„Wanneer is Mourant naar Den Haag gegaan?”
„Van ochtend met den eersten trein.”
„Ik had je het verdriet kunnen besparen.”
Henriëtte klemde de lippen opeen en keek, ’t hoofd afwendend, door het venster naar buiten. Zij wist niet hoe het kwam of wat haar aandreef, maar ze voelde een lafhartigen [121]lust Mourant af te vallen en te verloochenen; naarmate die bekende en van vroeger geliefde stem haar langer in de ooren klonk, werd die aandrift, waartegen zij eerst streed, sterker en onweerstaanbaarder.
„Het was geen verdriet voor me.”
De groote oogen met smalle groefjes in de huid der leden boven en onder het been der holten, werden grooter van verwondering.
„Ik heb je al gezegd, dat je voor mij niet behoeft te veinzen.”
„Ik veins niet.”
„Maar ongelukkig schepsel,” riep mevrouw Mourant met plotselinge hevigheid: „wat bedoel je dan?”
„Ik wou dat er niets gebeurd was; nooit iets. Ik had zoo’n ongelukkig leven met Veninga!”
„Je wist hoe kort dat duren zou.”
„Elke dag was lang. U weet niet wat het is. Men heeft u nooit verdacht, geloof ik.”
Er kwam een harde uitdrukking over ’t gezicht van mevrouw Mourant.
„Ik heb er nooit aanleiding toe gegeven.”
„Ik ook niet!” riep Henriëtte, haar gezicht nat van tranen toonend. „Toen niet, toen nooit! Maar als men elken dag van den ochtend tot den avond niets hoort dan de geraffineerdste verwijten, dan ruw en ronduit de beschuldiging van ontrouw, dan weet men op het laatst niet meer wat men doet; dan zou men den eersten den beste, die lief en vriendelijk was en het er op toelei.…”
„Houd den mond maar. Ik ken dat. Het is ’t gewone excuus. De een is zoo arm, de ander heeft zoo’n onaangenaam [122]leven, de derde werd door mooie beloften bedrogen,—ik ken dat. Het zijn allemaal praatjes, anders niet!”
„O, zeg dat niet, mevrouw! Het is waarachtig waar; het was geen liefde of voorkeur van dien aard.”
„Dus je houdt niet van hem?”
Langzaam schudde Henriëtte het hoofd; ze keek mevrouw Mourant vlak in het gezicht.
„Neen!” zei ze.
„Het kan mij ook eigenlijk niets schelen. Het is eenmaal gebeurd en ik heb besloten mij er niet langer tegen te verzetten. Ik ben hier gekomen om dat te zeggen. Ik had het even goed kunnen schrijven of beter nog: laten schrijven, maar ik was nieuwsgierig om dit nestje eens te zien. Nu heb ik het gezien, nu weet ik wat ik wilde weten, en ik groet je.”
Zij ging de kamer uit, stil zooals ze gekomen was.
Henriëtte was onbeweeglijk voor het venster blijven staan. Zij zag haar door den tuin gaan, vergezeld van de kinderen, die haar wilden houden en luid protesteerden tegen het vertrek; zij zag haar rustig voortwandelen onder haar bruin-zijden pajong, nu en dan bukkend om een der kleine jongens een handje te geven of een zoen; zij weende nog een paar minuten, waschte haar gezicht opnieuw en ging toen naar de tuinkamer, waar zij met smaak at en met de kinderen sprak over „tante”, die zoo ondeugend was om dadelijk maar weer weg te gaan.
Fournier en Hortense deden een groote reis door Europa; zij reisden samen en genoten van het leven, van hun kind en van elkaar. Zij was geheel opgefleurd met rozen op de [123]wangen, zooals die daar vroeger nooit hadden gebloeid. Hun tocht door de Alpen was een aaneenschakeling van genietingen; ze waren geen ras-touristen, die verschrikkelijke klimpartijen waagden; er was, vonden zij, zooveel moois te zien zonder bovenmatige inspanning, dat men niet meer kon verlangen. Toch deden ze vrij verre uitstapjes tot zelfs in den nacht als het koud glinsterend schemerschijnsel der maan al wat omhoogstak in de lucht verzilverde, al wat inzonk met roetzwarte schaduw sloeg. Ze stonden op vóór den dag en gingen met hem ter ruste; het was, vond Hortense, de gelukkigste tijd haars levens. En dat vond Louise ook op het rustige groote buiten, waar zij vertoefde met haar man den ritmeester, die verlof had gekregen. Zij was zoo kalm gelukkig, als ze zich nooit te voren had gevoeld; zij had in Riquelle haar man gevonden en de zekerheid was over haar gekomen, dat daarmee alles voor haar leven was gezegd. Zij hield veel van hem, niet als een romantisch meisje, dat van ideale aesthetische liefde droomt, maar als een gezonde vrouw, die het geluk heeft gehad haar andere helft te ontmoeten en nu gevoelt, dat aan den hoogsten levenseisch is voldaan. Want zij was er zeker van, dat ze gelukkig met hem zijn zou, blijvend gelukkig. Zijn geheele persoonlijkheid, zijn eenvoudige rustige figuur, zijn openhartig gezicht en zijn niet hoogvliegende maar correcte begrippen, waarborgden dat. Men had haar spoedig „opgenomen” in de kringen, die de Riquelle’s frequenteerden; het was goed gegaan, bijzonder goed zelfs. En nu waren zij hier, en zij wandelde in de donkere breede lanen van het park, onder de reuzeneiken, aan den arm van Riquelle in [124]een licht zomerpakje en met een stroohoed in de hand en zelf gekleed in licht gebloemde mousseline, die met een sleep zacht ruischte over het pad. Ze waren eindelijk alleen en ze genoten er van als volop gelukkige lui.
„Wat is dat voor ’n aardig huisje daar in de verte?” vroeg zij haar kamenier, wijzend naar het optrekje, waar Henriëtte gewoond had en dat met enkele plekken grijs en wit door het groen gluurde.
„Het staat leeg. Er heeft een dame uit Indië gewoond.”
„Ah!”
„Zij woonde er met haar kindertjes; ze was jong en mooi.”
„Zoo.”
„Ja mevrouw. En er kwam heel dikwijls een meneer uit Den Haag.”
„Och.”
„Die meneer heette Mourant en zij was een weduwe; een zekere mevrouw Veninga.”
Geen trek bewoog op ’t gelaat van Louise, die de kamenier rustig met kappen liet voortgaan. Ze maakte alleen een lichte beweging met de schouders.
„Nooit hooren noemen,” zei ze.
„’t Waren toch, behalve die rare visite van dien meneer aan die mevrouw, menschen van stand. Die meneer Mourant zag er zeer deftig uit; de mevrouw was rijk; het ging er, al woonden zij in dat kleine huis, alles erg royaal.”
Maar mevrouw Riquelle zei geen woord meer en deed als ging haar al dat gepraat volstrekt niet aan.
„Die Oostersche menschen,” zei de kamenier naderhand [125]tegen de keukenmeid, „hebben net ’n bord voor het hoofd. Je kunt nooit iets zien aan die donkere mombakkesen. Nu weet ik toch zeker, dat zij die mevrouw Veninga kende, en goed ook, want haar meid stond er zelf bij, toen ’t mensch de vlucht ging nemen, omdat wij hier kwamen, en nu ik van morgen over die mevrouw Veninga spreek, doet de onze net of ze van ’t mensch nooit gehoord heeft.”
Mourant had intusschen wel gelijk gehad, toen hij Louise beoordeelde naar zichzelven. Ze hadden best in het optrekje kunnen blijven; mevrouw Riquelle zou hen in ’t geheel niet herkend hebben!
Hij keek vreemd op toen hij in Den Haag van de dienstboden vernam, dat zijn vrouw juist dien ochtend op reis was gegaan. Het maakte hem ongerust, schoon hij niet wist waarom, en daar hij toch niets doen kon om zekerheid te krijgen, besloot hij niet langer thuis te blijven wachten, dan dien eenen dag. Was zijn vrouw ’s avonds niet terug, dan wilde hij den volgenden ochtend met den eersten trein naar Brussel gaan.
’s Middags uit de sociëteit komend, vond hij haar thuis.
„U schijnt pleizierreisjes te maken,” zei hij.
„Ik zou kunnen vragen, wat u dat aangaat.”
„O neen.… mijnentwege!”
„Ik ben naar Vlietwijk geweest.”
Hij werd bleek, fronste nijdig ’t voorhoofd en ging met groote stappen op en neer loopen, ’t bewijs, dat hij erg het land had.
„Zoo!” zei hij met een booze stemmodulatie.
„Ik heb ’n heel interessant discours gehad met de weduwe van Veninga.” [126]
„Dat zal wel,” vervolgde hij steeds kwaadaardiger.
„Ik meende u daar ook te vinden en ik kwam zelf om een blijde tijding te brengen.”
Hij was stil gehouden en keek haar wantrouwend aan, maar zweeg.
„De bezwaren, die ik vroeger tegen een scheiding had, zijn thans opgeheven. Ik stem toe. Dat wilde ik u en de weduwe van Veninga meedeelen.”
Maar Mourant, die op dit bericht stond te kijken als hoorde hij het te Keulen donderen, zei nog altijd niets, wantrouwender dan ooit. Wat moest hij er van denken? Zou het waar wezen? Zou zij inderdaad met de voorwaarden genoegen nemen? Of was het een bespotting? Zijn oogen loerden wantrouwend naar zijn vrouw, die rustig voorthaakte. Wat hij zeggen zou, wist hij op ’t eerste oogenblik niet.
Zij glimlachte met een neertrekkende uitdrukking van de diepste minachting.
„Het is wonderlijk! Ik dacht door mijn toegevendheid twee menschen al heel gelukkig te hebben gemaakt. Het tegendeel schijnt waar te zijn.”
„Er zal veeleer niet aan geloofd worden.”
„Wie mij kennen, weten wel dat ik niet lieg. De weduwe van Veninga geloofde het; ze wist, dat ze geen oogenblik behoefde te twijfelen, maar ze scheen er niet bijzonder mee ingenomen te zijn.”
Met een kort schamper lachje haalde hij de schouders op. Wat gaf hij om hatelijkheden! Hij meende immers als advocaat dat hij zich nimmer iets mocht aantrekken van [127]de schimpscheuten eener tegenpartij, en reeds sedert lang was hij gewoon zijn vrouw alleen uit dat oogpunt te beschouwen.
„Het verheugt me zeer,” zei hij op gemaakten toon, „dat je dit verstandig besluit hebt genomen. Wij kunnen nu wat verder komen.”
„Zeker, en hoe eer hoe liever.”
„U schijnt nu plotseling haast te krijgen.”
„Hoe eer hoe liever, dat zeg ik nogmaals. Het zal me een waar genoegen zijn u zoo spoedig mogelijk met de weduwe van Veninga getrouwd te zien.”
„Woudt u wellicht ook hertrouwen?” vroeg hij met een spottenden blik op haar grijze haren.
„Och, dat doet er niets toe. Ik heb alleen haast om het u te zien doen, met die jonge weduwe; met niemand anders dan met haar en haar vermogen. Daartoe wil ik met alle genoegen medewerken. Er is geen schooner middel om me de voldoening te geven, die ik verlang.”
Het werd hem toch te machtig, en hij ging naar zijn eigen kamer. Nu ja, het waren maar praatjes van een booze, wraakzuchtige vrouw,—doch niettemin hinderden ze hem, omdat hij ze in verband bracht met de onverschilligheid nu en dan van Henriëtte. Wie weet of ze niet samen gepraat hadden,—maar dat kon toch niet. Als eens.… hij moest er niet aan denken! Hij moest niet doordenken over zijn meer dan veertig jaren, qui sonnaient, omdat hij zich in zijn jeugd allesbehalve onbetuigd had gelaten. Hij moest die dwaze schrikbeelden terugdringen. Wat drommel, zij was toch waarachtig niet veel gewoon geweest bij Veninga! [128]
In het kleine benedenhuis, dat de familie Roos in den diepsten achterhoek van den „Indischen Archipel” bewoonde, was het zeer stil. De kinderen waren bij een der buren, een kamerdienaar of zoo iets aan het hof, met wiens finantiëele positie die van den gepensionneerden kapitein ongeveer op één lijn stond. De groote meisjes, die thans van school waren, zaten in oude jurken met winkelhaken en scheuren er in, elk aan een kant van het bed, met roodgeweende oogen, maar in de kracht harer buitengewoon ontwikkelde lichaamsvormen, haast berstend uit de oude, vette japonnen en ondanks hun slordige onverschilligheid de incarnatie van ’s lands welvaren. En te midden van een weelderigen rijkdom nog altijd gitzwart haar lag op het beduimelde kussen het vaal, vermagerd gezicht van haar moeder, die ze zwaar en reutelend hoorden ademhalen.
Corrie klemde haar handen angstig samen en boog zich voorover naar haar zuster.
„God, God, Nel, ik wou dat pa kwam. Ik ben zoo bang!”
„Houd je stil!” antwoordde Nelly met een diepen zucht.
„Waar zou hij zijn?”
„Weet ik het! Hij is immers haast altijd de deur uit.”
„Zouden we geen dokter kunnen roepen?”
Nelly haalde de schouders op met een bedroefd gezicht, dat voor de honderdste maal op schreien stond.
„Waar? Het is zoo ver, en de dokters zijn niet thuis. Ach! en het zal haar toch niet helpen!”
Zij zwegen weer en zagen, met een arm op den rand van het ledikant geleund, naar de stervende moeder, die geen ander geluid gaf dan het mechanische door haar belemmerde [129]en vernauwde luchtpijp teweeggebracht. Zij had het hard te verantwoorden, maar ze voelde het niet. Ze was vèr, vèr weg buiten de schraal gemeubelde kamer in de koude, „fatsoenlijke” achterbuurt van de nieuwe hofstad; zij had, sedert zij ziek was geworden en niet meer uit kon gaan om het partijtje te maken, dat zoo krachtig tot hun achteruitgang had meegewerkt, aanhoudend haar oude visioenen over Indië weer gehad, en het was of die sterker werden naarmate haar lichaam, door de ziekte ondermijnd, verzwakte. Maar dien dag, terwijl ze daar lag in een halve verdooving, niet bij machte zich te bewegen of zelfs de oogen te openen, was alles verwarder, en ze had daarover een flauw gevoel van verwondering; er kwamen geen bepaalde voorstellingen meer voor haar geest; het warde alles dooreen in den warmen zonneschijn; de hooge klapperboomen, de lage pisangs, de weelderige varens, de dispenskasten, de baboes,—het dwaalde alles rond in een flauwen onbestemden chaos met nevelachtige, samensmeltende lijnen en ineenvloeiende kleuren; het was om te lachen zoo dwaas, en de zwakke weerschijn van een glimlach plooide de akelig strak gespannen huid op haar magere kaken.
„Ze lacht,” zei Corrie met een harden snik en den arm grijpend van haar zuster; samen bogen zij zich voorover en kusten het gezicht harer moeder, waarlangs haar groote tranen afrolden.
Daar scheen de zieke toch iets van te bemerken, want de glimlach van zooeven verdween en maakte plaats voor een uitdrukking van bevreemding en angst. Waren dat de meisjes, de kinderen? Zonder dat ze het wist, had zij de hand opgelicht en rondgetast; de meisjes grepen haar beiden. Ja, dat [130]waren ze. Een oogenblik werkten de hersenen wat vlugger en krachtiger als namen ze een aanloopje op den naderenden stilstand. Ja, dat waren de meisjes, nu hoorde ze haar schreien. Ze wilde wel vragen waar Roos was, maar ze kon niet. Als zij stierf zouden Corrie en Nelly.… doch dezelfde verwarring kwam als daareven in Indië; de beelden van haar man en haar kinderen dwarrelden dooreen in een lichten nevel, die over haar heenkwam, dikker en donkerder, tastbaar zwart.…
Nelly gaf een luiden schreeuw. De glimlach was teruggekomen op het gezicht harer moeder; het hoofd had even bewogen, zacht krakend had zich het lichaam uitgerekt en als een onbelemmerde vrije zucht was de laatste adem uitgegaan.
Zij wierpen zich met hartstochtelijke droefheid op het lijk; zij noemden haar maatje bij al de lieve namen, die ze haar gaven als kinderen en die ze al lang vergeten waren; zij kusten haar en smeekten haar om één enkel woord.….
Toen kapitein Roos de deur van zijn woning met den sleutel opende, hoorde hij het en stond verlamd van schrik en ontroering wel een halve minuut stil met den sleutel in de deur.
Bevend, kon hij de deur toen bijna niet achter zich sluiten; hij liep naar de achterkamer; Corrie kwam hem te gemoet en viel hem luid weenende om den hals.
„O pa, ze is dood, ze is dood!”
Roos, verschrikkelijk bleek, maakte zich los van het meisje, ging naar het ledikant en nam de hand der doode in de zijne; hij moest op een stoel gaan zitten, zoo knikten zijn knieën. Hij had haar vermoord, dat stond bij hem vast; dat was sedert haar ziekte zijn idée fixe; hij had haar gebracht in de [131]ellende van een klimaat, waar zij niet tegen kon, en in een levenswijze, waaraan zij niet gewoon was en niet kon gewennen. Dat idée fixe bezat hem geweldig, nu ze daar dood neerlag en het groot aantal bittertjes, dat hij dien ochtend reeds had „verschalkt”, om „zijn zinnen te verzetten,” scheen mee te werken om hem in dat akelig idee te versterken.
Hij keek naar de meisjes, die half geknield schreiend voor het bed zaten, en hij strekte zijn vrije hand uit.
„Daar ligt mijn slachtoffer,” zei hij pathetisch.
Zij weenden stil voort, zonder veel acht op hem te geven.
„Daar ligt mijn slachtoffer!” herhaalde hij op denzelfden toon. „Ik ben haar moordenaar.”
Nelly, die nogal driftig was, kon het niet aanhooren. Zij stond op, nam haar vader bij den arm en trok hem weg.
„Ga de kamer uit, leelijke vent. Je bent weer dronken.”
Hij scheen het niet te hooren en bleef onafgebroken naar het bed staren, steeds op hartbrekenden, maar door den toenemenden invloed van den drank onvasten, hikkenden toon herhalend: „Daar ligt mijn slachtoffer; ik ben haar moordenaar.”
De buren van boven en van het naaste huis kwamen zóó gauw, als hadden ze den dood zien binnengaan; ’t was of ze het hadden „geroken”. En als goede buren maakten zij zich bereidwillig van den toestand meester. Zeker, zij hadden altijd veel te zeggen gehad op dien kalen kapitein, die zoo dronk, op die luie „Oostersche” vrouw, die de deur uitliep en haar huishouden verwaarloosde, en die twee „gekke” meisjes, die zich zoo gemoedelijk het hof lieten maken, die elken avond „straatjes-om” deden met allerlei jongelui, en die al heel [132]dikwijls „gezien” waren als ze zich lieten zoenen in het donker om een hoekje van de straat. Wel, het was, zeiden de buren, een huishouden van Jan Steen! Nu echter de kille hand van mageren Hein er een greep in had gedaan, verdween alle nijd en afkeer, verdrongen door een gevoel van medelijden, een zucht om bijstand te verleenen en een achtergrond van verlangen om zich met een schoon schijntje en goed fatsoen met eens anders huishouden te kunnen bemoeien. De arme Roos, die nog altijd hoe langer hoe kwijnender en hikkender van „moordenaar” sprak en van „slachtoffer”, werd met een zoet lijntje weggebracht; hij was toch eigenlijk zoo’n best mensch; nu ja, hij hield van een borreltje; „het” was toch voor de ganzen niet gebrouwen! En die arme meisjes! Nelly en Corrie werden ook, nadat men van het ensemble harer droefheid had genoten en er stemming uit had geput, door weenende buurjuffrouwen weggebracht. Bij dat alles was het toch maar het beste. Wat hadden zij moeten beginnen? Nu ging door de vreemde hulp alles vanzelf. Alles werd beredderd, het „afleggen” ook, en de eene juffrouw, die zich daarmee had belast, zei tegen de andere, die haar hielp, dat het toch een beetje griezelig was, zoo’n mensch met zoo’n donker vel; „als je aan den duivel dacht, weet u, die ook zoo zwart is!”
Er was geen geld in huis, en toen bij Roos de kleine roes had uitgewerkt, en zijn droefheid over het verlies zijner vrouw, die hij jaren lang hartelijk had liefgehad, meer normaal was geworden, begreep hij allereerst dáárvan werk te moeten maken. Hij schreef den slijter, die dadelijk kwam en met vertoon van vriendschap en goedhartigheid geld bracht, zonder eenig besef van het kwaad, dat hij dit gezin had [133]berokkend. Want sedert Roos de boeken van de slijterij bijhield, was hij van een oud-soldaat, die een gewonen krassen borrel „pakt”, een geregelde dronkaard geworden, een alcoholist, die elken avond het besef verloor dat een rechte lijn de kortste afstand is tusschen twee punten. Hij was nu een huisvriend, en daartoe behoorden ook enkele hoogst fatsoenlijke, maar slecht bezoldigde ambtenaren van departementen, die den rumgrog, waarmee de rijke slijter zoo royaal was, letterlijk aanbaden. En deze drankgod, die zich te hoog achtte om particuliere kennissen te zoeken onder de kleine bakkertjes, kruideniertjes, smeden en blikslagers of andere producenten van het nuttige in zijn buurt, moedigde zijn vrienden altijd sterk aan. Hij verkocht zooveel slechte jenever aan de smalle gemeente en met zóóveel winst, dat hij licht zijn vrienden ruimschoots hun genoegen kon schenken aan uitstekende dranken!
Het was mooi, helder weer bij de begrafenis.
Tusschen de kieren der neergelaten gestreepte gordijnen in de voorkamer, drongen spelende zonnestraaltjes; het was er vol en warm; vol van in het zwart gekleede mannen met witte dassen en Indische officieren in uniform. Zij hielden geen kennis met Roos en zijn familie, die, sedert hij gepensionneerd was, zoo afgetakeld waren in hun maatschappelijke positie; zij kwamen niet in de soort van woningen, waarin zij thans vertoefden; zij hadden niet veel goeds gehoord in den laatsten tijd van hun oud-collega, en aan zijn gezicht zagen zij wel, dat hij door drankmisbruik tot décadence kwam. Maar toen ze het bericht ontvingen van den dood van mevrouw Roos, had geen hunner zich teruggetrokken: [134]de oude krijgsmakkers, sommigen met den gouden kraag van hoofdofficier, waren gekomen om haar „de laatste eer” te bewijzen, en zij stonden in de benauwde voorkamer zacht fluisterend bijeen met gezichten en houdingen, die aantoonden dat ze daar slechts waren uit een gevoel van piëteit, zonder meer. De straat—voor zoover die nog bewoond was—liep uit. Wat een rijtuigen! En dan die officieren! Roos steeg in de algemeene achting. Allen gevoelden wel, dat hun zoo’n mooie begrafenis niet zou ten deel vallen!
Aan het graf ging het stil toe. Roos stond als versuft, daar hij nog geen bittertje had gehad, volkomen abnormaal en buiten staat te denken, met gebogen hoofd en glimmend gezicht de kist na te kijken, die op de touwen met een dof gedruisch werd neergelaten in het donker slijkerig gat, waaruit een benauwde grondlucht opsteeg.
Alles verliep voor hem werktuiglijk. Hij knikte maar met het hoofd, als iemand zijn hand, die hij slapjes ophield, drukte, en oude bekende stemmen, hem met een kort woord „sterkte”, „kracht”, „’t beste”, of „God zegen je” wenschten; dan knikte hij maar en zei soms „merci!”, tot de slijter, die een erg gelegenheidsvertoon maakte in gelaats-uitdrukking en gebaren, hem onder den arm nam en met heel veel voorzichtigheid wegleidde van het kerkhof, als was hij bang dat Roos onderweg zou omvallen of beschadigen.
De straat was zeer verwonderd toen ze al die heeren en officieren niet zag terugkeeren; daar was op gerekend ook in het sterfhuis, waar een groote schaal met sandwiches stond te wachten met „gefiltreerde” koffie,—een idee van de vrouw van den kamerdienaar aan het hof, die meende dat [135]gewone broodjes met vleesch voor deze gelegenheid te ordinair waren. Maar de buren zelf en nog enkele „vrienden” handelden alsof ze van de bij het kerkhof naar huis gegane officieren generale procuratie hadden voor het eten van sandwiches. Roos had zich met bevende hand een bittertje ingeschonken en het met virtuositeit weggewipt; hij zuchtte van genot; dat was toch maar alles! Na de derde editie verminderde het beven, en toen ging hij mee in de voorkamer zitten, waar men een uur later elkaar haast niet zien kon van den sigarenrook, terwijl onder het genot van cognac voor de heeren en likeur voor de dames, luid werd gesproken en gelachen, als moest de achterstand zoo spoedig mogelijk bijgewerkt worden.
Tusschen kapitein Roos en zijn dochters had zich langzamerhand een gespannen toestand ontwikkeld. Zij waren niet meer de op commando gehoorzamende kinderen, die met een: „Ajo marsch!” weggezonden konden worden. Het was zijn eigen schuld. Van den tijd, dat zij hem elken avond zalig thuis zagen komen, was alle achting verdwenen, en terwijl Corrie nog van hem bleef houden, al was het niet veel, en hem nog behandelde als haar vader en het hoofd des gezins, gaf Nelly, die harder en driftiger van karakter was, hem onverholen haar diepe minachting te kennen. Dan vloekte hij, en sloeg met de hand op de tafel; eens zelfs had hij zijn wandelstok opgeheven en toen had Nelly den steel gegrepen van een kastrolletje met kokende melk, dat op het petroleum-toestel stond, en hoogst irreverentelijk verklaard, dat zij dit haar voorzaat in het gezicht zou gooien, als hij haar sloeg. Roos zag dat zij het doen zou, en trachtte door [136]een waardig terugtrekken vol minachting, den aftocht te dekken. Maar hij zat er van dat oogenblik diep onder.
’s Avonds toen de meisjes in bed lagen, dicht bij elkaar met de dekens over haar neuzen, spraken ze weer van haar moeder en ze klaagden zacht over haar verlies, maar toen het uit was, kwamen ze op haar eigen toestand.
„Wat doe jij?” vroeg Corrie.
„Ik weet het nog niet. Wat ik wèl doen zal, weet ik niet, maar wat ik niet doe, is bepaald.”
„Je wilt weg?”
„Asjeblieft! Voor geen geld blijf ik hier langer in huis.”
„En de kinderen?”
„Moeten wij daarvoor zorgen? Zijn het misschien onze kinderen?”
„Neen maar!”
„Gekkin! Zorgt hij voor de kinderen? Heeft hij voor ons gezorgd?”
„Gezorgd heeft hij zeker niet.”
„Weet je, het is zijn schuld niet, dat we niet bepaald slecht zijn geworden, en ronduit gezegd: ’t kon mama ook weinig schelen.”
„Foei Nel.”
„Corrie, wees nu niet zoo flauw. Je weet heel goed, dat ik gelijk heb. Ze hebben ons allebei laten loopen voor wat er van komen wou.”
„Maar dat hebben we nooit zoo heel onpleizierig gevonden.”
„Neen,” zei Nelly met een korten lach, „da’s waar.”
„En als ze ons aan een erg kort lijntje hadden gehouden, [137]dan was het nog de vraag of het zou geholpen hebben.”
„Geholpen, nu ja! Ik weet, wat ik weet. Wij hoeven elkaar niets te vertellen, Cor, en ons waarachtig tegenover elkaar niet slechter voor te doen, dan we zijn.”
„Dat doe ik ook niet. Ik zou heel graag een man hebben en ’t kan me niet schelen wien, als ik maar te eten heb, mooie kleeren, niet te werken en geen kinderen.”
Nelly gaf in stilte lachend een stomp in de vleeschmassa harer zuster.
„Je bent net een varken,” zei ze.
„De pot verwijt den ketel dat hij zwart ziet,” gichelde Corrie terug. „Adoe! Stomp me toch niet zoo of ik geef je ’n schop!”
„Neen, maar zonder gekheid, Cor: ik ga het huis uit.”
„Maar kind, waar moet je heen?”
„’t Kan me niet schelen. Alles liever dan hier te blijven bij mijn dronken vader en een troep verwende bengels van broertjes en zusjes.”
„En bij mij dan!” zei Corrie spottend.
„Bij jou, dik beest!” ging Nelly stompend voort. „Jij, die geen hand uitsteekt en mij maar voor asschepoestertje laat spelen.”
„Lieve Hemel! Jij doet ook wat! ’t Is me een mooi boeltje hier! Weet je wat ik die mevrouw van hiernaast hoorde zeggen?”
„Die juffrouw bedoel je.”
„Nu dan, die juffrouw die getrouwd is.”
„Wel, wat zei ze dan?”
„Ik weet het niet goed, maar er kwam iets in van een kardoes en van een bende.” [138]
„Soedah, ’t kan me niet schelen; die kardoes was jij zeker.”
„Of jij.”
„Ook goed; ’t is me hetzelfde. Weet je wat we moesten doen?”
„Nu wat?”
„We moesten van papa elk duizend pop zien te krijgen.”
„Maar Nel, ben je heelemaal!.… Hoe zou de man er aan komen? Hij bezit geen duizend centen.”
„Da’s niks; hij moet maar voorschot nemen op zijn pensioen; die man uit het jeneverkantoor, die hem altijd dronken maakt, zal het wel willen leenen.”
„En dan?”
„Dan gaan we naar Indië.”
„En de kinderen?”
„Die doet hij in een weeshuis, dat is heel gemakkelijk.”
„Kasian!”
„Waarom? Ze hebben het beter dan thuis. Papa kijkt in het geheel niet naar hen om. Ik verdraai het en jij,—nu ja, jij bent net ’n goeie! ’t Zou hier ’n mooie geschiedenis worden, als ik alleen wegging en jij zonder mij achterbleef. Ik zal maar niet zeggen wat!”
„Hou jij je nu maar goed. Je bent ook ’n lievertje, zeg!”
Zoo maakten ze stil ruzie onder de dekens in de duisternis, elkaar van allerlei verwijtend, waar en onwaar, tot ze weer terugkwamen op het denkbeeld om samen naar Indië te gaan; „Tjari laki”, zooals Corrie gichelend zei.
De meisjes sliepen reeds lang, toen Roos nog op en neer liep in de huishoudkamer, die gemeenschap had met het vierkante hokje, waarin zijn ledikant stond en dat alkoof heette. Hij had dien avond zijn gewonen roes niet, en hij [139]had dien reeds sedert den dood zijner vrouw niet gehad; hij meende het ook wel te kunnen doen met „klare” jenever met water, apenmelk, zooals hij ’t noemde. Maar het ging toch niet. Gewoon aan de lekkere rum, stond hem het ordinaire goed nu geweldig tegen; na eenig aarzelen kleedde hij zich, verliet in den laten avond stil het huis, liep met zijn kraag in de hoogte naar den naasten drankwinkel, kocht er een flesch rum en keerde met groote stappen naar huis terug, de geliefde aan het hart drukkend. Hij dronk thuis zijn eerste glas met welbehagen, keek het tegen het licht, bij zichzelven mompelend van „godendrank” en van „’n edele vrucht!” Hij ging er op zijn gemak bij zitten met een pijpje in den mond, drinkend en rookend. De drinker won het op den rooker; reeds lang lag de pijp in rust vóór hem toen hij nog langzaam en met de domme uitdrukking van bedwelming op het opgezet gelaat, het eene glas ledigde na het andere, nu niet meer met water, maar „kring”. Wel trachtte hij nu en dan de pijp weer aan te steken, maar hij zat vruchteloos te smakken, want hij hield den lucifer een handbreed er vandaan, tot hij hem liet vallen, als hij zich de vingers brandde. Het was stil in huis: alles sliep; om ’t half uur sloeg de Amerikaansche klok met luiden metaalklank; hij hoorde het nog tot halfdrie, toen zonk hij langzaam van zijn stoel af op het vloerkleed en lag daar als een zware onbeweeglijke massa, waaruit een heesch geluid bij het snorkend ademhalen en een akelige benauwende dranklucht opstegen.
Nelly haalde haar zuster, die altijd langer sliep, den volgenden morgen uit het bed. [140]
„Kom nu toch eens mee!” zei ze heftig.
Corrie, slaapdronken en met haar dikke beenen over den ijzeren rand van het ledikant getrokken, wreef haar oogen.
„Och, laat me toch met rust; ’t is nog zoo vroeg!”
„Slaapkop, word toch wakker. Je moet nu toch eens meekomen om het schandaal te zien.”
Dat woord deed Corrie ontwaken.
„Wat is het dan?” vroeg ze nieuwsgierig, opstaande.
Maar Nelly ging de kamer uit en zij liep haar na, naar de huishoudkamer.
Roos lag nog altijd op den grond te ronken; de rumflesch op de tafel was bijna leeg.
„Kom help me maar eens,” zei Nelly vol toorn en verontwaardiging, „dan zullen we probeeren onzen dronken papa in zijn bed te leggen.”
Ze waren jong en sterk, maar ze hadden er toch moeite mee; zij stootten zijn hoofd bij ongeluk zoo hard tegen een stoel, dat ze er van schrikten; maar hij voelde er niets van en werd geen oogenblik wakker.
„En nu hier blijven,” zei Nelly, „nu door den dood van ma het hek heelemaal van den dam is?—Ik zou je danken!”
Corrie zuchtte en zei niets.
„Het” lokaal in ’t kleine stadje in het noorden, waar dien avond de candidaat der kiesvereeniging „Vrijheid en Ontwikkeling” als spreker zou optreden, was vol kiezers, meest boerenlieden uit den omtrek, maar die voor deze gelegenheid hun Zondagspak voor den dag hadden gehaald en wier gezichten kleurig als de wijnappelen in hunne boomgaarden [141]boven de breede zwartsatijnen dassen uitstaken. Hier en daar een gewoon burgerheer, de notaris, de secretaris, de ontvanger en zoo. Men was in die streek heel erg liberaal, behalve op ’t stuk van belastingen. De naam van den candidaat was algemeen geacht; hij behoorde tot eene deftige familie van grondeigenaars de père en fils; persoonlijk kenden hem maar weinigen; hij was eerst aan de academie geweest en toen, niemand wist waarom, maar zeker niet uit eenigen nooddwang naar de-n-Oost gegaan. Nu was hij terug en hadden zijn bloedverwanten hem candidaat gesteld. Het was, meenden allen, opperbest. Neen, ze zouden hem kiezen, dat stond vast; men behoefde hun niet te vertellen wie de Fourniers waren; dat wist een kind wel. De spreekbeurt was dus meer voor den vorm: men moest toch zijn candidaat eens hooren! En dan: het was toch eigenlijk ook wel noodig, meenden zij, want iemand die in de-n-Oost geweest was,—men kon nooit weten! daar kwamen zulke rare menschen vandaan.
Toen Fournier, die zich op aandrang van zijn familie en vooral van Hortense de candidatuur had laten welgevallen, de zaal binnentrad, kon hij eerst haast niet zien van den tabaksrook. Hij werd voorgesteld, drukte vele handen, was „heel aardig” in zijn manier van spreken, en ging den katheder op met de zekerheid van iemand, die een vak verstaat, waarbij het spreken voor het publiek behoort. ’t Was de eerste maal niet, dat hij als redenaar was uitgenoodigd. In een andere vereeniging, waar men uitsluitend sprak over Indische aangelegenheden, was hij meermalen „uitgenoodigd” door de leden van het bestuur, maar hij had [142]er zich altijd op de een of andere wijze afgemaakt. Dáár te spreken, dacht hij, was allesbehalve le moyen de parvenir.
Hij keek eens rond voor zoover de dikke rookwolk het veroorloofde, en hij moest zich bedwingen om niet te hoesten, zoo sloeg hem de onaangename lucht van het Amersfoorter bocht op de borst. Maar hij wilde niet hoesten, om geen indruk van lichamelijke zwakte te geven; hij hield zich goed en ving zeer bedaard, langzaam en duidelijk zijn rede aan.
Zij konden het opperbest verstaan, de kiezers, en er waren er, die elkaar toeknikten; zóó mochten zij het hooren; dat ten minste kon iedereen verstaan.
En wat was hij liberaal!
Hij wilde onderwijs van den Staat, armverzorging door den Staat en nog heel veel meer; maar hij wilde vermindering van belastingen, vooral op ’t stuk van grondlasten.
Fournier zei dat alles, nu en dan, voor den indruk, er een paar Latijnsche woorden tusschenduwend.
En terwijl hij daar stond te oreeren over dingen, die hem haast in ’t geheel niet interesseerden, en waar hij eigenlijk, indien hij er een studie van had gemaakt, een heel andere opinie van zou gehad hebben, kwam hem met onweerstaanbare kracht zijn eigen beeld voor den geest; het beeld zijner persoonlijkheid als jong rechterlijk ambtenaar. Wat had hij toen een eigen meening, en wat hechtte hij daar een waarde aan! Voor geen schatten zou hij er afstand van hebben gedaan, en hij verachtte diep ieder man, die niet sprak naar heilige overtuiging.
Het scheen hem lang, zeer lang geleden; ’t was of hij dacht,—in dit soort van dualisme pratend voor het publiek en te gelijk [143]denkend over iets anders,—aan een gansch ander man, hem geheel vreemd.
„Wij moeten de handen ineenslaan,” ging hij plotseling op luiden declameerenden toon voort, met stille woede het pak zijner vroegere ideeën terugdringend en overstemmend. „Wij moeten al onze krachten inspannen tot verdediging en handhaving der vrijzinnige beginselen, die vooral het noorden van ons dierbaar vaderland bezielen, en het zoo krachtig doen medewerken tot beschaving en veredeling van ons nationaal volksleven.”
Weer knikten de kiezers elkaar toe; de gouden ringetjes om hun dikke, ronde oorlellen dansten op en neer en schitterden in het licht. Dàt waren zij, die medewerkers tot beschaving en veredeling! O, maar ze wisten het reeds lang! Vroegere candidaten hadden het immers ook gezegd.
Zij drukten hem allen met warmte de hand toen hij had uitgepraat, en zoo hij al niet heel zeker was van hun roeping tot veredeling van ons nationaal volksleven,—tot het hanteeren van den vaderlandschen ploeg waren zij ongetwijfeld in staat; dat voelde hij.
„We zullen er verder maar niet veel drukte over maken,” zei lachend de burgemeester. „Gaat u met mij thuis soupeeren?”
Veel lust had Fournier er niet in, maar wat zou hij doen? Hij was immers de candidaat, en als zoodanig weigert men niet bij den burgemeester te eten.
„Wel?” vroeg Hortense, hem hartelijk omhelzend toen hij thuiskwam: „hoe is ’t gegaan?”
„Och zoo! ’t kwam zoo ongeveer uit als ik gedacht heb.” [144]
„Waren er veel heeren?”
„Neen, heel weinig.”
„Hè?”
„Maar boeren waren er des te meer.”
„Nu ja, ik bedoel natuurlijk kiezers,—publiek enfin!”
„Het is ’n raar troepje.”
„Foei, Gérard!”
„Kind, wees toch verstandig en tracht niet jezelve iets wijs te maken. Ik geloof niet, dat ik mezelven ooit dieper heb geminacht, dan toen ik voor die menschen allerlei common places opdreunde, ja hen zelfs gewoon voorloog.”
„Ajakkes, vent!” riep Hortense met een teleurgesteld gezicht, een toetje makend van haar mond, „wat kan je toch nare dingen zeggen.”
„Maar ware!”
„Dat denk je maar. Je hebt toch ook wel geweten wat het was, en je zei nog zelf, dat je niet in die andere vereeniging als spreker wou optreden vóór je ’n plaats in de Kamer had.”
Hij haalde de schouders op.
„Wat heeft nu dat er mee te maken?”
„’t Is alleen maar, zie je, dat je nu op die kiezers niet moet smalen. Ik vind het beste menschen.”
„Charmante kerels,” zei hij half lachend. „Je moet ze eens op de thee vragen. Ze dampen in een kwartier alles zwart met hun stinkende tabak.”
„Men kan een eenvoudig mensch wezen en slechte tabak rooken.….”
„Stance-lief, schei nu uit, ja? We weten volkomen juist waarop het staat. Ik moet lid der Kamer worden, [145]dass ist bestimmt in Gottes Rath, en in die van jou en de familie.”
„’t Is volstrekt niet aardig van je. ’t Is net of wij je dwingen tot een opoffering.”
„Volstrekt niet. Ik ben al zoover, dat mijn eigen ijdelheid er zeer door zal gevleid zijn. Maar geloof me, Stance, er zijn momenten, waarin ik walg van mijzelven; waarin ik het betreur, dat ik ’s lands dienst heb verlaten om in de praktijk te gaan. Het is waar, dat men in dien dienst veel kostbaren tijd met onbeduidendheden vermorst en men er maatschappelijk alles moet ontleenen aan zijn betrekking; de betrekking absorbeert den persoon; zij is alles, hij niets; zij merkt hem tegenover het publiek met een onverbreekbaar rangnummer; achter nummer tien of vijftig kan een groot man staan, achter nummer één of twee een nul; ’t doet er niets toe; het nummer geeft de waarde aan.”
Hortense begreep het niet best; zij was nooit sterk geweest op het punt van vergelijkingen. Zij haalde zwijgend de schouders op, volstrekt niet wetend waar hij heen wilde.
„Doch overigens,” ging hij voort, „is het toch veel waard, dat men op zijn opinie geen zelfmoord behoeft te plegen; men kan haar als rechterlijk ambtenaar vrij laten gelden; men moet dat zelfs doen, tenzij men tot die ongelukkigen behoort, die geen eigen meening hebben en maar altijd varen naar het kompas van de letter of naar dat van eens anders meening.”
Met groote belangstelling bekeek Hortense een paar roode vlekjes in den hals van hun kind; zij onderzocht ze met gefronste wenkbrauwen, ernstig overwegend of die vlekjes ook [146]iets met mazelen te maken konden hebben. Naar Fournier luisterde ze in ’t geheel niet meer; zij bleef altijd veel te veel de dochter van Van Velton om naar zulk onpractisch gezeur te luisteren.
En Fournier, die ook eigenlijk meer tegen zichzelven sprak, uit behoefte om een formule te geven aan hetgeen hij de laatste dagen vaak had gedacht en om die formule zelf uit te spreken en ook weer zelf te hooren, vervolgde:
„Voor iemand, die zich nog iets anders voelt dan een ledepop tegenover de maatschappij en een komediant tegenover het recht, is de praktijk onuitstaanbaar. Tegen haar eischen tornt men vruchteloos op. Geen karakter is er tegen bestand. Men moet zich onderwerpen of heengaan. Men komt als in een stroom, die medevoert; soms, in het begin, houdt men een oogenblik worstelend stand; maar de stroom gaat ’t volgende oogenblik voort en sleurt toch mee, als men er niet meer aan denkt. En men eindigt.…”
„Zou jij denken, Gérard, dat het mazeltjes werden?” vroeg Hortense heel ernstig.
„’t Is de besmettelijkste ziekte, die ik ken,” ging hij voort, starend in ’s Blaue en zijn gedachtenloop vervolgend, „men eindigt met den stroom mee te roeien om het hardst, en het wordt een wedstrijd om de glorie het best en ’t gemakkelijkst zijn eigen persoonlijkheid te kunnen vertrappen.”
„Och, wees nu niet zot! ’n Besmettelijke ziekte.… kom!”
„Hm?”
„Hè, wat ben je raar vandaag! Ik vroeg of je denkt dat dit mazeltjes zullen worden; dit.”
Hij lei zijn vinger op de aangeduide plekjes en keek aandachtig. [147]
„Wel neen.”
„Zoo, en waar zie je dat aan?”
„Och, dat weet ik niet. Het komt mij zoo voor. Ik houd het voor ’n muggebeet.”
„Ze regeeren anders erg, de mazelen.”
Fournier, dien dag erg uit zijn humeur, werd boos.
„Nu, als je het dan bepaald wilt.….”
„Hè, wat ben je onaardig, Gérard.”
Lachend gaf hij haar een kus.
„’t Was niet zoo gemeend, Stance. Maar je moet je niet ongerust maken voor niemendal.”
„Zoo! Is ons kind niemendal?”
„Neen, maar mazeltjes, dat geen mazeltjes zijn.”
„Ik wou toch zoo graag, vent, dat je gekozen werdt.”
„Ja, dat weet ik. Ik had vroeger nooit gedacht, dat je zoo’n belang stelde in het Nederlandsche volk.”
„Groote goden ja!” antwoordde zij lachend: „dat volk interesseert me erg!”
Hij wist wel, dat slechts ijdelheid haar drijfveer was, en de zijne stond maar weinig hooger. Sedert Louise gravin De Riquelle was, had Hortense geen vuriger verlangen dan een of andere verheffing voor haar en haar man. Een graaf was van hem niet te maken, dat stond nu eenmaal vast. Hoe knap hij ook was, hoe verstandig en rijk aan ervaring, en hoe erg gewoon de intellectueele ontwikkeling van den ritmeester daartegenover stond,—het baatte niets; de liefelijkst kweelende nachtegaal kan nu eenmaal geen goudvink worden. Zij moesten het dus vinden op ’t maatschappelijk gebied; dáár was hun terrein, en Hortense vond dat iemand, [148]die lid was van de Tweede Kamer, een groot man mocht heeten en dat zoo’n lidmaatschap tegen een altijd toch betrekkelijk nominaal graafschap best kon opwegen.
Zij was toen de dag aanbrak zenuwachtiger dan Fournier.
Hij voelde wel iets, maar hield zich uitstekend. Niet omdat hij zoo zeker was van zijn zaak, want op het geheele district kon hij niet rekenen. Er was een ook liberale tegencandidaat gesteld in een andere gemeente en ook voor dien was, dat wist hij, door vrienden en verwanten hard gewerkt. Hij had de verkiezings-artikelen gelezen in de plaatselijke courantjes; ofschoon men hem om de positie zijner familie had gespaard, was hij er bij de tegenstanders van eigen partij toch niet geheel zonder kleerscheuren afgekomen. Hij vond het heel fatsoenlijk voor een verkiezings-quaestie! Mijn hemel, als men eens zag hoe zulk een onbloedige en voor een groot deel onpersoonlijke strijd een deel der natie—het fatsoenlijke!—tot een ploertigen kermistroep verlaagde, die niets ontzag, voor wien eens anders reputatie en goede naam geen grooter waarde hadden dan een flesch met water in Indië!
Neen, in dat opzicht was hij er bepaald goed afgekomen.
Telkens als er gebeld werd, sprong Hortense op. Wel twintigmaal in een uur liep ze naar het venster om te zien of de telegrambesteller nog niet arriveerde; zij berekende den tijd en vroeg telkens aan Gérard of hij nu niet dacht, dat het telegraphisch bericht er reeds lang wezen kon.
Eindelijk viel het kind zich al spelende met ’t hoofdje tegen een stoel een der vele builen uit een kinderleven; het zette een keel op van belang; de verschrikte ouders schoten toe; zij hoorden niet eens dat er gebeld werd. [149]
„Asjeblieft mevrouw, een telegraaf,” zei de meid.
Hortense vergat haar schreeuwend kind, rukte het couvert open, vloog Gérard om den hals en kuste hem met aandoening. Hij, een beetje bleek en zenuwachtig nu ook, keek het telegram in en vergeleek het aantal uitgebrachte stemmen met dat op hem vereenigd.
Hij was gekozen met een meerderheid van twee stemmen; „les deux font la paire,” dacht hij glimlachend.
Het was een groote drukte, dien dag en den volgenden. Het regende brieven en telegrammen. Dokter Van der Linden kwam feliciteeren en was zeer in zijn schik. Allerlei soort van vrienden en bekenden maakten visites of passeerden hun kaartjes. Toen de dokter er was, kwamen er juist ook eenige Indische heeren, waaronder er waren, die hem niet weinig benijdden en hem een geluk wenschten, dat ze o zoo graag hunzelven hadden gegund. Ook Mourant, juist voor zaken in Den Haag, zooals hij zei, kwam, en keek den gekozen volksvertegenwoordiger met verbazing aan, als ontdekte hij iets in hem, dat hij nog nooit had vermoed; zoo’n beleedigende verbazing, die onuitgesproken zegt: „hoe heb jij ’m dat zoo kunnen leveren.”
Fournier zag het en amuseerde er zich mee.
„Ziezoo,” zei een der oud-gasten, een gewezen hoofdambtenaar, „nu hebben we weer een voorstander der Indische belangen in het Nederlandsche parlement.”
„En ’n uitstekend redenaar,” voegde een ander er bij.
„’t Spijt me,” antwoordde Fournier droogjes. „Men moet voor Indische aangelegenheden niet te veel op mij rekenen.” [150]
„Maar m’n waarde heer, de groote belangen dier zoo talrijke inlandsche bevolking.….”
„Neen, toch niet. Ik denk niet, dat ik me veel moeite daarvoor geven zal.”
„Mijn God, hoe is het mogelijk! Iemand, die in Indië is geweest en dat alles heeft aanschouwd.”
„Nu ja, dat is zeer betrekkelijk. Ik heb op twee hoofdplaatsen gewoond. Persoonlijk ben ik dus met de bevolking al heel weinig in aanraking geweest, en ik heb ook nooit lust gevoeld verder met haar en haar omstandigheden in aanraking te komen.”
„En dat zegt een oud-ambtenaar bij de rechterlijke macht!”
Het was Mourant, die het riep, met zijn armen theatraal omhoog, en zijn neus en zijn buik in den wind. Fournier keek hem eens eventjes schuin aan met een ironisch lachje. Welzeker, hij begreep dat volkomen! Mourant zou het dadelijk gloeiend hebben opgenomen en nog opnemen voor „den” Javaan, als dat hem aan zoo’n heerlijk plaatsje op het Binnenhof kon helpen; hij zou hartroerende tooneelen schetsen met al het pathos, waarover hij, bij gebrek aan beter, beschikte.
„Ja, zie je,” voegde Fournier er droogjes bij, „het is nu juist niet als ambtenaar bij de rechterlijke macht dat men sympathie krijgt voor de inlandsche bevolking.”
„Men ziet toch haar lijden onder den afschuwelijken toestand van verdrukking en maatschappelijke ellende.”
„Niet zoozeer.…. Men ziet eigenlijk meer haar gemeenheid en haar door en door leugenachtigen en verdorven aard.”
„Leugenachtig, ja; maar kan dat anders, na zooveel jaren [151]onderdrukking? Wij moeten het volk de gelegenheid openen zich te ontwikkelen, beschaafder en beter te worden.”
„Ga gerust uw gang; ik doe er niet aan mee. Ik heb niet de minste sympathie voor de bevolking. Gaarne erken ik, dat ik er weinig van weet en niet veel meer van heb gezien, dan de slechte zijde.”
„Let dan op de goede; let op den zachten, vredelievenden aard der inlanders; op hun tevredenheid met weinig; hun berusting in het lot; hun kinderlijken eenvoud.….”
Fournier lachte.
„Die laatste is heel aardig.”
„Hoe dat?”
„Ik begrijp niet hoe de menschen over zulke dingen kunnen spreken. Wat volgens onze zeden zeer gemeen, verachtelijk, ja streng strafbaar voor de wet zou zijn, is bij die lieden uiterst gewoon en geoorloofd; men gaat nu zoover het bij hen „kinderlijk eenvoudig” te noemen.”
„Het strookt met hun godsdienstige levensopvatting.”
„’t Is wel mogelijk, ofschoon ze ook zonder die opvatting zoo handelen. Ik zeg u nogmaals, dat de inlandsche bevolking mij hoegenaamd geen belangstelling inboezemt.”
„Maar dat volk.…”
„Het is niet eens ’n volk. Het is niets, eenvoudig niets. ’t Zijn een troep individuën met begrippen omtrent het huisgezin, die meer overeenkomst hebben met den toestand in een apen-kolonie of een konijnenhol, dan met de onze. U moet me ’t niet kwalijk nemen, maar ik weiger pertinent mij voor de bevolking in de Tweede Kamer in de bres te stellen.” [152]
Zij keken elkaar teleurgesteld aan en schudden bedenkelijk de hoofden.
Na een oogenblik van stilte vroeg Mourant:
„En de toestand der Europeesche ingezetenen?”
„Daar weet ik iets meer van,” antwoordde Fournier; „die toestand is voor de particulieren niet gunstig, maar toch altijd nog gunstiger dan hier.”
„Gunstiger dan hier?”
„Welzeker. In Indië komt men om fortuin te maken. Lukt dat niet, dan beklaagt men zich bitter, al heeft men er ook een ruim en aangenaam bestaan.”
„U vergeet iets.”
„En dat is?”
„Tal van ondernemers hebben ontzettende verplichtingen, die hen drukken en waaraan zij niet kunnen voldoen.”
Een oogenblik kwam de advocaat geheel bij Fournier boven.
„Och,” zei hij lachend, „dat is ook nog zoo kwaad niet; het beste baantje in Indië is tegenwoordig landeigenaar te zijn met ’n paar millioen hypotheek op z’n land; dan heeft men ’t beter, dan iemand anders.”
Zij schudden weer de hoofden en keken ernstig, afkeurend.
„Wij hadden niet gedacht, dat u de belangrijke Indische aangelegenheden zoudt belachelijk maken.”
„Eigenlijk doe ik dat volstrekt niet.”
„U doet feitelijk toch niets anders.”
„Is het niet waar, wat ik zeg?”
„Het is overdrijving; het is een caricatuur van de waarheid.”
„Dat geef ik niet toe,” zei Fournier, die er een einde aan wilde maken, geraakt. „Ik sta op een geheel vrij standpunt. [153]Ik ben niet naar Indië gegaan om een carrière of om fortuin te maken, en ik heb ook het een noch het ander uit Indië teruggebracht. Trouwens, ik had er geen de minste behoefte aan. Ik ben volstrekt niet tot lid der Volksvertegenwoordiging gekozen als zoogenaamd „Indisch specialiteit”; er is zelfs bij alles, wat mijn verkiezing voorafging, van mijn verblijf in Indië alleen melding gemaakt door mijn tegenstanders, als verwijt en verdachtmaking.”
„Dat is niet de schuld van Indië.”
„Ik weet het, maar permitteer mij, dat ik u voor eens en voor goed zeg, dat ik als lid der Kamer met Indië volstrekt niets meer verkies te maken te hebben, dan ieder gewoon lid.”
Het was zeer beslist gezegd, zóó beslist, dat de heeren met groote deftigheid, waarachter veel spijt en teleurstelling was verborgen, opstonden, hun hoeden namen en heengingen.
Hortense, die onder het gesprek even in de kamer was geweest, kwam binnen toen ze hoorde, dat de bezoekers heengingen; dokter Van der Linden was stil in een hoekje blijven zitten, bladerend in een album, zonder zich met het discours in te laten.
Fournier stond achter het groene staatsiegordijn en zag hen druk pratend het plein oversteken.
„Waar hadt jullie het over?” vroeg Hortense, terwijl ze bij hem kwam staan en tegen hem aanleunde.
„Och, ze wilden me in de Kamer voor hun Indische kliek winnen.”
„Je hebt geweigerd?” [154]
„Zeker, ik heb er niets mee op, hoegenaamd.”
„Wel, ik zou het toch maar gedaan hebben; het is altijd iets, en je weet wel, die lui schrijven in couranten en tijdschriften—het is beter hen te vriend te houden.”
„Je hadt hen ten minste wel met ’n enkel woord aan het lijntje kunnen houden; dat verbindt tot niets,” meende dokter Van der Linden.
Fournier keek hem schuin aan en lachte. Die oude heer was ook een beste! zoo cynisch mogelijk!
„Och, ’t is beter zoo. Ze weten nu waarop het staat; ik ben nu ineens van hun gezeur af, en van dat eeuwig gezanik over Indië; ze weten nu, dat ik niet in hun kliek kom; ze kunnen daar nu boos om zijn, maar aan den anderen kant zal het een goeden indruk maken.”
Mourant, terugkomend bij Henriëtte, vertelde het haar met diepe verontwaardiging.
„Ik heb in Indië dikwijls hooren zeggen, dat hij heel knap was,” merkte zij op.
„Knap! Ja, ’t mocht wat!”
„Nu, ’t is toch waar. Er werd altijd met den grootsten lof over hem gesproken.”
„Hij is een egoïst; door en door een egoïst!”
„Zoo, dat wist ik niet.”
„Hij is iemand,” ging Mourant declameerend voort, „van een slechte cynische natuur; een man zonder hart en zonder gevoel.”
„Och, wat? Hoe weet je dat allemaal?”
„Wij hebben hem aangezocht om de belangen van Indië in de Kamer te helpen verdedigen.” [155]
„En hij heeft geweigerd?”
Mourant knikte met het hoofd en keek haar aan met ’t gezicht van iemand, die verwacht, dat een ander verstomd zal staan.
„Waarom heeft hij niet gewild?”
„Och,” zei Mourant, de breede schouders ophalend, „om allerlei nonsense redenen. Praatjes om zich er af te maken.”
Henriëtte vond het niets aardig van Fournier. Waarom, dat wist ze zelve niet, want van die „Indische aangelegenheden,” die in een Kamer worden behandeld, begreep ze niets hoegenaamd. Maar hij had het toch, meende ze, moeten doen al was het alleen maar voor de vrienden.
„Hij is zeker trotsch geworden,” zei ze, „sedert hij geparenteerd is aan die familie Riquelle.”
„Best mogelijk.”
„’t Is jammer Willem, dat jij niet gekozen bent. Zou dat nu met geld en wat moeite niet te doen zijn?”
Zijn gezicht betrok.
„Nu niet; later misschien.”
Zij had hem in zijn zwakke zijde getast. De helft van het hem nog resteerende leven zou hij er voor hebben gegeven; maar hij wist wel, dat het niet gelukken zou; in zoover sprak hij de waarheid, dat er nu geen quaestie van wezen kon.
Terwijl hij zoo somber voor zich uitkeek, nam zij hem aandachtig waar. Inderdaad, hij werd er niet jonger op! Wat begon zijn hoofd kaal en ’t overblijvend haar grijs te worden! Wat kreeg hij oude trekken in zijn voorhoofd en zijn gezicht! Hoe sterk nam zijn corpulentie toe! Zou zij [156]aan dien man haar toekomst binden? Ze was jong, mooi en rijk. Aan adspiranten zou het zeker niet ontbreken, dat vertelden haar honderden mannenoogen op de straten en in de theaters. En ondanks alles, was ze dan toch eigenlijk, als ze wilde, volkomen vrij!
„Er is een geschikt oogenblik onbenut voorbijgegaan,” zei Mourant zuchtend, maar toen hij Henriëtte aanzag, ging hem dat geschikte oogenblik uit het hoofd. „Wat is er?” vroeg hij, kleurend van verlegenheid—iets, dat hem in jaren niet was overkomen—om haar zonderlinge gelaats-uitdrukking.
„Er is niets. Ik dacht, dat het zoo jammer was.”
„Wat?”
„Wel, dat je niet eens kans zoudt hebben in de Kamer te komen.”
„O, dàt zeg ik niet. Later.…”
Zij ging er niet verder op door. Later, dacht ze,—nu ja! Wat zou hij dan een echte oude heer wezen! ’t Was niet voor het eerst, dat haar die gedachte plaagde. Zij had de waarheid gesproken tegen mevrouw Mourant. Thans zou ’t haar een halve ton waard zijn geweest den wettigen man terug te geven aan de wettige vrouw. Maar daarvan kon in geen geval quaestie wezen!
Dien avond sprak Mourant aanhoudend over wat hij de gouden toekomst noemde; hun huwelijk was thans een gebeurtenis in het verschiet, waarvan men het tijdstip bijna met zekerheid kon bepalen. Hij was dien dag nog vriendelijker en aardiger tegen de kinderen dan gewoonlijk. Henriëtte gaf er zoo weinig mogelijk antwoord op. [157]
„Wat ben je stil, lieve!” zei hij ten slotte, haar naar hem toetrekkende. „Je bent zeker niet in orde.”
Zij liet toe, dat hij haar een kus gaf; meer ook niet. Zij wilde juist lachend zeggen, dat ze zoo gezond was als een visch, toen hij voortpratend, weer over hun huwelijk begon.
„Ik heb den heelen dag al last van hoofdpijn.”
„Nu!” zei hij triomfantelijk en als gerustgesteld: „nu, zie je wel! Dat dacht ik al. Ik zou maar vroeg naar bed gaan.”
Zij liet het zich geen tweemaal zeggen; zij kon nu eenmaal niet met hem meepraten, en ze betwijfelde zeer of ze het wel ooit weer van harte zou kunnen doen, als hij sprak over trouwen.
Hoofdpijn had ze niet en slaap evenmin. Zij ontkleedde zich toch in haar kamer, met het plan naar bed te gaan, denkende dat ze wel zou inslapen. Half ontkleed ging ze zitten op een kleinen fauteuil in een hoek der kamer. ’t Was zoo’n moeilijk geval! Hoe zou ze van hem ontslagen raken; want dat het daartoe komen moest, stond thans bij haar vast. Welk een berg van geweldige onaangenaamheden voor den voet! Er was geen overkomen aan, en met de kleine hand voor de groote donkere oogen en den elleboog op de leuning van den armstoel, zat ze stil na te denken, nu en dan met een zucht het hoofd schuddend. Dat men toch sommige dingen niet ongedaan kon maken! Met een lichte rilling van kou, die kippevel joeg over haar bloote armen, stond ze op en kroop diep onder de dekens in haar bed. Ze wilde er thans niet meer aan denken; ze had den [158]tijd en die geeft raad; het zou nooit gebeuren, nooit!
Instinctmatig hield zij haar rol van half-zieke den volgenden dag tegen Mourant vol, en naar de leerschool, die ze gedurende de ziekte van Veninga had doorloopen, was ze knorrig en gemelijk. Hij deed zijn uiterste best om haar ’t leven te veraangenamen; hij bracht cadeautjes mee en fijne bonbons, waarvan hij wist dat ze veel hield, zich volkomen onbewust van het feit, dat hij daardoor olie wierp op het vuur, dat bezig was alle genegenheid voor hem te verteren.
„Ik wou wel een beetje wandelen,” zei ze op een mooien middag, met hetzelfde knorrige gezichtje der laatste dagen.
„Uitstekend lieve! Willen we het Park eens ingaan?”
„Och ja! Als ik maar wat frissche lucht krijg; ik word zoo akelig van dat thuis zitten.”
„Het is mijn schuld niet,” zei hij aarzelend.
„Neen, dat weet ik ook wel.”
„Komaan, laat ons dan gaan.”
Toen ze zich kleedde in haar kamer, trok hij zijn bruine glacé-handschoenen aan, streek zijn zijden cylinderhoed op en bekeek zich met welgevallen in den spiegel; de gesloten jas sloot zonder rimpel of plooi om zijn zware gestalte; hij was correct gekleed door den besten tailleur van Brussel, en terwijl hij zichzelven monsterde van top tot teen, streek hij met welgevallen zijn grijzende bakkebaarden op, hoogst met zichzelven ingenomen.
Een glimlachje gleed over het gelaat van Henriëtte, toen ze hem zóó verraste.
„Als je klaar bent?” vroeg ze spottend. [159]
Hij lachte en keek haar aan, alsof hij niets minder verwachtte dan een woord van bewondering, dat echter niet volgde. Er waren niet veel wandelaars in het Park; voor de Brusselaars was het de dag niet, noch de tijd van den dag; slechts hier en daar kwam men een paar vreemdelingen tegen of een bonne met spelende kindertjes. Zij hadden een heel eind gewandeld, pratend over koetjes en kalfjes, en wilden weer huiswaarts gaan, toen, bij het verlaten van het Park, een viertal heeren hen aansprak. Het waren kennissen uit Indië. Er werden handjes gegeven en vroolijke groeten gewisseld. Iedereen deed als wist hij van den prins geen kwaad, en als was het volstrekt niets bijzonders, Mourant en de weduwe Veninga samen daar te ontmoeten. Toch was het Mourant hoogst onaangenaam, en hij was bang dat het Henriëtte, die ook niet hield van die ontmoetingen, nog meer uit haar humeur zou helpen.
„Blijven de heeren eenigen tijd hier?” vroeg zij aan den oudste van het viertal, een onder den tropischen hemel grijs geworden maar goed geconserveerd koopman.
„We stellen ons voor, hier ’n dag of veertien te vertoeven.”
„Wel dat doet me genoegen. Weest dan morgen mijn gasten.”
Een oogenblik keken ze elkaar verbaasd en besluiteloos aan.
„Met heel veel pleizier.… als we u ten minste niet derangeeren.”
„Volstrekt niet! Hier,” ging ze voort, eenigszins zenuwachtig een kaartje nemend uit een kleine blauwzwarte portefeuille, „hier is mijn adres.”
Mourant wist niet hoe hij het had; hij kon goedschiks niets zeggen, maar hij verbeet zich van spijt. [160]
„Ik begrijp je volstrekt niet,” zei hij, toen het viertal onder veel buigingen en hoedzwaaien het Park was ingegaan.
„Zoo! ’t Is mogelijk.”
„Sedert verscheiden dagen ben je onwel en klaagt aanhoudend over hoofdpijn.”