’t Was nog niet ver in het najaar, maar toch reeds vinnig koud. In de nieuwe wijken van Den Haag, te zamen grooter dan de oude stad, scheen het guurder dan elders; eentoniger en stiller was het er zeker, vooral in de straat, waar kapitein Roos met zijn talrijk gezin een bovenhuis had gehuurd. Wie dien dag den hoek om kwam, kreeg van den scherpen noordoostenwind de volle laag en zijn deel van het voor den sterken luchtstroom opstuivend zand, dat de pas gelegde bestrating bedekte.

De twee lange rijen huizen stonden, op enkele uitzonderingen na, nog leeg. Één lijn vormden de lijsten der dakgoten aan weerskanten, één lijn de architraven, één lijn de rollagen der trottoirs. De net gemetselde roode baksteenen van het weinige en dunne muurvlak tusschen deuren en vensters waren opgebleekt onder den drogen, kouden wind, die door de reten gierde, het te versche hout der paneelen deed krimpen en scheuren, of spleten trok in de voegen, waarvan ’t laagje verf week met een knal. Het was een mislukte bouwspeculatie, die geheele straat, gelijk er zooveel waren. [2]De huren waren laag, maar toch wilde niemand er wonen voorshands, en slechts hier en daar zag men een armzalig winkeltje in een der benedenhuizen genesteld, met een mageren inventaris, die een parodie leek op de huisdeur à jour en den porseleinen schelknop.

En over die nare ongezellige straat hing een effen grijze lucht, met geen kans om een zonnestraaltje door te laten, in de talrijke vensters zonder gordijnen zijn grauwe tinten weerspiegelend.

Kapitein Roos trok zijn handschoenen aan en nam zijn stok. Hij ging uit, elken dag en elken avond; hij was bijna niet meer thuis dan om te eten en te slapen. Zijn woning trok hem niet aan en aantrekkelijks was er ook bitter weinig. Twee jaren hadden ze geleefd van hun verlofstraktement en ingeteerd van hun Indischen spaarpot; toen was de tijd gekomen, dat hij gepensionneerd werd, en nu was van de laatste dubbeltjes, die zij in Indië zoo zuinig hadden bijeengebracht, nog maar een kleine som over; zij zagen den dag naderen, dat zij den bodem zouden zien van hun trommeltje; mevrouw Roos had het kunnen uitrekenen op haar vingers, maar dat wilde ze niet, en de kapitein deed het evenmin. Zij vonden het zóó onaangenaam, dat ze er zelfs niet samen over spraken. ’t Meubilair hunner woning was even troosteloos als de straat; het zag er kaal en slordig uit; bij de kachel, die reeds brandde, waardoor het benauwd warm was in de huishoudkamer, zat mevrouw Roos gewikkeld in een rood en zwart geruite wollen sjaal, met de armen kouwelijk over elkaar en toch half stikkend uit gebrek aan versche lucht. [3]

„Nu, bonjour,” zei de kapitein. „Tot straks. Dag jongens!”

Zij bromde iets, dat een groet moest beduiden; de kinderen, die voor het venster zaten, keerden even met een: „Dag pa!” de donkere hoofdjes om, en drukten toen weer dadelijk hun reeds platte Indische neusjes totaal plat tegen de ruiten, waarover zij ademden, om daarna, als de wasem op het glas neersloeg, er met hun kleine koude vingers groteske soldaatjes op te teekenen. Zij waren nog niet gewasschen; ze kregen genoeg te eten, maar ze werden toch slecht verzorgd, geheel overgelaten als ze waren aan een dienstmeisje, dat, steeds in een vieze jurk gekleed en met meer gekapte dan gekamde haren, zoowat den baas speelde in huis, en niet meer of minder deed, dan ze zelve verkoos.

Van een knappe Indische huismoeder, was mevrouw Roos een Hollandsche huismoeder geworden van treurig allooi. Zij had als ’t ware een heimwee naar Indië. Terwijl ze zoo huiverend bij de kachel zat en met een onaangenaam koortsig gevoel de grauwe zandwolken zag opstuiven in ’t grauwe najaarslicht, dacht ze aan niets dan aan Indië; aan den warmen, gouden zonneschijn, aan den rijken, diepgroenen plantengroei, aan haar gezellige achtergalerij. God, God! als ze naging, dat ze dat nimmer zou terugzien, dan wilde ze maar liever spoedig sterven!

Op straat zette hij er, zooals hij ’t noemde, den pas in. ’t Hoofd meer dan rechtop, een gewoonte gebleven uit den tijd der stropdassen, en met den stok zwaaiend stapte hij naar den „Dierentuin”; daar kwamen ’s morgens eenige oud-gasten van zijn „kaliber” bijeen en dan maakten ze een partijtje. Er kwam niemand anders. Geen Hagenaar, lid van [4]den Tuin, zou het ooit in ’t hoofd krijgen in dit vergevorderd seizoen en op zulk een uur van den dag in ’t lokaal van dien Tuin te gaan zitten. Maar dat maakte het nu juist voor hen zoo aantrekkelijk. ’t Was fatsoenlijk, en ze konden er hun bittertjes drinken als in Indië „voor de rijsttafel”, zonder dat iemand hen aanzag voor dronkaards, omdat ze reeds in den ochtend sterken drank gebruikten. Hij wist wel, dat hij met zijn groot gezin en zijn pensioen die leefwijze op den duur niet zou kunnen volhouden, maar daaraan wilde hij voorshands niet denken. Kwamen die tijden, dan kwamen die plagen; als het zóó ver was, dacht hij, dan zou hij wel eens omzien naar een baantje, dat hij er gemakkelijk bij—wáárbij wist hij eigenlijk niet, maar hij bedoelde zijn pensioen—kon waarnemen. En zoo ging hij ook nu welgemoed naar den Tuin; de wind was koud, en hij droeg nog maar een dichtgeknoopte zwarte jas, maar dat hinderde hem niet, want, placht hij te zeggen, stoffend op zijn krachtige persoonlijkheid, „zoo’n ouwe soldatenransel” moest overal tegen kunnen. vond het zoo kwaad niet, dat leven in Holland, en hij had het pleizierig gevonden als ’t zijn vrouw ook was bevallen. Zij was erg veranderd, en dat hinderde hem; zij was niet meer voor hem, wat ze zooveel jaren geweest was, en al werd hij nu een dagje ouder,—het verdroot hem toch. Welzeker, hij had ingezien dat het heel iets anders is kapitein te zijn bij het Indisch leger in actieven dienst in Indië dan in Holland gepensionneerd kapitein van hetzelfde leger te heeten. Dan, zoo is de wereld, dacht hij, en men moest dat nemen zooals het was; zijn vrouw moest zich schikken naar de omstandigheden. [5]

Keetje en Pietje,—neen, zoo heetten ze sedert lang niet meer, de twee oudste dochters, die ondanks ze nu reeds vijftien en zestien jaren oud waren, nog in de hoogste klasse zaten van de meisjesschool voor gewoon lager onderwijs; ze heeten nu Corrie en Nelly, zooals Haagsche meisjes, ’t zij par droit de naissance of par droit de conquête, betaamt.

O, die konden het best stellen, als de jongens van de burger- en andere scholen het haar niet zoo lastig maakten op den duur. Toen ze pas op school kwamen, moesten ze in een lage klasse met veel jonger meisjes, in wier blonde, bleeke hoofdjes reeds meer schoolwijsheid stak dan in haar arme bruine kopjes, en die met een zeker air naar de ontwikkelde bustes keken van de „Oostersche nieuwelingen” alsof er persoonlijke schande stak in zulk een vroegtijdige physieke ontwikkeling, en diezelfde Haagsche meisjes vonden onder elkaar, dat Corrie en Nelly er met haar breede neuzen en krachtig gebouwde figuren net uitzagen als bruin gebraden, aangekleede dienstmeisjes; maar het mannelijk deel der schooljeugd dacht daar heel anders over en ontwikkelde een profusie van kalverliefde, erg hinderlijk voor de donkere zusjes, en alleen gecompenseerd door een regen van geschenken aan potlooden, papeteries, ulevellen en chocolaadjes. Zij leidden met haar beiden een vroolijk leventje, zich weinig bekommerend om de rest of om de toekomst, en als ze met haar lederen schooltasschen aan de hand, en in haar strak gespannen met astrakan afgezette manteltjes van school huiswaarts keerden, met moeite ontsnapt aan de overal wachtende en loerende kus- en knijplievende jongens, en gierend [6]van pret, dan stond menig eigenaar van een perkamenten tronie stil, en zag met innig welbehagen dat tweetal donkere meisjes na, in de volheid harer vormen, met de rozen op het gezicht, een glinsterend licht in de guitige zwarte oogen, en twee rijen prachtige tandjes tusschen de lachende, kersroode lippen.

Voor haar huis drukten zij met kracht en aanhoudend op den schelknop, tot de meid boven aan het touw trok en de deur openging. Stampend op de houten met geen loopers bedekte treden der trap, stoven zij met groot geraas, lachend en zingend naar boven; de kleintjes juichten haar te gemoet; bij de halve ellende van het huishouden en de heele van haar moeder, vormden zij het rumoerig element van het frisch ontluikende jonge leven; het eenige opwekkende, dat de doorgaans gedrukte stemming in de woning van kapitein Roos verlevendigde.

Dien middag hadden zij vrij van school, en zij plaagden haar moeder zoolang tot ze er in toestemde zich te kleeden en te gaan wandelen. Mevrouw Roos had er eigenlijk eerst geen lust in, maar ze deed het om de kinderen, en toen ze eenmaal in de drukke straten wandelde, stilstaand om de tien schreden en luisterend naar het gesnap der meisjes, och, toen vermaakte het haar toch zelve wel, al het moois te bewonderen, achter de vensters der winkels en magazijnen uitgestald. En naar haar Indische opvatting zoo goedkoop! Zóó goedkoop, dat ze, ondanks haar geringe middelen, altijd hier of daar binnenging, en nooit thuis terugkwam zonder eenige guldens minder in haar portemonnaie en eenige noodelooze kleinigheden meer in haar bezit. Maar er was ook veel, dat [7]haar hinderde op straat en haar bloed deed koken van verontwaardiging. Hoeveel Indische dames kruiste ze niet in die volle straten, evenals zij, wandelend om te zien, maar ook, niet gelijk zij, om gezien te worden! Zij zag er daaronder, die ze gekend had toen ze nog kinderen waren; anderen, die haar buren waren geweest; zij zag er, die, gezegend door de fortuin, ’t zij door een huwelijk, ’t zij door snelle bevordering van een vader of echtgenoot, in de gelegenheid waren zich prachtig te kleeden en te rijden in equipages. En daarbij waren er, die deden of zij de eenvoudig gekleede vrouw van den gepensionneerden kapitein en haar dochtertjes nooit te voren hadden gezien; anderen, die haar groetten uit de hoogte op een haast beleedigende manier met een genadig knikje. Dan was mevrouw Roos voor een oogenblik weer de kloeke vrouw van vroeger; ze richtte het hoofd op, glimlachte even en keek met haar groote zwarte oogen zoo inlandsch minachtend, dat zij, wien het gold, zich haastten voorbij te komen.

„Dag Jeanne, hoe maak jij het?”

Verrast, haast verschrikt, wendde mevrouw Roos ’t hoofd om.

„Hé, dag Julie, hoe gaat het?”

Ze gaven elkaar de hand en ze kusten elkaar. Nette Haagsche menschen vonden die demonstratie op het trottoir van een der hoofdstraten hoogst onfatsoenlijk; die Indische lui geneerden zich ook nergens voor! En een Haagsche straatjongen, blijkbaar ook in zijn fatsoen getast, riep luidkeels „pakt-em!”—De dames Roos en Van Stralen letten daar niet op. Ze waren zulke goede oude vriendinnen, en ze hadden elkaar in zoo lang niet gezien! Toen Roos nog luitenant [8]was, diende Van Stralen reeds als oud kapitein, en van toen dagteekende de vriendschap der dames, die echter, hoe hartelijk zij zich ook liet vernieuwen, nu men elkaar weer persoonlijk zag, zich nooit in briefwisseling had voortgezet.

„En dat zijn je oudste meisjes?” vroeg mevrouw Van Stralen, met een klein beetje afgunst in het oog de kloeke kinderen beschouwend; zij zelve had er geen.

„Groot geworden, hè?”

„Verbazend! ’t Zijn haast heele menschen. Dat is, als ik me niet bedrieg, Keetje en dat Pietje.”

Mevrouw Roos lachte om de verontwaardigde gezichten harer dochters.

„Nu ja, wij noemen haar Corrie en Nelly.”

Mevrouw Van Stralen lachte ook.

„Je hebt wel gelijk, Jeanne. ’t Klinkt veel aardiger. En hoe bevalt het jou hier?”

„Och zoo! Wat zal ik je er van zeggen? ’t Bevalt me eigenlijk volstrekt niet.”

„Kom,” zei mevrouw Van Stralen, die ook een Indische was. „ kunnen ’t hier wel vinden; maar,” ging ze voort met een blik op het eenvoudig toilet harer vriendin, „wat de duurte betreft, valt het leven hier niet mee.”

Ze praatten nog een oogenblik, intusschen het publiek, dat langs het trottoir wandelde, zeer in den weg staande, en het werd mevrouw Van Stralen onder het discours heel duidelijk, dat Jeanne verdriet had.

„Je moet me komen opzoeken, ja? Beloof je het?”

Mevrouw Roos aarzelde.

„Je moet zeker komen, Jeanne. Wij hebben een aardig [9]clubje als dames onder elkaar. De heeren loopen toch altijd maar naar de sociëteit! Heusch, je moet komen.…” en lachend bracht zij den mond bij het oor harer vriendin en ging fluisterend voort.

Met een uitdrukking van komieke verbazing op het gezicht, keek mevrouw Roos haar aan.

„Loh! Wat zegje? Kepl.…”

„Sst!” viel mevrouw Van Stralen haar in de rede. „Niet zeggen! Het gaat maar om ’n kleinigheid, want we zijn haast allemaal gepensionneerd. Ik wed.…”

Snel trok zij haar kleed ter zijde voor de wielen van een prachtige coupé, die juist stilhield bij het modemagazijn, waarvoor zij stonden te praten.

Er traden twee nog jeugdige dames uit ’t geopend portier, beiden prachtig gekleed: een klein, donker vrouwtje, met een gezond en levendig uiterlijk, en een lange, statige blondine, met een bleek en lijdend gezicht. De eerste zag snel rond, trad op mevrouw Van Stralen toe en gaf haar de hand.

„Dag mevrouw,” zei ze met een fraaie, muzikale stem. „Gaat het goed? En hoe vaart de kolonel?”

„Uitstekend! En dokter Van der Linden, en de kleine?”

Ook dàt was in orde. Men sprak een minuut, en toen wipte ’t mooie, gracieuze vrouwtje den winkel in.

„Ken je haar niet?” vroeg mevrouw Van Stralen, en toen Jeanne ’t hoofd schudde, ging zij zachtjes voort:

„Zij is de dochter van dokter Van der Linden van Batavia, die met dien rijken Van Velton getrouwd is geweest, ’n heele tjerita, weet-je! Wij hebben nu geen tijd, maar je moet me vast beloven eens aan te komen, dan zal ik je zoo [10]een en ander vertellen. Ik heb de reis met haar gemaakt, weet-je?”

Toen mevrouw Roos tegen etenstijd weer thuis kwam, keerde haar heimwee met volle kracht terug; zuchtend en langzaam klom zij de trap op: de meisjes waren haar reeds vooruitgevlogen naar haar kamer. Terwijl ze voorbij de keuken kwam, hoorde zij de meid mopperen. Ze liep even binnen, en zag Kaatje met een roode kleur voor het fornuis staan, bezig den onvermijdelijken Hollandschen biefstuk te braden, waarvan de familie Roos nog altijd niet verzadigd was.

„Wat is er?” vroeg ze.

„Er is niets, mevrouw. Als meneer asjeblieft maar niet zoo familiaar is! Ik ben daar in ’t geheel niet op gesteld, en hij moet uit de keuken blijven. Hij moet niet denken dat hij zoo’n zwarte negerin voorheeft!”

Mevrouw Roos ging gauw heen. Zij wist genoeg van ’t Hollandsche keuken-idioom om te begrijpen, waarop die laatste uitdrukking der in land- en volkenkunde niet ervaren Kaatje doelde; ze wist ook, dat wat de „familiariteit” van den kapitein betrof, ’t meisje volkomen gelijk had, en ze voelde, dat haar eigen zoo veranderd gedrag tegenover hem daar mede schuld aan had.

’t Kon haar echter weinig schelen; het vooruitzicht nimmer weer naar Indië terug te kunnen en haar leven lang in het koude, onaangename land te moeten blijven, ontnam haar allen levenslust. Ze zou weinig jaren te voren in de grootste woede zijn ontstoken, als Roos haar ook maar eenige reden had gegeven tot jaloezie; thans was het haar volkomen onverschillig, al deed hij ’t ergste. Maar och! dat deed hij niet. [11]Het is waar, dat hij, die jong naar Indië gegaan en nooit met verlof in Europa geweest was, thans vaak een zwaren strijd had te strijden, waarin hij althans zijn uiterste best deed telkens overwinnaar te blijven. Zelf van nederige afkomst, l’eau remontait à sa source: Roos toonde namelijk een hoogst gevaarvolle neiging voor dienstmeisjes. Hij kon de handen niet thuis houden; hij streek haar onder de kin of kneep haar in wangen of armen,—allemaal kleine, onschuldige misgrepen, gepleegd in volle eer en deugd, maar die Kaatje in woede deden ontsteken, alleen omdat zij het van zoo’n bejaard mensch, zei ze, in ’t geheel niet velen kon.

Met het onschuldigste gezicht ter wereld, zat de kapitein, een beetje verhit van ’t langdurig partijtje in den Dierentuin, aan de reeds gedekte tafel, de courant lezend van den vorigen dag.

„Marsch!” riep hij, toen zijn vrouw binnenkwam. „Dat heb ik wel zien aankomen: Van Schermbeek is er uit.”

„Kasian,” zei ze, „hij is zoo’n goed en fatsoenlijk man!”

„Van top tot teen ’n gentleman. Maar ik heb ’t hem voorspeld. Dat beroerde reclameeren ook! ’t Is of dat jonge volk den duivel in ’t lijf heeft!”

„Dat heeft oud volk soms ook.”

Hij keek haar eenigszins verbluft aan en las toen verder, zonder te vragen wat ze bedoelde. Zij vervolgde heel bedaard:

„Daarom wou ik je verzoeken, de meid aan haar werk en met rust te laten, en niet meer in de keuken te komen.”

Hg schoof onrustig heen en weer, draaide met nog hooger kleur aan zijn knevels en zette zijn bril recht.

„Je moest je schamen!” zei ze nog. [12]

Toen frommelde hij aan de courant, dat het papier rammelde, en eerst langzaam en stootend, daarna met een toenemend flux de bouche kwam hij los in klachten en verwijten van hoogst intiemen aard, waaruit hij de conclusie trok, dat het alles haar schuld was. was zoo niet, maar als men.… enfin nog gezond en krachtig was, en men had een vrouw als een dubbel bevroren ijsklomp.…

Zij hoorde het aan zonder iets tegen te zeggen; zij wist het wel, en ze gaf hem in veel gelijk. ’t Was haar echter onmogelijk anders te zijn dan zij was; hij begreep niet hoe doodelijk ongelukkig ze zich voelde, en hoe dit leven haar walgde en tegenstond. Er kwam een pijnlijke trek op haar gelaat, en toen de kapitein dat zag, sprak hij ingetogener en kalmer; zijn liefde voor haar kwam weer boven, maar ’t hielp niet. En intusschen luisterden Corrie en Nelly met Kaatje aan de deur, half stikkend van ingehouden lach. Toen het „standje” uit was, liepen ze alle drie naar de keuken, waar ze het uitschaterden.

Bij het diner was het alles vrede.

„Kom, ga eens mee naar de opera,” zei kapitein Roos tegen zijn vrouw.

Zij schudde het hoofd.

„Ik blijf liever thuis.”

„Thuis sterven de meeste menschen,” merkte hij wijsgeerig aan. „Het is wezenlijk verkeerd van je, Jeanne! Ze geven van avond de Cloches.”

„Ga jij maar,” antwoordde ze schouderophalend. „Heusch, ik geef er niet om; ik blijf veel liever hier.”

Hij drong niet verder aan, maar stond op en ging zich [13]kleeden. De meisjes vroegen of ze met Kaatje mee mochten boodschappen doen in de buurt, en dat werd haar vergund; de kleintjes werden naar bed gebracht; ze sliepen in een ommezien onder de warme dekens, en toen de huisdeur dichtviel, hoorde mevrouw Roos den harden militairen stap van haar man door de leege straat en in de holle onbewoonde huizen weerklinken in de eene richting, en het droge tikken der hakjes van de meisjes en van de meid, die gearmd en gichelend den anderen kant uit gingen. Daarna werd het stil in de eenzame buurt, en slechts de onverbiddelijke koude wind hoorde men door de schoorsteenen gieren met klagend geluid.

Zij had haar sjaal weer omgedaan, en na de kachel te hebben opgestookt, haar stoel er bij geschoven. De tafel was nog niet „afgenomen”; dat zou Kaatje wel doen, als zij terugkwam, en ’t kon mevrouw ook weinig schelen. Zij verzonk weer in de droomen en phantasmagorieën, die haar heimwee vergezelden. ’t Ging haar als de schipbreukeling, die, op diëet van zoet water, gekweld wordt door grooten dorst, en in een staat van geestelijke verdooving geen andere beelden ziet dan heerlijke glazen ijswater, die hem aan de lippen worden gebracht, maar meedoogenloos verdwijnen bij elke gretige poging er iets van te drinken; allerlei visioenen had ze van Indië; het was haar leven in al zijn phasen, dat achtereenvolgens opdoemde, van haar eerste jeugd als dochter van een opziener op een onderneming in het gebergte tot haar later huwelijk met den toen 2den luitenant Roos; zij zat met gesloten oogen en glimlachte tegen haar hallucinaties gelijk haar man wel zou gewenscht hebben, dat zij het tegen hem deed. [14]

In den foyer van de opera stond deze gedurende de pauze met een groepje zijner oude vrienden een glas grog te drinken. Een enkel woord was gesproken over ’t stuk, dat werd opgevoerd, doch heel spoedig verviel men vanzelf in gesprekken over Indië, over expedities, promotie, traktementen, schandaaltjes, regeeringsfouten en intriges. Ook hen vervolgde en bezat het land, waar ze zooveel van hun beste levensjaren hadden doorgebracht; het had hen vast en ’t wilde hen niet loslaten; ze droegen er ’t onuitwischbaar stempel van in woord en gebaar, in houding en uiterlijk. En het bleek ten slotte, dàt wat hun ’t meeste belangstelling inboezemde, al waren de meeningen der meesten in het koude klimaat aanmerkelijk afgekoeld, en deden velen hun best anders te denken en te spreken, dan hun aandrift meebracht, om de andersdenkenden en sprekenden in wier midden hun gewoon dagelijksch leven verliep.

Maar toch hadden ze voor alle van vreemde smetten vrije Nederlanders nog eigenaardigs te over: de weinigen, die aanvankelijk hadden gestaan bij het groepje in den foyer, uit gepensionneerden, verlofgangers en een enkel particulier saamgesteld, trokken spoedig af; zij verstonden het discours maar half en konden er niet aan deelnemen. En menige onvriendelijke blik gleed over dat groepje, en menige kwaadaardige grijns ging aan het adres der kern-gezonde, grog- en bierlievende verlofgangers, die „wegens ziekte” pierewaaiden in Den Haag, met behoorlijke verlofstraktementen, waarvoor ze niets behoefden te doen,—twee omstandigheden, die de Haagsche ambtenaarswereld haast deden stikken van woede en spijt.—Men moest hun niet vertellen, dat [15]die menschen doodziek Indië hadden verlaten, en door de zeereis reeds voor het grootste deel herstelden, zoodat ze na een kort verblijf in Europa geheel beter waren; men moest hen er niet op wijzen, dat velen van die menschen in afgelegen oorden jaren achtereen een droefgeestig, eenzelvig bestaan hadden moeten leiden, haast afgesloten van allen Europeeschen omgang,—want zij geloofden het toch niet; ze hoorden het aan, schouderophalend en met een: „nu, ja”, maar voor de rest bleven zij er bij, dat het meer dan ergerlijk was, om, als zij in ’t Lange Voorhout uit hun bureau-vensters zaten te kijken, zulke verlofgangers in datzelfde Voorhout te zien wandelen.

„Heb je mevrouw Van Velton gezien?” vroeg een oud-hoofdambtenaar, en op die vraag staken allen de hoofden bijeen met oolijke gezichten. Er werd gefluisterd en gelachen, tot luid en brutaal de schel weerklonk, die hen terugriep naar de zaal, omdat de pauze uit was. ’t Scheen wel, dat de naar de deur stroomende menigte door den dikken rook heenbrak, dien zóóveel brandende sigaren binnen een kwartier in den foyer hadden doen opgaan en die, met de massa, vergezeld van een echte kroeglucht, zich in de kromme gangen en gangetjes verbreidde.

„Doe de deur dicht,” had Louise Van Velton tegen haar stiefdochter gezegd, die in haar loge er het dichtst bij zat. „Er komt zoo’n nare lucht binnen.”

Hortense strekte zwijgend een langen arm uit en sloot de deur. Ze geeuwde achter haar waaier en ook Louise had geweldig ’t land. Zij zag er keurig uit in ’t ponceau fluweel met parelgrijze kant gegarneerd en een gezichtje om te [16]stelen; haar diamanten schitterden oogverblindend. Ook Hortense was altijd keurig en smaakvol gekleed; het was bekend, dat zij prachtig woonden, schitterende equipage hielden,—kortom, dat ze rijk waren, rijk, schoon en elegant, en toch hielp ’t niet!

O, er kwamen hoogst fashionabele lieden in haar villa op ’t Plein 1813, doch zij behoorden niet tot den stand, welken Louise er had wenschen te zien. Zelfs vroeger, toen zij met haar vader te Brussel woonde, verkeerde zij in hooger kringen. Van Indische clubs wilde zij niets weten, en met oud-gasten liet zij zich zoo weinig mogelijk in. Natuurlijk kon ze niet beletten, dat kennissen visites maakten, maar zij moedigde dat zoo weinig mogelijk aan, en bracht slechts tegenbezoeken als ’t niet anders kon. Zij werden nu begeleid door een neefje van Hortense, een jongmensch uit Arnhem met een bloemzoet gezicht en hoogst affabele manieren, doch in de oogen van Louise, die verzot was op grooten chic, niet veel meer dan een heerenboertje. Toen haar naam werd afgeroepen, bracht neef André de dames naar haar coupé en nam hij afscheid.

„Ik heb me gruwelijk verveeld van avond,” zei Louise, haar sortie nauwer aanhalend en tegen de zacht geelzijden doffen leunend.

„En ik dan!” geeuwde Hortense uit het andere hoekje.

De fraai geornamenteerde lantaarns aan het hek van den tuin brandden en de jonge gitzwarte paarden sloegen vonken uit den bestraten toegangsweg. En nauwelijks stond het rijtuig stil of de deuren onder de koetspoort vlogen open, en in een stroom van zacht goudgeel licht uit de albasten [17]lampen, beklommen ze de marmeren trap van den corridor.

„Bonsoir!” zei Louise, stilstaand voor de deur van Hortenses kamer en haar de wang toestekend.

De stiefdochter drukte er even haar lippen tegen.

„Wel te rusten!” zei ze, haar kamer binnengaande.

Er moest een einde aan komen,—dàt was mevrouw Van Velton met zichzelve eens. Zulk een saai leven, ondanks haar groot vermogen en weelderige levenswijze slechts verveling brengende, wilde zij op den duur niet leiden. Papa zag men alleen aan het ontbijt en bij het diner; voor de rest ging hij geheel op in haar kind, zijn eenigen kleinzoon, waarvan zij intusschen meer en meer vervreemdde. Het was reeds zóó ver, dat de oude heer jaloersch werd en boos, als zij zich zelfs maar met de kleeding van ’t jongske bemoeide; ’t was zijn afgod, en ofschoon physiek een allerliefst ventje, een naar, vervelend, bedorven kind, dat altijd zijn zin moest hebben. Hortense.… neen maar die was à propos van verveling een wereldwonder! Die zeurde nu niet met haar kind, dat evenwel heel aardig en lief werd, zoo’n bleek wurm als het in Indië was, maar die zeurde over haar man. En dat was nu juist voor Louise geen aangenaam onderwerp. Niet dat zij thans nog iets hoegenaamd om hem gaf! Wat zij voor hem gevoeld had, en wat nog een oogenblik bij haar laatste bezoek te Batavia hel had opgeflikkerd, was thans voor goed gestorven, en zij had overigens, hoewel weduwe, weinig behoefte aan een huwelijk of aan omgang met een man, schoon ze gevoelig was voor vleierij en wel hield van een aardigheid. Maar zoo mooi ze overigens was, zoo lief en levenslustig zij er uit zag, zoo koket zij wezen [18]kon en zoo schijnbaar hartstochtelijk soms haar groote zwarte oogen gloeiden, zoo rustig en normaal werkte haar gestel, dat trouwens in haar eerste huwelijk niet was verwend. Zij had haar gevoel onder bedwang.

De altijd eenigszins vermoeid uitziende Hortense daarentegen, met haar rustig onverschillig gezicht en kalmen oogopslag, leed geweldig onder de afwezigheid van Fournier. Nacht en dag stond hij haar voor den geest; zij had hem reeds lang vergeven, dat hij haar bedrogen had, door zijn vroegere verhouding tegenover haar stiefmoeder voor haar te verzwijgen. Naderhand, toen ze alles wist, vond zij het weinig, alleen rekenend met den uitslag, niet met het doel. ’t Was een kinderachtigheid geweest, een vergissing vond ze; en eenmaal uitgemaakt hebbende, dat het niet meer was, achtte zij het de moeite niet waard er verder over na te denken. En nu streed de arme Hortense een zwaren strijd tegen haar isolement. Zij ging, toen ze uit de opera kwamen, eens kijken in de kinderkamer,—de kleine sliep als een roos, en in het ledikant naast het kinderbedje deed de bonne hetzelfde. ’t Was alles stil en rustig in het groote huis. Langzaam en zuchtend ontkleedde zij zich, nam een boek en ging aan de tafel zitten lezen; daarmede verzette zij zich tant bien que mal, en tot laat in den nacht verslond zij boeken, haar best doende zooveel mogelijk belang te stellen in de handelende personen, tot ze, doodmoe, naar bed ging en dadelijk insliep.

’t Was een koude, heldere ochtend, den volgenden dag; de wind woei hardnekkig uit denzelfden guren hoek, maar de grauwe wolkenmassa was weggedreven; de zon scheen [19]vroolijk en vriendelijk aan de staalblauwe, strakke lucht; haar reeds bleeker schijnend licht verguldde de gele uiteinden der met zacht geruisch over ’t Plein dwarrelende bladeren.

Zij ontbeten nog in de tuinkamer.

„Het is zulk lekker weer; we moesten eens naar Scheveningen rijden,” meende Louise.

„Ga gerust je gang; maar ik blijf thuis met het kind,” zei dokter Van der Linden, nu reeds met een bezorgden blik op zijn kleinzoon.

„U zult hem nog heelemaal verwennen.”

„Laat dat maar aan mij over! Ik ga met hem spelen in den tuin. Rijdt jullie maar naar den zeekant; hebben hier zeewind genoeg.”

Doch Hortense wilde wel, en ze hadden reeds orders gegeven om in te spannen, toen de knecht een paar visitekaartjes binnenbracht.

„God, hoe vervelend!” zei Louise. „Natuurlijk weer Indische lui.”

Voor één presentabele Haagsche jonkersfamilie had zij gaarne ’t heele visschersdorp ook als badplaats een jaar lang willen ontberen.

Het waren kennissen uit Indië. Zij had hun namen gelezen onder de passagiers der Fransche mail, en had wel gedacht, dat ze den een of anderen dag haar voor den neus zouden staan. Nu kwamen ze al heel ongelegen, maar enfin! ze moesten maar in de ontvangkamer worden gelaten, waar mevrouw Van Velton een oogenblik later, met een gezicht stralend van genoegen en een vriendelijken lach op de lippen, hen verwelkomde.

De twee heeren behoorden niet tot ’s lands dienst; de een, [20]’s lands welvaren in persoon, was Mr. Mourant, advocaat, en de ander met het uiterlijk van een leverlijder, heette Veninga en was planter. Beiden bezaten een aardig fortuintje, maar de advocaat had met pleiten toch niet half zooveel verdiend als de planter met koffie-oogsten. Zoo de heeren van denzelfden leeftijd waren,—de dames scheelden veel in dat opzicht; mevrouw Mourant liep naar de veertig en zag er in uiterlijk schoon zeer gewoon Indisch uit; wel kon men ’t haar aanzien, dat zij een zeer intellectueel ontwikkelde vrouw was, maar al mocht mevrouw Veninga op dit laatste niet bogen, toch stelden haar groote schoonheid en haar twintig jaren de oudere vriendin ver in de schaduw; die deden zelfs afbreuk aan de mooie Louise en dat voelde zij toen ze binnenkwam en het jonge vrouwtje in een snoeperig reiskostuum haar om den hals vloog en hartelijk kuste.

„We zijn nog heel vreemd in patria,” zei Mourant lachend.

„Het is al zoo vèr in het seizoen,” meende Louise.

„Dat is het ook,” gaf Veninga toe, „en we zouden ook gewacht hebben tot den volgenden zomer, als mijn gezondheid het had gepermitteerd!”

„En ’t is erg lief van de Mourant’s—vindt u niet?—dat ze hun vertrek uit Indië om onzentwil hebben vervroegd.”

„Och,” zei mevrouw Mourant, „Jet overdrijft dat; wij hebben elkaar zoo lang gekend; zij zijn, dat weet je, uit ons huis getrouwd, en als kind was ze altijd bij ons thuis.…”

„Toch vind ik het erg hartelijk,” viel Louise met haar liefsten glimlach in, en intusschen dwaalde haar vlugge blik over dat viertal, waarvan twee der dames naast haar zaten op de ottomane, en Veninga zich vermoeid had neergevleid [21]in een leunstoel, terwijl Mourant achter dien stoel staande met de armen rustend op de leuning en een glimlach om den mond naar de dames keek, nu en dan zich met een gepast woord in het gesprek mengend. En er lag zoo iets meesterachtigs en cynisch in dien glimlach, dat Louise er zich inwendig boos over maakte en de wenkbrauwen samentrok.

Er werd een glas morgenwijn rondgediend, en Veninga, die geen idéetje van spiritualiën aandurfde, uit vrees voor zijn lever, dronk een glas soda-water. Al pratende en zich, ondanks zichzelve, weer warm makend over wat sedert haar vertrek in bekende families was voorgevallen, vloog voor mevrouw Van Velton de tijd voorbij.

„We moeten nu weg, anders komen we niet op tijd,” zei Mourant, op zijn horloge ziende.

„Blijft u dan niet hier?” vroeg Louise.

Hij zag eens rond.

„We hadden afgesproken terug te gaan naar Amsterdam. Voorloopig namen we onzen intrek in het Amstel-hotel. Daarna denken we hier te komen.”

Mevrouw Veninga was reeds opgestaan.

„En we gaan nu terug naar Amsterdam,” zei ze op een toon, die duidelijk aangaf, dat nu het itinéraire onherroepelijk was vastgesteld.

Men nam hartelijk afscheid.

„Die vervelende lui,” klaagde Louise toen ze terugkwam bij Hortense, die droomerig voor zich uit zat te kijken met de handen in den schoot en zeker aan Fournier dacht: „die vervelende lui hebben me verschrikkelijk opgehouden. Het is nu te laat om naar Scheveningen te gaan.” [22]

„Och,” antwoordde Hortense, als ontwakend: „’t kan me eigenlijk ook niets schelen.”

„Ik heb,” ging ze voort, toen ze zag dat Louise zich ergerde aan haar verregaande onverschilligheid, „hen even in ’t rijtuig zien stappen. Ze zagen er netjes uit.”

„O ja! Ze zijn in Amsterdam mensch geworden. Ik heb zoo gelachen om het verhaal van dien Mourant. Het is een naar, pedant heer, maar hij praat wel aardig.”

„Wat was het?”

„Och, the old story: ze hebben nette familie te Amsterdam, een beetje stijf en vervelend, maar die toch goed meeleven. Nu, zij hadden zich maar vast in Indië van Europeesche kleederen voorzien, en meenden dat ze poes mooi waren.”

„Die is aardig!”

„Nietwaar? Wel, ze begrepen er niets van, toen hun in vertrouwen verteld werd, dat ze zich moesten laten kleeden, want dat niemand van de familie zich op straat met hen durfde vertoonen. Ha, ha! Aardig, ja!”

Ook Hortense vond het erg grappig en lachte hartelijk mee.

„Waarom heb je een hekel aan dien meneer Mourant?”

„Ik.… ik.… kan het je haast niet zeggen, Stance! Het is misschien heel leelijk, maar ik vermoed iets.…”

Hortense keek op; zij zou geen vrouw moeten geweest zijn om tegenover onuitgesproken vermoedens geen nieuwsgierige belangstelling of belangstellende nieuwsgierigheid aan den dag te leggen.

„Zeg het maar,” drong ze aan, en met een uitdrukking op ’t gezicht, die gebrek aan vertrouwen verweet, voegde ze er bij.… „onder ons!” [23]

„Hij heeft iets in zijn gezicht en in zijn manieren; iets waarvoor ik geen naam weet, maar dat elke parvenu, die niets gewoon is, over zich heeft als hij op zijn manier een conquête heeft gemaakt. Men kan ’t hem aanzien, dat hij het wel zou willen uitschreeuwen van de daken; dat hij er in stikt, en het springt te meer in het oog, naarmate hij haar behandelt, alsof er niets.… niets.…”

„Maar dàt is nu toch ’n beetje erg! Mijn hemel, ik zou niet graag zoo iets beoordeelen op zoo’n manier! Je hebt ’n hekel aan den man, en dat is, geloof ik, alles! En nu maar te denken, dat hij dien armen zieken Veninga.…”

„En toch is het zoo, of bijna zoo! Geloof me, Stance, men begrijpt en gevoelt zulke verhoudingen ’t best bij intuïtie. Er zijn onder die vier menschen bedriegers en bedrogenen. Daar zou ik mijn hoofd op durven geven.”

Er werd een groot pakket binnengebracht. Het knappe werkmeisje, koket gekleed en met een heel air, lei het op de tafel en zei nonchalant-weg:

„Asjeblieft, mevrouw, de mijl,”—zoo scherp, alsof ’t woord mail met zes lange ij’s werd geschreven.

Mevrouw Van Velton verroerde zich niet, maar keek met boozen blik de netgebouwde figuur der dienstbare fee na, die met een trippelpas de kamer verliet in een paars japonnetje, dat haar als geschilderd aan ’t lijf zat, iets wat kapitein Roos in verrukking zou hebben gebracht.

Louise ergerde zich geweldig aan de vrouwelijke dienstboden. De mannen waren beleefd en onderdanig, vond ze, maar de meisjes haatte ze, en ze bleef er altijd een beetje bang voor. Die hadden ook iets in haar houding en manieren, [24]dat sprak, en een zoo scherpzienden blik als die van mevrouw Van Velton-Van der Linden ontging het niet, dat haar vrouwelijke bedienden voor haar niet de deferentie betoonden, als zij waarnam dat in echt Hollandsche voorname families aan den dag werd gelegd. En of zij al vorstelijke loonen betaalde,—het baatte niet. Het was, integendeel, of de schepsels insolenter werden, naarmate ze meer geld verdienden.

Zenuwachtig had Hortense het pakket losgemaakt, de couranten ter zijde geworpen en, onder de brieven grabbelend, er een uitgehaald; ze scheurde er haastig ’t couvert af en verslond den inhoud. Langzaam naderde Louise de tafel. ’t Kon háár zoo bitter weinig schelen, wat de post bracht! ’t Waren meest brieven over haar geldzaken, en die gaf ze ongelezen aan haar vader, of enkele korte episteltjes van oude vriendinnen, kennisgevingen van huwelijken en overlijden, en zoo—enfin, dingen, waarin zij slechts matig belangstelde.

Ze liet ze één voor één onverschillig door de handen gaan.

„Hij komt! hij komt!”

’t Was een juichtoon, zóó luid, dat Louise er van schrikte.

„Hij komt!” riep Hortense nog eens, den brief als een zegeteeken boven haar hoofd houdend, met een kleur op de wangen en licht in de oogen, wat haar altijd zoo mooi maakte.

„Het is jammer, Stance, dat je niet altijd zoo verheugd bent. Als je eens wist hoe goed het je staat!”

„Hij kan al over een week of drie hier wezen. God, hoe heerlijk!”

En in de overstelping harer blijdschap kuste ze Louise telkens en telkens weer. [25]

„Ik ga hem halen van Marseille,” riep ze: „wat een heerlijke winter zal dat zijn!”

’t Deed hare jonge stiefmoeder pijnlijk aan. Niet om Fournier; maar zij benijdde Hortense, die zoo gelukkig kon zijn om ’t vooruitzicht van hereeniging. Was dat geluk, en zou zij, die dat nooit had gesmaakt, ook nimmer te weten komen, wat het was?

En intusschen dacht Hortense hardop; ze sprak nu in tien minuten meer dan anders vaak in een heelen dag; ze maakte allerlei vooronderstellingen en verwierp die weer; hij zou toch wel telegrapheeren, of neen, dat zou hij niet, want hij zou haar verrassen; zij zou het wel tijdig lezen in de passagierslijsten, tenzij hij voor de grap zijn naam niet liet publiceeren. Zou hij dadelijk naar Den Haag komen en bij haar zijn intrek nemen, of zouden ze eerst een reisje doen door Italië en Duitschland? Zij gaf zichzelve taal en antwoord, en toen zij nog met den brief in de hand, vroolijk en opgewonden naar haar kamer ging, hoorde Louise haar zingen—voor de eerste maal sedert zij daar woonden!

In eentonige regelmaat tikte zacht de slinger der pendule, die een marmeren Phryne, in verleidelijke houding haar schoone lijnen toonend, omhooghield; tusschen de donker damasten gordijnen drong flauw het weemoedig licht van den dalenden najaarsdag; Louise leunde met den elleboog op de tafel en keek naar buiten zonder te zien; zij voelde zich zoo verlaten, zoo heel, heel erg alleen! Was er dan niets voor haar op de wereld? Volstrekt niets? Niets wat ze zóó liefhad, dat ze er voor leefde, en dat haar gelukkig kon maken? Er welde als het ware iets op in haar binnenste, iets dat haar verschrikkelijk [26]benauwde; zij voelde dat het zou losbarsten met teugellooze kracht, en ze vloog de kamer uit, de trappen op, naar de vertrekken van den dokter,—die waren eenzaam; haar vader noch haar kind waren er, maar door het venster zag ze hoe de erg verouderde dokter in het zweet zijns aanschijns samen met njo een toren bouwde in den tuin van aarde en steenen, en hoe ze zich allebei kolossaal amuseerden, hij, met zijn weinige zilverwitte haren, ’t jongske met den dichten blonden krullebol. Ook die twee hadden elkaar lief en leefden voor elkaar. En zij was voor niemand iets, gelijk niemand iets was voor haar. Ging er dan zulk een afstootende kracht van haar uit, zóó, dat alles van haar vervreemd raakte: moederliefde, kinderliefde, de liefde.…? De groote opwelling van smart, die haar daareven haast had doen stikken, kwam niet tot een uitbarsting; slechts zuchtte zij diep en streek haar donker fraai gevormd handje over haar voorhoofd. Soedalah! fluisterde zij en terwijl de inlandsche uitdrukking der machtigste onverschilligheid over haar gezicht gleed, werd die als ’t ware onderstreept door een licht schouderophalen.

Wat kon ’t háár ook eigenlijk schelen? ’t Was toch alles maar grand bruit et.… bien peu de besogne!

Langzaam kwam ze de trap weer af, die ze in zoo vliegende vaart was opgevlogen. Hortense zat met haar dochtertje op den schoot en kuste het.

„Wat zal hij van haar staan kijken!”

„Zeker! ze is hier goed vooruitgegaan.”

„’t Is een heel ander kind geworden, nietwaar!” riep de gelukkige moeder, haar baby omhooghoudend.

„Ik ga een paar boodschappen doen. Ga je mee?” [27]

„Ik kan niet! Morgen sluit de mail.…”

„Nu ja,” antwoordde mevrouw Van Velton driftig, „maar daarmee zal je toch geen brief zenden, want die bereikt hem immers toch niet meer.”

„Misschien.… als ik hem adresseer naar Port-Saïd of Suez.”

„En je weet niet eens, met welke boot! Kom, ga maar mee, dan kunnen we daar meteen naar informeeren.”

Toen ze uitreden zagen ze weer de dames Van Stralen en Roos op het Plein 1813 wandelen.

„Zijn dat zulke vriendinnen?” vroeg Hortense.

„Het schijnt zoo. Mevrouw Van Stralen woont in de photografen-straat1; het gaat er erg Indisch toe; ze houden er damesclubjes en God weet wat nog meer; die kapiteinsvrouw is er zeker geweest, en gaat nu naar huis; natuurlijk hier of daar in den Indischen archipel.”2

Het was inderdaad zoo. Mevrouw Roos had gevolg gegeven aan de uitnoodiging harer oude vriendin. Zij had haar een bezoek gebracht aan haar huis in de Willemstraat, en zij trof het goed, want juist dien dag was er koempoelan besar van Indische dames bij mevrouw Van Stralen. Er waren oude kennissen en geheel vreemden, maar met wie zij spoedig heel eigen was: allen waren uit ’s lands dienst, levend van pensioen, bespaarde sommetjes, en een enkele zag haar inkomen vergroot door den ijver van een nog in de kracht zijns levens zijnden man, die er een min of meer lucratief, maar altijd [28]hoogst fatsoenlijk „baantje bij”—dus bij zijn pensioen—had weten machtig te worden.

Toen men veel en geweldig dooreengepraat had bij een glas limonade, dat men zich „onder elkaar” niet geneerde „stroop” te noemen, begonnen de onschuldige spelletjes inderdaad niet hoog, maar waarbij men zich toch opwond en betrekkelijk nog heel wat winnen of verliezen kon. Eerst had mevrouw Roos geaarzeld, maar toch deed ze mee. En terwijl ze vroeger in Indië meest altijd verloor, won ze nu en ging ze een beetje rijker naar huis dan ze gekomen was. Toen Roos dien dag uit den Dierentuin kwam, was zij tot zijn verbazing nog niet thuis, terwijl de meisjes reeds lang van school waren gekomen.

„Waar ben je heen geweest?”

„Ik heb een paar boodschappen gedaan, en ik ben even bij mevrouw Van Stralen geweest.”

„Zou het waar zijn, dat ze daar dobbelen?” vroeg hij, ’t manuaal van kaartspelen er bijmakend.

„Ik weet het niet,” antwoordde ze onverschillig; „’t kan me ook niet schelen.”

Mevrouw Roos was dien avond vroolijker dan anders, en dat zag de kapitein met genoegen; ze stemde er zelfs in toe na het eten een wandeling te doen, en ze was zoo opgewekt, dat hij er ’t beste van durfde hopen.

„Ga je mee?”

Hij had het haast werktuiglijk gevraagd en uit gewoonte.

„Waarheen?”

„Naar de Hollanders,” antwoordde verbaasd de kapitein, den Hollandschen schouwburg bedoelend. [29]

„Och ja. ’t Is nogal goed weer.”

„Zeker, het weer is uitmuntend. ’t Is jammer, dat het stuk van avond niet van de nieuwste is.”

„’t Zal voor mij nog nieuw genoeg zijn.”

„Ja, je gaat zóó weinig uit! Het doet me pleizier, dat je nu eens mee wilt. Je weet niet, welk een genoegen me dat doet!”

Hij had als ter bekrachtiging een zijner dikke handen op de tafel laten vallen met een harden slag. Toen zij zich had gekleed was hij een en al voorkomendheid, met een ouderwetsche, eenigszins overdreven galanterie. In de straat stapte hij met zijne vrouw aan den arm en ’t hoofd meer dan rechtop, met zekeren trots voort; het was in geen maanden gebeurd, dat ze samen uitgingen.

„Wezenlijk, Jeanne, we moeten dat meer doen.”

Zij glimlachte achter haar dikke voile.

„Jij weet anders alleen ook wel den weg te vinden.”

„Ik ben een oud militair, Jeanne; dien maakt geen sterveling tot een kniesoor. Als jongen heb ik al geleerd de zaken te nemen zooals ze zijn.”

„Ja, je hebt een gelukkig gestel,” zei ze met een zucht, die naar Indië ging.

„’t Is heelemaal naar men zichzelven went, vrouwtje! Achter de kachel zitten, kan ik niet. Ik moet beweging hebben in de frissche lucht en ik vraag er niet naar of ’t warm is of koud.”

Een oogenblik wachtte hij, maar toen ze zwijgend en eenigszins huiverend zacht tegen hem aandrong, vervolgde hij:

„Er uit moet ik, dat vat je, en ik moet zeggen.…”

„Dat ik je nooit tegenhoud.” [30]

„Nnneen.… dat ’s waar. Ik heb wel eens gedacht.… hm!.… Enfin, ik wil maar zeggen, dat het toch veel beter zou zijn voor ons beiden, als we meer samen uitgingen. Waarachtig, in Indië waren we meer bij elkaar.…”

„O.… dat is een verschil! In Indië!”

„Dat is geen verschil. Je zoudt immers precies evengoed met me mee kunnen gaan naar de opera en de komedie. Ik heb er met pleizier nog ’t geld van een abonnement voor over, dat weet je wel!”

„Praat in Godsnaam niet van geld!”

„Larie!” riep Roos in zijn echte troupiers-opvatting van de waarde van het geld. „Als de bok zijn ribben toont, neem ik er een baantje bij.”

Zij geloofde inderdaad, dat hij zoo’n baantje slechts voor het nemen had; wat wist ze ook van Hollandsche toestanden, en wat wist hijzelf er van?

Roos stootte haar aan met zijn elleboog; zij keek op en zag hoe hij door een zijwaartsche beweging met het hoofd, haar aandacht vestigde op een heer, die alleen voor het helder verlichte venster van een boekwinkel stond te kijken. Eerst herkende zij het mager en scherp profiel met de lange neerhangende knevels niet, maar toen ze dichterbij kwamen, keek ze verrast haar man aan.

„Van Schermbeek?” fluisterde zij vragend.

Hij knikte bevestigend en versnelde een weinig den pas met de blijkbare bedoeling te trachten ongezien achter hun vroegeren mede-passagier voorbij te gaan.

’t Gelukte bijna, maar net op ’t laatste oogenblik keerde Van Schermbeek zich om, zag hen en groette. [31]

„U hebt zeker gehoord, dat ik den dienst heb verlaten?” vroeg hij meeloopend.

„Ja! Het is net gegaan, zooals ik aan boord voorspeld heb.”

Van Schermbeek lachte schamper.

„Ze zijn nog niet van me af!”

„Nu ja, dat is ook ’n schrale troost.”

„Er is in zoover nog niets verloren.”

„Hè?.… Wat zeg je?.… Nog niets verloren? Maar kerel, hoe heb ik het met je! Je bent er uit, voor den donder! Heelemaal.…”

„Sst! Roos, schreeuw toch zoo niet!” zei zijn vrouw kwaad, terwijl ze hem heftig aan den arm trok. „De menschen zullen denken, dat je dronken bent.”

„Laat de menschen naar de maan loopen. Ik kan niet velen dat Van Schermbeek, wien ze genoodzaakt hebben op zijn jongen leeftijd en als luitenant z’n ontslag te nemen, beweert, dat daarmee niets verloren is.”

„Begrijp me goed,” zei de jonge man: „ik bedoel alleen dat ik er weer in kom.”

„Dat denk je maar!”

„Ik heb ’n brochure geschreven, waarop de Regeering vallen moet. Ze is vandaag uitgekomen. Ik zal er u morgen een exemplaar van zenden. Ze liggen daarginds geëtaleerd bij dozijnen voor het venster van den boekverkooper. Dat is de genadeslag. Die moet me gelukken, en dan zal men iets anders zien! Dan kom ik er weer met eer en glorie in.”

Zij twistten voort tot groote woede en ergernis van mevrouw Roos. Dicht bij de komedie bleven ze staan, disputeerende over de oude strijdvragen, wat een officier doen moet, [32]mag en kan in bepaalde en onbepaalde gevallen. De kapitein beriep zich telkens op het niet te loochenen feit, dat de ervaring hem in ’t gelijk had gesteld; Van Schermbeek erkende dat alleen wat zijn gedwongen ontslag uit den dienst betrof, maar hij hield vol, dat daarmee ’t laatste woord in zijn zaak nog niet was gezegd; dat hij „herstel van grieven” zou krijgen en weer herplaatst worden. Dat gaf Roos in het geheel niet toe. De Tweede Kamer .… nu ja, ’t was mooi en de heeren zeiden veel, maar men had ten slotte met het legerbestuur in Indië te maken, en dat stoorde er zich bitter weinig aan. En in de drukte van dit belangrijk twistgesprek, waarbij zij opnieuw hun gansche arsenaal van argumenten leeghaalden, vergaten zij bijna geheel de arme mevrouw Roos, tot zij, terwijl haar een lichte huivering van kou door de schouders voer, besloot er een einde aan te maken.

„Nu, goeden avond, mijnheer Van Schermbeek; van harte ’t beste succes, ja! Wij gaan binnen, want de komedie is reeds begonnen.”

„O dank u zeer, mevrouw .… Neem me niet kwalijk, dat .… Bonsoir, kapitein, tot genoegen.”

„Als ik jou liet begaan,” mopperde mevrouw Roos, terwijl ze het bordesje van den schouwburg opgingen, „dan stond je daar tot morgenochtend door te slaan. Ze zijn al lang begonnen.”

Met groote schreden en zijn wandelstok zwaaiend, keerde Van Schermbeek terug; zijn hoofd stond er niet naar, den schouwburg te bezoeken. Roos was de eenige niet, die zich in „zijn zaak” op zulk een ouderwetsch, achterlijk standpunt had geplaatst; hij kende dat! Beste, uitstekende menschen, [33]maar die „er” niets van begrepen. Hij kon zich daar dikwijls boos over maken, maar van avond was er, meende hij, niemand ter wereld, die hem uit zijn humeur kon krijgen, en ofschoon hij ’t zichzelven niet had willen bekennen en tegenover iedereen in gemoede het tegendeel zou hebben volgehouden, toch kon hij niet zonder vreugde en trots aan die brochure van hem denken, die bestemd was de politieke atmosfeer zoo geweldig te beroeren. Het verlichte venster van den boekverkooper trok hem aan als een magneet; van verre zag hij het en hij ging er op af, onwillekeurig den pas versnellend, en evenals toen daar straks Roos voorbijkwam, was hij de eenige kijker. Daar lagen ze in hun grijze bleekrose omslagen! Daar lag zijn naam gedrukt met vette letters en de indrukwekkende titel er boven in dubbele grootte. Twee kleine jongens met de armen fideel om elkaars schouders geslagen kwamen naast hem staan, drukten de petjes, waarin hun hoofden staken, dicht bij elkaar en lazen half spellend: „Be … roep … op … het … rechtsge … voel … der … natie … Een … woord … aan … de … Tweedeka … mer … derSta … tenGe … neraal.”

„Generaal,” herhaalde de een. „Zouwen ze dien dikken bedoelen van de grenadiers?”

„Ben je gek? Het beteekent den Koning in z’n glazen koets, je weet wel! Staten, mot je lezen; Staaten.”

„Nou, eet me maar niet op met je Staaaten! Ik weet het net zoo goed als jij; als de politie vooroprijdt, met een oranje sjerp.”

Van Schermbeek ging glimlachend verder. Hij verkeerde, bij lotgenooten vergeleken, in bijzonder gunstige omstandigheden, [34]want hij had geld. Noch van zijn kant, noch van dien zijner vrouw ontbrak het aan middelen. Dàt was een voornaam ding. Daarom was het zijn plicht de kastanjes uit het vuur te halen, en geen onrechtvaardige bejegening te verdragen. Als gefortuneerde officieren niet eens in de bres sprongen, wie moesten het dan doen? Wat zou die brochure een effect maken. En zelfs dáárbij liet hij het niet. Zijn familie had niet alleen geld, maar op enkele plaatsen ook invloed. Waarom zou hij geen lid worden van de Tweede Kamer? Duivels, wat zou hij de Regeering dan à faire nemen! Al voortwandelend schraapte hij alle grieven bijeen, algemeene en bijzondere, van het Indische leger; hij verwerkte ze tot een redevoering, en hield die, in zichzelven, als een maidenspeech voor zijn vooronderstelde waardigheid van volksvertegenwoordiger. Toen hij den hoek der straat omsloeg, zag hij den lichtstroom, die uit de vensters van de „Witte” in den donkeren avond hel naar buiten drong en breede schrille strepen sloeg op den weg. ’t Zag er zoo gezellig uit, dat hij binnen liep. Er zouden wel altijd lui zijn; misschien kennissen, en wellicht hadden zij zijn brochure al ontvangen en gelezen of bij de boekverkoopers zien liggen.

Veel bezoekers waren er niet: de vaste clubjes en enkele losse leden, die op hun gewone plaatsen zaten, couranten of tijdschriften lezend. Er waren geen Indische bekenden, maar aan een tafeltje zat een reeds bejaard heer met een deftig grijs baardje, dat van zijn hoofd scheen gevallen te zijn, want daarop groeide niets meer; hij zat te genieten, blijkbaar, van een sigaar, want hij kneep met innig welbehagen de oogen dicht, telkens als hij trok. [35]

Toen Van Schermbeek hem groette, knikte hij even met het hoofd; de jonge man aarzelde een oogenblik; het was een oud vriend der familie, die er druk aan huis kwam, toen hij, Van Schermbeek, nog een kind was.

„Hoe maakt u het?” vroeg hij, plaats nemend.

„Dank je.”

„’t Is hier stilletjes van avond.”

„Ja.”

„Niet naar den schouwburg?”

„Neen.”

Driftig stond Van Schermbeek op.

„Ik wensch u een goeden avond,” zei hij op een toon van geraaktheid, waaruit men duidelijk kon hooren, dat hij den ouden vriend zijner familie een ongelikten beer vond.

„Hm! Zeg! Hè.… Van Schermbeek!”

Hij keerde zich om en kwam terug.

„Ga nog even zitten. A propos.… ik heb vandaag een soort van boekje.… hoe wil je het noemen?.… van je ontvangen.… Jongens, je moet zulke dingen toch niet doen.”

„Hebt u het gelezen?”

„Och ja.… zoo eventjes doorbladerd.… Maar wezenlijk, het spijt me erg van je.… Ik kan me niet begrijpen, dat je oude heer in zulke dingen niet tusschenbeide komt.… Het is heusch.… het is.… het gaat niet!”

„Wat gaat niet?” vroeg Van Schermbeek, wiens bloed kookte.

„Nu ja.… ik wil wel gelooven, dat je niet geheel ongelijk hebt.… maar je bent altijd veel te net om.… zulke dingen .… pamfletten, enfin!.…” [36]

Hij hield zich kalm, maar ’t kostte moeite! Dat woord „pamflet” was hem als een klap in ’t gezicht, en wanneer leeftijd en verhouding hem niet gedwongen hadden zich met geweld te betoomen, zon hij gehandeld hebben alsof hem zoo’n klap gegeven was. Maar hij kon niet beletten, dat zijn gezicht op onweer stond toen hij antwoordde:

„Wie geeft u het recht mijn geschrift een pamflet te noemen?”

„Je moet dat zóó niet opnemen; het is bijwijze van spreken.”

„Dan heb ik bijwijze van spreken het genoegen u te groeten.”

Bonsoir!” zei de ander, en hoofdschuddend liet hij zich weer in zijn stoel neer, in stille deftigheid voortgenietend van zijn sigaar.

Van Schermbeek kwam heel ontstemd thuis. Zijn jonge vrouw was den laatsten tijd onwel en hield het bed. Hij wist dat zij het uit den militairen dienst treden zeer betreurde. Eerst had zij, gelijk veel van hun vrienden en kennissen, hem aangespoord om te zoeken wat hij zijn recht achtte, maar toen het zoover kwam, dat hij fatsoenshalve gedwongen was zijn ontslag te nemen, was zij zeer veranderd, gelijk velen, die ook niet gedacht hadden, dat het zoo’n vaart zou nemen, en die nu openlijk vertelden, dat hij, Van Schermbeek, heel voorbarig, lichtzinnig en dom had gehandeld; immers men wilde wel strijden vóór de rechtvaardigheid, maar.… tot zekere hoogte; boven die hoogte stonden relatiën, positie, fortuin, huisgezin, en die moesten, meenden zij, nimmer worden opgeofferd in zulk een strijd. [37]

En zoo dit groot verschil van gevoelen onder de nog slechts korten tijd gehuwden al geen merkbare verkoeling had teweeggebracht, het had toch schreeuwende dissonanten verwekt in hun huiselijk verkeer.

In de huishoudkamer dronk hij een kop thee; het was er stil en vervelend, maar hij was te verdiept in gedachten om daarop te letten. Men was er dan toch in geslaagd hem dien avond uit zijn humeur te helpen! Hij had een beleediging ondergaan en dat kon hij niet verkroppen. Als hij er aan dacht, terwijl hij met de ellebogen op de tafel en de handen in het haar, in de eenzame kamer zat, vloekte hij tusschen de tanden en dreigden de tranen hem in de oogen te springen.

Toen in de gang de schel weerklonk, schrikte hij er van, zoo geprikkeld waren zijn zenuwen.

„Als er bezoek is,—ik ben niet thuis,” zei hij, de kamerdeur openend, tot de dienstbode, die naar voren ging. Doch niettemin hoorde hij een voetstap, en toen hij dien herkende, was hij gerust.

„Goeden avond,” zei de oude heer Van Schermbeek.

„Dag pa, ga zitten. Ik ben blij, dat u eens komt.”

„Waarom ben je dan zelf niet eens gekomen?”

„Ik weet het niet.… Misschien.… Enfin, ik kan het niet zeggen.”

Hij ging erg openhartig om met zijn vader, ofschoon die altijd een tegenstander was geweest van zijn oppositie in vruchtelooze audienties, verzoeken, adressen en artikelen; maar ’t was een antagonisme, dat geen afbreuk deed aan de genegenheid en het vertrouwen. [38]

„Anders alles wel?”

„Och zoo! Zij is ’n beetje onlekker in den laatsten tijd.”

„Hm, dat gaat weer over. En jij?”

„Ik? Och, beroerd! Ik ben op ’n vervloekt onaangename manier bejegend.… en als ’n ander het had.…”

„Goed, goed, vertel het maar.”

En toen Van Schermbeek zijn hart gelucht had:

„Hadt ge wezenlijk op iets anders gerekend?”

„Of ik gerekend had op iets anders dan zoo’n bejegening?”

„Nu ja: zóó of tennaastenbij. Je trekt je dat woord „pamflet” nu zoo aan, doch in dàt opzicht moet je in ’t geheel niet teergevoelig zijn. Iemand, die voor ’t publiek schrijft, moet zijn huid verharden, althans tegen de beoordeelingen van hemzelf als auteur en van zijn arbeid als zoodanig.”

„Niemand is verplicht schelden aan te nemen voor goede munt.”

„Welzeker! Wie iets zegt tegen één mensch of wie ’n bepaald aantal hem bekende personen bijeenroept en toespreekt, heeft aanspraak op ’n fatsoenlijke bejegening. Wie echter voor het publiek schrijft, dat is dus ook voor het rapaille van een maatschappelijke klasse, doet van die aanspraak afstand.”

„Dus uw eigen oude vriend.…”

„Is ’n beste kerel; ’n man van fortuin en goede geboorte; ’n man van nette vormen en correct fatsoen; zeer achtenswaardig in die opzichten, maar moreel en intellectueel behoort hij tot het rapaille van zijn stand.”

„En hij kwam jarenlang bij ons aan huis!” [39]

„Zeker! Als men iedereen als het ware zedelijk en verstandelijk van alle kanten wou gaan bezien en beproeven en ontleden, dan kwam men tijd te kort en zou men moeten leven als ’n kluizenaar.”

„Daarom ben ik altijd zoo tegen jou optreden geweest,” ging de oude heer voort toen zijn zoon zweeg, „dat weet je wel. Telkens heb ik je gewaarschuwd, maar je wildet niet hooren. Je scheen eerst te moeten voelen; welnu—voel!”

„Ik heb zóó cynisch niet over de menschen gedacht, en ik doe het nog niet,” zei Van Schermbeek geraakt, en toch een beetje verlegen.

„Noem het zooals je wilt. De een noemt de waarheid een schotschrift, de ander noemt haar hondsch; het is lood om oud ijzer! Doch laten we niet met algemeenheden schermen. Jij hebt nu ’n brochure geschreven, en ik neem aan, dat als alle menschen deden wat recht en billijk was, jij volkomen gelijk zoudt krijgen en gerehabiliteerd zoudt worden. Toch zal die brochure niets uitwerken, hoegenaamd niets. Couranten zullen er over schrijven, al naar den geest die haar tegenover de Regeering bezielt,—wat in jou brochure staat, doet er minder toe; in de lagere volksklasse zal men je brochure niet lezen, en al deed men het, dan zou ze daar toch niet begrepen worden; de handel en neringdoende standen bemoeien zich met zulke dingen niet, die gaan haar het eene oor in en het andere uit; in de politieke sferen geldt alleen de vraag in hoever je geschrift nu bruikbaar is of in de toekomst kan worden voor gansch andere belangen, dan die van jou: en de adellijke standen naderen in dit en veel andere opzichten weer de lagere volksklassen. Maar van [40]al die categorieën is één ding zeker: 9⁄10 trekt er den neus voor op.”

Van Schermbeek antwoordde ook ditmaal niet; hij meende dat zijn vader schromelijk overdreef, maar moest zich eerst op weerspraak bedenken, want zijn levenservaring schoot te kort in die richting.

„Men moet zich dus, volgens uw meening, maar laten trappen,” zei hij eindelijk met een mismoedigen grijns.

„Blijf bij uw eigen omstandigheden. Je waart officier, en je kreeg quaestie met een hooger geplaatst officier om ’n kleinigheid.”

„Waarin hij ongelijk had.”

„Goed! En dan nog? Waren er geen honderd goede redenen voor één om hem in zijn ongelijk te laten, en je er verder niets van aan te trekken?”

„Dus je moet je laten trappen.…. Daar kom ik maar weer op terug.”

„Als je dat „trappen” noemen wilt, ga dan je gang; dan heb ik al heel wat menschen getrapt, want ik heb dikwijls ongelijk gehad tegenover inferieuren en anderen, en dan heb jij, schoon vijf en twintig jaren jonger, ook zeer dikwijls in dien zin ondergeschikten getrapt.”

„Dat is allemaal de zaak niet, pa. Gesteld dat ik werkelijk beter had gedaan, alles te slikken als koek, wat ik niet toegeef, dan blijft nog het verder verloop een schreeuwende onrechtvaardigheid!”

„Zeker, je bent gemeen behandeld. Alleen je hadt alles zelf kunnen voorkomen. Nu heb je overal den indruk gemaakt van een weerspannig en recalcitrant militair; dat duldt men [41]niet, en zelfs zij, die zeer goed inzagen, dat ge het recht op je zij hadt, konden je niet handhaven. Onze maatschappij is geen ideale zaak, en het militair gedeelte wel het allerminst. Absoluut recht, gesteld dat het bestaat, is voor toepassing ongeschikt; bij een streven naar recht, zal men toch altijd nu en dan zich gedwongen zien de macht er boven te stellen.”

„Ik ben het niet met u eens,—en soedah! ik zal het nooit met u eens worden. Al dat opstapelen van bezwaren tegen de toepassing van het eenvoudigste beginsel ter wereld, noem ik een doekje voor het bloeden. Wel, wat zou het verschrikkelijk zijn geweest als de legercommandant eens had gezegd: Van Schermbeek is in zijn recht en hij zal dus hebben wat hem toekomt! Kijk, pa, dat zou ’n paar hoofdofficieren hun positie hebben gekost. Verschrikkelijk, hè? Die hadden het dan niet aan henzelven te wijten, die arme slachtoffers van het recht! En wat zou het slecht gewerkt hebben op het leger, als zelfs de mindere man had gezien.…”