerde.— — —
In het vooronder, waar de vijf vrouwen en Charly waren ondergebracht, heerschte bijna volkomen duisternis.
Boven de smalle tafel hing een kleine olielamp, maar de pit was bijna geheel opgebrand en vermocht slechts een zwak schijnsel te werpen over de zes gestalten, die roerloos in elkaar gedoken in de hoeken of aan tafel zaten, strak voor zich uitkijkende.
Nu en dan vernam men een onderdrukten snik, maar voor het overige was het stil in het vertrek, waar een man als Henderson nauwelijks recht overeind had kunnen staan.
Voor de deur hoorde men de eentonige voetstappen van den schildwacht.
Nu en dan wisselde deze man een paar woorden met iemand anders, ten bewijze dat er zich nog andere bandieten in de buurt moesten bevinden.
De ongelukkige vrouwen en meisjes waren aan de diepste neerslachtigheid ten prooi, want zij hadden maar al te goed begrepen, welk lot hen boven het hoofd hing, een lot, dat door geen aardsche macht scheen af te wenden.
Maar eensklaps klonk er een fluisterende stem, die allen het hoofd deed opheffen.
Een der vrouwen had iets gezegd.
Aller oogen richtten zich naar de spreekster, een knappe, blozende verschijning met vol blond haar en mooie blauwe oogen.
Het was Charly Brand.
En hij had deze woorden gefluisterd:
„Kom allen zoo dicht mogelijk bij mij, zoodat ik niet luid behoef te spreken.”
Zonder eenig gerucht te maken, naderden de vijf vrouwen, en zetten zich dicht bij Charly aan de tafel neder, de oogen in gespannen verwachting op zijn gelaat gericht.
Charly keek even in witte, smartelijk verwrongen gezichten en begon toen op zachten, fluisterenden toon:
„Ik zal u zeker wel niet behoeven te zeggen, welk lot ons allen beschoren is, nietwaar?”
Else Teichmann antwoordde.
Haar beeldschoon gezichtje was marmerbleek en haar oogen hadden een koortsachtigen gloed, toen zij op heeschen toon antwoordde: [18]
„Ik zal geen gevaar loopen, dat verzeker ik u.”
„Hoe?” kwam Charly verbaasd. „Gij meer dan een ander van ons. Gij zijt zeer schoon, gij zijt jong, een kind nog haast.”
„Ik mag een kind zijn, maar ik zal mij weten te verdedigen,” hernam Else Teichmann, met opeengeklemde tanden.
„En hoe zoudt gij dat dan wel doen, als ik vragen mag?” vroeg Charly hoofdschuddend.
„Met behulp van dit voorwerp,” antwoordde Else Teichmann stroef.
En op hetzelfde oogenblik haalde zij een zeer kleine, sierlijke revolver met parelmoeren kolf uit haar zak te voorschijn.
De smalle witte hand omklemde het wapen stevig, en haar oogen hadden een vastberaden uitdrukking gekregen.
„Wat is dat? Hebt gij een wapen?” vroeg Charly Brand op levendigen toon, de handen naar de revolver uitstrekkend.
„Ja, ik droeg het steeds bij mij en men heeft ons niet onderzocht,” antwoordde het jonge meisje zacht.
„En, is het geladen?” vroeg Charly.
„Er zitten zes kogels op.”
„Is het een deugdelijk wapen. Geen speelgoed?”
„Het is van Smith & Wesson.”
„Geef het mij dan,” drong Charly aan.
„Ik zou het u geven?” hernam het meisje verbaasd. „En waarom juist aan u, die ik nimmer gezien heb? Hoe moet ik mij dan verdedigen, als een van die schurken het zou wagen, mij aan te raken?”
„Gij zoudt u in het geheel niet kunnen verdedigen, Fräulein,” antwoordde Charly ernstig. „Bedenk, dat hier aan boord zestig man, en waarschijnlijk nog meer zijn. Wat zoudt gij met een revolver tegen hen allen kunnen uitrichten? Wanneer gij een enkel schot gelost zoudt hebben, zou men u overweldigen en gij zoudt er uw lot slechts des te vreeselijker door hebben gemaakt.”
„Maar in welk opzicht zoudt gij dan in een betere positie zijn, dan ik zelf?” vroeg het jonge meisje verwonderd, terwijl zij Charly strak aankeek.
De jonge man antwoordde niet dadelijk.
Toen kwam het langzaam over zijn lippen:
„Ik verzoek u dringend, door geen enkel geluid hoe gering ook uw verwondering te uiten, over hetgeen ik u nu zal zeggen. Ik gevoel, dat het beter is, niet langer te zwijgen. Ik zou aan uw revolver meer hebben dan gij, omdat gij een vrouw zijt.… terwijl ik.…”
Hij voltooide den zin niet, maar lichtte even behoedzaam zijn pruik op, zoodat zijn eigen donkerblond haar zichtbaar werd.
Ondanks zijn waarschuwing had het weinig gescheeld, of twee der vrouwen hadden aan hun verbazing door een kreet lucht gegeven.
Gelukkig wisten zij zich nog op het laatste oogenblik te beheerschen.
Allen keken Charly verstomd aan, als begrepen zij niets van deze verkleeding.
Else Teichmann was de eerste, die weder sprak.
„Wie zijt gij, mijnheer, en hoe komt gij in ons gezelschap?”
Charly gevoelde duidelijk het wantrouwen, dat in den toon van haar stem weerklonk, een wantrouwen, dat hij maar al te goed kon begrijpen.
Rustig antwoordde hij:
„Ik ben een gentleman, Fräulein. Wat uwe landgenooten geloof ik een cavalier noemen. Gij behoeft niet te vreezen, dat ik mij bij u heb ingedrongen, teneinde u in een valstrik te lokken. Ik was de reisgezel van Graaf Palmhurst en ik heb mij met opzet aan boord van de motorboot laten opnemen, vermomd als vrouw, teneinde u te kunnen helpen. Moet ik u nog zeggen, dat de bandieten mij onmiddellijk zouden hebben neergeschoten, indien zij mij als man hier aan boord hadden aangetroffen?”
„Maar dan loopt uw leven het grootste gevaar,” fluisterde een der vrouwen, een Française.
„Dat wil ik niet ontkennen, madame,” antwoordde Charly eenvoudig, „maar daaraan kunt gij veel doen, door volstrekt niet te verraden, dat onder u een lid van het andere geslacht is. En luister nu naar mij, want ik wil trachten, u allen te beschermen tegen een lot, dat ik niet nader wil noemen, maar dat iedere vrouw die dien naam verdient met afschuw moet vervullen.”
„Liever sprong ik over boord,” zeide een der vrouwen op heeschen toon.
„Ik hoop, dat het zoover niet behoeft te komen!” hernam Charly. „Ik zal u een middel aan de hand doen, de ellendelingen, die u te na willen komen, althans tijdelijk onschadelijk te maken.” [19]
„Maar hoe dan, mijnheer?” vroeg de Française, Susanne Chaumont geheeten.
Inplaats van dadelijk te antwoorden, haalde Charly een klein pakje uit zijn zak, dat hij opende en waaruit hij een tiental papiertjes nam, zorgvuldig opgevouwen.
Hij liet zijn stem tot zacht fluisteren dalen, toen hij hernam:
„Deze papiertjes bevatten ieder een weinig poeder, hetwelk een sterk en uiterst snelwerkend slaapmiddel bevat. Een tiende deel van den inhoud door een weinig vloeistof gemengd is voldoende, den sterksten man binnen een minuut in een vasten slaap te doen vallen. Moet ik u het doel nog nader uiteen zetten? Zeker zullen de schurken u willen laten drinken. Sla dit dan in geen geval af, maar kies een gunstig tijdstip om een weinig van dit poeder door den wijn te mengen. Biedt men u niets te drinken aan, vraag er dan om. Zeg dat gij dorst hebt, speel comedie. Bedenk dat het om iets hoogers nog dan het leven gaat. Om uw eer.”
Een diep stilzwijgen volgde op deze woorden.
Toen bewoog de kleine fijne hand van Else Teichmann zich over de tafel naar Charly toe, en zacht kwam het over haar lippen:
„Geef mij dat poeder.”
Het volgende oogenblik omsloten haar vingers het papiertje, dat zij snel in haar blouse deed verdwijnen.
Dadelijk volgden de andere vrouwen haar voorbeeld.
„En, wilt gij mij nu uw revolver niet in ruil geven?” vroeg Charly, zich glimlachend tot de jonge Duitsche wendend.
Nog even aarzelde het meisje.
Toen stak zij Charly het wapen toe, en zeide:
„Ziedaar, gij hebt gelijk. Gij zijt een man, gij zijt zelfs een moedig man, dat blijkt uit alles. Gij zult van het wapen meer nut kunnen trekken dan ik, behoud het dus.”
„Ik dank u,” zeide Charly eenvoudig.
„Maar hoe denkt gij u nu zelf te gedragen, en wat raadt gij ons te doen, wanneer de ellendelingen komen, die het op onze eer voorzien hebben, bewusteloos zijn?” vroeg Else Teichmann weder.
„Wat mijzelf betreft, Fräulein, ziehier mijn plan. Ik zal den kerel, die mij tracht te verleiden, wel zien te overmeesteren, of ook hem bedwelmen, dan wil ik trachten, het doel van de motorboot te weten te komen, en zoodra dit mij bekend is, zal ik in de hut van den marconist trachten door te dringen, dien schelm machteloos maken en onmiddellijk een radiogram naar verschillende havens zenden, waarin ik mededeel, waarheen zich het schip begeeft en waar het op dat oogenblik zich bevindt.”
„Maar dan zullen zij dadelijk den koers wijzigen,” meende Susanne.
„Dat zullen zij niet madame, want ik zal er wel voor zorgen, dat de marconist niet meer tot zichzelf komt, voor wij ter bestemder plaatse zijn aangekomen,” zeide Charly op zulk een overtuigenden toon, dat eenige vrouwen een zucht van verlichting slaakten, alsof het gevaar reeds geweken was.… [20]