„Dat een jong luitenant met verzet, gemopper en klachten er in slaagde hoofdofficieren een beentje te lichten!”
„Neen, dat er recht was te krijgen bij het Indische leger.”
„Enfin, ééns worden we het toch niet,” zei de oude heer Van Schermbeek opstaande. „Laat je echter zóó ver overtuigen, dat je met al de moeite, die je in het werk stelt, niets hoegenaamd zult bereiken. Het eenige is, dat de meeste menschen zich van je zullen afwenden en je er op aanzien. Voor een schande zal men het je niet bepaald aanrekenen.…”
„Dat ontbrak er slechts aan!” [42]
„Maar het scheelt dan toch niet veel! En de Regeering zal je wijselijk.…”
„Wat zegt u, wijselijk?” schreeuwde Van Schermbeek verontwaardigd.
„Houd je gemak! Ik zeg wijselijk, want zij kan niet anders. Zij zal dan je wijselijk negeeren, doodzwijgen als je ’t liever hebt. Het is haar niet mogelijk zich in het bijzonder bezig te houden met een zaakje als dat van jou. Jullie hebt eigenaardige begrippen daaromtrent! Je denkt dat, wat voor jou heel belangrijk is, dit ook per se voor de heele wereld wezen moet.”
„Het is niet „mijn zaakje,” zei Van Schermbeek somber. „Het is een zaak van principe voor het Indische leger.”
„Volgens jou opvatting, die maar weinigen deelen. Hoe het zij, ik wilde je slechts waarschuwen, beste jongen, tegen mogelijke illusiën.”
„God bewaar me! illusiën!” riep de ex-luitenant, de kamer op en neer stappend met groote schreden en de armen omhoog, terwijl hij in dien uitroep zijn geheelen gedachtengang van voor een paar uren verloochende.
„Nu des te beter! Ik heb je stil je gang laten gaan, hoezeer ’t me ook hinderde. Maar je bent jong.… en, enfin, ik heb ook mijn sociale Sturm- und Drang-periode doorgemaakt. Je weet altijd bij wien je komen kunt, als er iets noodig mocht zijn.”
Hij drukte de hand zijns vaders stijf in de zijne, en zag hem aan met een innige ontroering. Ja, dat wist hij wel! Wat er ook gebeurde, hij kon op zijn ouden heer rekenen, en dit anders heel gewoon, volstrekt niet bijzonder gevoel [43]van hartelijke genegenheid, roerde hem, nu zijn zenuwen een beetje in de war waren door de opwinding telkens, nu eens al pratende met anderen, dan schrijvende of in gedachten.
De Mourants en de Veninga’s hadden zich in Den Haag gevestigd. Hortense was naar Marseille gereisd om haar man van de boot te halen, en mevrouw Van Velton, die zich gruwelijk te huis verveelde en niet mee was willen gaan om als facheuse troisième bij den glorierijken intocht van den met smart verbeiden Fournier te assisteeren, maakte bij de Veninga’s een contra-visite. De zieke voelde zich niet beter; hij zag, vond Louise, er zelfs slechter uit.
„’t Klimaat helpt me nog niet veel,” zei hij op haar vraag hoe het hem ging.
„Langzaam aan, dan zult u er óók wel afkomen.”
„Nietwaar?” zei Mourant, die mede een bezoek bracht. „Er zijn hier al zooveel zieke Indische levers genezen, dat Veninga er wel ’n beetje op kan vertrouwen.”
Mevrouw Veninga—ze was nog zoo jong, dat iedereen haar Henriëtte of Jet noemde, bij haar vóórnaam—gunde Louise den tijd niet over den ziekte-toestand van haar man en zijne kansen op beterschap voort te gaan. Ze nam de bezoekster dadelijk in beslag en leidde haar het huis rond. Het was niet zoo weelderig, zoo grandioos, als de villa op het Plein 1813, noch wat ’t gebouw, noch wat den inboedel betrof. Maar niettemin was het een mooi, solied huis met ruime vierkante kamers en groote balkonvensters, [44]en het rook in de breede corridors niet naar verf, versch hout en natte kalk.
„Je woont hier uitstekend,” meende Louise.
„Nietwaar? Het is nu wel zoo’n paleis niet als bij u; maar het kan toch volstaan.”
„Dat zou ik denken. En ik maak je wel mijn compliment, Jet. Je hebt het keurig, keurig netjes en met smaak gemeubileerd.”
Het jonge vrouwtje bloosde van genoegen. Men mocht te Batavia en in Den Haag over het humeur, het karakter en de antecedenten van mevrouw Van Velton-Van der Linden denken en spreken zooals men wilde,—dáárover was men het eens, dat ze een onberispelijk goeden smaak had; een compliment in dat opzicht was vleiend. En men kon het Louise aanzien, dat ze er pleizier in had, toen ze rond zag in het boudoir in vieux or gemeubeld en dat er, ofschoon ’t nog geen week was betrokken, zoo gezellig gebruikt uitzag, zonder eenig stuitend kenmerk van het nieuwe.
„’t Is hier waarlijk lief,” zei ze, op een laag stoeltje plaats nemend, „maar ’t is goed dat je er geen zwart bij hebt genomen. Dat zou te zwaar zijn geweest en bruin kon het ook niet velen.”
„O neen,” zei mevrouw Veninga levendig, „bruin in het geheel niet! Maar ik wist in het eerst heusch niet wat ik er bij zou nemen, tot ik op dit dubbel cérise ben gevallen.”
„Het was gewaagd. Eén toontje te licht.…”
„O, afschuwelijk! dat vind ik ook; zooals het nu is, kan het net en het gaat met het palissander. Willem zei.…”
„Welke Willem?” [45]
„Ik bedoel Mourant. Hij heeft heel veel kijk op wat goed is. Waarom lach je?” vroeg zij plotseling, eenigszins geraakt en blozend.
„Lach ik? God, dat wist ik niet eens. Welnu, wat zei.… Willem?”
„Hè, wat ben je flauw!”
„Hoe is ’t mogelijk! Het schijnt, dat wat hij zei ’n geheim is! Ten minste je bent niet van plan het te zeggen.”
„Hij zei alleen, dat het zelfs met mahonie niet gaan zou, ofschoon ik.…”
„Nu, daarin had hij gelijk.”
„Hoe vindt ge dat Veninga er uit ziet?”
Louise keek haar vlak in de oogen, maar zij had een Indische voor, gelijk zijzelve er een was. In het eerst had Jet zich verpraat, verdiept in de schakeeringen der kleuren van haar ameublement, maar nu ze zag, dat ze aanleiding had gegeven haar te verdenken en werkelijk verdacht werd, was ze ondoorgrondelijk. Zij keek, toen ze zoo na haar vraag werd gefixeerd, met een gezicht volkomen zonder uitdrukking in ’s Blaue.
„Hij ziet er slecht uit.”
„Dat vind ik ook. Het is zóó naar.”
„Het zal wel beter worden.”
„Geloof je het?”
„Ik hoop het althans; het is heel moeielijk iets te gelooven tegenover die ziekte; zij heeft soms zulk een vreemd verloop.”
„Het duurt nu al zóó lang, en hij wordt zoo verschrikkelijk lastig.”
„Dat brengt zijn kwaal mee.” [46]
„Het is waarlijk soms niet uit te houden. Ik maak het me hier in huis maar zoo comfortabel mogelijk, weet je, want weldra zie ik er van komen, dat hij in ’t geheel niet meer wil uitgaan.”
„Daarom zou jij je nog niet behoeven op te sluiten.”
„Denk je dat hij me permitteert alleen uit te gaan?”
„Maar kind.…!”
„Geen quaestie van. Dat is juist het ergste. Hij is razend jaloersch, zóó dat het soms voor me is om wanhopig te worden. Als ik voor ’t venster zit beneden en er passeert een heer, die inkijkt, of als we boven zitten en er kijkt iemand omhoog, dan moet je wat hooren! Alle brieven, die ik krijg, doet hij open.…”
„Maar is hij dan krankzinnig? En Mourant?”
„O,” zei mevrouw Veninga, de mooie oogen zedig neerslaande: „dat is iets anders. In hem heeft hij zoo’n onbeperkt vertrouwen!”
„Dus dat is dan ’n uitzondering.”
„Zeg dàt wel! Zij zijn zulke vrienden! Mourant behandelt zijn zaken en beheert ons vermogen. Veninga kan niet buiten hem.”
Weer gleed het ironisch lachje om den mooien mond van Louise.
„Neen, dat laat zich hooren,” zei ze. „En dan zie je zeker mevrouw Mourant ook dikwijls. Die hield altijd zoo ontzaglijk veel van je en was altijd zóó goed voor je!”
„Dikwijls.… ja!.… ze is in den laatsten tijd niet zoo erg wel.… Anders komt ze hier heel veel.…”
Het dralende antwoord ontging Louise niet. [47]
„Wat scheelt haar?”
„Wat haar scheelt? Ze heeft een.… een zware kou gevat, geloof ik.”
„Weet je ook het nummer van hun huis?”
„Zeker, ik zal het je opgeven. Maar ik zou het liever nog een paar weken uitstellen. Zij zijn nog volstrekt niet klaar; ’t is nog zoo’n beetje een rommel en dan ontvangen ze niet graag.”
In de benedenkamer zat Mourant zijn zieken vriend nog gezelschap te houden; op elke knie had hij een Veningaatje zitten.
„De kinderen noemen hem oom,” zei Jet met een gezicht, waarop de vreugde glansde over de huiselijke gemeenzaamheid, die zelfs graden van bloedverwantschap in het leven riep!
Louise ergerde zich geweldig. Men kon aan haar gezicht en aan haar houding zien, dat zij zich boos maakte, en de vroolijke trek verdween er door van het gezicht van den kindervriend. Regelrecht ging ze naar Veninga.
„Ik zou, als ik u was, hier niet blijven.”
„Waarom niet?” vroeg hij verschrikt.
„Omdat ik vrees, dat u hier niet beter zult worden, en dan wordt u dus erger.”
Hij had zich half opgericht; zijn toch reeds niet kleurig wezen was grauwbleek geworden bij deze onverwachte openhartigheid.
„Ik heb dit huis pas gehuurd, wij zijn nauwelijks ingericht.”
Zij haalde de schouders op met dat groote air de dédain, dat zelfs haar vader te machtig was.
„Ik sprak niet over huishuur of meubilair, maar over uw gezondheid.” [48]
„Geduld maar!” zei Mourant zalvend. „Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd! Het klimaat zal ook in dit geval wonderen doen.”
Toen Louise hem even aankeek, schrikte hij, en trok een leelijk gezicht vol vrees, met de mondhoeken naar achter en de wenkbrauwen naar boven.
Zij deed overigens precies alsof hij niets had gezegd, en vervolgde tegen Veninga:
„Ik zou u aanraden naar het Zuiden te gaan.”
„Lieve, beste mevrouw, als ik het van de warmte moet hebben!.…”
„Neen niet om de warmte, want die hebt ge in Indië volop gehad. Te veel, dat blijkt! Maar in dit gure land zult ge sterven.”
„Maar mevrouw!” kon Mourant toch niet nalaten uit te roepen, terwijl hij de kleintjes van zijn schoot zette.
„Kom!” zei mevrouw Veninga met neergeslagen oogen, „je hebt hem geheel ontsteld.”
„Dat weet ik, en het is me in zoover onverschillig. Ik moet zeggen wat ik denk in dit geval. Wezenlijk, meneer Veninga, ga naar het Zuiden. Hier houdt ge ’t niet uit, geloof me. U ziet er bepaald slechter uit dan de vorige maal.”
„Ik voel me ook minder goed,” zei Veninga met weifelende stem en bleek gezicht.
„Dat is niets anders dan een gevolg van de reactie op het gestel,” meende Mourant.
Mevrouw Van Velton keek hem nog eens aan met de diepste minachting, maar ditmaal deed hij alsof hij ’t niet bespeurde. Hij was een te oude rat om zich zoo gemakkelijk te laten intimideeren. [49]
Een oogenblik met zichzelve in tweestrijd, liet Louise den blik doelloos dwalen door het nette vertrek.
„Het is mijn opinie,” herhaalde ze daarna, „en ik blijf er bij. Intusschen, ik heb haar nu gezegd en voor mijzelve mijn plicht gedaan. Adieu, en beterschap.”
Vriendelijk knikte ze Veninga toe, die haar heel onhandig groette, sterk onder den indruk van dat akelige visioen van den dood, door het schoone, levenslustige jonge vrouwtje opgeroepen. Ze ging Mourant, die opgestaan was en een buiging maakte, snel voorbij zonder hem aan te zien, laat staan te groeten. Henriëtte, erg boos en niet minder ongerust, volgde haar in de gang.
„Daar heb je me in ’t geheel geen dienst mee gedaan,” zei ze bits. „Wie zegt nu zulke dingen tegen ’n zieke!”
„Wil je hem vermoorden?”
„Mijn God!” riep mevrouw Veninga doodsbleek: „hoe kom je er aan?”
„Welnu, jullie doen net of je den stakkerd naar ’t kerkhof wilt helpen. Ik zeg je, Jet, dat hij hier sterven zal, nog vóór er weer groen aan de boomen is.”
„Hoe kan je dat toch beweren? Mourant herhaalt alleen wat de dokter zegt over de reactie.…”
„De dokters hier weten niets van ziekten als de zijne. Maar als hij kans heeft het leven te rekken, dan ligt die niet hier in Holland.”
„Hoe kan je dat weten?”
„Hij heeft den dood reeds op ’t gezicht, en, ril maar niet Jet, je hebt dat zelve ook wel gezien; je weet dat net zoo goed als ik. Geloof me,” verzocht ze dringend, „ga met hem [50]naar Nice of zoo! Kasian! hij is toch al zoo ongelukkig! Weest niet zoo zelfzuchtig jullie, jij en.… Willem.”
„Hemel!” steunde Henriëtte, bevend van ’t hoofd tot de voeten.
„Tot ziens,” ging Louise voort, opgewonden sprekend en zenuwachtig de handen bewegend. „Tot ziens, ja! Als je gaat, schrijf me dan.”
Zij zat al in haar rijtuig, voordat Henriëtte van den schrik was bekomen. Welk een wonderlijk schepsel was en bleef dat toch altijd.
„Ze is net gek!” zei ze, de kamer binnentredend.
„Een geëxalteerd schepseltje!” voegde Mourant er met groote geringschatting in toon en gebaar bij. „Er is altijd heel zonderling over haar gesproken. Het is waarlijk niet te verwonderen; ze doet al heel vreemd.”
Veninga echter zei niets. Hij zag nog erg bleek en lag in zijn luierdstoel achterover met gesloten oogen. Niemand wist welk een verschrikkelijken schok mevrouw Van Velton hem had gegeven door zoo onverbiddelijk duidelijk te zinspelen op den grooten vijand, dien hij zoo angstig vreesde—op den dood!
Dàt was verschrikkelijk! Het was ’t denkbeeld, dat hem reeds in Indië had geplaagd; dat hem sedert was blijven vervolgen, en waartegen hij een inwendigen harden strijd voerde; het denkbeeld dat hij met geweld terugdrong en als ’t ware omver trachtte te redeneeren, maar dat met elke pijn in de rechterzijde of in den rechterschouder zich onverbiddelijk weer op den voorgrond werkte.
„Ik hoop,” zei Mourant op hoogen toon, als sprak hij over [51]iets, dat men vèr weg werpt, „dat je van die nonsens je niets zult aantrekken.”
„Veninga zal wel verstandiger zijn,” vond zij.
Maar de zieke schudde het hoofd en keek hen toen beurtelings aan met den doodsangst op het gezicht.
„Wat weten jullie er van?” zei hij snel als beet hij hun de woorden toe. „Kan zij niet heel goed gelijk hebben?”
Mourant en mevrouw Veninga zwegen. De bitse toon van den lijder was hun een te bekende klank. Hij kon niet de minste tegenspraak velen, als hij zoo sprak. De stilte was drukkend. Mourant had weer een der kinderen op zijn schoot genomen om zich met iets bezig te houden. Jet pookte in het haardvuur.
Langzaam keek Veninga van den een naar de andere. Wat waren zij gezond! Hij, de vriend, met zijn welgedaan buikje en zijn dikken nek; zij, het mooie vrouwtje met haar frisch en jeugdig gezicht, en haar slanke, bevallige taille, waaraan men het niet zien kon, dat ze al kindertjes had gehad; net een jong meisje.
Hij vreesde geen leven nà dit leven. Daaraan geloofde hij in ’t geheel niet. Het dogma kon naar zijn meening slechts zijn voortgekomen uit een lapsus linguae. De mensch, nu ja, die plantte zich voort en had de middelen in de hand om nooit uit te sterven, een ongeval waartegen het genus zonder aansporing wel zou waken. Dàt was naar zijn vaste overtuiging de bedoeling; anders niet. Het was, meende hij, een kapitale dwaasheid, die waarheid als een os zoo verkeerd op te vatten, dat men er een persoonlijke zaak van ging maken en in allen ernst gelooven, dat er voor een fragment eener [52]individueele ikheid een eeuwig voortbestaan was weggelegd. Het niet,—daarin zou hij verzinken als hij stierf, meende hij; voortleven overdrachtelijk zou hij in zijn nakomelingen; maar persoonlijk „stof en asch”. Het was geen schrikbeeld, dat de dood, zóó gezien, opleverde; men kon hem aannemen als een vervelend, maar bevrijdend einde van een ziekelijk en pijnlijk bestaan. En toch kon de arme Veninga er niet aan denken zonder dat een ontzettende vrees hem in groote droppels langs voorhoofd en slapen gudste. En of hij al zijn redeneering te baat riep, en het algemeene tegenover het bijzondere stellend, het eerste deed overwinnen,—hij kwam niet los van den zielsangst, die hem beknelde. Moest hij dan weg? Weg van Jet en van de kinderen? Weg van het geld, dat hij met arbeid had verdiend en bespaard? Weg van alles, tot van zichzelven? En als hij nu eens stierf, wat zou het dan zijn! Natuurlijk kon hij niet verwachten, dat men om hem en zijn nagedachtenis een uitzondering zou maken op den regel. Waarom zou men dat doen? Het gebeurde immers met geen anderen! Hijzelf had nooit langer geliefde dooden betreurd dan eenige weken na de begrafenis. Nu ja, een enkel maal een weemoedige gedachte, een zucht, een traan,—maar het leven hernam dan dadelijk zijn rechten, streng, onverbiddelijk meesleurend, en men ging aan den arbeid, men waakte en sliep, men werkte en dacht, men leed en streed juist alsof die anderen, die dood waren, er nooit waren geweest. Hun plaats was niet aangevuld,—dàt behoefde niet eens; hij was met henzelven verdwenen, en men zou geen raad hebben geweten met den geliefden doode, als hij een maand na zijn begrafenis eens ware teruggekeerd met al zijn rechten [53]en aanspraken, met al zijn gezag en invloed. Want die waren overgegaan op en als dadelijk vereenzelvigd met anderen, die dan een afstand zouden moeten doen op een grond door geen rechtsbegrip gerechtvaardigd; om een reden tot nog toe door niemand aangevoerd of aangenomen. Zoo zou het precies gaan als hij stierf. Zijn vrouw zou plichtmatig bedroefd wezen, maar als er een ander man kwam, die haar beviel, dan zou ze dien nemen, met hem trouwen, andere kinderen bij hem krijgen. Hij zuchtte diep, schoon het hem pijn deed in de zijde. Het was ellendig, vond hij. Ternauwernood zou men hem missen! En hij kon niet eens zijn geld meenemen om zijn gemis voelbaarder te maken. Integendeel, hij werd een post van uitgaaf minder op het budget!
„Mourant!”
„Wat is er, Veninga?”
„Wezenlijk, ik geloof dat het hier in Holland niet goed voor me is.”
Het gezicht van den advocaat betrok.
„’t Is mogelijk,” zei hij op een toon, die niet bewees dat hij de mogelijkheid inzag.
„Wees nu niet vervelend. Ik voel immers het best, dat ik hier niet vooruitga. Die mevrouw Van Velton.…”
„Och, wat!”
„Neen, spreek me niet tegen. Het is een alleronaangenaamst openhartig mensch, maar wat ze zei is waar.”
„Je hebt dat toch niet vroeger opgemerkt,” meende mevrouw Veninga, en ze zei het ongewoon snibbig. „Welk een dwaasheid! Omdat zij gek is, behoeven wij het toch ook niet te zijn.” [54]
„Ja, jij zou me, denk ik, wel graag in het graf hebben. Dan kon je overal heengaan, hé. Dat is een boel pleizieriger dan een zieke man.”
Zij haalde onverschillig de schouders op.
„Als je zóó spreekt, doe ik het best te zwijgen.”
„En waar wou je dan heengaan?” vroeg Mourant.
„Ik wou naar Davos en ik wou jou en je vrouw vragen voor mijn rekening met ons mee te gaan.”
Bedenkelijk wreef Mourant zijn fijnen neus.
„Het zal niet gaan, amice! Ik heb het natuurlijk gaarne voor je over. Of echter mijn vrouw er toe zal te bewegen zijn, betwijfel ik zeer.”
„Als ik het haar dringend verzoek?”
„Doe dat niet. Laat het aan mij over. Ik zal er met haar over spreken; van avond zal ik je antwoord brengen. En,” vervolgde hij, na een vasten blik op Jet, die hem in gespannen verwachting aankeek, „of zij wil of niet, in elk geval ga ik mee.”
Een vriendelijke glimlach gleed over het gelaat van den lijder, en zijn gezicht teekende dankbaarheid en vriendschap, toen hij met een uiterst flauw idee van verzet zei, dat hij zóóveel opoffering niet vergen mocht.
„Kom, kom! De opoffering is waarlijk zoo groot niet. Ronduit gezegd, zou het gezonde, rustige klimaat van Davos mij ook vrij wat meer goed doen, dan het ruwe gure weer in Holland.”
Mevrouw Veninga draaide ook bij.
„Het spijt me voor ’t lieve huis,” zei ze, „dat we moeten verlaten; ziedaar alles. Voor het overige spreekt het wel vanzelf, [55]dat ik óók liever naar een zachter klimaat ga, en als het voor jou gezondheid is.….”
„Het doet me pleizier, dat we het eens zijn. Dat stelt me gerust. Kom hier Jet, en geef me een zoen. Je neemt het me niet kwalijk, ja, dat ik je daar straks zoo aanviel?”
Zij maakte dezelfde onverschillige beweging met de schouders, alsof ze wilde zeggen: Stel je voor, dat ik me zoo iets aantrok. Doch ze zei het niet en gaf hem een kus. Mourant wendde het hoofd af, pratend tegen de kinderen met een gemaakt lachje.
„De vraag is nu maar wanneer?” wierp hij op, toen hij meende dat het wèl was.
„Zoo gauw als het kan.”
„Minstens drie dagen,” meende Henriëtte met het oog op de kinderen.
„Drie dagen!” zuchtte Veninga, als zag hij op tegen een termijn van jaren.
„Mij dunkt,” zeide Mourant, „’t zou overmorgen ook wel kunnen. Laat ons ’t maar dáárop houden.”
Doch mevrouw Veninga schudde het hoofd.
„Ik kan niet klaar komen dan na drie dagen. We gaan geen minuut eerder.”
„In Godsnaam dan!”
„Zeur nu niet, Veninga. Je ziet wel, dat we alles doen wat we kunnen om je te believen.”
„Ja, ja, ik zeg niets! Ik wou alleen maar, dat die drie dagen reeds voorbij waren.”
„En een paar uren geleden dacht je nog niet aan heengaan: dat komt allemaal door dat malle spook.” [56]
Veninga zweeg; hij lag stil in zijn stoel met gesloten oogen. Mourant, die zijn hoed had genomen, stond met het hoofd in den nek naar een schilderij te kijken aan den wand, glimlachend om haar woede tegen Louise; hij wist waaruit die voortkwam en kon wel nagaan, dat tusschen die twee een openhartig woordje was gevallen.
Zij gaf haar hart lucht. De geheele levensgeschiedenis van Louise, zooals die metterdaad niet was, maar „men” haar gemaakt had, borrelde op uit het vertoornd gemoed van het jonge vrouwtje, tot Veninga de magere hand omhoogstak, er een gebiedend afwijzend gebaar mee maakte, en op zijn gemelijksten toon uitriep:
„Schei dan toch uit met dat gezanik over die mevrouw Van Velton. Als je nergens anders over wilt praten, ga dan asjeblieft de kamer uit!”
„O ja, ik weet het wel. De heeren kunnen nooit iets van haar hooren. En al praat zij den grootsten onzin, dan handelen ze er nog naar.”
Driftig verliet zij de kamer.
„Adieu,” zei Mourant, zich omkeerende en Veninga de hand reikend. „Ik zal dat thuis wel in orde maken en kom dan van avond nog eens aan.”
„Kom hier eten!”
„Misschien. Reken niet op me; als ik kom, zie je me.”
In de gang stond mevrouw Veninga hem op te wachten; ze was werkelijk heel boos, en toen hij haar een kus wilde geven, weerde zij hem heftig af.
„Kom, maak asjeblieft maar geen gekheid! Met die malle nonsens! Dat heele naar Davos gaan is onzin.” [57]
„Och, dàt dienen we toch voor hem over te hebben.”
„En dan: overmorgen!”
„Misschien kom ik straks eten; in elk geval tot van avond. Er zit thuis bij me weer een lief leventje op!”
Dat denkbeeld verteederde haar, en ze nam vriendelijker afscheid van hem, dan eerst haar plan was.
De woning der Mourants was kleiner en veel minder luxueus, dan die der Veninga’s; niet alleen door het verschil in fortuin, dat nog grooter was geworden, sedert Mourant uit Indië bericht had gekregen van een paar kleine „bankroetjes”, waarbij hij nogal erg betrokken was, maar ook omdat ’t zoo’n klein gezin was: man en vrouw zonder kinderen.
Zij zat bij het venster te lezen, eenvoudig gekleed als altijd. Hij had haar getrouwd in Indië, waar zij onderwijzeres was en als zoodanig een uitstekende reputatie had, dubbel en dwars verdiend. Zij had altijd haar best gedaan hem zijn intellectueele minderheid niet te doen gevoelen, en hij, de advocaat, ijdel in hooge mate, die erg graag deed uitkomen, dat hij een „academische opleiding” had genoten, wist niet dat zijn eigen vrouw en menig ander met haar, inzagen dat die opleiding slechts een dun vernisje op een poveren ondergrond gestreken had. Zij begreep wel, en ook hierin waren het meer menschen met haar eens, dat Mourant’s bekwaamheid niet verder ging, dan tot de soort gewone bruikbaarheid, waarbij alles moet afhangen van het goed geluk. En dàt had Mourant gediend. Hij viel, in Indië komend, met den neus in de boter van een goed beklant kantoor, met een goed rechtsgeleerde tot associé. Maar zoo het toeval hem zijn carrière als koeli had doen aanvangen, [58]zou het een open vraag zijn gebleven of hij haar wel als mandoer zou hebben geëindigd!
Intusschen,—zij, Mourant en zijn vrouw, hadden goed geleefd met elkaar, in dien zin, dat zij heel wèl waren zonder buitengewoon diepgaande genegenheid. In den laatsten tijd echter was hun leven een hel, en men kon het haar aanzien dat zij leed. Dat maakte haar uiterlijk schooner noch jeugdiger. Men behoefde naar de veertig jaren, die zij telde, niet te raden. Indien zij het zich niet had aangetrokken, alles had aangewend om met wat haar overbleef te woekeren, en gekoketteerd had met anderen, zou zij er wellicht in geslaagd zijn een zoo ijdele en zelfgenoegzame persoonlijkheid als Mourant te blijven boeien.
Hij groette niet toen hij de kamer binnentrad, en zij zag niet op van het boek, dat ze las. Voor den spiegel schikte hij zijn das een weinig recht, trok aan zijn boordje en zei heel kort en nurksch:
„Ik ga over drie dagen naar Davos. Hoe lang ik daar blijf, weet ik nog niet.”
„Heb je het niet verstaan?” vroeg hij toen zij geen antwoord gaf.
„Welzeker! Doch het was geen vraag; alleen een mededeeling.”
„Ik ga naar Davos,” herhaalde hij nog eens.
„’t Is me onverschillig. Moet ik meegaan, dan zal ik het doen, schoon ik liever hier blijf.”
„Als je mee wilt gaan, zal het mij hoogst aangenaam zijn!” riep hij met bitteren spot. „We gaan met de Veninga’s.”
„Schaam je je niet?” [59]
„Om met Veninga en z’n vrouw op reis te gaan?” ging hij op denzelfden toon voort: „Daar behoeft men zich waarlijk niet voor te schamen!”
„Och!” zei ze zuchtend, „je aardigheden vallen volmaakt in het water. Er blijft niets over dan je laagheid. Ik wil niet van mijzelve spreken. Je weet dat ik geen achting meer voor je heb en ook geen genegenheid voor je koester. Maar dat je dien armen Veninga zoo schandelijk bedriegt, is een misdaad.”
„Welnu, klaag me aan!” antwoordde hij met gemaakte vroolijkheid. „Niets liever, dat weet je.”
Een gloed van toorn kwam op haar gezicht.
„Als ik kans zag jou en haar voor een rechter te brengen, die je allebei de straf gaf, door je verdiend, dan zou ik het wezenlijk niet laten.”
„Haar?.… Nu?.… En dan die arme Veninga? je zoudt hem moedwillig den dood doen. Foei, dat is óók een misdaad.”
Dat was inderdaad het eenige, waartegen zij opzag. Ze mocht Veninga zeer gaarne, en ze had slechts geaarzeld om zijnentwil. Dat het zijn dood zou wezen, betwijfelde zij niet, en daarvoor vreesde zij. Maar niettemin was het voor haar een marteling. Toen ze voor het eerst achter de waarheid was gekomen, en de schuldigen betrapte op een oogenblik, dat deze zich niet spoedig genoeg konden verwijderen, had ze een moreelen schok ontvangen, waarvan ze voelde dat ze nimmer zou herstellen. Want wat ze gezegd had, was ook niet waar. Ondanks alles hield ze veel van Mourant, en nu misschien meer nog dan vroeger, ondanks ze hem wezenlijk minachtte.
Hij had dadelijk den knoop doorgehakt door pogingen [60]voor te stellen om tot een scheiding te komen; zij had die voor goed verworpen, door één voorwaarde, die ze vooraf wist dat hij niet zou aannemen. Zij vroeg haast zijn geheele vermogen, en bij die gelegenheid had hij geraasd en getierd als een bezetene. Neen, daarvan kwam niets, en dat wist ze wel. Sedert zinspeelde hij voortdurend op scheiding en noemde er nu en dan cijfers bij. Hij wist wel, dat zij het niet doen zou, en dat hij in geen geval behoefde te handelen vóór den dood van Veninga. Was die eenmaal ad patres, dan kon hij zien wat er te doen was. Zijn vrouw zou niets zeggen, dat wist hij zeker, alleen om Veninga te sparen.
„Dus je gaat niet mee naar Davos?” vroeg hij, toen zij de kamer verliet.
Maar zij antwoordde hem niet, en hij, een deuntje fluitend, ging naar zijn kamer, kleedde zich, liep eens naar de sociëteit, waar de oud-gasten hem gaarne zagen, mengde zich in allerlei gesprekken over Indië en landde nog voor etenstijd weer bij de Veninga’s aan.
De zieke glimlachte vroolijk.
„Dat doet me pleizier,” zei hij.
„Ja, ik ben met moeite gereedgekomen; ik had nog een en ander te beredderen.”
„Weet je wat ik morgen toch wel wilde doen?”
„Neen, nog niet.”
„Ik wou mijn testament laten maken.”
„Het kan nooit kwaad. Het mijne bestaat reeds jaren. ’t Is ordelijk.….”
„Zeker! Het is schande, zeg het maar gerust, dat ik er geen heb. Een van vroeger tijd heb ik vernietigd.” [61]
„Een uit Indië.”
„Ja. Nu moest je me een pleizier doen en zorgen, dat morgen de notaris hier komt. Je wilt toch wel executeur zijn?”
Mourant bedwong een glimlach en zei met kalmen ernst:
„Waarom niet? Ik hoop intusschen dat ik nimmer de functie zal behoeven uit te oefenen.”
„Nu maar, ik vrees dat het ’t eind van het lied wel wezen zal.”
„Gekheid! Je knapt weer op.”
Met groote zorg werd Veninga drie dagen later en nadat hij zijn testament had gemaakt, volgens Mourant uitsluitend om de „goede orde” van zaken, voorzichtig en in een plaid gewikkeld, vervoerd; hij gevoelde zich zieker dan ooit en kon den steun niet missen der krachtige handen van Mourant, die hem als ’t ware in en uit rijtuigen en waggons tilden.
Louise Van Velton had nog één visite gemaakt na de geagiteerde bij de Veninga’s. Ze kwam bij mevrouw Van Stralen in de Willemstraat, en moest heel lang anti-chambre maken, voor ze boven mocht komen. Daar vond ze een zestal Indische dames en ze begreep heel goed, dat ze die allen door haar bezoek erg dérangeerde. Mevrouw Van Stralen zou dan ook voor ieder ander, die het speelpartijtje kwam verontrusten, belet hebben gegeven, maar zij hield wel van mevrouw Van Velton en zij was er in ieder geval zeer op gesteld de kennismaking met de villa op het Plein 1813 aan te houden. Daarom waren spoedig de kleine kaartjes en de andere dobbelwerktuigen opgeruimd en weggeborgen, waren de dames van den grond opgestaan en hadden zij op stoelen plaats genomen, [62]en ontving de vrouw des huizes haar bezoekster allervriendelijkst.
Maar het standje bij de Veninga’s werkte na in het prikkelbaar gemoed van Louise. Geen vijf minuten hield ze het praten over koetjes en kalfjes vol. Ze deed er gedachtenloos aan mee, en er behoefde eigenlijk ook niet bij gedacht te worden. Intusschen dwaalden haar oogen droomerig door de kamer en over de min of meer behoorlijk gekleede dames van dit kransje. Het was de voorbode van iets onaangenaams, dat altijd onvermijdelijk volgde als zij zoo droomerig keek.
„Komen de dames dikwijls bij elkaar?” vroeg ze zeer onverwacht en op een vinniger toon, dan de aard der vraag en de gelegenheid scheen mee te brengen.
„Och, dat gaat nogal,” antwoordde mevrouw Van Stralen leukjes; maar mevrouw Roos, die Louise alleen op het gezicht niet kon uitstaan en ook woedend jaloersch was op haar groot fortuin, zei zeer beslist, maar niet vriendelijk:
„Zeker, mevrouw Van Velton, wij zien elkaar haast om den anderen dag.”
Zij keken allen eenigszins verbluft de kapiteinsvrouw aan, die, niet gewoon veel te spreken, zich zoo onverwacht en beslist op den voorgrond stelde. Ook Louise nam haar op van het hoofd tot de voeten. Daarna glimlachte ze met minachting.
„En ik wed, dat de dames dan op Indische manier een partijtje maken,” vervolgde zij tegen mevrouw Van Stralen, die, tamelijk verlegen met deze onverhoopte wending van het gesprek, niet zoo dadelijk wist wat te antwoorden.
„Och!” vervolgde Louise: „U behoeft u er volstrekt niet voor [63]te geneeren. Wanneer men wat geld heeft, een goed pensioen en bovendien geen kinderen, dan heeft men groot gelijk als men zich op de een of andere manier amuseert.”
„Er is waarlijk geen fortuin voor noodig,” verzekerde mevrouw Van Stralen. „Wij spelen haast om des keizers baard.”
Doch daar geloofde Louise niets van.
„Nu ja,” zei ze, „dàt ken ik. Er wordt op die Indische partijtjes om goed geld gespeeld, en menigeen.…”
„.… Herinnert zich niet u iets gevraagd te hebben,” viel mevrouw Roos, met een kleur als een Malmaison, haar heftig in de rede.
Er volgde een oogenblik van stilte; daarna vervolgde mevrouw Roos op denzelfden opgewonden toon:
„Het past u in ’t geheel niet u met eens anders zaken te bemoeien. Houd u maar bij uw eigene, dan hebt u genoeg te doen, en als u dat deedt zouden er niet allerlei praatjes te Batavia over u in omloop zijn. Ik ten minste verwacht van u geen complimenten, verstaat u?”
Deze ruwe aanval bracht Louise eenigszins van haar stuk. In groote haast greep ze zenuwachtig haar mof, stond op en verliet zonder een woord te spreken met trotsche houding het salon; mevrouw Van Stralen, bleek van vrees, volgde haar en zei in de gang:
„Je moet het haar niet kwalijk nemen; ze heeft vandaag een beetje veel verloren en daar kan zij niet goed tegen.”
„Mevrouw Van Stralen, ik noem het een schande. Het is een schande, dat u hier een dobbelhuis houdt. U moest u schamen! Ik zal het overal vertellen en nooit, nooit kom ik hier meer over den drempel.” [64]
„Kom, wees nu niet zoo opgewonden!” hield mevrouw Van Stralen aan, inwendig kokend van woede, maar doodsbang juist voor dat vertellen.
„Het is een schande! Jullie praten van inlanders,—je bent veel slechter dan de inlander, want die weet niet beter.”
„Ta, ta, ta! Er gebeurt hier niets, dan wat je al te levendige verbeelding er van maakt. Wij spelen een gewoon partijtje whist om een cent het punt. Daar maak je nu zooveel noodeloos alarm over.”
Louise was reeds bij de straatdeur en strekte de hand uit naar het slot, maar bij die woorden keerde zij zich om, stond een oogenblik mevrouw Van Stralen met groote oogen aan te kijken, boog toen een weinig voorover en siste haar toe:
„Zal ik je wat zeggen? Je liegt, je liegt!”
In een wip was zij de deur uit en haar rijtuig in, dat voor het trottoir wachtte. In het dameskransje was het een leven als een oordeel! Daar waren al de tongen losgegaan, onder aanvoering van mevrouw Roos, die eenparig bewonderd, geprezen en bewierookt werd om haar moed en om de flinke manier waarop zij dat gemeene mensch, die mevrouw Van Velton, op haar plaats had gezet. Het was een gekakel van belang en zonder einde, en toen mevrouw Roos naar huis ging, scheen het haar, ondanks de kleine geldelijke verliezen, dien dag geleden, een overwinningstocht.
Maar niettemin hinderden diezelfde verliezen haar buitengewoon. Het in Indië overgespaarde geld was op; het laatste gedeelte was overgegaan in de beurzen harer medespelende vriendinnen. Roos zocht reeds een paar weken naar een „bijbaantje”—bij zijn pensioen!—maar was tot zijn groote [65]verwondering en teleurstelling tot de ervaring gekomen, dat het zoeken heel gemakkelijk, maar het vinden verbazend moeilijk is.
Het was reeds ver in den pensioenstermijn. Zij moest er niet aan denken! Zij kwam niet toe met haar huishoudgeld, dàt was wel zeker, en haar man had ook niets meer. Enfin, zij zou wel „zien”; in het ergste geval zou zij wat leenen van haar vriendin Van Stralen. Maar de gedachte aan het dreigend geldgebrek vergalde toch al de vreugde.
De meisjes kwamen haar op de onbelegde houten trap harer woning te gemoet.
„Gelukkig dat u thuis bent, ma! We hebben zoo’n honger!”
„Is papa al thuis?”
„Neen, dat is waar; die is er ook nog niet. Toe, geef ons maar wat vooraf.”
„Papa komt al!” riep een der kleintjes van boven; hij had door het venster zijn vader zien aankomen.
Aan tafel was de kapitein erg stil, en daar ook zijn vrouw weinig lust tot praten had, snapten en lachten de meisjes voort naar hartelust.
„Ik heb iets gevonden,” zei Roos, toen het servies was afgenomen en ze beiden alleen in de kamer waren.
„Gelukkig!” zei ze, maar meteen keek ze hem heel verwonderd aan. Ze had gedacht, dat hij over het vinden van het gezochte „bijbaantje” zeer verheugd zou zijn en dat op zijn gewone luidruchtige manier aan den dag zou leggen. Niets van dat alles. Hij vertelde zijn gewichtig nieuws zonder eenig enthousiasme, als het ware met tegenzin.
„En hoeveel?” vroeg ze. [66]
„Honderd en tachtig.”
„Heerlijk!” riep ze verheugd: „dat maakt met ons pensioen.…”
„Halt!” commandeerde de kapitein. „Het is.… in het jaar.”
Verstomd bleef ze hem aanstaren. Had hij zich dan ergens verhuurd als toekang sepèn?
Hij begreep dat hij het er niet bij kon laten.
„Het is verduiveld lastig iets goeds te vinden.… Alles is bezet, en het is maar houden wat je hebt.… Ik heb moeite genoeg gedaan; het vuur uit mijn zolen geloopen, maar ’t gaf niets.… Dat is me een land hier, wat baantjes aangaat! Dan heilig Indië!”
„Konden we maar gaan,” zuchtte ze. Het in den laatsten tijd verdwenen visioen keerde een oogenblik terug.
„Nonsens, dat weet je wel beter! Enfin, ik zat onder vrienden, en beklaagde me omdat het leven zoo vervelend begon te worden en ik geen „bijbaantje” had. Een hunner zei, dat zijn zwager graag iemand had om ’n paar boeken bij te houden, één uur slechts per dag.… Het is meer om de verveling te verdrijven, dan om die vijftien gulden in de maand.”
„Ja maar Roos, we hebben geld noodig; we kunnen met ons pensioen niet toe. Wat baat nu vijftien gulden!”
„Wat donder, ik kan het toch niet van de boomen schudden!”
„Maak je niet boos, want dat helpt niets. We zullen moeten verminderen; goedkooper gaan wonen; de rekening bij den slager kleiner maken en je verteringen buitenshuis.…”
Het beviel hem niets.
„Ja,” ging ze voort, „ik doe het ook niet voor mijn genoegen.”
„Je zult je dan toch ook dienen te behelpen, en niet altijd maar allerlei noodelooze dingen koopen.” [67]
Als hij eens wist, dat ze speelde! Wat zou hij woedend zijn! Bij die gedachte zweeg ze maar, en terugkomend op dien meneer met zijn paar bij te houden boeken, vroeg ze:
„Wat doet die man?”
„Hij heeft.… hm!.… hij is wijnhandelaar.”
„En je gaat er zeker ’s ochtends even heen?”
„Neen, ’s avonds.”
„Hoe gek! Het is immers veel beter.…”
„Houd nu asjeblieft den mond met dat gezanik, hé? Ik ga ’s avonds omdat ik wil.”
Zij haalde de schouders op, en ging de kamer uit alsof ze daarmee wilde te kennen geven dat ze, zóó redeneerende, geen kans zag verder te komen. Hij, allesbehalve in zijn humeur, trok zijn jas aan en ging uit. Hij had juist den knop van de kamerdeur in de hand, toen ze weer binnenkwam en hoofdschuddend zei:
„Vijftien gulden in de maand! Hoe durft zoo’n man het te presenteeren? ’t Is het traktement van een bediende in Indië!”
Zonder te antwoorden ging hij heen. Het hinderde hem, dat hij gelogen had, maar de waarheid wilde er niet uit. Vooreerst was het geen wijnkooper, wiens boeken hij zou bijhouden, maar een slijter; ten tweede had hij niet het avonduur gekozen omdat hij wilde, maar omdat hij zich geneerde elken dag gezien te worden, als hij de slijterij zou binnengaan. Het zou dien avond de eerste maal zijn, en het was een zware gang, die hem naar het oude gedeelte der stad voerde, in een doolhof van hobbelig bestraatte wijken, waar onregelmatig gebouwde huizen, soms zonderling inspringend en met en zonder hoogere en lagere stoepjes, fantastisch [68]verlicht werden door meest aan de muren vastgemaakte lantaarns, die hier en daar in den scherpen lichtkring der onmiddellijke omgeving, een stuk venster opnamen, waarachter een zuinige eigenaar zich verheugde over de verlichting van zijn kamer van gemeentewege.
Voor een huis, dat op de omgeving een zeer gunstige uitzondering maakte, hield hij stil. In deze buurt, waar doorgaans menschen huisden behoorend tot den fatsoenlijken, kleinen burgerstand, teekende het uiterlijk der woningen veel meer een zich behelpende bekrompenheid van middelen, dan bloeiende welvaart met ruimte van geld.
Maar het jeneverpaleis maakte een uitzondering; het was hoog opgetrokken en er hingen dubbele staatsiegordijnen voor de ramen der twee verdiepingen boven den winkel, waarvan de buitenmuur tot aan de bel-étage van arduinsteen was, of voor ’t minst een imitatie daarvan; groote spiegelruiten prijkten in de vensters, voor het inkijken half met matglas gecoupeerd; wie de dubbele deur binnenging zag aan den eenen kant een groote open kast het eene muurvlak beslaande, gevuld met kristallen karaffen, dranken bevattend in allerlei kleur, tot water toe in de bovenste rijen, waar men niet bij kon komen voor het gebruik! En achter de toonbank van goed geboend eikenhout, bedekt met door koperen spijkertjes bevestigd glimmend zink, stond „mijn heer”, de mijnheer van deze buurt, waarvan het bekend was, dat hij elken bewoner in rijkdom overtrof; aan de andere zijde rustten op zware stellingen reusachtige vaten, bruin geverfd op de zwarte ijzeren banden na en de blinkende kranen, met dito emmertjes er aan, waarin de enkele droppeltjes [69]lekten, die van het voor ’t Nederlandsche volk zoo kostbare vocht niet verloren mochten gaan.
Kapitein Roos stond stil in het helle licht, dat door de ruiten en de glazen deur der groote slijterij naar buiten stroomde. Hij ging voorbij. Het was verduiveld moeilijk, vond hij; het was beneden zijn positie. Allerlei tooneelen uit zijn dagelijksch leven als kapitein bij het Indisch leger, kwamen hem voor den geest, zijn toenmalig maatschappelijk standpunt verheffend. Zijn positie gaf hem recht op gelijken voet te staan met allerlei categorieën van notabele burgers en nu.… boekhouder bij een slijter.… Te duivel, het was hard en dat voor zoo’n bagatel geld! Hij moest slikken, twee-, driemaal, eer hij ’t verschil verwerkt had en behoedzaam den bronzen knop der winkeldeur opendraaide.
De slijter met een pet op, een modern fantasiepakje aan en een zwaren dubbelen horlogeketting, die naar elken vestzak liep, was juist bezig uit een helder gepoetste tinnen maat jenever te gieten in den trechter op een smerig fleschje, dat een armoedig gekleede oude vrouw, die voor de toonbank stond, zorgvuldig vasthield; toen de kapitein Roos binnenkwam, streek hij haastig de vier en twintig centen, door de vrouw neergeteld, in de lade, veegde zijn vingers af aan een helder witten handdoek, opgehangen aan een stijl van de kast, bracht de hand aan de klep van zijn pet en vroeg, met beide handen op de toonbank leunend, wat meneer bliefde.
„Ik ben kapitein Roos.”
„O, kapitein, bent u het; welzoo, dat doet me genoegen; m’n neef, die ook in de-n-Oost is geweest, sprak er van, en ik zei: dat is net van pas. Kom binnen!” [70]
De slijter, die Maas heette, ging den kapitein voor naar een net gezellig vertrekje met gas verlicht en dat door een zijde, geheel van glasruiten, licht kreeg uit den winkel.
„’t Is hier ’n goed kantoortje; je kan zoo alles zien, wat in den winkel gebeurt.”
„Ja,” antwoordde Roos, minder ingenomen met de omstandigheid, dat men hem ook uit den winkel zoo goed zien kon. „Speelt u hier ook piano?”
„Ik? Die is goed! Neen, mijn dochter speelt hier, maar niet als er boek wordt gehouden, natuurlijk niet. Maar ze zingt anders heel mooi.”
De administratie was allereenvoudigst; het dagboek werd accuraat en netjes bijgehouden. Dat er zooveel omging in een gewone slijterszaak, verbaasde Roos, die slechts even had moeten denken aan de bittertjes door hemzelven geregeld verzonden, om ’t debiet in dezen drankwinkel verklaarbaar te vinden; maar ’t was een leuke administratie, die een kind kon voeren. Men liet hem alleen; slechts eens bracht een dienstmeisje hem een zeer goeden kop thee; overigens stoorde hem niemand en met zijn bril op den neus, zat hij onder de gasvlam aan den lessenaar zoo rustig de boeken bij te schrijven, alsof hij het zijn leven lang gedaan had; eerst toen hij klaar was, kwam de slijter binnen.
„Ik ben u maar niet komen storen,” zei hij. „Ik denk altijd maar: eerst de zaken. Blijft u niet nog ’n oogenblik zitten, ’n grogje drinken? Steek ’n sigaar op.”
De sigaren zagen er goed uit; het vooruitzicht op ’n grogje was niet te verwerpen. Een oogenblik aarzelde de gepensionneerde kapitein, maar het was, vond hij, hier alles zoo behoorlijk, [71]zoo netjes en comfortabel, dat hij eigenlijk niet begreep waarom hij zou weigeren. Hij bleef; hij werd voorgesteld aan mevrouw Maas en aan de jongejuffrouw Maas, die hem om ’t hardst „kaptein” noemden, wat haar eigen ijdelheid scheen te streelen. En juffrouw Maas zong met verschrikkelijke oogverdraaiingen en wegsleepende armbewegingen het miserère uit de Trouvère, zoodat de kapitein tot aller vreugde verklaarde het in de opera nooit mooier gehoord te hebben.
Toen hij naar huis ging en zijn kraag opzette tegen den kouden wind, was hij opgewekt en vroolijk. Het waren beste menschen, de grog was voortreffelijk, de sigaren goed, de toon gemoedelijk en fatsoenlijk. Wat kwam het er ten slotte opaan, dat ze een slijterij hielden? Deze lui waren waarachtig beter dan menig ander, die geur maakte met „positie”. Hij was met dat boekhouderschap en wat er bij scheen te behooren, geheel verzoend. Eigenlijk kwam hij daardoor meer en meer terug in de sfeer, waarin hij thuishoorde. Het ophouden van den officiersstand had hem in Indië—schoon hij ’t zichzelven niet had willen bekennen, laat staan een ander—vaak moeite gekost en over het algemeen gruwelijk verveeld; de kring, door hem thans verlaten, was zijn element; dáár voelde hij zich lekker.
’t Was tamelijk vol in de groote zaal van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, althans voor een concertavond en voor die zaal, en aan Indische menschen geen gebrek; zij voornamelijk waren het, die de zijloges vulden en de stoelen bezetten. Men kon velen herkennen aan den toon, waarop [72]ze spraken; aan hun minder correct Hollandsch met hè’s, ja’s, hier’s, zeg’s en kasian’s rijkelijk doorspekt; aan hun glanzende zwarte haren en getinte huid; aan het eindeloos handjesgeven der leden van elkaar ontmoetende families; aan de onvermijdelijke waaiers der dames. Maar de Haagsche aandeelhouders in het Gebouw, die plichtmatig zooveel mogelijk concerten, opera’s en tooneelvoorstellingen bezochten, zagen dit Indisch contingent, deze steunpilaren der onderneming, met vreugde.
Dicht bij het tooneel zat mevrouw Van Velton en naast haar mevrouw Fournier, die haar man had gehaald van Marseille en na een soort van huwelijksreisje met hem in Den Haag was aangekomen.
Hij zat achter haar; hij zag er welgedaan en gezond uit; haar wezen straalde als het ware van genoegen; ’t was of zij alle melancholie en zwaarmoedigheid had afgelegd, en als ze zich ter zijde boog om hem iets te zeggen achter haar waaier, dan klonk haar zachte lach frisch en vroolijk, teruggevonden, gelijk zijzelve herboren was.
Maar zij was nog niets bij Louise vergeleken, achter wier stoel een ritmeester stond der cavalerie, erg chic, schoon overigens gewoon van uiterlijk; hij had een fraaien naam, een adellijken titel en, naar men zeide, eenig fortuin.
Hij maakte der jonge mooie weduwe het hof, en deze te midden der wereld, welke haar zoo bitter weinig genegenheid toonde, partij nemend, was op hem verliefd.
Zij had hem leeren kennen sedert de komst van Fournier. Het was vreemd en opvallend, maar niettemin waar, en het stemde Louise tot een soort van eerbiedige bewondering,—het was alsof „de” wereld, waarvoor zij zich vruchteloos zooveel [73]moeite had gegeven, ongevraagd zijn intrede had gedaan in haar huis te gelijk met Fournier. En hij behandelde dat als de eenvoudigste zaak ter wereld; hij maakte met zijn vrouw en zijn schoonmoeder visites bij eerste families, die hem hartelijk ontvingen en contra-bezoeken brachten, maar die nooit spraken over Indië, dan als ’t niet anders kon en dan nog zoo spaarzaam mogelijk. Noch haar eigen vader, noch een algemeen geacht medicus, noch de in de handelswereld zoo uitstekend bekende naam van Velton, noch haar wijze van leven hadden haar een schrede dichter kunnen brengen tot Haagsche coterieën, waarnaar zij hunkerde en waarin Fournier werd toegelaten als de natuurlijkste zaak der wereld, en waar hij sprak over zijn oom den staatsraad met een jonkheerstitel en zijn zwager, den Commissaris des Konings, met een langen Frieschen naam vol ka’s, ma’s en ouderwetsche verbindingen. Hij had, als zij het indertijd had gewild, haar man kunnen zijn; haar kinderachtige „tinka’s” en grillig humeur hadden dat belet, en ofschoon ze geen liefde hoegenaamd meer voor hem gevoelde—het beestje was betoel „dood en begraven”—kon ze toch nog boos op zichzelve worden om haar groote domheid. Wat baatten al die praal en pracht, wat gaf het geld, als men toch door hen, naar wier omgang men haakte, eenigszins beschouwd werd als een paria?
Intusschen genoot ze van de omstandigheid, dat zij als het ware „op sleeptouw” werd meegenomen. Inderdaad had Fournier ’t liever niet gedaan, maar hij was te dankbaar voor de gastvrijheid, zoo schitterend door zijn vrouw en kind genoten, en te kiesch om zelfs maar te trachten dit servituut te ontduiken. [74]
En op een dier bezoeken had zij kennis gemaakt met den ritmeester bij diens familie aan huis. De oude graaf Riquelle woonde op den Kneuterdijk in een deftig huis, dat in ’t geheel niet met den tijd was meegegaan, en zeker als het minder solied was geweest, van schaamte zou zijn ingestort, toen het door zijn glazen oogen van bescheiden afmetingen—geen ploertige spiegelruiten!—moest aanzien dat een zoo archi-democratisch voertuig als een paardentram met fluitende conducteurs en rinkelend tuigage den heelen dag langs zijn stijf en rustig ijzeren stoephek holde en rolde! En het stille huis zou, ware het een mensch geweest, tot achter zijn dakgoot gebloosd hebben om de majesteitschennis gelegen in het buurschap van een meubelmaker en een prins van den bloede!
Als de oude heer dááraan dacht, zuchtte hij diep, verschoof zijn met gouddraad doorstikt kalotje, en trok peinzend aan zijn sneeuwwitte impériale, en als mevrouw Riquelle de décadence van het vroeger zoo „lieflijk ’s-Graevenhaege” herdacht, schudde zij bedenkelijk het hoofd, dat nog een mooi hoofd was, ondanks de grijze haren en de rimpels van den leeftijd.
Neen, zij waren niet meegegaan met den sleur des tijds, gelijk zoo menige andere familie, waarvan de leden thans links en rechts verstrooid, tot kolenhandelaars en zoo gedegradeerd waren. Dáárover echter dacht men, maar men sprak er niet van.
Doch in één opzicht, maar één enkel opzicht slechts, was de tijdgeest den ouden heer te machtig geweest. Voorspiegelingen van hooge renten bij zekere kapitaalsbelegging hadden hem gebiologeerd; hij had een deel van zijn matig vermogen [75]er aan gewaagd, en was er volkomen kaalgeplukt afgekomen.
Sedert was hij conservatiever dan ooit.
Maar sedert ook was hem ’t leven moeilijker, want ofschoon Edmund, zijn zoon de cavalerist, volstrekt geen panier percé was, kostte hij toch veel geld; dáárvoor was hij ook bij het bereden wapen!
De ritmeester was werkelijk geen viveur. Hij had het leven meegemaakt, en nu hij de dertig achter den rug had, was er weinig nieuws voor hem onder ’t Haagsche zonnetje. Toch was het niet uit vrijen wil, dat hij zich veel onthield, wat hem anders het bachelorsleven zou veraangenaamd hebben; hij had gaarne meer uitgegeven voor mooie paarden, fijne wijnen, fraaie apartementen en zoo, maar hij kende de gevaarlijke finantiëele omstandigheden zijner kleine familie, en hij wist welke kunststukken en goocheltoeren mama in alle stilte moest verrichten om het „evenwicht” te bewaren. En daar hij een goed mensch was, onthield hij zich van alles, wat die moeilijkheden kon vergrooten, spottend met „mooie” paarden als parade-goed voor kinderen, afkeer voorwendend van wijn—slechte lustte hij inderdaad niet,—groote gehechtheid veinzend aan zijn oude, volstrekt niet schitterend gemeubelde kamers.
Het was niettemin geen geldzucht geweest, die hem tot Louise Van Velton had aangetrokken. Toen ze meekwam met de Fourniers, was hij toevallig bij zijn oudelui. En daar de donkere teint van Louise zijn mama eenigszins op een afstand hield, was hij bij haar gaan zitten met de banale vraag, hoe het haar in Den Haag beviel.
„Tamelijk goed,” zei ze. „’t Is ’n lieve plaats. Ze heeft zoo [76]geen eigen cachet, als veel andere Hollandsche steden, maar daarentegen iets huiselijks, iets prettigs.”
„Nietwaar, mevrouw?” zei hij opgewekter dan gewoonlijk. „’t Is juist wat ik ook altijd vind. Ik dacht alleen dat het vooringenomenheid wezen kon.”
„Ik weet het niet. Misschien komt er die van uw kant wel ’n beetje bij.”
Zoo praatten ze voort over de stad, ’t bosch, Scheveningen; ze traden in de gewone vergelijkingen met ’t Bois de Boulogne als bosch, met Brussel als stad, met Oostende als badplaats, en men verheugde zich in een voor de aangename conversatie steeds zeer bevorderlijke sympathie.
„Wat is die mevrouw Van Velton voor ’n dame?” vroeg zijn mama toen de visite was afgeloopen.
„Ik weet het niet,” zei Edmund. „De tweede vrouw van Van Velton, die in Indië is gestorven.”
„Den naam heb ik meer gehoord.… Van Velton.… Zoo heet, meen ik, een groot koopmanshuis in Amsterdam of Rotterdam,” lichtte de oude heer toe.
„Zij is een zeer lieve, beschaafde vrouw,” verzekerde de ritmeester.
Mevrouw Riquelle zei niets, maar keek met gefronste wenkbrauwen naar buiten. Zij had nu en dan wel met angst opgemerkt, dat Edmund bijzonder lief was voor die donkere, maar mooie vrouw; zij kende hem en ze maakte zich bang, want hij had tot nog toe haast nooit meer dan spot over gehad voor ’n vrouw of ’n meisje, dat de echtgenoote had kunnen worden van een graaf De Riquelle; haar moederlijk hart zag hier een gevaar, en toen het kort daarna wezenlijk kwam, [77]vond het de oude dame althans niet onvoorbereid; zij had het van het eerste oogenblik zien aankomen.
Toch had Edmund Riquelle met zijn moeder den zwaarsten strijd. Papa vond het nu wel niet aangenaam, dat zijn zoon wilde trouwen met de weduwe van een koopman—zelfs zeer onaangenaam vond hij het,—maar twee overwegingen gaven spoedig den doorslag: als man begreep hij hoe zijn zoon op ’t mooie vrouwtje verliefd was geraakt; als vader en financier zag de rijkdom van datzelfde vrouwtje er in zijn oog zeer aanlokkelijk uit.
„Je behoeft me daaromtrent niets te zeggen,” zei zijn mama, toen hij zinspeelde op de „onafhankelijke positie” van Louise. „Je kunt me toch niets zeggen Edi, waarover ik niet reeds lang heb gedacht. Maar dáárom wil je dat huwelijk niet doen.”
„Zeker niet. In mijn omstandigheden beteekent het echter niet weinig.”
„Dat is wel zoo, maar je hadt ’t zelfde kunnen vinden zonder tot lager af te dalen. Ik vind het zóó verschrikkelijk!”
„Nu ja, maar, dat zijn erg verouderde begrippen, mama, waaraan u niet moet vasthouden. Als u nu jong waart, zoudt u die ook laten varen.”
„Edmund, dat zou ik niet. Het is mogelijk dat mijn ideeën niet meer passen in den tegenwoordigen tijd. Ik meen dat ook wel op te merken. Maar ik kan en wil niet meegaan met dien tijd; ik verfoei hem!”
„Lieve, beste ma, wees nu niet zoo halsstarrig. Ik respecteer zeer uwe ideeën, maar u kunt de wereld toch niet noodzaken zich daarnaar te richten.” [78]
„Zeg ik dat dan, Edi? Ik hoor wel aan den toon van je spreken, hoe bespottelijk je het vindt, dat een oude dame, die niets doet dan bezoeken ontvangen en zorgen voor haar klein huishoudelijk familie-leven, zich permitteert met die wereld van gevoelen te verschillen. Wel, ik ben zoo vrij, Edi.—Ik durf dat gerust zeggen, want die wereld regardeert me niet. Ik heb niets dan papa en jou. Dat is mijn wereld hier in huis, en daarbuiten bepaalt ze zich tot vrienden en vriendinnen uit onzen eigen stand. Blijf dáárin, Edi; ik bid je, blijf dáárin.”
„Lieve mama!” zei de ritmeester met een luiden zucht.
„Neen, spreek me niet tegen. Breng in onze familie geen elementen, die er niet in behooren, waarmee we niet aangenaam kunnen leven en die ons omlaagtrekken, omdat wij ze onmogelijk omhoog kunnen krijgen.”
„Er is volstrekt geen reden, waarom de familie niet goed met haar zou kunnen omgaan; zij is een vrouw van smaak en opvoeding. Als men u zoo hoorde praten en men wist niet het tegendeel, dan zou men ’n heel vreemd idee krijgen van onzen stand. Bovendien: ik ben in onze familie de eerste niet.…”
Mevrouw Riquelle had die opmerking wel verwacht. Edmund doelde op haar grootmoeder, die niet eens zoo intellectueel ontwikkeld was geweest noch zoo gefortuneerd als mevrouw Van Velton.
„Het is geen reden om in die richting verder te gaan. Het tegendeel is waar. Het is nu juist zaak herhalingen te vermijden. Toe, Edi, doe je ma het genoegen van dat ongelukkige plan af te zien; je weet niet hoeveel verdriet [79]ik er van heb. Het zou mijn laatste levensjaren verbitteren. Je bent ons eenigst kind, Edi, en ik zou gerust sterven, als ik je gelukkig getrouwd zag. Maar zóó niet.… zóó niet. Niet met dat zwarte mensch, die weduwe van een koopman.”
Over het eenigszins vale en kale tapijt der groote bovenkamer, liep de ritmeester bleek en zenuwachtig op en neer bij die laatste woorden; hij trok met korte, heftige bewegingen aan zijn lange, rossige knevels, en wist niet goed wat in ’t midden te brengen, dat geen onaangenaamheden zou verwekken tusschen zijn moeder en hem. De oude dame, die het „hooge woord” gezegd had, zweeg onder den indruk van haar eigen woorden, en ging niet minder zenuwachtig voort aan een handwerkje, als haar zoon zijn knevels mishandelde; ook zij zag zeer bleek en had van opwinding tranen in de oogen.
„Het spijt me, dat u er zoo over denkt.”
„Nietwaar,” barstte zijn moeder met hartstochtelijke heftigheid los, terwijl ze zich niet langer bedwong, maar haar tranen vloeien liet, „nietwaar, het spijt je, Edmund; maar of het je spijt of niet, je zult haar toch tot vrouw nemen. Denk je, dat ik het te voren niet wist? Denk je, dat ik niet wist hoe weinig je verzoek om mijn toestemming meer was dan een formaliteit? O, je moet me pardonneeren, Edi, dat ik me verstout heb in die aangelegenheid een meening te koesteren, die niet strookt met de uwe. Je moet het je mama vooral niet aanrekenen, zal je?”
„Maar maatjelief!.… Mijn God!.… Pff!.…”
„Ja, ’t is om het te warm te krijgen bij een moeder, [80]die zoo het welzijn en het belang van haar zoon uit het oog verliest. Die niet juicht omdat hij trouwt met een vrouw uit Indië, de weduwe nog wel van een burgermannetje; die wel zwart ziet, maar geld heeft;—die ’t niet heerlijk vindt, dat haar zoon aan ’n dwazen hartstocht voor ’t vreemde toegeeft, en die niet met open armen zoo’n fortuin aan ’t hart drukt, waarvan niemand weet hoe men er aan is gekomen; die niet.…”
De ritmeester liep met een: „Dag ma, ik groet u,” heel onbeleefd de kamer uit; hij kon ’t niet langer houden.
„Pa,” zei hij in een der benedenkamers, waar de oude heer was, „ga u asjeblieft bij mama en tracht haar te kalmeeren; zij is zóó vreeselijk opgewonden, en ik zie er geen kans toe.”
’s Middags kwam hij terug. Ofschoon mevrouw Riquelle nog bleek zag van de sterke ontroering in den ochtend, was ze nu geheel bedaard, en in haar gewonen doen even deftig. Edmund deed maar alsof hij niet zag, dat ze hem in het oogvallend koel behandelde, trok een vouwstoeltje bij en ging naast haar zitten. Hij moest geheel open kaart spelen, dat stond bij hem vast en strookte ook met den aard der Riquelle’s, die het veinzen nooit goed hadden verstaan. Maar van het geld sprak hij in ’t geheel niet meer; hij trachtte haar alleen te vertellen, dat hij van Louise hield, en hoeveel. „Ik weet niet, ma,” zei hij, „hoe het kwam. U weet wel dat ik geen dichterlijken aard heb en met spontane verliefdheid altijd den draak heb gestoken. Nu zou ik er haast aan gaan gelooven, want het is waar wat u hebt gezegd: het was eigenlijk reeds beslist op dien eersten dag, [81]toen ik haar toevallig met de Fourniers hier ontmoette. Het is hoe langer hoe machtiger geworden, en ik geef er alles, alles aan. U weet hoe veel ik altijd van u heb gehouden, en hoe ik nu twee en dertig jaren lang zoover ik weet steeds heb gedaan wat u aangenaam was, kleine „jeugdigheden” niet meegerekend. Ik ben toch waarlijk geen kind meer, in jaren zoomin als in ondervinding; en in mooie oogen heb ik dikwijls genoeg gekeken zonder gevaar. Maar voor die van Louise zou ik alles doen; er is niets wat me zou tegenhouden; niets, zelfs mijn eer niet, geloof ik, als die er mee gemoeid was.”
Mevrouw Riquelle begreep het volkomen. Zij knikte toestemmend met het hoofd, alsof ze zeggen wou: zoo is het en niet anders; maar niettemin zei ze hardop en met een diepen zucht: