Hij haastte zich, de touwen wat steviger vast te snoeren, waarbij hij niet al te zacht met den bandiet omsprong. Hij schoof hem toen eenvoudig onder de tafel.
„Nu wordt het hoog tijd, om eens naar de dames om te zien,” mompelde Charly binnensmonds. „Ik hoop van harte dat de poeders hun werk hebben gedaan.” Hij opende weder voorzichtig de deur en kroop over het verlaten voordek.
Even later had hij de hut van den tweeden stuurman bereikt.
Juist ging de deur open en een vrouwengestalte verscheen.
Het was Susanne Chaumont.
Zij bleef even verschrikt staan, toen zij de gedaante van Charly ontwaarde, maar toen zij hem herkende, trad zij snel op hem toe en fluisterde:
„Het is gelukt, mijnheer. De schurk slaapt vast. God geve, dat het met de anderen evenzoo is gegaan.”
„Daarvan zullen wij ons dadelijk overtuigen, madame,” antwoordde Charly.
Hij nam de kleine revolver ter hand en beiden slopen nu onhoorbaar over het dek.
Op het achterschip scheen het langzamerhand stil te zijn geworden. Misschien had de drank de meeste bandieten beneveld. Achtereenvolgens vond men drie van de vrouwen in even zooveel hutten, doch verstijfd van ontzetting, gezeten bij een tafel, waaraan eveneens een man zat, bewusteloos.
Nu ontbrak alleen Else Teichmann nog. Charly had de dames op het hart gedrukt zich niet van elkander te verwijderen en zich verborgen te houden achter de laatste hut, zoodat de roerganger hen niet zou kunnen zien. En nu ging hij alleen naar de hut van den kapitein.
Toen hij er nog slechts weinige meters af was, hoorde hij het geluid van een driftige stem.
Het was Grandloup, die sprak.
„Je wilt dus niet, mijn duifje. Ik zal je dus moeten dwingen? Je hebt getracht mij te bedwelmen door een poedertje in mijn wijn te mengen nietwaar. Maar ik heb je gesnapt en nu zal je moeten boeten, schoon kind.”
Met een paar sprongen was Charly bij de hut. Naast de deur bevond zich een klein rond venster.
Dat venster stond open, maar was aan de binnenzijde voorzien van een gordijntje, zoodat men niet naar binnen kon zien als men het niet ter zijde kon schuiven.
Met een ruk trok Charly het gordijn open, stak de kleine revolver door de opening om die op het hoofd van den ellendeling te richten.
Hij kwam juist bijtijds. De Franschman stond op het punt zich op het jonge meisje te werpen.
„Handen op, of ik schiet je neer!” beval Charly kortaf. „Gauw wat. Ik ben niet erg geduldig moet je weten, mijnheer de Franzoos.”
Bevend van woede en haat trad de booswicht een paar schreden terug, waarbij de kleine revolver hem voortdurend volgde.
„Maak de deur open, Fräulein,” verzocht Charly, zonder zijn blikken van het gelaat van Grandloup af te wenden.
In een ommezien had het jonge meisje den sleutel in het slot omgedraaid.
„Neem nu de revolver van mij over en houd den kerel er mee in bedwang, tot ik dat werkje van u kan overnemen. Aarzel niet den trekker over te halen, al zou hij ook maar met de oogen knippen.”
Met vaste hand nam het meisje vlug de revolver van Charly aan, en richtte die dadelijk op den bandiet, die tegen een der wanden was terug geweken en er nu uitzag als een panter, die in het nauw is gedreven en geen uitweg meer ziet. [28]
Vlug kwam Charly het vertrek binnen.
Hij verloor niet veel tijd met praten, maar trad op Grandloup toe en sloeg hem eenvoudig tegen den grond, voor hij eenig geluid had kunnen geven. Daar bond hij hem, daarbij bijgestaan door het jonge meisje, dat over een groote dosis persoonlijken moed scheen te beschikken.
Een prop van poetskatoen in den mond belette hem het schreeuwen.
„Het smaakt wel niet lekker,” zeide Charly bij wijze van verontschuldiging, „maar het is practisch. En nu moeten wij spoedig handelen, Fräulein. Uwe medegezellinnen zijn gelukkig gered, tenminste voorloopig. Zij bevinden zich aan de voorzijde van een der hutten, maar kunnen daar niet weg, want als zij het dek oversteken, zouden zij in het gezicht komen van den man aan het roer. Bovendien kunnen ieder oogenblik leden der bemanning daar voorbij komen of een bootsman kan de ronde doen en alles ontdekken.”
„Maar verbeeld ik het mij, of vaart de motorboot veel langzamer?” vroeg Else verwonderd.
„Dat hebt gij goed opgemerkt, dat is mijn werk.”
En nu deelde Charly haar in enkele woorden mede, wat hij zooeven gedaan had—
„Maar wat is daarmede uw doel?” vroeg het jonge meisje. „Wij kunnen immers toch dit vaartuig niet verlaten?”
„Toch wel.”
„Op welke wijze dan?”
„Met de kleine motorboot, die daar ginds tusschen die davits hangt.”
„Maar die zullen wij nooit kunnen strijken, zonder dat die schurken het zien.”
„Dat moet,” zeide Charly op zacht en, maar vastberaden toon. „Die boot moet tot iederen prijs gestreken worden. Luister Fräulein. De geheele bemanning schijnt wel beschonken te zijn, op eenige uitzonderingen na. Ik heb twee Mauserpistolen in mijn zak, geladen en wel, afgenomen van twee officieren. Gij kunt waarschijnlijk wel een boot besturen?”
„Ik heb zelf een groote motorboot.”
„Des te beter. Let dan goed op. Ik zal nu aanstonds den roerganger onverhoeds aanvallen en gij volgt mij dadelijk. Trek dan zijn overjas aan, zoodat men het bedrog niet aanstonds merkt. En neem zijn plaats in. Het behoeft maar eenige minuten te duren, want dadelijk ligt de boot stil. Gelukkig staat de roerganger onder een soort luifel en men zal op de commandobrug, verondersteld, dat zich daar iemand bevindt, niet kunnen zien, wat er met den man aan het roer gebeurt.”
„En als gij hem machteloos gemaakt hebt, mijnheer?”
„Dan moeten wij het er op wagen, de boot uit te zetten. Tot ons geluk hangt de motorsloep slechts weinige meters boven het water. Het is bovendien zeer duister op het dek, de nacht zal onze onderneming begunstigen.”
„Maar is er benzine aan boord van de sloep?”
„Daarvan zal ik mij eerst gaan overtuigen. Blijf hier op mij wachten.”
Charly kroop als een slang over het dek, lichtte het zeil van de motorsloep op en overtuigde zich, dat de benzinehouder tot den rand toe gevuld was.
Hij kroop op dezelfde wijze terug en deelde zijn bevindingen aan het jonge meisje mede.
„Let nu goed op,” fluisterde Charly. „Van uw plaats aan het roer kunt gij de motorsloep vaag onderscheiden en gij zult het dadelijk zien, wanneer wij ons beginnen in te schepen. Alles moet zoo stil mogelijk geschieden. Ik herhaal dat het een groot geluk is, dat bijna iedereen aan boord dronken schijnt te zijn, of slaapt, of reeds door ons is machteloos gemaakt. Wanneer ik zachtjes fluit, laat gij het roer in den steek en voegt u bij ons. Wij beiden zullen dan zoo snel mogelijk de sloep te water laten en als het moet, dan zal ik van mijn vuurwapens gebruik maken.”
Charly bukte zich opnieuw en gevolgd door Else sloop hij naar de plaats, waar de roerganger aan het stuurrad stond en in de dichte duisternis over de golven tuurde.
Boven zijn hoofd was een soort luifel aangebracht en zoodoende was het voor degenen, die op de commandobrug stonden, onmogelijk, hen te zien.
Hij stond in een soort kamertje, dat alleen aan de voorzijde open was, en waarvan de wanden niet hooger dan een meter waren, behalve aan de achterzijde, waar de stuurstoel aan de commandobrug leunde.
Charly sloop onhoorbaar voorwaarts.
Reeds had het schip zijn vaart aanzienlijk vertraagd.
En hij kon den roerganger reeds duidelijk een paar [29]verwonderde vloeken tusschen de tanden hooren mompelen.
Aanstonds kon de machinist naar boven komen stormen en dan was misschien alles verloren.
Hij moest dus snel handelen.
Charly had nu den stuurstoel van terzijde en een weinig aan de achterzijde weten te naderen.
En nu hief hij zich eensklaps op, greep den roerganger bij de keel en drukte hem met kracht achterover.
De aldus verraste man trachtte zich te verweren, maar Charly’s vingers knepen als de bekken van een nijptang.
Toen greep de roerganger, die dreigde te stikken, naar zijn mes, maar hij was te laat. Charly liet een oogenblik los en gaf den man zulk een geweldigen stoot tegen de kin, dat hij als een blok omviel en bewusteloos bleef liggen.
Dadelijk had Else Teichmann haar plaats aan het stuurrad ingenomen.
Niemand had iets van den overval gemerkt.
Men hoorde niets dan het luide gesnork van de bemanning, voor zoover die aan het dek was gebleven.
Charly ijlde nu haastig naar de plek, waar de vier vrouwen in groote onrust bijeen waren blijven staan, en deelde hen op gedempten toon mede, wat zij te doen hadden.
De zee was gelukkig heel kalm en er bestond volstrekt geen vrees dat men met de motorsloep gevaar voor omslaan zou loopen. Bovendien moesten de politiebooten uit Varna of een andere haven nu reeds onderweg zijn en het kon niet langer dan eenige uren duren voor zij het kaperschip hadden ingehaald, dat nu machteloos op de golven dreef.
Zoo snel zij konden begaven de vrouwen zich aan boord van het motorschip.
Zij zouden voorloopig onder zeil verborgen blijven, wegens hun lichte japonnen, die haar ten ontijde zouden kunnen verraden.
Zoodra dit geschied was, liet Charly een zacht gefluit hooren en dadelijk stond het dappere jonge meisje naast hem.
Het schip was nu geheel stuurloos.
Charly en Else maakten snel de takels los en met behulp van de lieren lieten zij de sloep buiten boord zakken. Het was een oogenblik van de hoogste spanning.
Ieder oogenblik kon het gerucht van den stalen kabel over de zware schijven worden gehoord.
De boot had bijna de oppervlakte van de golven bereikt, toen de machinist luid schreeuwend en vloekend de trappen kwam opstormen.
„Vlug, vlug,” beval Charly opgewonden. „Aanstonds brult die kerel het geheele schip bijeen.”
De motorboot dreef nu op het water en het schip lag nu zoo goed als geheel stil.
Het geraas van de machine had geheel opgehouden.
Op het achterschip scheen eindelijk beweging te komen onder de beschonken manschappen.
Boven alles uit hoorde men de razende en tierende stem van den machinist, die om den eersten stuurman scheen te roepen.
Snelle voetstappen weerklonken.
Blijkbaar begreep men aan boord van de motorboot nog steeds niet den waren aard van het ongeluk dat geschied was.
En daaraan zouden Charly en de vijf geredde vrouwen zeer waarschijnlijk hun redding te danken hebben.
Vliegensvlug hadden Else en Charly ieder een van de stalen kabels gegrepen en lieten zich nu in de motorsloep afzakken.
Dadelijk zette Charly zich aan het kleine stuurrad en haalde den hefboom over, die de motor in beweging bracht, terwijl het jonge meisje met den bootshaak de sloep afzette van het groote schip. De motor sloeg aan.
Maar het geluid klonk helder en duidelijk over het stille water.
Dadelijk ontstond aan boord van de motorboot een geweldig geschreeuw.
Woedende vloeken werden vernomen.
Voetstappen stormden over het dek.
Het scheen of de schrik en de woede eensklaps de gansche bemanning weder nuchter had gemaakt.
Allerlei bevelen werden door elkander gebruld en eenige oogenblikken heerschte aan boord van het schip een hopelooze verwarring.
Charly haastte zich hiervan gebruik te maken door de sloep zoo hard mogelijk te laten loopen en zich in de duisternis aan iedere vervolging te onttrekken, indien die al mogelijk ware geweest.
Maar dit was niet mogelijk, want Charly had er zorg voor gedragen, dat hij de vlet, het eenige andere [30]vaartuigje, dat zich aan boord van de motorboot bevond en dat van een aanhangmotor voorzien kon worden, onbruikbaar had gemaakt, door de stop uit den bodem te trekken, zoodat het ranke scheepje bij het te water laten dadelijk zou volloopen en zinken. Dit geschiedde dan ook inderdaad en eindelijk schenen de bandieten te beseffen, wat er aan de hand was.
Zij hadden natuurlijk de gebonden en bewustelooze officieren ontdekt en eveneens de ontvluchting van de vrouwen.
Onder een helsch geschreeuw van woede vuurden de bandieten in alle richtingen in den blinde over de golven, want van de motorsloep was niets meer te bespeuren.
Zij konden dus alleen afgaan op het snel afnemende geraas van de motor.
Daarop zetten zij de vlet uit; maar aanstonds liep het scheepje vol water en verdween onder de golven, voor de verraste bandieten tijd hadden gevonden het weder aan de davits te bevestigen en op te hangen.
En nu was de motorboot weerloos en machteloos. Het zou op zijn minst een vollen dag duren voor de schade aan de machine hersteld was, en alle booten waren verdwenen.
Intusschen voer de sloep snel buiten het bereik van de geweren en de revolvers der razende Bolsjewisten.
Twee van de vrouwen waren van ontroering en schrik flauw gevallen en Else Teichmann en Susanne Chaumont moesten te hulp komen.
De anderen waren alleen maar hongerig en leden door dorst.
En toch zouden de vluchtelingen nog geruimen tijd moeten wachten, alvorens zij honger en dorst zouden kunnen stillen.
Charly liet de sloep nog eenigen tijd doorvaren tot hij niets meer hoorde, zelfs niet van het schieten en zette toen de motor af om een onderzoekingstocht op het vaartuig te ondernemen.
En tot zijn vreugde vond hij tenslotte in de cockpit een vaatje drinkwater en een bus scheepsbeschuit, welke de bandieten daar waarschijnlijk in geval van nood gereed hielden.
Nu kon men tenminste de uitgeputte krachten herstellen.
De uren verliepen en langzaam brak de dag aan.
Om drie uur kon men reeds vrij duidelijk op grooten afstand zien.
Een kwartier later slaakte Else een kreet en wees in de verte naar een zwart voorwerp.
Het was de motorboot van de bandieten, die daar hulpeloos rond dreef.
En bijna op hetzelfde oogenblik nam het geoefende oog van Charly Brand aan den gezichtseinder een drietal vaartuigen waar, die in snelle vaart naderden. Eenige minuten later, toen de dag voller was aangebroken, onderscheidde hij den vorm der naderende schepen. Het waren twee torpedojagers en een snelle havenboot van de politie. Allen voerden de Roemeensche vlag.
Zijn draadloos bericht had dus doel getroffen.
Met een juichkreet richtte Else, die de schepen eveneens gezien had, zich op en zwaaide met haar zakdoek.
Er verliep nog een kwartier en toen kon men zelfs met het bloote oog de personen op het dek der te hulp snellende schepen onderscheiden.
Nog eenige minuten en de beide vaartuigen lagen langszij.
Dadelijk werden de vrouwen overgescheept en daarop kon Charly zich aan de borst van zijn vriend werpen.
Raffles was meer ontroerd dan hij wilde laten blijken, en drukte Charly de hand, alsof hij haar wilde verbrijzelen.
Wat Henderson betreft, het scheelde weinig of de brave kerel was van opwinding en vreugde in tranen uitgebarsten.
Maar diep ontroerend was het weerzien tusschen de vrouwen en hun echtgenooten en vaders, die allen te Varna aan wal bleken te zijn gegaan. Het voorbeeld van Raffles volgend, en die door hem aanstonds op de hoogte waren gebracht na de ontvangst van het radiogram—door Charly afgezonden—het toeval had gewild, dat de ongelukkige mannen en vaders, als het ware door een soort instinct daartoe aangedreven, hun intrek in hetzelfde hotel hadden genomen, waar Raffles vertoefde.
Intusschen waren de beide torpedojagers vlug voort gevaren, de kanonnen dreigend op het kaperschip gericht, nadat Charly door den scheepsroeper den kapitein had toegeroepen, dat het schip onmogelijk kon ontkomen.
Het duurde dan ook niet lang of alle bandieten, [31]die wel inzagen, dat tegenstand vruchteloos was, waren aan boord van de twee oorlogsschepen in de boeien gesloten, terwijl het met buit beladen schip door een der torpedojagers op sleeptouw werd genomen.
Daarop werd de terugreis naar Varna aanvaard.
Onbeschrijfelijk was de vreugde die er aan boord van de motorboot heerschte en Charly had de grootste moeite zich aan alle loftuitingen te onttrekken. Maar op eenige mijlen voor Varna geschiedde er nog iets onverwachts.…
De op sleeptouw genomen motorboot begon te zinken.
„De schurken! Zij hebben een lek in den bodem gemaakt, uit louter wraak,” kreet Henderson woedend.
„Dat schijnt wel zoo Henderson,” zeide Raffles. „De motorboot zinkt tenminste snel.”
Dadelijk keerde een der torpedojagers naar het geladen schip terug om te trachten het lek nog te stoppen, maar zij kwam te laat.
Zij moesten zich zelfs haasten uit de zuiging van het zinkende schip weg te komen.…
Toen ging de motorboot met zijn lading van goud en juweelen naar den kelder.
Raffles had schijnbaar onverschillig toegezien.
Maar toen er niets meer van het schip te zien was, fluisterde hij Charly toe:
„Wij zullen eens goed onthouden, waar het schip gezonken is, men kan nooit weten.”.…