„Het is verschrikkelijk!”
Even bedaard als hij gesproken had, zonder emphase, zonder eenigen nadruk zelfs, maar op dien gewonen, alledaagschen toon, waarin uitgemaakte zaken worden geëxpliceerd, vervolgde hij:
„Ik wil niet in discussiën treden, mama, over stand of positie, geld of geen geld. Zij is een ontwikkelde en fatsoenlijke dame met fortuin. Het doet er niets toe. Als ze onontwikkeld, onfatsoenlijk en arm was, nam ik haar nog. Het is gek, ik vind het zelf gek,—maar het is zoo.”
O, zijn moeder begreep hem terdege. Geen logica kon haar ooit zoo duidelijk zijn, als dit gebrek aan logica! Zoo volkomen onvatbaar zij voor redeneering wezen kon,—zoo gereedelijk legde zij zich neer bij de noodlottige macht van [82]het sentiment. Het had bovendien kunnen gebeuren, dat Edmund door was gegaan met een paardrijdster of een danseres, dan wel een gouvernante had willen trouwen of ’t woord „kindermeisje” in een verkeerden zin had opgevat. Dit was althans een regelmatige geschiedenis, al was de aanstaande schoondochter slechts een koopmansweduwe en een half-cast bovendien.
„In Godsnaam, Edmund,” fluisterde zij. „Als het niet anders kan,—in Godsnaam dan! Ik zal mijn best doen, maar het zal een zware taak zijn.”
„Dat denk ik niet.”
Maar mevrouw Riquelle zag er tegen op, als tegen een berg, en zij was in hooge mate geagiteerd bij de eerste ontmoeting, ofschoon ze stijf en afgemeten bleef tegenover haar aanstaande schoondochter.
Louise, die wel wist en gevoelde, wat dat alles moest beteekenen, al had Edmund haar niets gezegd van de bezwaren, die hij had moeten overwinnen, nam onmiddellijk haar partij en besteedde niet meer aandacht aan haar aanstaande schoonmoeder, dan zij welstaanshalve verplicht was. En haar vader, dokter Van der Linden, inwendig zeer gevleid met deze verbintenis, was zoo van top tot teen de old-gentleman, dat hij den meer militairen graaf Riquelle overschaduwde.
„Hoe is uw indruk, ma?” vroeg Edmund naderhand.
„Zij heeft groote natuurlijke gaven,” was het antwoord, waarop met een zucht volgde: „en ze weet er partij van te trekken.”
Ontevreden haalde hij de schouders op, en wilde iets antwoorden, maar zijn moeder viel hem in de rede.
„Je begrijpt me blijkbaar geheel verkeerd, Edi. Het is [83]een compliment. Beschouw het wezenlijk als zoodanig. Zij is zeer sterk, en de oude dokter is dat ook. Het is heel gelukkig, Edi. ’t Zal haar althans te pas komen.”
Dokter Van der Linden zei in een vertrouwelijk oogenblik tot zijn dochter:
„Zeg Wies, hoe heb je ’m dàt geleverd?”
Zij keek hem aan met woede en verontwaardiging.
„Ik weet niet wat u bedoelt,” antwoordde ze effen.
„Wees nu niet kinderachtig,” ging hij voort met onverbiddelijke ironie. „Je kunt mij toch wel zeggen hoe je het hebt aangelegd om je dáár in te dringen.”
’t Woord stak haar als een schorpioen, en er volgde een scène van geweld, waarbij de dokter, met de pantoffels haast weggezonken in het dik bloemwerk van een alcatief, de handen in de zakken van zijn huisjasje en zijn bril op zijn kaal hoofd, haar verbaasd aankeek en stil liet uitrazen. Ze kwam geweldig los!
„Je bent altijd m’n ongeluk geweest,” beet ze hem ten slotte toe. „Altijd! En toen je het niet meer wezen kon, heb je me de liefde van mijn kind ontstolen.”
„Ah zoo! Ja, je bent ’n lieve moeder, dat moet ik zeggen,” zei hij voor ’t eerst zelf boos om die zinspeling op zijn kleinkind. „Als ’t kind mij niet had gehad, zou hij waarachtig niet veel genoegen van zijn familie hebben beleefd!”
„Je hebt hem me ontstolen,” siste zij hem toe.
„Och, loop naar de maan!” riep hij buiten zichzelven van woede, omdat ze alweer zijn afgod er bij haalde. „Je weet zelf heel goed, hoe je ’t arme kind aan zijn lot hebt overgelaten. Je hebt in ’t geheel geen hart, zelfs niet als [84]moeder, en zou jij me nu willen wijs maken, dat je betoel op dat onbeduidende ritmeestertje verliefd bent?”
Er kwam een glimlach op haar bleek gezicht en trots hief ze het hoofd op, met de bevende handen de taille van haar japon omlaagstrijkend als mocht er geen kreukje zijn in de rechtheid van haar figuur.
„Dat ben ik. Ik heb eens een meisjesgril gehad, die ongelukkig wat lang heeft geduurd; toen heb ik Van Velton getrouwd, die me onverschillig was, dien ik naderhand haatte. Nu ben ik een vrouw en ik heb Edmund Riquelle lief, zooals.…”
„Tatarata,” schetterde de oude dokter lachend. „Die Riquelle’s zullen pleizier van je hebben, nou! Ik gun hun van harte het genoegen.”
„Dàt zullen ze.”
Hij zweeg een oogenblik. ’t Was mogelijk, dacht hij. Ze vond daar, wat ze zoo vurig verlangde, en ze was van een kracht om zich daar vasten voet te veroveren.
„En ik wensch er jou ook geluk mee. Als je er mij en het kind maar zoo weinig mogelijk bijhaalt. Ik heb aan die gedwongen fraaiigheid van deze week meer dan genoeg!”
Fournier en Hortense waren samen zeer verbaasd geweest, zij met een gevoel van vreugde, hij niet zonder een beetje teleurstelling. Niet dat hij zich iets voorstelde of voor zichzelven iets wenschte,—maar ’t was hem duidelijk, dat hij volkomen was weggecijferd, en voor een oude vlam, zelfs al is die geconverteerd in een stiefschoonzoon, blijft dat altijd eenigszins vernederend.
Maar het was spoedig voorbij, en toen zag ook hij die verbintenis met vreugde te gemoet. [85]
„Het is toch wel sterk,” meende Hortense.
„Jaâa!” antwoordde Fournier. „Och, maar dien kant moet het uit in de maatschappij.”
„En ze is mooi en rijk.”
„Zeker.”
„Vindt je haar mooi, Gérard?”
Hij glimlachte gedwongen. Zij had haar armen om zijn hals geslagen en zag hem ernstig vragend in het gezicht.
„Wees nu niet flauw, Stance. Wat doet het er nu toe of ik haar mooi vind of leelijk?”
„Omdat ik het weten wil.”
„Nu dan, ik vind haar heel mooi.”
„Mooier dan mij?”
Hij bedacht zich een oogenblik.
„Ja, Stance-lief, mooier dan jou.”
En toen de tranen haar in de oogen schoten en zij erg bleek werd, vervolgde hij:
„Hoe is het ook mogelijk, dat je zulke malle vragen kunt doen. Je weet zelf, dat ze mooier is dan jij, evengoed als ik wist, dat indertijd mijn vriend Van Schermbeek een veel gunstiger uiterlijk had dan ik. Wat in ’s hemels naam doet dat ter zake? Als ik zei dat ik haar leelijk vond, had je misschien reden tot ergernis, want dan zou je kunnen weten, dat ik onwaarheid sprak.”
„Welzeker, vent. Het is waar. Je hebt gelijk. Ik ben een dom schepsel, dat is zoo. Maar.… ik kon ’t niet goed velen van haar.”
„A propos,” zei hij. „Ik sprak daar van Van Schermbeek; weet je wellicht waar die woont?” [86]
„Neen. Ik las zijn ontslag uit ’s lands dienst in de courant.”
„Ja, hij was de laatste. Nu zijn we er alle drie uit: hij, Van Brakel en ik.”
„Heb je nog wel eens iets gehoord van Van Brakel?”
„Zelden. Hij is op allertreurigste manier aan lager wal geraakt. Ik moet Van Schermbeek gaan opzoeken; de arme kerel heeft het niet slim aangelegd.”
Reeds den volgenden dag deed Fournier wat hij gezegd had; hij trof Van Schermbeek niet tehuis.
„Als u een oogenblik zoudt willen wachten?” vroeg diens vrouw dringend; zij zag bleek, en Fournier, dit toeschrijvend aan haar zeer geprononceerde „omstandigheden”, antwoordde:
„Gaarne, mevrouw, maar laat ik u niet derangeeren.”
„Volstrekt niet, meneer Fournier; het tegendeel is waar; ik zou zoo graag willen, dat u eens met hem sprak.”
En toen de advocaat bedenkelijk glimlachte:
„Och, ik weet wel, dat het hem officiëel niets zal baten; dat verlang ik ook niet. In het eerst had ik verdriet van zijn ontslag, maar dàt is voorbij. Als hij het er nu maar bij wilde laten en rustig voortleven.”
„Gaat hij veel uit?”
„Hij is altijd uit, en als hij ’n oogenblik thuis is, dan praat hij voortdurend over die ongelukkige zaak; dan windt hij zich op en vrees ik dat hij krankzinnig zal worden van overspanning. ’s Nachts droomt hij er van, spreekt hardop en twist in zijn slaap met ministers en generaals tot hij er wakker van wordt; dan staat hij op, en ik hoor hem het overige van den nacht in de kamer heen en weer loopen. Hij wordt [87]mager en met den dag zenuwachtiger. Toe, spreek u eens met hem.”
„Ik zal ’t graag beproeven; alleen: ik vrees dat het op den duur niet zal baten.”
„U is zoo’n oud vriend van hem, en hij spreekt altijd van u met zooveel achting.….”
„’t Verwondert me dat ik Van Schermbeek nog niet ’reis gezien heb.”
„Die ongelukkige zaak neemt hem heelemaal in beslag. Hij denkt aan niets. Zijn papa en ik moeten voor alles zorgen; hij bemoeit zich nergens mee.”
„’t Is treurig!” zei Fournier, en te gelijk hoorde hij iemand den sleutel omdraaien in het slot van de straatdeur.
„Daar is hij,” fluisterde de jonge vrouw, die zelve in niet geringe mate zenuwachtig was.
Fournier schrikte van ’t vervallen uiterlijk van zijn ouden contubernaal, die op zijn beurt een verwonderden blik liet gaan over de tot een licht embonpoint neigende figuur van den advocaat. Ze drukten elkaar met groote hartelijkheid de hand.
„Je weet er zeker alles van?” vroeg Van Schermbeek binnen de twee minuten.
„Waarvan?”
„Waarvan? Vraag je waarvan? Wat zou ik anders bedoelen dan de schandelijke wijze, waarop ik er ben uitgekaaid!”
„Och, je weet: daar staat men aan bloot. Je bent de eerste niet, zoomin als je de laatste zult zijn.”
„Nu ja maar.…. Zou jij je dat dan laten welgevallen?”
„Van laten welgevallen is eigenlijk in ’t geheel geen quaestie. [88]Misschien zou ik er ’t land over hebben; laat ons zelfs aannemen dat dit zeker was.”
„Welnu.…. En dan?”
„Dan? Dan zou ik trachten hun niet ’t pleizier te gunnen van mij in machtelooze woede te zien fulmineeren en ondergaan.”
„Mijn brochure.….”
„Je brochure heeft niets uitgewerkt en zal niets uitwerken. Je loopt met het hoofd tegen de bierkaai, dat is alles. En intusschen ben je de risée van de lui, die het je aandeden.”
„Donders,” barstte Van Schermbeek los met de vlakke hand op tafel slaande, „dat is niet waar, Fournier. Ik ben van ochtend dien smeerlap tegengekomen en ik heb hem vierkant van het trottoir geloopen; ik wou dat je den angst op zijn ploertentronie gezien had, dan zou je niet zeggen, dat ik de risée was van hem.”
„Het is geen waardige handelwijze,” merkte Fournier op.
„Praat jij nu ook al van waardig! Is het waardig van hen, wien zooveel macht en gezag is toevertrouwd, te handelen, gelijk ze deden tegenover mij? Was het waardig mij, toen ik me niet verweren kon, te plagen, te kwellen en het leven te verbitteren? Moet ik dan ten slotte alleen altijd maar „waardig” zijn tegenover het schandelijk onrecht, dat zij me aandeden? God, God!” ging hij zenuwachtig en hartstochtelijk voort, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen, „jullie bent met de beste bedoelingen toch zulke dorre, hartelooze menschen, met je voorpreeken van waardigheid aan verongelijkten en je liefde voor wat „netjes” is tegen verbitterde, wanhopige [89]menschen, die nog maar tot één ding de toevlucht kunnen nemen; tot.….”
„Van Schermbeek, ik zal je eens wat zeggen. Weet je wat je bezig bent te doen?”
„Ik denk van ja.”
„Ik denk van neen. Je bent bezig jezelven gek en je arme vrouw ongelukkig te maken, die dan van een man, als jij op die wijze voortgaand worden moet, nog ongelukkige kinderen kan krijgen bovendien.”
Het scheen dat de onverbloemde waarschuwing voor een oogenblik indruk maakte; maar voor een oogenblik slechts.
„Onzin,” zei hij ’t hoofd schuddend, „dat zijn maar praatjes, die jullie verzint om me van mijn doel af te houden.”
En ’t hielp niet of Fournier al zijn redenaarstalent uitputte, zich op de zuiverheid zijner vriendschappelijke bedoelingen beriep, en herhaaldelijk ook een beroep deed op Van Schermbeek’s hoedanigheden van echtgenoot en bloedverwant voor het tegenwoordige of van vader voor de naaste toekomst,—het wantrouwen van den gewezen officier kon hij niet overwinnen.
„Jullie legt allen onder één deken en tracht me te bepraten. Zonder dat je ’t zelf weet, wordt je allemaal opgestookt door die oude kliek, die me vreest.”
Daartegen hielp geen redeneeren; dáárop kwam hij maar steeds terug en Fournier ging heen, overtuigd dat zijn oude vriend reddeloos verloren was, bezeten door een idée fixe.
In ’t Voorhout kwam hij den ritmeester Riquelle tegen met Louise aan den arm. Hij groette, doch sprak hen niet aan. ’t Was in het licht, dat door de hooge bladerkronen speelde, [90]een schilderijtje, vond hij. Hoe weinig hij ook dacht aan Louise, en hoeveel hij tegenwoordig ook van zijn vrouw hield,—’t hinderde hem toch, dat Louise daar aan den arm liep van dien cavalerie-officier met zijn zeker ongezocht air de grandeur als ’t zuiver cachet der Haagsche beau-monde. Schuin oogde hij hen na. ’t Was merkwaardig! Zooveel jaren was het nog niet geleden, dat hij haar gekend had als jong meisje, meer Indisch, dan goed was; dat hij haar in de armen genomen en gekust had, toen ze getrouwd was met Van Velton; toch, hoe scheen dat alles te behooren tot een ver verleden! En daar liep ze nu, alsof ze nooit anders gewoon was geweest. Aller élégantst en toch zeer eenvoudig gekleed, en door haar houding en manieren volkomen thuisbehoorend in die omgeving.
Twee lange armen zwaaiden hem toe; ze zaten aan de lichamen van twee Indische kennissen.
„Dag, Fournier, hoe gaat het jou in ’t Haagje?”
„Wel, Fournier, het doet me pleizier je eens te zien.”
Hij groette terug en vroeg van waar ze kwamen.
„Uit de kampong Amsterdam. Fameus veel lol gehad, zeg! ’n Goeie boel!”
„Al m’n duiten zijn op,” lachte de ander. „We zullen den boel naar den lommerd moeten brengen. En dan maar pindjam; de Bank is er goed voor!”
De ernst van Fournier stak af bij de onverschillige gezichten dier beide jonge mannen, wier luidruchtigheid hem niet hinderde, omdat hij haar begreep. Jaren achtereen hadden zij in ’t binnenland gezeten; jaren, waarin jongelui in Holland alles wordt vergeven onder de leus: il faut que [91]jeunesse passe. In dien tijd moesten zij hard werken en droegen zij zorg en verantwoordelijkheid, zonder andere dan die stille genoegens, door het landelijk leven in Indië geschonken, met zijn uiterst gemakkelijk sexueel verkeer en zijn wijsgeerige rust. Nu waren zij los gekomen, en kootten wat laat.
„Je mag wel oppassen,” zei Fournier lachend. „De jongste berichten waren niet te best.”
„Sst!” riep de een: „daar willen we hier niet van hooren; ’t is tijd genoeg als we in Indië terug zijn.”
„Hoelang denk je te blijven?”
„Nog zes maanden.”
„In dien tijd,” lachte de ander, „kan de boel net op den flacon zijn.”
„Jullie steekt er den gek maar mee,” zei Fournier; „ik maak me over de daling der prijzen ongerust. Waar moet het heen?”
„Je hebt er duiten in, hè?” zei de een, en hij noemde het land, waarin Fournier een groot deel van zijn vermogen had gestoken.
„Och, ben je gek,” riep de ander met een elleboogstoot: „denk je, dat hij er wat om geeft? Hoe beroerder de tijden worden, des te beter gaat het de advocaten!”
„Men kan in ondernemingen binnen één halfjaar meer verliezen, dan men met zijn kantoor in twaalf jaren verdient.”
„Wat doe je in de kou!”
„Neen zeg, ik heb ’t land om hier over die dingen te spreken. Ben je gek! Dáárvoor ben ik niet in Europa. Maar [92]weet je wat? Je bent advocaat en beau parleur, en je kent hier zeker ’n heeleboel Kamerleden en zoo. Zie, dat je vermindering van belasting voor ons krijgt. Als de boel misloopt, dan komt het voornamelijk omdat we zoo onder den druk zitten.”
Fournier werd boos.
„Hoeveel slaan jullie nu wel stuk bij zoo’n uitstapje?” vroeg hij scherp.
De een wilde antwoorden, maar de ander trok hem mee.
„Niet zaniken, zeg! We zijn niet hier om boomen op te zetten over al die narigheid. Die Fournier ook! Ajo, vooruit!”
En groetend en lachend gingen ze heen, jong, sterk en gezond, met een air vol overmoed en levenslust, dat in ’t geheel niet paste binnen het kader van ’t Lange Voorhout.
Fournier schudde het hoofd. Het waren toch rare kerels! Wie weet of ze niet over een jaar straatarm waren, en als ze met hun tweeën in den tijd, dien ze rondboemelden door Europa, geen halven ton verteerden, zou het wonder zijn. De ontmoeting had hem Louise doen vergeten en teruggebracht tot zijn vroegere bezorgdheid voor het geld, dat hij had in Indische landelijke ondernemingen; doch hij schudde haar van zich. De wereld was schoon en het leven zoo zwaar niet. In het ergste geval was ’t niet eens zoo vreeselijk. Wat jaren langer in Indië blijven,—dàt was toch ook geen straf! Het geld van Van Velton zat er mede in; daarvoor was hij meer bevreesd. Als dáárvan een deel verloren ging, kwam het niet weer terecht. Hij had er ’t beheer over, alsmede over de fortuin van den ouden heer Van der Linden. Het denkbeeld, dat hij verplicht was hen voor zware verliezen [93]te behoeden, hield hem vast; ’s middags sprak hij er Hortense over.
„En ons geld?” vroeg ze.
„Nu ja, ons geld.… Het is voor ons lang zoo erg niet.”
„Wel, dat zie ik niet in. Moeten wij niet net zoo goed waken voor de belangen van onze kinderen?”
„Het is er pas een!” zei hij.
Zij keek hem lachend van ter zijde aan.
„In elk geval,” ging hij voort, „blijft het minder erg voor ons, want ik heb ’n levensverzekering van een ton, en ik ben in mijn zaken. Als zij verliezen, is er geen de minste kans ooit iets terug te krijgen, ook niet door haar aanstaanden man.”
Maar Hortense gaf niet toe. Zij was de dochter van een koopman, en zij had een practischen blik in zaken; bovendien kon ze in den laatsten tijd haar geëngageerde schoonmoeder, die hoe langer hoe mooier scheen te worden, niet uitstaan, en de bezorgdheid van Fournier hinderde haar.
„Ik heb er niets tegen,” zei ze, „dat je voor het geld van Louise en van papa Van der Linden zorgt. Maar eerst voor het onze. Dat ben je verplicht. Het is geen edelmoedigheid anderen te helpen ten koste van zijn eigen gezin. Charité bien ordonnée.…”
„Jawel, dat weet ik. Alleen de kansen zijn zoo ongelijk. Als zij hun geld kwijt raken, dan zouden wij ten slotte hen toch moeten helpen.…”
„Wij?” vroeg Hortense verbaasd.
„Zeker.”
„Mijn hemel.… Wij?.… En waarom?” [94]
„Maar Stance, hoe heb ik het met je? Ze is uw stiefmoeder, en onze verhouding in den laatsten tijd.….”
Ze zag haar man strak in het gezicht en over haar trekken gleed een uitdrukking, die op de ongunstigste manier aan haar vader herinnerde.
„Wij zijn haar niets verplicht,” zei ze stroef. „Het eenige wat ik haar heb te danken, is het ongelukkig leven, dat ze papa bezorgde, het inslikken van een goed deel zijner nalatenschap en haar pogingen om mij mijn man te ontrooven. Ik geloof niet, dat ik haar daarvoor dankbaar behoef te zijn.”
Fournier zweeg een oogenblik.
„Je oordeelt erg hard, Stance; hard en onrechtvaardig.”
„Ik oordeel juist.”
„Toch niet, en.….” maar hij ging niet verder. Hij had haar aangezien en was zeer getroffen over de uitdrukking van doodelijken haat op haar gezicht. Nooit had hij dat lijdelijk uitziende gelaat van zooveel expressiefs verdacht. Dat er hartstocht school achter het bleeke masque met de soms doffe blauwe oogen, wist hij, maar hij meende dat die slechts eenzijdig was ontwikkeld en in elke andere richting door een overweldigende, aan het onverschillige grenzende, gemoedelijkheid werd overtroffen.
„Dat wist ik niet?” zei hij onwillekeurig en de verwondering sprak uit den toon zijner stem.
Hortense, nu weer zichzelve meester, scheen er eenigszins verlegen mee, doch ze zinspeelde er niet verder op en vervolgde:
„Als je ons uit dat land kunt krijgen, doe het dan gauw. [95]Maar ons het eerst, Gérard. Dat is niet meer dan recht en billijk; niet meer dan plicht.”
Aan tafel vond hij haar opvallend stil, en ze hield zooveel mogelijk de oogen op haar bord gericht. Fournier daarentegen was de vriendelijkheid zelf; hij vond haar veel belangwekkender, al speet het hem, dat zij Louise zulk een geweldigen haat toedroeg. Na het dessert volgde hij haar in haar kamer en kuste haar.
„Hoe is ’t mogelijk, Stance,” zei hij erg intiem, „dat je met haar hebt kunnen wonen!”
„Waarom niet?”
„Wel.… als je zoo’n hekel aan haar hebt.”
„Toen nog niet.”
„Och, wat? Er is toch niets gebeurd!”
Zij lei haar gezicht op zijn schouder.
„Er is ook niets gebeurd, Gérard. Maar sedert je weer hier bent, haat ik haar gruwelijk, en dat is jou schuld.”
„Kom, hoe is ’t mogelijk! Ik heb ’t mensch niet meer dan de burgerlijke beleefdheid bewezen.”
„Neen, dat heb je ook niet.”
„Welnu dan?”
„Je hebt aan haar gedacht, Gérard. O, spreek het maar niet tegen! Je hebt aan haar gedacht op oogenblikken, dat het voor mij ’n doodelijke beleediging was.”
De jonge advocaat zag zoo wit als zijn boordje. Zulk een perspicaciteit ontroerde en verschrikte hem geweldig. Hij moest het tegenspreken, hoe waar het was, en met de houding van een beleedigde, richtte hij zich op en lei haar arm van zijn schouder. [96]
„Foei! Ik begrijp niet hoe iemand aan zulke gedachten kan komen.”
Zij glimlachte een beetje pijnlijk en antwoordde vergoelijkend:
„Goed, goed! Laat het onbegrijpelijk zijn; laat ik ongelijk hebben en heel onrechtvaardig en onjuist zijn in wat ik zeg. Het doet er niet toe. Je wildet weten, waarom ik haar haat en sedert wanneer,—je weet het nu.”
Ze waren er een oogenblik beiden stil van. Toen lachte hij en kuste haar weer en deed zijn best het wettig en overtuigend bewijs te leveren, dat ze ongelijk had. En zoo hij al niet slaagde voor het verleden,—voor het heden gelukte het hem.
Nog dienzelfden dag maakte hij er werk van bij een nieuwe bankinstelling, die emplooi voor haar geld in Indië zocht en waarvan de leiding was toevertrouwd aan menschen, heel gedistingeerd, uiterst solied en in veler oogen onfeilbaar, maar die weinig verstand hadden van Indische cultuurzaken. En dat behoefde ook niet. Immers zoo goed als iedereen deed in of aan die zaken, zonder er veel meer van te weten dan weinig of niets. En in Indië waren ze vertegenwoordigd door menschen niet minder fatsoenlijk, gedistingeerd, solied en onfeilbaar en met niet meer kennis van bedoelde zaken. Ze waren ongeduldig, dat wist Fournier; ze moesten de beschikbare gelden rentegevend maken voor hun aandeelhouders, en ze maakten zich niet bezorgd over de eerst onlangs ingetreden daling der prijzen. Hij moest het slim aanleggen, en hij verzon een speculatie, welke hij op touw had gezet voor de familie, die mislukt was en waardoor hij gedwongen werd zijn eigen geld en dat van mevrouw Van Velton [97]en van dokter Van der Linden los te maken. De directeuren der Bank geloofden hem op de overigens onschadelijke noodleugen; er werd heen en weer getelegrapheerd, en de Bank nam de hypotheek over.
Toen hij ’t zijn vrouw vertelde, lachte zij en riep:
„Die is heel aardig! Wat zijn ze er in geloopen!”
„Er in geloopen? Wel neen kind. De onderneming is uitstekend. Alleen.….”
„Alsof je er ’t geld zou hebben uitgenomen als het een goede zaak was!”
„Och, dat is betrekkelijk! Ik weet niet of het geen goede zaak is. Alleen: ik ben bang.”
„En waarom die vrees?”
„Zoo in het algemeen! En als men ergens geen vertrouwen in heeft, trekt men zijn geld terug. Ik heb er hen niet in laten loopen.”
Ze antwoordde niet; ze wist, dat hij in staat was zichzelven in gemoede op te dringen, dat hij er de Bank een genoegen mee had gedaan.
Toen Fournier ’s middags bij Louise kwam, vond hij haar in het salon met den ritmeester Riquelle en den dokter, die nu wel moest verschijnen, hoe onaangenaam hij het ook vond.
De heeren luisterden met belangstelling naar zijn verhaal; verstrooid hoorde Louise toe en dacht onwillekeurig aan die geschiedenis op haar trouwdag met Van Velton, toen haar vader zoo dicht bij den afgrond der armoede stond en niemand het wist dan de aanstaande schoonzoon.
Riquelle zuchtte vol satisfactie toen hij hoorde dat Fournier [98]zoo goed geslaagd was; de dokter drukte hem dankbaar de hand.
„Het is heel verstandig gehandeld,” zei hij.
„Ongetwijfeld,” meende de ritmeester, die zich de mislukte speculatiën van zijn vader herinnerde en doodsbang was voor geldelijke risico’s.
Louise haalde de schouders op. Wat kon haar ’t geld schelen, en toen ze zag dat Fournier daar boos om was, vroeg ze:
„Was het zoo erg?”
„Erg genoeg. Zóó, dat je, als ’t fout was gegaan, zeer had moeten verminderen, iets wat zich nimmer zou hersteld hebben.”
Een oogenblik keek ze peinzend uit het venster; toen naar den ritmeester en naar haar vader. ’t Was waar! Als ze haar fortuin verloor, was dat verlies volkomen onherstelbaar.
Snel trad ze op Fournier toe en reikte hem haar handje met een lieve, dankbare uitdrukking op haar gezicht. Het werd hem weer zonderling om ’t hart; hij antwoordde op haar betuiging van dank iets onverstaanbaars, en ging, meer zaken voorwendend, spoedig heen. Haar beeld volgde hem op de straat; hij zag het nog wel een kwartier lang voor zijn geest. Zou dat dan nooit heelemaal slijten? vroeg hij bij zichzelven.
Het was een warme zomerdag: warm en stoffig. In de beschaduwde laantjes, die de „wandeling” van ’t dorpje Vlietwijk vormden, gonsden de vliegen en nipten de ijle, kleurige, „juffertjes”, zeilend op haar glazen vlerkjes. In de kroostslooten smakte en flodderde de baars en schoof de paling stil golvend door het groezelig glad moeraskruid en de wuivende [99]waterplanten. Onder de wilgen door zag men in de verte het landvolk aan den harden arbeid, en hier en daar, tusschen ’t groen der erven en boomgaarden, kleine bosschen gelijkend in de verte, glinsterde een stuk wit,—een boerderij of een optrekje. O, ’t was zoo warm! En ’t landvolk, onwelriekend in oude pilo broeken en baaien rokken, streefde in het vrije veld naar een boven- en benedenwaartsch décolleté, dat de balzaal het land kon benijd hebben. Mourant en mevrouw Veninga hadden nog Indisch goed genoeg om het zich in de warmte draaglijk te maken. Langzaam wandelden zij door de laantjes: hij in ’t wit met witte schoenen aan en een helmhoed op; zij in sarong en kabaja, met slofjes aan haar bloote voeten en een witte pajong boven ’t hoofd. Wat kon ’t haar schelen? Men kwam hier toch niemand tegen, en ’t was zoo lekker. Want het kon gloeiend heet zijn op de zomerdagen in het gure Holland, veel warmer dan in Indië.
Veninga was dood.
Hij kon niet genezen te Davos, begon zich te vervelen, was naar Holland teruggekomen, en had er, onaangenamer voor zijn jonge vrouw dan ooit te voren, den geest gegeven, met de hand van zijn eenigen vriend Mourant in de zijne, en zonder ook maar één oogenblik dien vriend verdacht te hebben.
In den aanvang had het niemand bevreemd, dat Mourant veel bij de jonge weduwe aan huis kwam: hij was immers executeur en voogd van de kindertjes, die „oom” tegen hem zeiden! Doch langzamerhand ontwaakte de achterdocht. Men zag hen te veel samen en altijd zonder mevrouw Mourant, die zich geheel had teruggetrokken, maar nog steeds door [100]haar man op allerlei manieren ten voordeele eener scheiding werd bewerkt. Toen, om de praatjes der menschen te ontwijken, was mevrouw Veninga naar buiten gegaan, op een heel stil klein plaatsje; en daar bezocht haar dikwijls, heel dikwijls de executeur-testamentair; zóó vaak dat het een domiciliequaestie had kunnen worden!
Hier waanden zij zich aanvankelijk vrij. Er woonden, nu ja, eenige families in den omtrek op grooter buitenplaatsen dan haar net, maar klein optrekje; zij had met haar geen kennis gemaakt en kende de namen alleen door het praten der dienstboden. Weldra bleek dat er ook hier niet weinig over hen werd gepraat op die enkele buitentjes. Zij trotseerden het echter.
Maar Henriëtte was ongeduldig.
„Hoe is het er nu mee?” vroeg ze.
„Ik vorder niet,” antwoordde hij zuchtend.
„’t Is pleizierig! In Indië is dat anders.”
„O, in Indië, ja!”
„En waarom hier niet?”
„Ik weet het niet,” zei hij met nog een zucht en recht voor zich uitstarend. „Het is verschrikkelijk moeilijk hier tot een scheiding te komen. Alles, alles werkt tegen.”
„En zij?”
De naam van mevrouw Mourant werd tusschen hen nooit genoemd; werd er over haar gesproken, dan was de aanduiding „zij” voldoende.
„Ik geloof dat ik haar er wel toe krijgen zal. Ze is niet zoo vast meer als vroeger.”
„Maar dan is het toch klaar, dunkt me.” [101]
„Waarachtig niet. Ik zeg: men ondervindt niets dan tegenwerking hier in Holland. Bij wie men komt,—het is ’t zelfde. Spreekt men van separeeren, dan betrekt hun gelaat als de lucht bij een onweersbui.”
Zij antwoordde niet, maar haar mooi donker gezichtje stond allesbehalve vriendelijk.
„Je moet niet boos op mij zijn, lieve,” vervolgde hij, toen zij hardnekkig zweeg. „Ik doe wat ik kan.”
Ze trok ongeduldig met de fijne ronde schouders.
„Het is mogelijk, maar ik vind het niet. Je wilt niet; je wilt niet serieus. Als je wezenlijk deedt, wat je kunt, dan zou ze al zelf scheiding hebben geëischt.”
„Lieve Jet, je kent haar niet. Wat een vrouw zedelijk ondergaan kan, dat heb ik haar laten ondergaan. Maar daar is een wanhopige onverzettelijkheid, die verschrikkelijk is om te zien. En.… ik kan haar toch niet mishandelen?”
„Nu ja, mishandelen.…”
Hij begreep wel wat ze bedoelde, maar huiverde er van terug. Zóó ver was hij nog niet, ondanks zijn veertig jaren, en hij zag haar met verwondering aan.
„Kom,” zei hij, onder den indruk harer bekoorlijkheden, „kom, ’n beetje geduld nog. We zouden toch niet kunnen trouwen met het oog op zijn overlijden. Tegen dat de termijn verstreken is, zal ik het er ook wel doorhebben.”
Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar.
„Het is te hopen,” zei ze vol twijfel en met een zucht.
Snel trok hij den arm terug, want een zestal boerenkinderen lag half verscholen in ’t lange gras en de biezen aan den slootkant op een inspringenden berm van den weg: [102]geelblonde raagbollen boven frischroode maar vuile gezichten met geïllustreerde neuzen staken nieuwsgierig omhoog en begluurden met een verbazing, die uit de ronde hondenoogjes duidelijk sprak, het paar Indische menschen.
„Vader zeit, dat-ie ’n Pruus is,” fluisterde er een, doelend op den helmhoed van Mourant.
„Ze draagt ’n wit hempie bovenop,” verzekerde een ander, die zelf „onderop” nooit het genoegen van een „wit hempie” had gesmaakt.
Zij hoorde het in ’t voorbijgaan en moest er om lachen.
„In Indië spot men dikwijls met de domheid van den inlander.”
„Ja!” antwoordde hij, blij dat ze het minder aangename onderwerp had laten varen. „Het is al overal ’t zelfde.”
„Dat is nog de vraag.”
„Hoe bedoel je dat?”
„Wel, ik vind de lagere klassen hier veel dommer en onbeholpener dan bij ons den kleinen man.”
Mourant, die altijd in de stad had gewoond en zich nooit veel om den bruinen broeder had bekommerd of van het volksleven notitie had genomen, gaf dat niet toe.
„Ja,” zei hij bedenkelijk, „als je bedoelt pinter.”
„O neen, dat zijn ze in dien zin hier evengoed, geloof ik.”
„Ei, heb je dat ervaren?”
„Zeker! Als ze iemand bedriegen en bestelen kunnen, dan laten ze het hier evenmin als ginds.”
Verwonderd zag hij haar aan.
„Ze nemen vooral ons, Indische menschen, „waar”, zooals ze het noemen. Voor veel geld wordt ons slecht goed in de handen geduwd. Het is of ze een komplot hebben gemaakt. [103]In de stad is het letterlijk een rooverbende, waaraan men is overgeleverd.”
Hij lachte.
„Nu maak je het toch wat erg, Jet. Bedenk dat ik een tottoh ben. Al die lieve landgenooten.….”
„’t Zijn lievertjes! Ze beschouwen ons als niet veel meer dan ganzen, die zij moeten plukken. Van den grootsten magazijnhouder tot ’t kleinste winkeliertje; van den voornaamsten hotelhouder tot den nederigsten kruier,—allen loeren op ons als op een prooi.”
„’t Is veel eigen schuld.”
„Och, wat! Het zijn dieven.”
„Zeker, lieverd! Als de Indische lui niet begonnen waren met in Holland ’t gouden kalf in hun wapen te voeren, zou het anders wezen.”
„Dat is mogelijk. Maar hier dan?”
„Hoe dat, hier?”
„Denk je wellicht, dat deze eenvoudige landlieden, zooals jij ze altijd blieft te noemen, een haar beter zijn?”
„Er zijn ten minste magazijnhouders, winkeliers, hotelhouders noch kruiers onder.”
„Wees nu niet flauw.”
„Ik zou niet weten, wie je derhalve moeten bestelen.”
„Allemaal! De man, die de melk brengt; de groentenman, de tuinman,—allen bestelen me geducht. Zoo gauw ze maar gemerkt hebben, dat ik een dame uit Indië was, zijn ze me gemoedelijk aan het plunderen gegaan.”
„Kasian!” plaagde hij. „Die arme, onnoozele landlieden! Wat krijgen ze veel op hun rekening.” [104]
„Neen, op de „rekening” krijg ik alleen veel.”
„Ze hebben,” ging hij voort, „een breeden rug. Er kan veel op.”
„En ze nemen er veel op. Als ze naar hun gemoed te werk gingen en de wet het niet verbood, namen ze mijn geheelen inboedel er op en liepen er mee heen.”
„Oho!”
„Wezenlijk, Mourant. Je kunt het je niet voorstellen. Jullie, heeren, komen daar niet zoo mee in aanraking. Maar als ik zie wat anderen betalen en wat mij wordt gevraagd.…!”
„Boleh tawar!”
„Dat kan je begrijpen!”
„En als ze het anderen er voor laten!”
„Dan weigeren ze het mij en laten me onverrichterzake heengaan. Het is wezenlijk net of ze het hebben afgesproken, of het een geheim genootschap is.”
„Lieve Jet, ik geloof dat je verschrikkelijk overdrijft.”
„In het geheel niet. Het is de zuivere waarheid.”
„En de prix fixes dan!”
„Nu ja, maar het is ook ’n soort van goed, dat tegen prix fixes wordt verkocht! Dat veel Indische menschen, die van een bescheiden inkomen moeten leven en het in Indië ook nooit meer dan „gewoon” hadden, er zich aan vergapen en aan te buiten gaan, weet ik; maar voor ons!”
Hij vond dat air de dédain verrukkelijk en kuste haar weer.
„Toe, nu geen gekheid! We zijn dicht bij huis! Ik zie de kinderen al in de verte in den tuin spelen.”
En de kinderen kwamen hen weldra juichend te gemoet, [105]door niets belemmerd in hun snelle bewegingen, maar integendeel opgewekt door den vurigen zonnegloed, verzengend als die in hun eigen geboorteland.
Mevrouw Veninga ging het huis binnen om even naar het tweede ontbijt te zien; de kleinen volgden haar; Mourant zette zijn hoed af en liep in de schaduw van een paar groote boomen langzaam op en neer over het grasveld in den tuin.
Hij had het eerste deel van hun discours dien ochtend niet vergeten; het zat hem dwars, al was hij blij geweest toen zij ophield; wezenlijk, hij zag het eind niet der historie. Hij hield dol veel van Henriëtte en waarschijnlijk zou hij ook op haar verliefd zijn geraakt al had ze geen cent bezeten. Maar dan zou hij er geen quaestie om gekregen hebben met zijn vrouw; dan zou hij zich vergenoegd hebben met de bereiking van het dichtstbijgelegen doel.
Nu was hem ook het andere, haar fortuin, zeer aantrekkelijk, want met het zijne ging het in den laatsten tijd slechter dan ooit; eigenlijk was het nog slechts een klaterfortuin, dat wel revenuën gaf, maar geen realisabel kapitaal vertegenwoordigde.
Zij had den spijker wel op den kop geslagen, toen ze zei dat het in Indië zooveel gemakkelijker ging. Wat had hij er dáár niet veel den doorniggeworden huwelijksband helpen ontbinden. Dat ging als papier de musique zoo constant en regelmatig. Onverschillig wat er gebeurd was,—’t ging voor den vorm haast altijd eender. Hetzij men van elkaar wilde wegens incompatibilité d’humeur, of omdat mevrouw was afgeweken van het „pad der deugd” dan wel [106]meneer,—’t verloop was dat zij hem aanklaagde wegens onzedelijk gedrag, hij niet compareerde en veroordeeld werd bij verstek.
En niemand trok zich iets daarvan aan; men ging stil zijns weegs, alsof er niets was gebeurd, zoo spoedig mogelijk nieuwe huwelijksbanden smedend.
Maar hier!
Hij wischte met den zakdoek, waarmede hij zich wuivend trachtte te bekoelen, het zweet van zijn voorhoofd en ging de tuinkamer binnen, waar hij zich een glas Rijnschen wijn met selterswater schonk, als een gepasten morgendrank tot wegspoeling der onaangename gedachten, die hem op den snikheeten zomerdag bestookten. Henriëtte kwam spoedig met de kinderen terug, lachend en zingend. Hij zag haar aankomen in den corridor; ’t was veeleer of zij een zuster was van de kleintjes dan hun moeder. Wat was zij vroolijk en opgewekt! Welk een verschil tusschen haar gemoedsstemming nu en gedurende het laatste jaar bij de gestadige kwellingen van den zieken Veninga. ’t Deed hem genoegen haar zoo te zien, en dit gevoel scheen hem toe iets zoo vaderlijks te bevatten, dat hij er om glimlachte. Hij stond op, liep haar te gemoet, dreigde de kleintjes dat hij hen „krijgen” zou, en vervolgde hen, als ze schreeuwend lachten van de pret en om de rokken van hun maatje hem „krijgertje” lieten spelen.
Het was een benauwende exercitie op zoo’n warmen dag en voor iemand, die een reeds geprononceerden aanleg had tot gezetheid. Maar het behoorde tot de eigenaardigheden van deze soort candidatuur; als hij eenmaal door het examen was, zou hij voor die liefheid óók feestelijk bedanken! Nu moest [107]hij wel den kindervriend en action vertoonen, en hij executeerde zich gracieuzelijk.
„Kom, wees nu stil,” zei Henriëtte, die het zelve te warm kreeg. „Ga nu zitten, dan krijg je limonade. Toe, Willem, geef me ook wat ajer blanda.”
Maar de kinderen waren met geen limonade te houden; zij liepen den tuin in om in het gras te rollen en de bonne volgde hen daar, doch kwam binnen een paar minuten terug met een dik pak couranten en brieven uit Indië en van elders. Zij sorteerden ze, en ieder nam zijn aandeel; ze lazen hun brieven, ieder voor zich, stil, en slechts nu en dan afgebroken door een korte opmerking of mededeeling. Maar daarmede hield Mourant spoedig op; zijn wenkbrauwen trokken samen, en al lezende werd de uitdrukking van ongenoegen op zijn gelaat voortdurend sterker. Het was een brief van een zijner oudste vrienden; hij had altijd veel van hem gehouden en had in zijn huis steeds een groote mate van gastvrijheid en vriendschap genoten; nu schreef hij hem hartelijk, maar hoogst ernstig. Men was het in Indië te weten gekomen, en men had er veel over gesproken. Er werden inlichtingen gevraagd. Was het waar, dat hij wilde scheiden van zijn vrouw, en dat hij wilde trouwen met de weduwe Veninga? Als dat waar was, wat echter zijn vrienden in Indië niet konden en wilden gelooven, dan was het andere óók waar, n.l., dat hij zijn vriend en zijn vrouw laaghartig bedrogen had. En op die wijze ging het voort tot het einde; zijn vrouw werd in dien brief verheerlijkt; al de goede, schoone hoedanigheden, die ze bezat, werden gereleveerd en in een helder, scherp licht gesteld.—Het was alles volkomen waar; hij wist het, hij [108]wist het!—Maar Henriëtte was toch zoo mooi, en ze had zooveel geld. Toen hij daaraan dacht, keek hij haar even aan. Zij weende.
„Wat is er?” vroeg hij ongerust en opstaande.
„’t Is schande!” snikte ze. „Waar bemoeien ze zich mee? Ben ik niet vrij om te doen en te laten wat ik wil?”
Hij nam een brief van haar schoot en keek dien in; ’t was van hetzelfde laken een pak. Een harer vrouwelijke bloedverwanten had hetzelfde onderwerp gekozen en zong, schoon op gansch anderen toon, hetzelfde lied. Die toon was scherper, hatelijker en meer beslist; hij vergunde geen twijfel meer; er werd niet gevraagd om inlichtingen; de mogelijkheid van laster werd niet aangenomen; tante schreef met de zekerheid van iemand, die gevoelt dat het zoo is, en die niets verschoont en niemand spaart.
„Dat onbeschofte wijf!” zei Henriëtte.
„Het beste is dit,” meende Mourant, en te gelijk maakte hij een beweging om den brief te verscheuren. Maar zij hield hem terug; hoe vernederend de inhoud ook voor haar was,—ze wilde dien toch nog eens overlezen à tête reposée.
„Neen, Willem, verscheur hem niet.”
„Och, waarom niet? Eén is waarachtig genoeg.”
„Heb jij dan ook?.…” vroeg ze met verwondering.
„Welzeker! Waarom niet? Maar de mijne is ’n beetje fatsoenlijker, schoon het op ’t zelfde neerkomt.”
Hij gaf haar den anderen brief en zij las hem, met saamgeknepen lippen van boosheid om al de loftuitingen op mevrouw Mourant. [109]
„Hm!” deed ze schamper. „Er kan niets meer bij! Het is waarlijk jammer!”
„Nu ja.”
„En zal jij daarop antwoorden?”
„Natuurlijk! Ik zal hem een uitvoerigen brief schrijven en er valt niet aan te twijfelen of hij zal overal rondvertellen, wat daarin staat.”
„Maar je zult toch niet alles schrijven?”
„Waar denk je aan? Ik zal hem schrijven, dat ik met verontwaardiging, maar zonder verbazing heb kennis genomen van de schandelijke lasterpraatjes in Indië verspreid over u en mij; praatjes, die het beneden mijn waardigheid en uw fatsoen is te wederleggen.”
Hij zag er zoo oprecht verontwaardigd en waardig uit toen hij deze woorden vergezeld deed gaan van een breede geste, die alle lasterpraatjes op zij schoof, dat Henriëtte haar lippen, die zich met geweld tot een lach plooiden, met haar schitterend witte tandjes in bedwang moest houden.
Mourant zag het niet; als de geest der advocaterij over hem kwam, zag hij niets; dan oreerde en gesticuleerde hij, aangevuurd en opgewekt door den klank van zijn eigen stem; dan had hij evengoed een jury om den vinger gewonden, als een rechtsgeleerd college hem sous cape zou hebben uitgelachen.
„Ik zal hem schrijven,” dus vervolgde hij, „dat een onverwachte samenloop van noodlottige familie-quaesties een ernstige vervreemding heeft teweeggebracht tusschen haar, die voor de wet mevrouw Mourant is, en mij; dat ik niet kan noch mag toegeven op dat punt; dat het moet buigen [110]of barsten, en dat derhalve een scheiding in de toekomst niet tot de onmogelijkheden behoort.”
Zij keek hem bewonderend aan; ze vond hem welsprekend. Het was immers onmogelijk te twijfelen aan de woorden van iemand, die zóó sprak en zóó schreef.
„En verder?” vroeg ze.
„Hoe bedoel je dat?”
„Wel verder.… over mij.… over ons?”
„Niets. Ik zal wel zorgen zóó dom niet te zijn. Alleen heel aan het slot zal ik er nog een oogenblik op terugkomen.”
„In welken geest?”
„Dat weet ik nog niet. Ik zal het je in elk geval laten lezen.”
„Ja, doe dat, Willem. Het is wel niet waarschijnlijk, dat wij weer naar Indië teruggaan, maar men kan nooit weten.”
En toen hij haar ’s avonds den brief bracht, werd haar bewondering voor hem nog grooter. Men kon nauwelijks met droge oogen kennis nemen van de diepe droefheid, die Mourant verklaarde, dat de vuige laster hem had berokkend. Het was „pijnlijk,” het was „ontmoedigend,” het was „treurig,” het was „grievend,”—het was alles wat het woordenboek aangaf om zich terecht of ten onrechte te drapeeren in het woordenkleed van den miskenden mensch.
„Ik weet niet wanneer de mail sluit,” zei hij. „Men leeft hier buiten de wereld.”
„Spijt het je?”
„Lieve Henriëtte!” [111]
„Het is mooi weer; de meid kan den brief bezorgen. Het hulpkantoor is aan den grooten weg, geen tien minuten van hier, en ’t is mooie maneschijn.”
De kinderen waren naar hun bedjes. Doodmoe van het spelen den ganschen dag in de open lucht, sliepen ze reeds half toen ze nog voor hun bordjes met brood en vruchten zaten. Toen de krachtige boerendeern de straatdeur had dichtgetrokken en den weg opliep om den brief in de bus te werpen, was het stil geworden in huis, en buiten stoorde ook haast niets de heerlijke kalmte van den prachtigen zomeravond; slechts een enkel insect gonsde door de zoele lucht, een zich stil door de boomen reppende vleermuis deed de bladeren ruischen en uit de verte kwamen zachtjes de volle klanken over van een nachtegaal, die, door de maan bekoord, zijn rol- en waterslag-romances zong met sedert eeuwen beroemde virtuositeit.
De straatweg voor het huis was onzichtbaar in de schaduw van het omzoomend groen, maar de breede met kroost bedekte sloot schiep in het tooverachtig maanlicht een fata morgana en scheen de weg te zijn. Zij hadden de lampen laag gedraaid en zaten op het balkon in de schaduw der marquise onzichtbaar voor de buitenwereld, dicht naast elkaar, verzonken in het genot hunner meer door den schoonen avond, dan door de sociale omstandigheden geïdealiseerde liefde.
Onwillekeurig richtte Henriëtte zich op, toen de dienstmeid terugkwam en met den sleutel de deur opende.
„Zij zal wel even hier komen, Willem. Draai de lampen op.”
Hij deed het, en in het licht, dat hoog opvlamde, zagen [112]zij er beiden een beetje verward uit, kleuriger van wangen, slordiger van coiffure, onbestemder van blik.
„Het groote buiten is verhuurd,” zei de meid binnenkomend en met den deurknop nog in de hand.
„Och kom, en aan wien?”
„Ik ben den naam vergeten, maar de posthouder schreef hem op een papiertje, en dat heb ik, geloof ik, verloren,” antwoordde de dienstbare geest, met een teleurgesteld gezicht in haar grooten zijzak tusschen allerlei voorwerpen grabbelend.
Het „groote buiten” was een fraai landgoed; ’t behoorde tot den sterfboedel van een millionnair en was door den tegenwoordigen eigenaar op speculatie van de erven gekocht. Maar aanvankelijk scheen de speculatie geheel te mislukken, want het seizoen was reeds eenigszins gevorderd en nog altijd stond de plaats leeg.
„Hier is het briefje, mevrouw. Het is een gekke naam. Ik kan hem haast niet uitspreken; maar het moet heel voornaam volk uit Den Haag zijn.”
Henriëtte hield het met potlood bekrabbelde en verfrommelde stukje papier onder een der lampen.
„Ik kan het niet lezen, Willem. Zie jij eens!”
Hij zette zijn lorgnet op en keek over haar schouder naar den naam op het briefje.
Plotseling hief zij het gelaat naar hem op, met een uitdrukking van schrik en ontzetting in de oogen.
„Mijn God, Willem, zij is het!”
„Graaf De Riquelle?.… Verduiveld, ja, dat is beroerd; dat is verduiveld onaangenaam.” [113]
„Ik houd het hier niet uit, Willem. Geen week, geen dag!”
„Nu, nu! zóó is het nu niet.”
„Geen dag! Denk je dat ik hier wil zitten in dit optrekje met jou, en zij, daar ginder onder mijn oogen als het ware, op dat groote buitengoed met haar man, dien graaf. Nooit, Willem! Nooit in m’n leven!”
De meid had den uitval gehoord, die niet voor haar ooren bestemd was, en ofschoon slechts een boerendeern, was ze wel zoo wijs net te doen alsof ze niets begreep.
„Is er nog iets, mevrouw?” vroeg ze onnoozel.
Henriëtte schrikte er van; ze had om ’t heele schepsel niet meer gedacht.
„Neen, dank je; je kunt wel naar beneden gaan.”
Ze spraken geen woord verder. Mourant was aan de ronde tafel gaan zitten met de ellebogen op het blad, en blies, starend in het lamplicht, den grijsblauwen rook van zijn manilla naar het lampeglas, waaromheen die, door de warmte op een afstand gehouden, in krullen en esvormen optrok. Henriëtte zat tegenover hem met ’t verfomfaaide papiertje nog tusschen de vingers, ontstemd, met saamgetrokken wenkbrauwtjes en pruilenden mond, omdat ze nu hier ook vandaan moest! Dat ze nu werd gedreven tot zelfs uit dit stille hoekje!
„’t Is verschrikkelijk onaangenaam.”
Maar Mourant gaf er zoo dadelijk geen antwoord op. Hij zat zich hoogst gemoedelijk met het denkbeeld te verzoenen. Ronduit gezegd beviel hem het leven niet best op die manier. Zij had nog haar huishouden, dat haar bezig hield; hij had niets dan de courant van den vorigen dag. [114]
„Onaangenaam, zeker, maar zoo verschrikkelijk is het bij nader inzien niet. Het hierblijven zou toch niet langer geweest zijn, dan voor ’n maand of wat.”
„Och, dat weet ik nog zoo niet.”
„Je hadt hier toch niet willen blijven tot den winter?”
„En waarom niet? Ik vind het hier goed. Ik houd van het land. Je weet, dat ik in Indië op het land ben opgevoed.”
„O, maar dat is heel iets anders. Hier in Holland.… in den winter.… op het land. Brrr!”
„Laat ons er maar niet over redeneeren,” zei ze met een diepen zucht. „Het kan toch niet. Ik ga nu hier vandaan, zoo spoedig mogelijk; liever vandaag dan morgen.”
„Zoo’n haast heeft het toch niet.”
„O ja, Willem, dat heeft het wel.… Je weet niet welk een mensch zij is.”
„Ik meen dat wel te weten; maar haar gravenkroontje zal haar wel veranderd hebben. Zij zal net doen of ze ons nooit heeft gezien.”
„Denk je dat? Nu, dan ken je haar niet. Maar in elk geval: ik wil nu hier niet blijven.”
Het trof hem. Zóó had zijn vrouw nooit gesproken. Hij vond het nu wel aardig zoo’n dametje met een wil. Als ze getrouwd waren, dan kreeg hij er ook een!
„Waarheen dan?”
„Ja, waarheen?”
„Brussel?”
„Och, Brussel is niet onaardig. Ik wil er wel weer naar toe voor ’n tijdje. En jij?” [115]
„Ik zit er juist over te pikiren; mij dunkt, ik zou er ook wel kunnen gaan wonen.”
„Gaan wonen? En zij?”
„Ze kan in Den Haag blijven. Ça n’empêche pas les sentiments.”
Doch Henriëtte lachte niet om de mislukte aardigheid. In haar fraai hoofdje woelde het verhuisplan met al de drukte voor haar, de kinderen, de goederen.
„Het beste zou wezen,” ging hij voort, „dat ik naar Brussel ging, een geschikte woning voor je zocht of een garni, en je dan zoo spoedig mogelijk telegrapheerde.”
Het denkbeeld lachte hem toe. Dáár had hij kennissen, die wel wisten wat er gaande was, maar net deden, als wisten zij niets. Daar wist men, waar men heen kon gaan, en hoe onaangenaam en stil het in dit seizoen ook vergelijkenderwijze was in zoo’n groote stad,—’t was toch nog voor Mourant een paradijs vol genietingen tegenover een Hollandsch boerendorp.
„Dat zal wel ’t beste zijn,” meende zij, nog altijd bezig in gedachten met voorbereidende maatregelen.
„Dan zal ik morgen eerst naar Den Haag gaan om daar een en ander te regelen.”
En nu had zij tal van bijzonderheden. De hoofdzaak was besloten; dat was gemakkelijk; maar voor de détails had Mourant een papiertje noodig en een potlood, want die kon hij onmogelijk onthouden.
Ze zaten heel laat op en waren weer heel vroeg bij de hand; ze hadden dadelijk groote drukte, hij met het pakken van zijn koffers, zij met allerlei voorbereidende maatregelen; zij [116]gunde zich nauwelijks den tijd hem „behoorlijk” goeden dag te zeggen, toen hij in het rijtuigje stapte om zich naar den trein te laten rijden, en het trof hem, dat zij niet op ’t balkon bleef staan om hem nog in de verte te groeten, gelijk in vroeger jaren zijn vrouw deed in Indië in de voorgalerij als hij op reis ging. Met zulk een verhuisboel alweer voor den boeg, had Henriëtte wel aan iets anders te denken, dan aan „liefheid”. Zij was al begonnen met uit de rommelkamer achter in den tuin eenige koffers te laten halen om die met de hulp van de meid vast vol te pakken met goederen, die ze toch niet meer noodig had. Terloops had ze nog even geluisterd naar het fluiten van den trein heel in de verte, en ondanks ’t weer zoo’n warme dag was, ging ze voort met haar bezigheden, zoodat de morgenuren omvlogen en de kinderen haar plaagden om toch iets te gaan eten.
Zij gaf de meid last om de tafel in de tuinkamer gereed te maken, en ging zelve naar haar kamer om haar handen te wasschen, die stoffig geworden waren van het pakken in de koffers. Ze wierp haar kabaja uit en plaste haar fraaie armen in de groote lampetkan, zonder er op te letten dat achter haar de deur werd geopend en iemand binnenkwam.
Toen Henriëtte de oogen opsloeg, zag zij het beeld der binnengekomene in den spiegel. Zij schrikte zoo geweldig dat het maar weinig scheelde of zij verloor haar bewustzijn. Met het instinctmatig geloof aan een visioen, aan een spel der verbeelding, keerde zij zich snel om, en stond toen niet tegenover het spiegelbeeld, maar tegenover de persoon zelve. Een ijzige kou ging haar door de leden. Wat haar altijd het ergste van alles had toegeschenen, wat zij meende dat het [117]vreeselijkste oogenblik zijn moest in haar leven, en waaraan zij thans en hier in het minst niet had gedacht, geschiedde plotseling en als ’t ware geheimzinnig: een ontmoeting met mevrouw Mourant. Het was natuurlijk de eenvoudigste zaak ter wereld voor een netgekleede dame een huis binnen te gaan, de meid te zeggen dat het onnoodig was haar aan te dienen en de deur te openen van een kamer; maar in den plotselingen toestand van zenuwoverspanning, waarin Henriëtte geraakt was, scheen het haar dat mevrouw Mourant als een geest was neergedaald en op supra naturalistische wijze een illustratie vormde van de doordringbaarheid der stof. Zij beschouwden elkaar een oogenblik. Mevrouw Mourant bekeek de mooie jonge vrouw, wier fraaie lichaamsvormen, zooals ze daar stond in een sluitende koetang met een smal kantje, allervoordeeligst uitkwamen, en zoo zij niet vergaf, zoo zij haatte,—zij begreep beter dan ooit, zij gevoelde met haar kennis van Mourant’s karakter en eigenschappen, dat als hij eenmaal door zulk een keten was geboeid, voor haar alles voorbij was, onherroepelijk voorbij. En Henriëtte, die in ’t geheel niet dacht, gevoelde iets over haar komen, iets kleins en nietigs; het was haar te moede als toen ze een klein meisje was, dat in de voorgalerij bij mevrouw Mourant kwam spelen met al het moois, dat het toen jonge kinderlooze echtpaar voor haar kocht en bewaarde. ’t Was voor een moment of alles wat tusschen haar en Mourant was voorgevallen, wegdreef op die herinnering, en zij nog, als vroeger, naar die vrouw met haar verstandig en oprecht gezicht kon gaan, haar de armen om den hals kon slaan en haar kussen, zooals ze dat wel eens gedaan had toen ze [118]nog klein was. Zoolang zij mevrouw Mourant niet had gezien, had zij zich ingebeeld, dat ze haar haatte en sprak ze met Mourant minachtend mee over „zij” en „haar”,—maar nu „zij” daar voor haar stond, schoon verouderd en grijzend, nog altijd hetzelfde goede beeld van zedelijke rust en psychische kracht,—nu overstelpte een groot gevoel van droefheid ’t hart der jonge weduwe; nu scheen het alsof zij haar liever had dan hem; alsof zij hem met een wreed genoegen en een machtige onverschilligheid zou hebben opgeofferd, om met een gerust geweten van haar weer de moederlijke genegenheid en de hartelijke opofferende vriendschap te kunnen genieten, die de zonneschijn was geweest harer eerste meisjesjaren. Zij stond voor mevrouw Mourant met neergebogen hoofd en slap langs het lichaam neerhangende armen; haar borst ging in de onregelmatige beweging van een heftig ademhalen op en neer, en ze slikte telkens bij haar pogen om de tranen terug te dringen, die heet in haar oogen drongen, door een droefheid, den eersten schrik vervangend en lijdenstrekken plooiend om haar mond.
Zij was zoo’n sensueele natuur niet. Zij had alleen boven de Europeesche en Christelijke moraal, waarin zij tel quel was grootgebracht, van haar voormoeders de Oostersche geringschatting geërfd van ’t sexueel verkeer en ook de zinnelijke nieuwsgierigheid. Waar die laatste was bevredigd, en gekwetste ijdelheid de waarde van den eersten niet opdreef tot een hoog gestemden, voor niets terugdeinzenden naijver, daar had dat verkeer zijn waarde grootendeels verloren en stond achter, enkele oogenblikken van bevrediging uitgesloten, bij haast alles wat het leven gaf; bij huishoudelijk [119]leven, bij eten, drinken, kleederen, meubelen, partijen en gezelschap; bij vriendschap zonk het geheel in het niet.
En als het gevoel van gekrenkt en beleedigd, bedrogen en verraden te zijn, niet in het hart van mevrouw Mourant had gezegevierd boven elken anderen drang; als zij zich niet zoo erg de dupe had gevoeld van dat jonge vrouwtje, dat zij, ze wist het wel, nog domineerde en overtrof in alles wat geen jeugd en lichamelijk schoon was,—dan zou ze weer vriendelijk en lief zijn geweest tegen haar als vroeger. Maar dat overwoog of gevoelde zij niet; zij hield niet op haar te beschouwen van het hoofd tot de voeten, en zoo dit haar de zekerheid gaf, dat ze voor goed verslagen was, het gaf haar in zoover een troost dat het een physiek natuurlijke nederlaag was.
„Is Mourant hier?”
Het was voor de eerste maal in haar leven dat zij tegen Henriëtte niet sprak van meneer Mourant.
„Neen, hij is vertrokken.”
„Waarheen?”
„Naar Den Haag.”
„Om wat te doen?”
„Ik weet het niet.… ik denk dat hij.… misschien is zijn bedoeling.…”
„Ik zou maar de waarheid zeggen; je behoeft mij niets te verzwijgen.”
„Hij wilde te Brussel gaan wonen.”
„Zoo. En jij gaat ook naar Brussel?”
„Ja,” antwoordde Henriëtte nauwelijks hoorbaar.
En toen ontstond een geweldig rumoer op den corridor; [120]een der kleintjes had verteld dat „tante” er was, want hij had haar in de verte zelf gezien. Nu kwam ’t viertal aan in volle Indische vrije dressuur, zonder kloppen naar binnen, met blijde gezichtjes, lachende zwarte oogen en opgestoken kleine handen; ze kwamen op haar af en sprongen als ’t ware tegen haar op; ze hadden haar lange afwezigheid niet eens opgemerkt,—dat doen kinderen zoo niet; maar nu de lieve „tante” er was, die hen aan boord altijd zoo verzorgde, waarmee ze zoo’n pleizier hadden en die zoo mooi vertelde,—nu herinnerden zich de kinderen dat weer levendig en ze verwelkomden haar met een juichkreet.
Mevrouw Mourant streed niet tegen het overweldigend gevoel, dat in haar opkwam; ze ging op haar hurken zitten, nam de kinderen in haar armen en kuste ze met den hartstocht der droefheid.
Maar het beurde haar toch op; ’t gaf een oogenblik van verlichting; een gelegenheid om op heur verhaal te komen. Ze stond langzaam op, mevrouw Mourant, bracht de kinderen buiten de kamer en zond ze naar den tuin, belovend dat ze straks terug mochten komen, en belovend ook dat zij blijven zou den heelen dag. Toen kwam ze terug bij Henriëtte, die intusschen haar kabaja had aangeschoten, maar van zenuwachtigheid de knoopjes niet dicht kon krijgen.