[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

De strijd om een vrouw.

Nauwelijks hadden alle vrouwen het papiertje met het bedwelmende goed veilig weg geborgen, of de deur werd geopend en Iwan Nykin verscheen op den drempel.

Hij scheen echter niet veel te kunnen onderscheiden in de donkere ruimte en beval den man, die op post had gestaan:

„Breng mij een lantaarn, opdat ik de lievertjes eens wat beter zal kunnen beschouwen.”

Er verstreek een minuut en toen keerde de wacht terug met een groote kaarslantaarn, die een tamelijk helder licht in de kajuit verspreidde.

Nykin trad binnen.

Zijn breed pokdalig gezicht vertoonde een afschuwelijke uitdrukking, zooals hij nu de ongelukkige vrouwen monsterde.

Toevallig zat Charly het dichtst bij de deur.

En zoo gebeurde het, dat de kapitein hem het eerst in het oog kreeg.

„Wel, wel, wat een aardig blondje,” riep Iwan Nykin bewonderend uit, terwijl zijn kleine oogen begonnen te fonkelen. „Zeker de vrouw van zoo’n vervloekten bourgeois, niet? Dat kan men wel aan de dure kleeding zien. Nu, je zult je er op moeten voorbereiden, mooie juf, dat al die pracht niet lang meer stand zal houden.” Hij ging verder, monsterde de vrouwen een voor een aandachtig, en bleef eindelijk stil staan voor Else Teichmann.

Hij liet een zacht gefluit hooren, trad naderbij, en streek het meisje liefkoozend over de wangen. Het arme kind trok het hoofd met een gebaar van onzegbare walging terug en Charly had de grootste moeite, zich in te houden, en den schoft niet naar de keel te vliegen.

Hij begreep evenwel, dat dit alles zou bederven, wanneer hij zich thans door zijn woede en verontwaardiging liet meesleepen.

„Ik ben maar blij, dat Henderson niet in mijn plaats is,” zeide Charly tot zichzelf, „want onze reus zou waarschijnlijk den ellendeling al hebben neergeslagen, met het gevolg dat hij nu reeds een blauwe boon in zijn hersens zou hebben en dat de heele motorboot reeds in rep en roer zou zijn, natuurlijk niet ten voordeele van deze arme schepsels.”

Iwan Nykin keek het jonge meisje nog eenigen tijd met half dicht geknepen oogen aan, op een wijze, die haar al het bloed naar de wangen dreef en mompelde toen bij zichzelf: „Ik heb mijn keus al gedaan. Grandloup zal het met een van de anderen moeten stellen.”

Daarop vervolgde hij met luider stemme:

„Wel schatje, ik geloof wel, dat wij het met elkander kunnen vinden.”

Hij streek haar nogmaals over het prachtige blonde haar en vervolgde:

„Wel dames, er zijn hier nog meer vrienden van mij aan boord, die niets liever wenschen, dan eenige uren van uw aangenaam gezelschap te profiteeren. Heidaar, maak eens wat meer licht, ik kan nog steeds niet genoeg zien.”

Dadelijk werden er nog een paar lantaarns bijgebracht door enkele schepelingen, die grijnzend naar de ongelukkige vrouwen gluurden.

De kapitein gaf een hunner op fluisterenden toon een paar bevelen, en een oogenblik later kwamen een paar matrozen binnen, met glazen, een paar flesschen champagne, een tafellaken, borden, messen en vorken en maakten zich gereed de smalle tafel te dekken.

Iwan Nykin keek even toe, overtuigde zich dat [21]zijn bevelen werden opgevolgd en verliet het vertrek.

Een oogenblik later keerde hij terug met Grandloup en met nog vier andere Bolsjewisten, die waarschijnlijk tot de officieren of aanvoerders aan boord van de motorboot moesten worden gerekend.

Dit bleek evenwel alleen uit hun houding en wijze van optreden, want zij droegen geen enkel zichtbaar distinctief.

Het waren allen Russen op Grandloup na.

Allen waren omstreeks veertig jaar, misschien iets jonger, behalve Nykin zelf, die zeker naar de vijftig moest loopen.

De ongelukkige vrouwen hadden zich als verschrikte schapen in een hoek van het vertrek verzameld en keken met doodelijk ontstelde oogen naar de binnentredenden, alsof hun laatste uur geslagen had. Het scheen echter een betrekkelijk kleine ruimte, waar men zich bevond en de kapitein scheen het ook te vinden, tenminste hij riep uit:

„Wij zullen ons hier nauwelijks kunnen bewegen, kameraden; ik heb mijn keus al gedaan en ik zal mij met jullie welmeenen, met mijn dame verwijderen.”

Met deze woorden trad hij op Else Teichmann toe, greep haar beet en trok haar met zich mede, naar de smalle deur, die op de kleine gang uitkwam, aan welker einde de trap naar het dek ging.

Het jonge meisje scheen er een oogenblik aan te denken, verzet te plegen, maar een waarschuwende blik van Charly bracht haar tot andere gedachten en zij volgde met gebogen hoofd.

Maar nog hadden zij de deur niet bereikt toen een stem riep:

„Een oogenblik, ik eisch dat jonge meisje voor mijzelf op.”

Het was de Franschman, die deze woorden gesproken had. Hij was Nykin in den weg getreden en er lag een duistere gloed in zijn oogen, toen hij deze woorden uitte.

Nykin bleef onwillekeurig staan en keek den Franschman aan, alsof hij meende, dat hij niet goed verstaan had. Toen schreeuwde hij woedend: „Wat durft gij zeggen? Gij zoudt u tegen mij durven verzetten? Gij pleegt insubordinatie.”

„Dergelijke begrippen erkennen wij niet meer, Nykin,” antwoordde Grandloup schouderophalend. „Subordinatie, eerbied en discipline, dat zijn dingen uit een vroeger tijdperk, waarmede wij hebben afgedaan. Ik meen dat ik evenveel recht heb als gij op dit schoone jonge meisje en ik laat die rechten gelden.”

Nykin wierp zijn eersten stuurman, want dat was Grandloup, een duisteren blik toe en riep uit:

„Denkt gij mij soms vrees aan te jagen, gij schurk? Ik heb in den laatsten tijd reeds eenige malen gemerkt, dat gij tegen mij in verzet wilt komen, maar ik zweer u, dat ik dit niet zal dulden. Ik ben de baas hier aan boord en dat zal ik blijven, zoolang ik adem heb. Ik heb nu reeds veel door de vingers gezien. Daar moet een einde aan komen. Op zij, laat ons door.”

De Franschman bewoog zich echter niet en bleef met gekruiste armen voor de deur staan.

Toen slingerde Nykin het jonge meisje van zich af, zoodat zij op haar knieën in een hoek neer viel, trok een breed mes uit zijn gordel, en brulde:

„Je weigert? Je hebt het zelf gewild. Dan zul je er aan gelooven.”

Grandloup had op zijn beurt bliksemsnel zijn dolkmes getrokken en duwde nu met de linkerhand Nykin van zich af, toen deze zich op hem wilde werpen, terwijl hij gromde:

„Hier niet. Hebt gij dan alle respect voor de dames uit het oog verloren. Ik vecht niet in tegenwoordigheid van vrouwen. Ga mede naar het dek. Het verheugt mij, dat de gelegenheid zich voordoet, eens en voor goed met u af te rekenen. Ja, ik zeg het hier rond uit, ik haat u. Ik verkies niet langer uw bevelen te volgen.”

„Zoo, waait de wind uit dien hoek,” zeide Nykin hoonend. „Nu, dan zullen wij het uitvechten. Komt vrienden, weest er getuigen van, hoe ik dien hond zal straffen voor zijn ongehoorzaamheid.” Het volgende oogenblik stormden allen weg en de doodelijk beangste vrouwen hoorden, hoe hun voetstappen zich verwijderden.

Een luid gestommel boven hun hoofden bewees hen, dat daar boven alles in rep en roer was.

„Laten de wolven elkander maar verscheuren,” fluisterde Charly, zich tot de arme vrouwen wendend, die bevend en bleek bijeen gedrongen stonden.

Hij liep op zijn teenen naar de deur, maar de wachtposten hadden haar reeds weder gesloten en hij hoorde hun regelmatige voetstappen evenals vroeger en die mannen schenen er zich volstrekt [22]niet om te bekommeren, dat zich boven een bloedig drama afspeelde.

Nu was het boven op het dek stil geworden, waarschijnlijk had die afschuwelijke tweestrijd een aanvang genomen.

Charly vroeg zich af, waarom Nykin den muiteling niet eenvoudig gevangen had laten nemen en aan de ra had laten opknopen, zonder vorm van proces desnoods, maar een oogenblik later besefte hij, dat Grandloup waarschijnlijk vele vrienden aan boord moest hebben en dat de kapitein het niet geraden achtte, hun woede op te wekken, door den Franschman, die dit alles blijkbaar zeer goed wist, gevangen te laten nemen en zonder omhaal te laten ophangen.

Zonder een woord te spreken, luisterden de gevangenen naar ieder geluid dat tot hen doordrong.

Zij meenden woeste kreten te hooren en toen het geschuifel van snelle voetstappen als van lieden die zich snel verplaatsten.

Maar eensklaps klonk een vreeselijke gil, die hen het bloed in de aderen deed verstijven. Dadelijk daarop volgde de val van een zwaar lichaam op het dek.

Een oogenblik bleef het doodstil, en toen barstte een luid, wreed gehuil los, dat waarschijnlijk was uitgestooten door de vrienden van Grandloup, die evenals hij aan den kapitein een doodelijken haat schenen te hebben.

Weer viel een stilte en toen naderden voetstappen.

De deur werd open geworpen en Grandloup verscheen op den drempel, gevolgd door vier officieren.

Zijn borst hijgde, zijn gelaat was bleek, maar er lag een uitdrukking van woeste zegepraal op.

Het bebloede mes stak hij in zijn gordel.

Hij trad op Else Teichmann toe, trok haar met geweld overeind, en riep, terwijl hij haar weg voerde: „Ik heb haar verworven. En ik tart iedereen, mij haar weer te ontnemen.”

Weer had Charly de grootste moeite zich te bedwingen, maar hij begreep heel goed dat alles verloren zou zijn, wanneer hij thans tusschen beide kwam.

Hij had trouwens al opgemerkt, dat het jonge Duitsche meisje beschikte over een groote dosis wilskracht en daarvan zou zij zeker op het goede oogenblik gebruik weten te maken.

De officieren hadden zich meester gemaakt van de andere vrouwen. Het had weer weinig gescheeld of er was een heftige twist ontstaan over het bezit van niemand anders dan Charly Brand in eigen persoon.

Maar tenslotte werd hij toegewezen aan een tweede stuurman, een Rus Peter Panilof geheeten.

Twee van de schurken bleven met twee vrouwen achter in de kajuit. Grandloup voerde Else Teichmann mede naar de hut van den kapitein en de andere officieren, die eveneens ieder een hut hadden op de groote motorboot, deden desgelijks.

Charly volgde als een schaap dat ter slachtbank wordt geleid, maar inderdaad met verre van vriendschappelijke gevoelens jegens den Rus bezield, deze naar een kleine hut op het voordek.

Het was reeds volkomen nacht geworden, ofschoon het pas half negen in den avond kon zijn.

Charly bemerkte dat de motorboot met groote vaart over de golven joeg. Snel liet hij zijn blikken over het dek glijden.

De motorboot was zeer groot voor haar soort en mat zeker bijna 1000 ton.

In het midden bevond zich een soort commandobrug en daarvoor was het plankier van den roerganger.

Op het dek bevonden zich een aantal hutten naast elkander gebouwd en voorts de kombuis, een paar andere kleine vertrekjes, en tenslotte de cabine van den marconist.

Toen zij er langs liepen zag Charly dat de deur op een kier stond en daarbinnen zag hij met een snellen blik den marconist aan den arbeid, waarschijnlijk luisterende, want hij had het opneemtoestel op het hoofd geplaatst en zat met een kleine blocknote voor zich te wachten.

Panilof echter trok Charly snel met zich mede, en voerde hem naar zijn eigen hut, die zich geheel vooraan in de rij bevond.

Tot zijn vreugde zag Charly, dat de bandieten, die zooeven getuige waren geweest van den vreeselijken strijd tusschen de beide mededingers, zich reeds weder op het achterschip verzameld hadden en zich daar onledig hielden met dobbelen, kaartspelen en drinken.

En toch had hun aanvoerder nog slechts weinige minuten geleden het leven moeten laten, en strekte hij nu waarschijnlijk tot aas aan de visschen.

Het was een klein vertrek waar Charly nu binnentrad. [23]

Hij deed al zijn best, om er als een jonge vrouw uit te zien, met wie iets vreeselijks staat te gebeuren, maar het gelukte hem maar half, zijn trekken in bedwang te houden.

Panilof sloot aanstonds de deur, opende een kleine brandkast en nam er een flesch wijn en een paar glazen uit.

Hij zette ze op tafel, keek Charly, die zich schijnbaar wanhopend op een stoel had laten neervallen, met zijn valsche oogen grinnikend aan, en zeide:

„Wij zullen eens op onze kennismaking drinken lievertje. Weet je wel dat je een mooi schatje bent?”

De schurk had deze vraag in slecht Engelsch gesteld, blijkbaar in de meening verkeerend, dat hij met een Engelsche te doen had.