[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

De marconist.

Panilof had de flesch ontkurkt en schonk nu twee glazen in.

Maar terwijl hij met den rug naar den gewaande vrouw stond toegekeerd had Charly snel de hand in den zak gestoken, en er een van zijn poeders uit genomen.

Panilof trok zijn stoel zoo dicht mogelijk bij dien van Charly, hief het glas in de hoogte, keek zijn gewaand slachtoffer grijnzend aan en zeide:

„Op je gezondheid, lieve schoone. Je bent toch hoop ik niet bang voor me?”

Hij strekte de hand uit, en het volgende oogenblik geschiedde iets, dat het tooneel eensklaps deed veranderen.…

Want de uitgestrekte hand kwam Charly onder de kin aaien, en het lot wilde dat die kin twee dagen geleden voor het laatste geschoren was.

In bijna alle andere gevallen had Charly er zeker voor gezorgd, dat hij zich op deze wijze niet zou kunnen verraden en ook zou een dikke laag van de bijzondere schmink, welke hij steeds gebruikte, hem hebben beschermd.

Maar nu raakte Panilof de harde stoppels aan en er kwam een uitdrukking op zijn gelaat, welke Charly aanstonds waarschuwde, dat zijn vermomming doorzien was, en dat hij zeer snel zou moeten handelen.

Dat deed hij dan ook.

Voor de schurk, die tegen over hem zat, nog goed en wel wist wat er geschiedde had Charly eveneens zijn rechterhand uitgestoken, maar ditmaal niet om er een ander mee onder de kin te strijken.

De hand was gesloten tot een vuist en die vuist trof den man zoo geweldig en met zooveel juistheid ter zijde van de kaak, dat hij omtuimelde met stoel en al en met uitgespreide beenen, het hoofd op de borst gezakt langs een van de wanden terecht kwam.

„Het spijt mij dat het hiertoe gekomen is,” bromde Charly in zichzelf, „maar het ging nu eenmaal niet anders. Als ik een seconde had gewacht, dan zou de schurk alarm hebben gemaakt en dan zou ik waarschijnlijk op dit oogenblik al niet meer leven.”

Hij was, terwijl hij dit bij zichzelf mompelde, op den bewusteloozen Rus toegetreden en had hem snel een doek om den mond gebonden, waarop hij zijn armen op zijn rug bond, met behulp van een stuk touw, dat hij in den hoek zag liggen.

Hij bond ook de beenen van den man bijeen en keek toen tevreden op zijn werk neer. [24]

Hij schoof den Rus onder de tafel, trok aan dien kant het tafelkleed een weinig naar omlaag en nu was er niets van den bandiet te zien.

„Nu zal het echter zaak zijn, om vlug en doortastend te handelen,” zoo zette Charly zijn alleenspraak voort. „Wat hier gebeurd is, kan onmogelijk langer dan eenige uren verborgen blijven, hoogstens tot morgenochtend. Misschien zou ik er in kunnen slagen, met behulp van de vrouwen de kleine motorboot te strijken, die ik aan een paar davits heb zien hangen, maar dan zal er nog heel wat anders moeten gebeuren. Dan zou het noodzakelijk zijn, dat de heele bende stom dronken was en zoover zijn wij helaas nog niet. Maar in ieder geval moet ik nu eerst een appeltje met den marconist schillen.”

Charly haalde een klein spiegeltje te voorschijn, nam een stukje zwarte schmink ter hand, zette zijn oogen en wenkbrauwen nog iets aan, dat die meer diepte en gloed verkregen, poederde zijn gelaat opnieuw en bromde toen tevreden:

„Als ik er niet uitzie als een Fransche demi-mondaine, dan weet ik het niet en nu moet het gewaagd worden.”

Hij luisterde even, opende toen de deur van de hut op een kier.

Op het duistere dek was niemand te bespeuren.

Van het achterschip klonk luid gejoel en gestamp.

Een harmonica speelde een sleepende wals.

Vaag kon Charly de gedaanten van de bandieten ontwaren, die daar bij groepjes bijeen zaten.

De cabine van den marconist was gelukkig nog geen tien stappen verwijderd.

Het oogenblik was gunstig.

Charly opende de deur nog verder en trad naar buiten.

Hij legde haastig den afstand af die hem scheidde van de deur van de cabine en zag tot zijn vreugde, dat die altijd nog op een kier stond.

Daar binnen brandde licht.

De marconist was blijkbaar nog op zijn post.

Charly trok zijn gelaat in de gewilde plooi, opende de deur wat verder, stak het hoofd naar binnen en zeide op zachten, opgewekten toon:

„Kiekeboe!”

De marconist was hoogstwaarschijnlijk niet gewend, dat men op deze wijze zijn aandacht trok, want hij wendde stom verbaasd het hoofd in de richting, vanwaar deze onverwachte roep kwam, en staarde toen met groote oogen in het lachende gelaat van de zoogenaamde demi-mondaine.

Toen deed hij langzaam de ontvanger af, stond op en zeide in goed Fransch:

„Wat is dat? Loop jij maar zoo los rond? Jij mooie dame. Waar kom je vandaan? Wat kom je hier doen?”

„Laat ik je maar eerst op de laatste vraag antwoorden, lieve jongen. Ik zal je zeggen, wat de zaak is. Een van je kameraden, een leelijke kerel met permissie met een gezicht als een week slecht weer, had me te soupeeren gevraagd, maar in het langs loopen heb ik jou gezien en ik vind jou veel aardiger.”

„Een man met een doggenkop,” vroeg de marconist. „Wel, dat kan niemand anders zijn dan Panilof. Ga dan maar weer gauw naar hem terug, het loopt niet goed met me af, als ik onder zijn duiven schiet.”

„Dus je stuurt me weg?” vroeg Charly met een pruilend lipje.

„Ik moet wel, madame. Hoezeer het mij ook spijt,” antwoordde de marconist, die den gemakkelijken buit met zijn blikken scheen te willen verslinden.

„Niets galant van je,” hernam Charly met een beweging van de schouders, die menige Parijsche asphaltbloem hem zou hebben benijd.

„Maar zeg me dan tenminste, hoe je van Panilof hebt kunnen wegloopen,” bromde de marconist.

„Heel eenvoudig, ik heb hem gezegd, dat hij mij niet aanstond.”

„En heeft hij je laten gaan?” vroeg de ander verbaasd.

„Welzeker. Hij had het eens niet moeten doen. Ik heb mijn glas wijn in zijn gezicht gegooid.”

„Nu, jij bent ook niet voor een kleintje vervaard. Hoe kom je eigenlijk hier aan boord?”

„Heel eenvoudig. Je kameraden zagen mij bij vergissing voor een fatsoenlijke vrouw aan. Als zij geweten hadden wie ik was, zouden zij zich waarschijnlijk wel eens bedacht hebben. En mag ik nu heusch niet bij je binnen komen?”

De marconist scheen nog even te aarzelen, maar toen trok hij Charly aan de hand in de cabine. Maar het volgende oogenblik trok hij een pijnlijk gezicht.

„Au, wat heb je daar aan je hand. Je prikt me.”

„Neem mij niet kwalijk, ventje, mijn ring is stuk gegaan. Je zult je hand aan een uitstekend puntje hebben open gehaald.” [25]

Dit was nu de zuivere waarheid, alleen was het niet bij ongeluk geschied.

Charly had zich, voor hij het schip verliet, een ring aan den vinger gestoken, welke hem door Raffles was ter hand gesteld.

Deze ring was hol en gevuld met een vocht, dat een bedwelmende uitwerking had, die vele dagen kon duren, wanneer het slechts werd uitgestort in een kleine wonde, die niet grooter dan een speldeprik behoefde te zijn. De marconist wreef het druppeltje bloed weg, dat in de palm van zijn hand zichtbaar was en zeide lachend:

„Dat zal ons verbond zegenen, madam. Het is hier wat klein, zooals je ziet, maar daar moet ge maar niet op letten.”

„Het ziet er anders interessant uit,” zeide Charly. „Wat is dat nu eigenlijk allemaal.”

„Dat is een toestel tot het opvangen en verzenden van draadlooze telegrammen, madam.”

„En zijt gij nu ook een bolsjewik?”

Dat ben ik, madam.”

„Hoe vreeselijk interessant. Dus een bandiet ben je ook al.”

De ander haalde de schouders op en antwoordde:

„Gij kunt het noemen, zooals ge wilt, maar neem nu plaats, wat ik je verzoeken mag. Ik zal wat wijn en een paar glazen halen. Wat drommel, ik mag mij toch ook wel eens amuseeren.”

Hij deed een paar stappen naar de deur, maar halverwege scheen hij te struikelen en greep zich aan de tafel met zijn talrijke instrumenten vast.

„Wat is dat nu?” hakkelde hij. „Wat word ik duizelig. Er komt een nevel voor mijn oogen. Het is alsof ik aanstonds zal neervallen. Jij—jij … karonje, wat heb je met mij gedaan—ik zal je—help kameraden.…”

Maar zijn stem was reeds overgegaan tot een bijna onverstaanbaar gerochel, en daar Charly snel de deur gesloten had, behoefde hij geen oogenblik vrees te koesteren, dat men zijn zwakken kreet had gehoord. De marconist trachtte nog een stap naar de seintafel te doen, en tastte schijnbaar als een blinde naar de commutator.

Maar zijn arm viel slap langs zijn lichaam neer. Hij uitte nog eenige zwakke klanken en toen gleed hij langzaam op een stoel neer.

Charly schoof hem met den voet eenvoudig een weinig terzijde, deed de deur op slot, opdat hij niet verrast zou kunnen worden en stulpte zich in een oogwenk het ontvangtoestel over het hoofd.

Met koortsachtige haast begon hij de golflengte in te stellen, telkens turend naar de tabel met golfberekeningen en afstanden op de Zwarte Zee, die voor hem lag.

Haastig tikte zijn vaardige vingers op de toetsen en na eenige minuten verkreeg zijn gelaat een blijde uitdrukking. Hij had verbinding weten te krijgen met de havenstad Varna.

Bliksemsnel, sneller zelfs dan het licht, vloog de boodschap door de aether naar de post van Varna en enkele seconden later was men daar op de hoogte van wat geschied was, en kon hij nauwkeurig opgeven, waar de boot zich bevond, want de marconist had dit juist even te voren op zijn blocknote aangeteekend.

Toen hij de zekerheid had, dat zijn radiogram was opgevangen en dat men het aanstonds verder zou seinen, legde hij met een tevreden gebaar den helm weder af, stond op en draaide zachtjes den sleutel weder in het slot om.

Hij opende de deur voorzichtig op een kier en keek naar buiten.

Maar niemand liet zich zien.

Op het achterdek klonken de stemmen nog luider dan zooeven. Blijkbaar begon zich een algemeene dronkenschap van de bandieten meester te maken.

Nu en dan werden er luide vloeken gehoord, die op het begin van een twist wezen.

Snel trad Charly weder op het dek, sloot de deur en stond een oogenblik in beraad.

Toen scheen hem een gedachte in te vallen, die hem in zichzelf deed lachen.

„Als mij dat gelukte, dat zou zelfs Raffles een prachtige grap noemen, geloof ik,” zeide hij in zichzelf. „Ik waag er mijn hachje aan. Dat weet ik, maar ik moet het toch probeeren. Zoo gunstig als nu zou de gelegenheid nooit weer zijn.”

Hij overtuigde zich, dat er niemand in de buurt, was, snelde naar de hut van Panilof en ontdeed zich in allerijl van het mom, dat hem hinderlijk zou zijn, bij wat hij voornemens was.

Hij had zijn eigen kleederen voor het grootste gedeelte aangehouden en behoefde niet anders te doen, dan zijn pantalon weder neder te slaan, die hij had opgetrokken en boven zijn knie met een elastiek had vastgebonden. [26]

Hij keek nu om zich heen en greep toen een dunne stalen staaf, waarschijnlijk bestemd om er kleine assen van te draaien.

Het voorwerp was bijna een meter lang en ruim een halve centimeter dik. „Juist wat ik hebben moet,” bromde Charly vergenoegd.

Hij verliet de hut weder na de vrouwenkleederen onder de tafel te hebben geworpen en was het volgende oogenblik over de verschansing verdwenen.

Zich vasthoudende aan den rand van het dek en met de voeten steun zoekend op den richel, die van den boeg van de motorboot naar den achtersteven liep, schoof hij zich langs den romp voort tot ongeveer het midden van de boot, de stalen staaf tusschen de tanden geklemd.

Hier en daar stonden de patrijspoorten open en daar wierp Charly telkens een blik naar binnen.

Eindelijk hield hij stil. Hij bevond zich voor het patrijspoortje dat behoorde bij de machinekamer.

Daar binnen stond een geweldige dieselmotor, die op regelmatige wijze als een levend organisme werkte.

De vier zuigers rezen op en neer, de wielen wentelden met een suizend geluid en de kamraderen lieten een zacht getik hooren.

De machineruimte was tamelijk helder verlicht door een paar kaarslantaarns.

Van den machinist kon Charly in den aanvang niets bespeuren. Eindelijk zag hij den man ineen gedoken op de onderste trede zitten van de trap die naar het dek voerde, blijkbaar in diepen slaap en met een flesch naast zich.

Hij vertrouwde blijkbaar op de goede en geregelde werking van het aan hem toevertrouwde werktuig.

Charly aarzelde niet langer.

Zich met een hand vasthoudend aan den rand van het dek, nam hij met de andere de stalen staaf uit den mond en stak haar voorzichtig door de opening van de patrijspoort. Hij had reeds een paar kamwielen uitgezocht, welker vernieling onherroepelijk ten gevolge moest hebben, dat de machine van de motorboot voor geruimen tijd vernield zou zijn, en voor goed wanneer er niet toevallig reservedeelen aan boord waren.…

De staaf naderde.

Een oogenblik vreesde Charly, dat zij te kort zou blijken, maar tot zijn blijdschap kon hij er juist de twee langzaam rondwentelende kamwielen mede bereiken.

Hij stak er snel de staaf tusschen. Een kort knappend geluid liet zich hooren. Dat waren de tanden, die een voor een afbraken, door de staaf vernield.

Dadelijk begon de machine onregelmatig te draaien en veel langzamer dan eerst en Charly, die deskundig was, wist wel, dat zij binnen vijf minuten zou stilstaan.

Hij trok haastig de staaf weder terug, wierp die in zee en hervatte den terugtocht, na zich eerst te hebben vergewischt, dat de machinist juist was wakker geworden en nu slaapdronken zijn oogen wreef. Hij klauterde weder over de verschansing, na zich te hebben overtuigd, dat de weg veilig was en ijlde weder naar de hut van Panilof, om daar snel zijn vrouwenkleederen weer aan te trekken.

De Rus scheen reeds eenigen tijd geleden uit zijn bewusteloosheid te zijn ontwaakt en had zelfs pogingen in het werk gesteld om zich te bevrijden van de touwen die hem gebonden hielden en van den doek voor zijn mond.

Charly was juist bijtijds teruggekeerd. [27]