„’n Reden te meer.”
„Maar lieve Jet, hoe kan je nu toch zoo tegen jezelve zijn?”
„Wat, tegen mijzelve? Ik ben tegen niets, maar ik wil eens ’n paar menschen aan mijn tafel zien.”
„Het is nog zoo lang niet geleden, dat je daar veel op tegen hadt.”
Ongeduldig haalde ze de schouders op.
„Dan ben ik sedert veranderd; dat is alles.”
Mourant ontstelde er van in allen ernst, en hij keek haar oplettend, haast angstig aan. Zóó had zij nog nooit tegen hem gesproken.
„Ik gun je immers gaarne elk genoegen,” zei hij zacht.
„Dat merk ik! We ontmoeten ’n paar kennissen van vroeger, die hier vreemd zijn; ik vraag hen te dineeren, en je staat er bij met ’n verstoord gezicht; nauwelijks zijn ze weg of je begint aanmerkingen te maken. Denk je misschien dat dit aangenaam is?”
„Ik zal geen aanmerkingen meer maken,” antwoordde hij met een soort van sombere theatrale onderwerping, maar onwillekeurig dacht hij aan zijn vrouw, die nooit gasten zou geïnviteerd hebben, zonder hem vooraf te vragen of hij het goed vond. Nu ja, maar dat was ook iets anders.
’s Avonds in hun hotel, toen ze terugkeerden uit den schouwburg, zaten de vier Indische heeren nog een oogenblik bij [161]elkaar een glas grog te drinken voor ze hun kamers zochten. Slechts twee hoorden bij elkaar: de koopman Van Namen en zijn neef Jules, die administrateur was van een land; de twee andere heeren waren ambtenaren met verlof, die elkaar en de anderen toevallig in het hotel te Brussel hadden ontmoet.
„Ik sta nog verbaasd, als ik denk aan die invitatie van mevrouw Veninga.”
„Eigenlijk,” zei een der ambtenaren, „had ik ze liever niet aangenomen. De scheeve verhouding tusschen haar en Mourant is zoo algemeen bekend. ’t Gaat alles zoo ontzettend openlijk.”
„Och, hier te Brussel is het wel aardig,” meende Van Namen. „Bovendien: men behoeft als man zulke dingen niet te weten, als men niet wil.”
„’t Is waar! Ik vind het verbazend jammer. ’t Is een eeuwig mooi vrouwtje,” vond Jules.
„’t Is een beeldje. Trouwens, Mourant is wel veel ouder, maar hij is nog een verduiveld kranige kerel.”
„Wat was hij tiré à quatre!”
„Asjeblieft. Nu, het is de moeite waard.”
„Men zei in Den Haag, dat hij van z’n vrouw ging scheiden, nietwaar?”
„Ja,” bevestigde Van Namen; „ze heeft toegestemd.”
„Zoo’n bofferd!” liet Jules zich ontvallen.
Ze lachten allen luid.
„Je bent, hoop ik, niet van haar gecharmeerd?”
„Neen, God! Daar is wel geen quaestie van. Maar ik vond het toch jammer. ’t Is zonde. En Mourant vind ik in elk geval ’n ploert.” [162]
Daar kreeg men bijna standjes om; die uitdrukking was te kras en men redeneerde en twistte er over nog wel een uur lang.
Henriëtte had den volgenden dag geen hoofdpijn; zij was de bedrijvigheid zelve. Het zilver, dat reeds lang in de étuis stil had gesluimerd, moest voor den dag gehaald en gepoetst worden.
Den heelen dag bleef Mourant bij haar. Hij was nu met het diner verzoend. Het mocht dan een tinka wezen, maar die had het dadelijk aangenaam gevolg, dat zij niet zoo knorrig en uit haar humeur was als anders.
„Wil je wat voor me doen?” vroeg ze.
„Heel graag; als je maar zegt wat.”
„Ik heb ’n paar dingen te bestellen bij den confiseur.”
„Met genoegen, ik zal er dadelijk heengaan.”
Zijn bereidwilligheid tot het doen van voor een heer toch altijd minder aangename boodschappen, stemde haar zacht, en ze glimlachte tegen hem, wat ze in geen dagen had gedaan.
Het verrukte hem en met een groot air van gewicht luisterde hij naar haar bestellingen en noteerde ze in zijn zakboekje.
’t Gaf voor ’t oogenblik een zekere vertrouwelijkheid tusschen hen, waarin Mourant een innig behagen schepte.
De gasten kwamen prompt op tijd.
Mourant kreeg een plaats aan het andere smalle eind der tafel tegenover Henriëtte, maar ver af. Naast hem zaten Van Namen en de oudste der twee ambtenaren. Jules en de jongste zaten bij Henriëtte.
„Ik heb het zóó gerangschikt,” zei Henriëtte toen ieder op [163]zijn bord naar zijn kaartje keek, „omdat ik weet dat de heeren graag over politiek praten, en daar begrijp ik niets van.”
„Mogen we u daarmee niet lastig vallen?” vroeg Jules.
Verrast keek Henriëtte hem aan. Hij was een mooie indo-Europeaan. In Indië zou hij niet de aandacht hebben getrokken, want daar is zijn type niet meer dan gewoon. Maar in die Europeesche omgeving maakten zijn lichtbruine huidskleur, zijn blauwzwarte haren en groote, sombere oogen een bijzonder effect; ’t was hetzelfde van Louise Van der Linden en hetzelfde ook van Henriëtte.
„Ik wist niet dat zulke jongelui zich daar ook mee ophielden.”
„Ah, dat is te zeggen: niet als staatkunde. Er is toch nog een andere beteekenis voor „politiek”.”
„Hij bedoelt „sleem” of „pienter”,” zei een der ambtenaren.
Doch bij Jules en Henriëtte viel die aardigheid geheel in het water. Het ergerde hun. Eigenlijk konden ze in het geheel niet hooren, dat die pur sang Hollanders altijd flauwe aardigheden debiteerden op de manier van spreken der Indische lui; het was dan toch ook wat,—de manier waarop de meesten zich in hun eigen taal uitdrukten, en waarbij ze zich vaak met vloeken, herhalingen en interjecties moesten opzweepen om hun denkbeelden in niet al te verkeerden vorm onder woorden te brengen!
„Och!” zei Henriëtte glimlachend: „waar zoo’n politiek onder ons toe dienen zou, begrijp ik niet.”
„Die is altijd goed!” riep Mourant luid, zich buigend over zijn bord en haar aankijkend. [164]
Eigenlijk had hij over die eigenwijze regeling van de tafel geweldig het land.
„Ik heb wel eens gehoord,” zei Jules zacht tegen Henriëtte, „dat het soms heel gevaarlijk is politiek met de dames om te gaan.”
„’t Hangt er van af.”
„Dat bedoelde ik ook. Men zegt dat de dames liever oprechtheid zien, dan geslepenheid.”
„Ja! Ik althans. Als iemand openhartig is, weet men ten minste dat hij het meent.”
Het eten was uitmuntend en Henriëttes rechterbuurman zat in stilte te genieten.
„Die schotel, mevrouw,” zei hij met een zucht van innige voldaanheid, „was een gedicht.”
Toen Mourant op zijn woorden geen repliek kreeg en daarvan zelfs geen oogenblik notitie was genomen, keek hij met opgetrokken wenkbrauwen en een teleurgesteld gezicht naar de overzijde. Wat zaten die twee nu zacht te spreken met elkaar! Zoo’n onbeduidende sinjo! Hoe dwaas van haar om hem tot buurman te nemen, in plaats van Van Namen. ’t Was zelfs onbeleefd; de oudste der gasten behoorde aan haar rechterhand te zitten.
’t Werd bij het dessert nog erger.
De goede wijn had zijn effect gedaan en spraakzamer gemaakt. Er werd aan den kant van Henriëtte druk gepraat en gelachen. Jules had, schoon vruchteloos, getracht een telegraphische communicatie onder de tafel tot stand te brengen, wat hem niet gelukt was. Hij had ook gezien, dat zijn poging als brutaal en ongepast werd beschouwd, en haar [165]daarom niet herhaald. ’t Verwonderde hem. Een vrouwtje met haar antecedenten mocht waarlijk zoo kleinzeerig niet zijn. Zij had, toen hij ’t niet herhaalde, verder ook niets laten blijken. Haar ééne vragende blik was genoeg geweest. Zij praatte en lachte nu weer voort, inwendig verheugd over de verlegenheid van den jongen man, toen haar oogen hem hadden gevraagd of ’t hem wellicht mangelde in zijn bovenverdieping.
Bij de havana na het dessert stond Henriëtte op en de heeren ook; zij zouden rooken in een andere kamer, die uitkwam op den tuin met balkonvensters. Voordat Mourant den tijd had er iets aan te doen, stond Henriëtte met Jules op een der kleine balkons te kijken naar het fraai, maar bekrompen en ommuurd tuintje, dat er in den helderen maneschijn en tegen de zwarte schaduwen der gebouwen tooverachtig uitzag.
En hij kon maar niet los komen van Van Namen, die, waarschijnlijk ook door den wijn op dreef geraakt, hem midden in het vertrek aan den praat hield en zelfs een knoop van zijn jas had gegrepen om hem niet te laten ontsnappen.
Mourant stond op heete kolen, toen hij het tweetal achter de rood damasten gordijnen zag verdwijnen.
„Vindt je het niet benauwd in de kamer?” vroeg hij met een poging om den knoop van zijn jas vrij te werken.
Maar Van Namen liet niet los. Als hij een goed glas wijn had gedronken, was hij verschrikkelijk à cheval op politiek gebied. Nu was de wijn, die Henriëtte had doen schenken, uitmuntend, en Van Namen had hem niet gespaard.
„Wij moeten het liberale beginsel niet loslaten,” vervolgde hij in extase en met half gesloten oogen. [166]
„Juist; maar we moesten niet zoo onder die warme gaslamp blijven staan,” meende Mourant, terwijl hij zich het zweet van zijn breed voorhoofd wischte.
„Welke ook haar gebreken zijn geweest,” ging Van Namen voort; „welke verwijten men ook der liberale partij naar het hoofd slingere,—zij heeft goed gedaan. Het had meer, het had beter kunnen zijn.….”
„Zeg, laat ons nu op ’t balkon gaan; daar kunnen we net zoo goed praten als hier.”
„Het is waar; het had meer kunnen zijn en beter.….”
„Kom, ga nu toch mee, Van Namen!”
Hij zei het heel ongeduldig; hij hoorde ’t zilverlachje van Henriëtte in een duo met den jeugdigen barytonlach van Jules, en dat joeg hem gruwelijk het land op.
„Het had vooral meer en beter moeten zijn voor Indië. Toch moet men in zijn afkeuring en critiek niet te ver gaan. Men moet niet loslaten wat men verkreeg na zoo veel moeite; vasthouden moet men aan zijn principes.”
En Van Namen kneep en schudde den knoop van de jas van Mourant, als ware het voorwerp de incarnatie van het liberaal beginsel en ook kneep hij zijn eigen oogen dichter dan te voren, om geen afleiding te geven aan zijn politieken gedachtenloop. En Mourant keek wanhopig naar de breede plooien in de zware stoffage der gordijnen, waarachter Henriëtte op het plafond stond met Jules.
„Ja, ja,” zei hij diep zuchtend. „Maar kom nu mee naar buiten; het is hier zoo benauwd.”
Hij trachtte hem bij den arm mee te troonen, maar dat ging zoo gemakkelijk niet. [167]
Van Namen bespeurde het nauwelijks.
„Zeker,” zei hij, „ik ga mee; maar ik wou nog dit zeggen: In Indië zijn er veel, die de liberale partij willen loslaten, heelemaal loslaten, omdat zij te weinig voor Indië deed; dáár kom ik tegen op; ik zal in den breede en punt voor punt aantoonen.….”
Het was niets. Er gebeurde achter de gordijnen, op het balkon, in het geheel niets. Hoe kon dat ook? Op het balkon, er vlak naast, stonden de twee verlofgangers, en men kon elkaar duidelijk zien, want donker was het niet.
Toch was het Mourant of hij het geluid hoorde van een kus. ’t Bloed steeg hem naar het hoofd; hij greep in zijn zak, opende een klein scherp mesje en sneed zonder aarzelen den knoop van zijn jas, waaraan Van Namen hem vasthield.
O, ’t was een gezicht voor hem, toen hij de gordijnen wegschoof! Zij lag over de balustrade gebogen, leunend op den eenen arm en haar mooi gezichtje omhooggekeerd naar Jules, die op de balustrade zat. Henriëtte zag wel aan het invallend licht, dat er iemand naar buiten trad, en ze begreep volkomen wie; maar ze deed alsof ze niets bemerkte en Jules, die zoo’n ongunstige opinie had over Mourant, vond het, toen hij dat gewaarwerd, volmaakt overbodig de tegenwoordigheid van Mourant door woord of gebaar te constateeren.
En achter hem hoorde Mourant de stem van Van Namen.… „differentiëele rechten”.… „vermindering van gedwongen diensten”.…. „mildere bepalingen op de cultures”.…. „Ha, ha!”
Van Namen had na een paar oogenblikken doorpratens de oogen geopend en schaterde van het lachen toen hij „de [168]grap” ontdekte. Hij liep naar Mourant, dien hij tusschen de gordijnen zag staan.
„Jou oude grappenmaker!” riep hij, hem op den schouder slaande. „Daar heb je me origineel te pakken gehad!”
Henriëtte wendde zich om. Mourant kreeg een schok door dat „oude grappenmaker”. ’t Kwam zoo in ’t geheel niet bij de gelegenheid te pas. Van Namen vertelde lachend de geschiedenis van den knoop, en allen lachten mee. Henriëtte keek hem zelfs wat vriendelijker aan; het was toch alleraardigst gevonden, dacht ze.
„Ja, ja!” riep Van Namen. „Hij is goed, hij is goed! Een vos verliest zijn haren wel, maar niet zijn streken.”
’t Pas opgeklaarde gezicht van Mourant betrok weer geweldig; dàt was nummer twee! Op welke wijzen zou hij nog meer moeten hooren, dat hij niet jong meer was?
„Je oom werd zoo zwaar op de hand,” zei hij tegen Jules.
„Ja, dat overkomt hem wel eens.”
„We stonden net onder de kroon; ’t was er ontzettend warm.”
„Ik kan ’t me voorstellen.”
Er rees een gevoel van haat op in Mourant, dat voelde hij. Die korte antwoorden op zoo’n koelen toon kende hij; het waren zooveel verzekeringen, dat de aangesproken persoon liever niets wilde te maken hebben met hem, die ’t gesprek begon. En dan zoo’n kwajongen! Zoo’n sinjo!
„Het is hier heerlijk,” zei Mourant tot Henriëtte.
„Zoo?” vroeg zij met een spottende stemmodulatie. „Ja, dat hebben meneer Jules en ik dadelijk opgemerkt. Je bent echter de eerste, die het zegt.”
Mourant had het kunnen beschouwen als een verzoek om [169]heen te gaan. In elk ander geval zou hij, beleedigd en gekrenkt, zich hebben teruggetrokken. Hij kwam zich mengen in het gesprek tusschen een heer en een dame; beiden toonden vrij onbewimpeld door hun antwoorden dat zij van den derden man niet waren gediend.
Doch hij had geen hart meer, als man. Jules, die jong was, dacht: „als ze mij zoo geantwoord had, zou ik zijn heengegaan.” De liefde van Mourant verschilde veel in jaren; zij maakte hem niet toornig of verontwaardigd bij een openlijke vernedering, maar onderworpen en laf.
In plaats van heen te gaan, trad hij ook op het balkon en ging aan den anderen kant der balustrade naast Henriëtte zitten.
„Wees maar voorzichtig,” zei ze.
„Ik zal er niet afvallen. Was je daar bang voor?”
„Neen. Verbeeld je! Maar de maan komt door, en ’t waait nogal.”
Hij zette zijn borst hoog op en zijn breede schouders uit.
„Ik kan er tegen.”
„Nu ja! Je bent dadelijk verkouden! Hebt u daar ook zooveel last van, meneer Jules?”
„’n Enkelen keer,” zei Jules.
„Dus toch wel?”
„Zooals ik zeg: ik ben ’n paar maal ’t slachtoffer geweest.”
Het trof haar, dat hij niet blufte, en ’t deed Mourant genoegen, die door de heeren van het andere balkon werd aangeroepen.
„Waarom hebt u me niet geholpen, meneer Mourant ’n beetje te plagen?” vroeg zij zacht en vroolijk. [170]
Jules trok driftig de schouders op.
„Hoe minder ik met hem in aanraking kom, hoe liever.”
„Och kom?”
„Ik vind den man in ’t geheel niet de moeite waard.”
„In welk opzicht?”
„In elk opzicht. Ik vind hem over ’t algemeen.…”
„Sst!”
Hij begon hoe langer hoe luider te spreken, zooals iemand doet, die onaangenaamheden zoekt; toen zij hem het zwijgen oplei, hield hij stil. Henriëtte ging terug naar de kamer en Jules, dien zij met haar waaier gewenkt had, volgde haar.
’t Ging Mourant door merg en been; hij moest met de anderen praten, en hoorde en zag Henriëtte en Jules het balkon verlaten, die hem heel gewoon lieten staan. ’t Maakte hem zenuwachtig en overviel hem als een voorgevoel. Toen het gesprek uit was, ging hij ook de kamer in, trachtte zich een houding te geven, zette zijn lorgnet op, en rondkijkend uit de hoogte, met kleine pasjes draaiend op zijn hielen, dreef hij naar den kant, waar Jules en Henriëtte zaten in een tête à tête.
„Foei, meneer Jules,” had ze gezegd. „Het is volstrekt niet aardig van u, ons genoegen te bederven.”
„Het spijt me, maar het is uw schuld. Ik kan nu eenmaal dien Mourant niet dulden. Ik vind hem.… ik.… Permitteer me, dat ik maar niets zeg.”
Zij zuchtte, keek naar de punten harer goudleeren schoentjes en tikte daar zacht op met haar waaier.
„Indien ik het had geweten.…” [171]
„Dan zoudt u mij niet mee hebben gevraagd! Wel, daar zoudt u gelijk aan hebben gehad.”
„Dat niet.… Ik zou het anders geregeld hebben.”
„U zoudt hem toch niet hebben uitgesloten?”
„Waarom niet?”
Verlegen draaide hij aan zijn zwart kneveltje, dat met jeugdigen overmoed twee spitse punten à crocs droeg.
Zij zag hem vlak in het gezicht, en hij vermeed dien blik; ’t was een pijnlijk moment voor hem.
„U zult me ’t genoegen wel willen doen er niet verder over te spreken.”
„Soedah!” zei ze met een zucht. „Het is ook de tijd noch de plaats. ’n Andermaal.”
„Heel graag, als u wilt. Waar en wanneer?”
„Ik weet het nog niet; wij zullen zien.”
„Daar komt-ie weer aan,” bromde Jules nijdig, toen Mourant langzaam optrad. „Ik zal maar bij de anderen gaan.”
„Blijf liever. Ik heb mijn reden om meneer Mourant zoo weinig mogelijk te woord te staan.”
„Ik heb een geldiger reden: ik haat hem! ik zou,” ging Jules weer driftig voort en de Europeesche taalvormen uit het oog verliezend, „ik zou hem met pleizier ’n pak rammeling geven.”
„’n Pak rammeling?” vroeg zij lachend en Jules, die nu snapte dat hij zich Indisch versproken had, lachte mee.
Mourant kwam dichterbij. Jules keek naar hem uit de hoeken zijner oogen, nijdig, moorddadig, wat men noemt „gemeen”.
Gelukkig kwamen de anderen ook binnen. [172]
„Zullen de heeren niet ’n partijtje maken?” vroeg Henriëtte.
Ja, dat wilden de heeren. Zij wilden whisten; Mourant kon zich er niet aan onttrekken; Jules bedankte en de gastvrouw verklaarde met een vriendelijk lachje, dat ze in ’t geheel geen esprit de jeu had; het beviel Van Namen en de twee anderen uitstekend; ze kregen hun cognac met gefrappeerd apollinaris-water, net als in Indië, en het amuseerde hen kostelijk dat Mourant zoo’n geweldig koopje snapte, en dom genoeg was duidelijk te laten blijken hoe hij uit zijn humeur geraakte. De eerste vijf minuten bleven „de jongelui”, zooals Van Namen niet zonder ironie had gezegd, bij het spel staan kijken; daarna gingen ze weer een luchtje scheppen en toen begon Mourant volgens zijn partner te spelen „als een schutter.”
En hij verloor!
Lachend was bepaald dat men zou spelen tot een gewoon Indisch tarief onder whistende heeren: een kwartje het punt; maar als Mourant’s partner het van te voren had geweten,—nu, hij zou dan hebben voorgesteld tegen Hollandsch tarief te spelen!
Toen ze gedaan hadden, stond Mourant minus acht en zestig.
„Ongelukkig in het spel,” zei Van Namen, „gelukkig in de liefde.”
Mourant trok zijn beurs met een pijnlijken trek op ’t gezicht. Het was hem in den tegenwoordigen tijd werkelijk niet zoo onverschillig of hij een bankje verloor of niet; het leven kostte hem veel en zijn inkomen werd steeds [173]kleiner. Geen Indisch finantiëel bankroetje of hij pikte een vorkje mee.
„Acht en zestig kwartjes, dat is precies zeventien pop,” zei Van Namen lachend, terwijl hij de hand ophield.
Men sprak nog, na het spel, een half uurtje. Welstaanshalve ging Mourant een eindje met de heeren mee; hij sloeg een dwarsstraat in en kwam met een omweg weer bij het huis terug; hij beproefde met een sleutel de deur te openen, maar die was van binnen gegrendeld; de meid, die nog aan het wegruimen was, keek uit een venster boven de deur, en vroeg hem wat hij verlangde, er in plat Brusselsch Fransch bijvoegend, dat mevrouw reeds sliep.
Een onverstaanbaar antwoord brommende, ging hij heen; zijn gemoedsstemming was verschrikkelijk. Zij hield dus niet meer van hem; hij had uitgediend; hij kon gaan! Hij kon zoo dadelijk niet naar zijn logement terug; hij had behoefte aan beweging en terwijl de mist, die in den laten avond was komen opzetten, dikker werd en meer en meer den omtrek beperkte van het licht der straatlantaarns, was het of zijn stemming daalde. Daar zonk zijn schoone droom weg in den muisgrijzen nevel. Een mooie jonge vrouw en de twee ton van Veninga! Daar had hij zóó veel voor gestreden! ’t Was haast onmogelijk. En zijn persoonlijke ijdelheid kwam boven. Hij zou het dan toch nog eerst moeten zien! Zij was immers aan hem verbonden door dien eenen zonder vergunning gesmeden band! Zij was zijn vrouw! En bovendien: hij was de beheerder van het vermogen: executeur-testamentair, voogd.… Maar jawel! Al de ophef over die macht waren maar praatjes van onervaren roman-schrijvers, [174]speculanten op geheimpjes-theorieën. Hier was immers niets geheim! Iedereen wist het en dat maakte het als wapen krachteloos. Hij kon er niemand mee verwonden, dan zichzelven, want hij kon niemand iets nieuws vertellen, en het eenige zou zijn, dat men van hem ging zeggen: hoe gemeen!
En dan dat executeurschap, die voogdij!
Neen, dat gaf alles niets, niets, volstrekt niets.
Met geweld en dreigementen viel niets te doen; misschien met list, zachtheid en overreding. Zuchtend besloot hij zich dat te probeeren. Als die Indische lummel maar weg was!
Doch toen hij den volgenden dag, na een nacht half slapeloos en voor de rest in nare droomen doorgebracht, op weg was naar Henriëtte, tamelijk opgewekt omdat hij een goed doordacht plan had beraamd, liep de gal dadelijk bij hem over en verzwolg zijn goed humeur, toen hij Jules, den Indischen lummel, bij het omslaan van een hoek plotseling te paard voor zich uit zag rijden. Dat ging natuurlijk het huis voorbij! Mourant hield zijn schreden in, minachtend grijnslachend toen hij zag hoe Jules trachtte den Engelschen vos te laten tandakken; hij liep dicht tegen de huizen aan den kant waar Henriëtte woonde, zoodat zij hem niet kon zien aankomen. Welzeker! Voor het huis keek Jules naar boven, groette met een buiging en een sierlijken coup de chapeau, glimlachte, zijn glinsterend witte tanden toonend, en groette met de rijzweep.
Het was hem, Mourant, toch te machtig.
Hij versnelde onwillekeurig den pas; dat zou hij haar betaald zetten; zijn oogen glinsterden toornig onder de [175]gefronste wenkbrauwen en zijn eenigszins grauwe gelaatskleur werd rood. Plotseling stond hij verschrikt stil. De meid, de Brusselsche meid, die hem den vorigen avond op zoo’n eigenaardigen toon had gezegd, dat mevrouw reeds sliep, kwam met een koket, schoon mutsje en een tablier met een hartvormig verlengstuk boven den band naar buiten trippelen; hij was overtuigd, dat ze hem opmerkte, maar zij deed of ze hem niet zag en liep met een trippelpasje in de richting, die Jules uitging. Mourant volgde haar, hij wist eigenlijk zelf niet waarom. In een andere straat zag hij dat de meid stevig aanstapte, den ruiter, die stapvoets reed, opzij kwam en wenkte; hij kwam langs het trottoir en.… zij gaf hem een briefje.
Mourant dacht dat hij door den grond zonk.
Hij had wel voorondersteld dat de meid, omgekocht door „dien sinjo”, een briefje van hem in ontvangst zou nemen voor Henriëtte, en hij was het reeds met zichzelven eens over de beste manier om haar dat afhandig te maken.
Doch dàt was iets.…
Een oogenblik sprak Jules met ’t meisje, dat erg draaide, en wiegde met hoofd en heupen, en koketteerde met gemaakte rollende lachjes en grooten oogopslag; hij wendde zich zijwaarts om op het paard en kreeg, toevallig naar het scheen, Mourant in het oog.
Doch ’t was niet toevallig.
„Wil ik u wat zeggen?” had de meid gevraagd.
„Nu, lief kind, zeg eens op.”
„Le vieux komt achter me aan.”
„Allons donc!” [176]
„Op mijn woord van eer. Nu staat hij stil. Kunt u niet eens rechts op zij kijken?”
Dat deed hij, en toen hij Mourant zag, deed hij zijn best om op zijn paard een uitdagende houding aan te nemen, hetgeen Mourant, die veinsde naar het venster van een comestibles-magazijn te kijken, ontging.
„Cor-lief! Je zult wel erg nijdig op me zijn, omdat ik je zoo lang op een brief heb laten wachten. Ik beken schuld, maar als je alles weet, zal je me vergeven. Ik ben geëngageerd, weet-je? Jij bent zoo’n goeie, dikke gans! Hadt ge maar gedaan, zooals ik, dan deedt ge nu zeker ook een goed huwelijk, want je bent knap genoeg, dat is zeker. Hij is luitenant, Cor, dus word ik ook weer een officiersvrouw, weet-je, en zijn naam is Roozendoorn (Pierre Jean). Een mooie naam, ja? Erg lief: mevrouw Roozendoorn; net een naam om in een tuin te gaan zitten. Hij is heel knap en flink, en ook erg goed. Hij heeft blauwe oogen, groote, zoowat net als pa, maar die zwemmen zoo door het vele drinken. De zijne niet, die zijn heel helder. Hij heeft ook een blonden knevel en zijn neus gaat een beetje in de hoogte, een heel klein beetje maar, net als die van jou en van dat jongemensch, je-weet-wel! die altijd om ’t hoekje stond te wachten en zulke gekke dingen schreef. Pierre is een best mensch; je kunt je niet begrijpen hoe goed en knap hij is. Ik houd heel veel van hem en hij is al nummer negentig op de ranglijst van de tweede luitenants. Hij is veel knapper dan papa ooit was en hij zal het zeker ook veel verder brengen in de wereld. Ik hoorde aan boord hem wel eens [177]praten met de andere officieren over allerlei dingen, waarvan ik niets begreep en die ik zeker weet dat papa ook niet zou begrijpen. Hoe maakt hij het? Hoe gaat het met het ongelukkige drinken? Het is verschrikkelijk Cor, dat je zoo dom hebt kunnen zijn.
„Was je toch in ’s hemels naam maar met me meegegaan. Ik maak me soms zoo ongerust over je, dat ik zit te huilen. Ja, ik ken je door en door en ik weet hoe lobbesachtig en zwak je bent en hoe er maar weinig noodig is om je te verslingeren. En nu vooral Cor, wees voorzichtig, ja? Als ik nu eens mevrouw Roozendoorn ben en jij past niet goed op, dat zou dan toch erg onpleizierig voor me zijn. Aan boord, weet je, zat hij me altijd te plagen. Ze hadden er allemaal schik in. Een Duitsche dokter zei iets van liepzig nekzig, waarom ze allen erg lachten; ik zette een leuk gezicht, weet-je, maar ik begreep er niets van en ik weet het nog niet, want bij de familie, waar ik hier tijdelijk woon tot Pierre en ik getrouwd zijn, is geen enkel boek. Laat pa toch haast maken met de stukken. Pierre zal wel naar Atjeh moeten en wij zouden zoo graag trouwen vóór dien tijd. Je kunt nooit weten, nietwaar! Hij wil me dan hier laten, maar we zullen elkaar nog wel eens nader spreken. Ik ga mee, zeg! Hier is wat geld voor de kinderen; ik heb het mijne nu haast niet noodig en ik weet, dat jij het best kan gebruiken. Hoe is het er mee? Zijn het nog zulke bengels? Ga jij ’s avonds nog wel eens loopen? Gunst, Cor, wees toch voorzichtig. Ik had maar het liefst dat je naar hier kwam. Toen we te Batavia aan wal gingen, wist ik heusch niet dat Pierre verliefd op me was. In geen drie [178]weken liet hij iets van zich hooren en ik was hem heusch heelemaal, of ten minste heel erg vergeten; op een avond komt hij ineens en vraagt me te spreken en hij begint erg gauw te praten, gauw en onduidelijk. Maar ik verstond het heel goed, zie je, en ik geloof toch, dat ik toen al wat van hem hield; sedikit, ja! maar nu heel, heel veel! Die twee japonnen hoef je niet op te zenden, Cor. Houd jij die maar; als ze je te nauw zijn, leg je ze maar wat uit. Ik heb altijd op den groei gerekend; dat was maar zaak. Dat het hier warm is, weet je nog wel. Maar lekker toch! Ik had den eersten dag den beste een gevoel of ik hier nooit vandaan ben geweest. Nu, dag lieve Cor—soedah! ik huil alweer. Grappig, ja! Ik wou dat je ook hier waart. We zijn altijd zoo samen geweest van kleins af! Schrijf me gauw en wees hartelijk omhelsd door je liefh.
Nelly.
P.S. Ook Pierre laat je groeten, schoon onbekend. Betaal ook dat ringetje, je-weet-wel, bij den goudsmid.”
Corrie huilde ook. Tranen als knikkers rolden langs haar dikke wangen. Het ging zoo slecht! Met de kinderen schikte het nogal,—maar papa was door den drank geheel gedemoraliseerd. Zij had hem in ’t huisgezin niet willen verlaten en spijt had ze er eigenlijk niet van, dat ze gebleven was, want het scheen haar altijd toe, dat ze er haar moeder een grooten dienst mede deed, wat haar troostte en geduldig maakte.
In het eerst had Roos hoog opgegeven van de liefde zijner dochter Corrie, die hem niet wilde verlaten; maar [179]zijn met elke maand als het ware toenemende dronkenschap wischte den indruk van het blijven der eene en het heengaan der andere spoedig uit. Tegenwoordig was hij onhandelbaar. Sedert Nelly hem niet meer onder den duim had, was hij aan het uitdeelen van klappen geraakt en de minste aanleiding kon nu voldoende zijn om hem den rotting te doen zwaaien, die dan onverbiddelijk op de dikke schouders van Corrie neerkwam. Zij was boos op hem en had een hekel aan hem gekregen. Dikwerf zei ze tot de juffrouw, die boven woonde, dat ze zou wegloopen, als ze dat niet liet om de kinderen. En de juffrouw had verontwaardigd gezegd, dat, als zij het weer hoorde, zij er eens bij zou komen.
Zij hoorde hem ’t huis binnenkomen; hij zong.
„Ik heb,” zei hij met zware tong, „iets lekkers voor je meegebracht; iets fijns. Maraskino di Zara.… paperlapa! Wat zeg je er van?”
Zij nam het zwijgend aan. ’t Kon haar niet schelen. Ze hield niet van wijn of likeur, maar ze maakte het in een mandje gevlochten fleschje open en dronk een klein glaasje om hem te voldoen.
„Het is op de gezondheid van onze Nel en haar aanstaanden man. Ja, dat is altijd ’n ferme meid geweest! Die wist van aanpakken, weet-je! Ze is nu toch maar weer het eerste getrouwd. Ja, te duivel, ’t was altijd ’n aardig kind.”
De herinnering aan Nelly deed hem aan, en dat deed hem weer meer drinken. Nu en dan stamelde hij enkele woorden en dronk dan weer een groot glas jenever en zweeg.
Zijn dochter liet hem stil zitten; de kinderen, die eerst een [180]beetje erg levendig waren geweest, had hij weggevloekt, dreigende met zijn rotting. Zij waren naar de keuken gevlucht, waar Corrie hun een boterham sneed, die ze staande opaten van de groezelige aanrechtbank, met een glas water uit het kraantje der leiding.
Stil hielp zij de kinderen daarna te bed, nog altijd denkend aan den brief van Nelly en aan Indië. Ja, het was wel waar! Zij had mee moeten gaan, maar ze kon niet; het was onmogelijk. En hoe ze zich door dit finantiëel en moreel altijd achteruitgaande huisgezin moest werken, ging haar bevatting te boven. Zij wilde niet weer gaan zitten bij haar vader en keerde terug in het kleine keukentje met de verroeste haardkachel, en het doffe vaatwerk aan den beduimelden muur; door het hooge venster zonder gordijn viel een koud stalen schemerlicht uit de grijze wolkenlucht naar binnen, de armoedige naaktheid nog troosteloozer makend door het scherp afteekenen der hardgele deurposten en schoorsteenlijsten. Zij was nu eenmaal geen knappe propere huisvrouw,—dat wist ze wel, ze kon niet poetsen en schuren en wasschen en plassen; ze haatte het en ze deed het niet; ze had het nooit gedaan en het ook niet zien doen. Hoe heerlijk had die Nelly het in Indië!
De buurjuffrouw keek eens om het hoekje van de keukendeur.
„Je moet zoo ’t hoofd niet laten hangen,” zei ze opbeurend.
Er ontspon zich een langdurig gesprek. Corrie had er zoo’n groote behoefte aan haar nood te klagen en ze kwam zoo rond voor haar eigen tekortkomingen uit, dat de buurvrouw altijd erg veel sympathie voor haar gevoelde, en dikwerf uit [181]medelijden met haar een duchtigen coup de main gaf om het verwaarloosde huishouden een beetje op streek te helpen.
„En de oude heer is zeker weer?”.… vroeg ze.
„Als hij het niet is, zal hij het gauw zijn.”
„’t Is ongelukkig.”
„Ik begrijp niet hoe het moet eindigen.”
„Neen, ik ook niet; menschen, die drinken, houden het dikwijls erg lang vol.”
Corrie schrikte er van; het was een onuitgesproken gedachte, die al dikwijls bij haar was opgekomen.
„Maar op den duur houden zij het toch niet uit. Hoe oud is hij?”
„In de vijftig? Ik weet het niet precies.”
„Het is nog jong. ’t Is jammer. Hij is nog zoo’n knap manspersoon. Had hij maar liever een vrouw genomen.”
Ze praatten door, terwijl de duisternis viel, en ze dronken samen bij het licht van ’t keukenlampje een kop thee, intusschen gezet. Al pratend vervloog de tijd en vervlogen de tallooze kopjes thee. De klok in de gang sloeg het eene uur na het andere.
„Heb je al gegeten?” vroeg de buurvrouw.
„Ja, van middag al. Hoe zoo?”
„Ik zou anders zeggen: ga met mij mee; ik heb nog wat lekkers.”
Corrie aarzelde eerst; maar jong als ze was, en veel als ze hield van „wat lekkers”, liet zij zich geen tweemaal nooden. Zij bracht den avond door bij haar buren en vergat haar vader en zijn drankflesch geheel; het was een gezellig avondje geworden bij de buren; er werd gelachen en gekheid gemaakt [182]door een paar klerken, die een visite maakten en smoorlijk werden van Corrie. ’t Was al laat toen ze naar beneden ging en met eenigen schrik dacht zij aan haar vader. Hij zat in zijn stoel en sliep; zacht naderde zij om de lamp uit te blazen, die hij had aangestoken; zij zou hem maar in dien leunstoel laten zitten; hij zat daar goed, meende zij; er was toch geen sprake van hem wakker te krijgen; al doende wierp zij een blik op hem en schrikte van zijn blauwe gelaatskleur. Een rilling overviel haar; zij liep terug naar boven:
„Juffrouw, juffrouw! Bent u nog op?”
„Ja, wat is het?”
„Zoudt u eens willen komen zien … Ik ben zoo bevreesd … Papa ziet er zoo akelig uit.”
Zelf bevend, ging de juffrouw mee, en haar man, die niet gevraagd was, volgde zonder jas en op zijn pantoffels, want hij stond op het punt naar bed te gaan.
Kapitein Roos zat nog onbeweeglijk in den leunstoel met de kin op de borst en de armen afhangend.
Zij riepen hem eerst bij den naam met eenige deferentie, omdat men meende dat hij zou wakker worden; die deferentie verminderde toen hij geen antwoord gaf, zoodat de buurman eindelijk heel familiaar vlak aan zijn oor: Roos! Roos! schreeuwde; zij schudden hem, maar ook dat hielp niet; het zware lichaam gleed stijf opzij.
Daar schrikten zij allen van, en doodsbleek gingen ze achteruit.
Dat was de dood geweest, de weerzinwekkende dood! En met den instinctmatigen eerbied, grooter voor het vergaan dan voor het worden, deinsden de levenden ontsteld af en hielden de handen terug. [183]
De buurman liep naar den dokter. Corrie, huilende, trachtte haar vader met eau-de-cologne tot zichzelven te brengen; de juffrouw wreef zijn polsen met azijn.
„Dat is die vervloekte drank,” zei ze met een blik vol haat op de flesch, het symbool van den geweldigen erfvijand haars volks.
Hun pogingen slaagden niet—dat wisten ze wel vooruit. Toen de dokter kwam en even het lichaam in den leunstoel had onderzocht, zei hij niets, keek eens rond en gaf de juffrouw een wenk; zij bracht Corrie weg.
„In zijn drinkensbakje gebleven!” luidde daarna de diagnose.
Voor Corrie was het heel gelukkig, dat, evenals bij het sterven harer moeder, andere menschen alles voor haar beredderden, want zij was tot niets in staat. Weer stond de voorkamer vol officieren in uniform en gepensionneerden in min of meer zwarte rokken. Zij moesten „iets” doen, dat waren ze met elkaar eens. Er moest gezorgd worden, en al waren hun middelen niet groot, de band, in het leger en onder officieren krachtiger dan bij de burgerij, verloochende zich ondanks de tallooze disputen onder de levenden, ook bij dit sterfgeval niet. Na de begrafenis kwam er een commissie, die bepalen zou wat er te doen viel en dat zou gedaan worden. Zij maakten het aanvankelijk Corrie niet lastig, maar een week later bezochten zij haar.
Ze waren met hun drieën, een gepensionneerd majoor en een kapitein en een luitenant met verlof.
„We komen u eens spreken, juffrouw, over uw omstandigheden, wat u ons wel niet kwalijk zult nemen.” [184]
„O neen,” zei Corrie met haar gewone openhartigheid. „Ik ben u heel dankbaar voor uw moeite en opoffering.”
„Och, laat dat! Onder kameraden!.…”
„Nu ja, majoor, dat weet ik. Intusschen zijn toch maar, naar ik hoor, de loopende huisschulden afbetaald en.…”
„En verpande sieraden gelost, zeker! En nu komen wij u eens vragen of u ook eenig plan hebt.”
„Een plan? Neen, hoe zou ik een plan hebben?”
„Zie eens, juffrouw Corrie; het komt ons beter voor dat u dit huishouden niet voortzet.”
„Mij ook. Ik zou het niet kunnen. De kinderen zijn zoo lastig en brutaal! Maar als ze het zonder mij slecht moesten hebben.….”
„Ze hebben tucht noodig, en die zullen ze in gepaste mate deelachtig worden. U kunt daaromtrent zeer gerust zijn. Zij zullen goed worden behandeld; dáárop geef ik u mijn woord van eer.”
„Gelukkig!”
„En nu wat u aangaat. U weet wel dat uw papa in den laatsten tijd de boeken bijhield van den heer Maas. Het schijnen menschen te zijn, die nogal fortuin hebben.”
„Ik weet het niet,” zei Corrie boos en met een opwelling van trotschheid, meer uit haat dan uit karakter voortkomend. „Ik weet het niet: ik bemoeide me met dat volk nooit.”
„Het is maar, dat zij het voorstel hebben gedaan u bij hen in huis te nemen!”
„Mij? U hebt er toch niet aan gedacht, hoop ik?”
„Ik wist niet, dat u zoo’n afkeer van die menschen hadt.”
„Zij zijn mijns vaders ongeluk geweest,” zei Corrie ontroerd. [185]„Bij die menschen is hij een slaaf van den drank geworden en dat hebben zij van hem gemaakt.”
Allen zwegen. Het was waar, dat wisten ze. Juist daarom was het zoo pijnlijk, wat nog volgen moest.
„Misschien weet u ook, dat uw papa bij meneer Maas een schuld had wegens geleende gelden van ’n paar duizend gulden.”
„Ik wist niet, dat het zooveel was.”
„Nu is hun voorstel, dat u daar zult komen inwonen en helpen in de besturing van het huishouden, om zoodoende die schuld een weinig in te verdienen.”
Corrie gaf zoo dadelijk geen antwoord. Zij zag erg bleek en keek droevig voor zich uit naar de figuren op ’t goedkoope, verschietende behangselpapier aan den wand. Dat was de „beer” dien hij had gemaakt voor Nelly. Nu hij dood was, zou zij bij die lui in een soort van slavernij of pandelingschap gaan om althans in persoon de rente op te brengen van dat geld. Er ging haar van alles door het hoofd. Zij dacht aan zooveel mooi opgetuigde vrouwen, die men ’s middags in de hoofdstraten kon ontmoeten; die voor veel meer waarde dan een paar duizend gulden aan het lijf hadden, en die toch zoo gemakkelijk aan geld kwamen. Maar dat kon niet, dat was onmogelijk! Zij had eigenlijk geen keus; zij moest maar doen wat anderen wilden en voor anderen. Gelaten sloeg zij haar groote donkere oogen op naar den majoor, die zenuwachtig op zijn grijze knevels beet en zich, nu hij recht besefte wat dat inhad, in stilte reeds had voorgenomen, dat het toch niet zou gebeuren.
„Als het zóó is,” zei ze zuchtend, „in Godsnaam dan, majoor; dan zal ik er maar heengaan.” [186]
„Maar indien het voor u zulk een groote opoffering is, dan zou misschien.… er wel iets op te vinden zijn,” meende de kapitein, die voor het eerst tusschenbeide kwam.
Allen zagen hem aan. Hij was een man van zes, zeven en dertig jaar, kort en breed, met een gladgeschoren gezicht en scherpe, schrandere trekken; hij had iets gedecideerds, dat vertrouwen schonk.
„Als u bedoelt dat het geld door een collecte of een inschrijving moet bijeengebracht worden, dan moet ik er voor bedanken,” zei Corrie, met een plotselinge inspiratie van offervaardigheid.
„Men zou het kunnen opnemen,” meende de luitenant.
„Ik geloof,” zei Corrie, „dat het alles ’t zelfde blijft; papa was het geld eerlijk schuldig, en als ik iets moet doen om te zorgen, dat het wordt teruggegeven, dan zal ik het wel doen,” ging ze nog steeds zeer bleek en met tranen in de oogen voort. „En daarom zal ik bij de familie Maas in betrekking gaan.”
De heeren stonden op, bogen zwijgend en drukten haar met voelbare hartelijkheid de hand. Op straat spraken ze niet, maar liepen door met krachtigen militairen pas.
Corrie was in tranen uitgebarsten, toen ze weg waren. Nu was de maat vol! Dat was nog wel het eenige, dat aan haar ongelukkig bestaan ontbrak! Gaan dienen bij zulk volk!
Des avonds bezocht de kapitein zijn ouderen vriend den majoor, die dadelijk weer over middelen begon om Corrie te helpen, zonder dat het een bedelpartij werd.
„Want daar wil ze niet aan,” zei hij.
„Dat prouveert voor haar.” [187]
„Waarachtig! Zij is een flinke meid; ik had het niet achter haar gezocht.”
„Roos was in z’n tijd ook een man van ferm karakter.”
„Dat was hij,” zei de majoor eenigszins aangedaan. „Als ik bedenk, dat hij mijn slaap is geweest hier in Holland! Het was ’n brave, beste kerel. Op de chambrée leer je mekaar ’t beste kennen.”
De kapitein, van de academie, liet dat in ’t midden.
„Intusschen,” vervolgde de majoor, „is het lastig.”
„Ja. Ik zie er geen gat in.”
„Als het een jongen was, dan ging het makkelijk.”
„Zeker, maar dat is ze nu eenmaal niet. Laat ons bij de zaak blijven. Zij is jong.”
„Precies.”
„Mooi.”
„Hm!.… Dat is te zeggen.…. Nu soit, soedah, laat ons aannemen dat ze mooi is.”
„Neen, maar ze is het, majoor.”
„Goed, goed. Ik zie nog niet, waar je heen wilt. Aangenomen dus: ze is mooi!”
„Zij heeft een goed hart, een degelijk karakter.”
„Ik twijfel er niet aan, mijn vriend,” antwoordde de majoor erg boekerig. „Ga voort asjeblieft.”
„Ze is van fatsoenlijke afkomst; de dochter van een braaf officier.”
De majoor zette groote oogen op en keek strak zijn bezoeker aan, die onder het halve licht van een door transparenten beperkte lamp, zijn sigaar kneep.
„Voor den bliksem!” viel de majoor uit. „Wat is dat? Hoor [188]ik goed? Begrijp ik je of begrijp ik je niet? Vooruit met je stukken, zeg! Vooruit er mee!”
„Een oogenblik; m’n sigaar wil niet trekken.…. Ziezoo. Ja, majoor, ik geloof dat het volkomen begrepen is.”
„Dus,” vroeg de majoor met zijn bovenlijf vooruitkomend over de tafel, zacht en weifelend, „dus zou je waarachtig van plan zijn haar te trouwen?”
„Waarom niet?”
„Waarom wèl?”
„Dat is geen antwoord, maar een weervraag.”
„Kijk eens! Het is iets anders een meisje te vinden waarop men de algemeene benaming „knap”—van uiterlijk—en goed kan toepassen, en het is iets anders haar te trouwen.”
„Ongetwijfeld!”
„Het is iets anders kasian te hebben met een arme wees en respect voor haar flinke eigenschappen, en het is iets anders haar tot vrouw te nemen.”
„Zeker, zeker, dat geef ik toe.”
„Welnu dan?”
„Het is ook daarom alleen niet: zij bevalt me; haar persoon heeft indruk op me gemaakt; ik zie in, dat ik vrij wel op haar verliefd ben.”
De majoor schudde het hoofd met gefronste wenkbrauwen en blies zulk een rookwolk onder de lampekap, dat er eerst weer licht kwam op het tafelkleed, toen de warrelende spiralen waren weggetrokken.
„Dat moet je niet doen, hoor!”
„’t Verwondert me. ’t Was meteen het middel.” [189]
„’t Doet er niet toe. ’t Is ’n ander geval. De menschen verwarren altijd. Weet je wat ik geloof?”
„Wat dan?”
Het antwoord kwam niet zoo spoedig; de majoor scheen er moeite mee te hebben.
„Ik spreek als ’n oud vriend,” zei hij gemoedelijk, „en met geen andere bedoeling, dan je bestwil.”
„Daarvan ben ik immers overtuigd. Zeg maar op; ik beloof te voren onderwerping en geheimhouding.”
„Zie je, je bent nu met verlof, en je zult ook wel eens gepierewaaid hebben hier in Holland.”
„Zelfs te Parijs en te Weenen,” antwoordde de kapitein lachend. „Ik had nog wat geld hier en dat heb ik verteerd met Wijntje en Trijntje. Heel veel pleizier gehad, betoel!”
„Zoo! Enfin; ik had het van jou niet gedacht. Maar ik begrijp het. Je hadt in Indië een huishoudster.”
„Dat spreekt.”
„En nu je hier niets nieuws meer kan vinden, wordt je verliefd op ’n nonnaatje, zoo bruin als waarschijnlijk haar grootmoeder was. Komen daarbij geen souvenirs in het spel, amice? Zoo ja, is het dan goed? Is het wenschelijk voor jezelf; is het eerlijk spel tegenover het meisje?”
Het ernstig glad gezicht van den kapitein met den sterk geprononceerden neus was zeer betrokken; met de hand in de borst van zijn jas, had hij een faux air van „Napoleon te St.-Helena.”
„Verdomme majoor,” zei hij eindelijk, „dat doet me onaangenaam aan.”
„Denk er eens over.” [190]
„Dat behoeft niet. Ik heb geen oogenblik aan zoo iets gedacht.”
„Ik weet het wel, en dat was ook niet noodig.”
„Ik ben er niets lekker over, dat u zoo iets vooronderstelt.”
„Vooronderstellen doe ik niet; ik waarschuw slechts.”
„Ja maar.….”
„En bovendien,—je weet wat we bepaalden.”
„’t Is waar. Maar ik moet u een tegenbewijs leveren; ik ga haar vragen op staanden voet.”
„Ga je gang,” zei de majoor verstoord. „En moge het je wel bekomen.”
Corrie had haar broertjes en zusjes naar bed gebracht; zij had de poging harer goede burger-buurlui om haar gezelschap te houden en op te vroolijken, in dank van de hand gewezen. Zij was vermoeid en wilde vroeg gaan slapen. Het verdriet over de vernedering, om bij die gehate menschen als ondergeschikte te moeten dienen—want daarop kwam het „in betrekking” gaan toch neer—had ze ter zijde gesteld. Zulk verdriet bleef op haar leeftijd niet lang demonstratief; zij zag er verschrikkelijk tegenop, maar nu het eenmaal besloten was, onderwierp zij zich er aan, als aan een onafwijsbaar noodlot; het Oostersch fatalisme zat haar zóóver nog in ’t bloed.
Langzaam en zacht weerklonk de schel; zij schrikte er van; wat kon dàt wezen? en zonder te weten waarom het gewone feit, dat er gebeld werd, zulk een indruk op haar maakte, bonsde haar hart, als stond er iets verschrikkelijks voor de deur.—Zij hoorde dat boven een deur werd geopend en [191]iemand van de trap kwam, om te zien wie zoo laat—’t was nog geen acht uren—nog een bezoek bracht.
„Juffrouw!” zei de buurvrouw een oogenblik later buiten de kamerdeur in de gang.
Corrie deed open.
„Wat blieft u?”
„Daar is iemand om u te spreken. Een van de heeren van hedenochtend.”
Zij draaide de petroleumlamp hoogerop en lei machinaal het tafelkleed recht.
„Wilt u meneer maar hier laten komen?” vroeg ze.
Zonder te aarzelen trad de kapitein de kamer in en groette.
„Ga zitten meneer,” zei Corrie hem een stoel wijzend. „Wat is er van uw dienst?”
Maar hij bleef staan voor den stoel.
„U zult mij, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij ben u nog te komen bezoeken, maar het kan geen uitstel dulden.”
Verwonderd keek zij hem aan.
„Is het iets zoo dringends?”
„Ja, juffrouw.…. Wilt u mijn vrouw worden?”
„Uw vrouw?” herhaalde zij en haar groote zwarte oogen gingen wijd open. „Uw vrouw? Maar meneer, fopt u mij? Dat zou u allesbehalve mooi staan.… in mijn omstandigheden.”
„Ik meen het zeer ernstig.”
„Mijn hemel, meneer.… hoe komt het u in ’t hoofd?”
„Dat weet ik niet. Ik denk dat niemand zoo iets weet. Alleen verzeker ik u op mijn woord van eer, dat het mij ernst is.” [192]
Zij keek hem eens aan. Nu, als een grappenmaker zag hij er in ’t geheel niet uit. Integendeel, zijn scherp geteekende trekken, sterker uitgedrukt dan ooit, lieten geen twijfel toe aan de oprechtheid zijner woorden.
Een oogenblik dwaalde haar blik doelloos langs de kale behangselwanden en over de half beschaduwde povere meubeltjes der kamer; intusschen stond de buurjuffrouw te luisteren aan de op een kier staande deur, stikkend haast van nieuwsgierigheid.
Corrie steunde haar hoofd, dat zij zwak voelde, met haar kleine bruine hand. Het schemerde haar voor den geest. Wat was dit nu voor een gek geval! Waarom vroeg hij haar? Uit kasian, dat sprak vanzelf. Zij gevoelde niets voor hem en was zelfs een beetje bang voor zijn streng gezicht. Hij zag er in ’t geheel niet uit als iemand, die uit vrijen ging; het was veeleer of hij in dienst was voor den troep.
„Wilt u mijn aanzoek in overweging houden?” vroeg hij.
„Neen meneer, ik dank u. Het is zeer vriendelijk van u, maar het medelijden met mijn toestand is te ver gedreven.”
„Dat is het niet,” zei hij zacht. „Ik houd heel veel van u.”
Corrie schudde glimlachend het hoofd.
„Dat kan niet!”
„Waarom niet? Ik geef toe dat mijn aanzoek onder vreemde, voor menigeen ongepaste omstandigheden plaats heeft. Laat dat zijn. Het is een buitengewoon geval. Morgen zoudt u wellicht voor goed besluiten.…”
„Ik heb al besloten. Ik dank u voor uw aanzoek, maar ik kan het niet aannemen.” [193]
„Wijs mij zóó niet af,” zei hij eenigszins bewogen. „Mijn bedoelingen waren zuiver. Verdenk die niet.”
„Dat laat ik daar. Ik denk en ik kan niet anders denken, dan dat dit een soort van menschlievende daad is, en dáárvoor bedank ik.”
„Geloof me, het is dat niet.”
„Voor mij wel en dus blijft dat hetzelfde. Eens en voor goed: ik doe het niet.”
„Dus u weigert om die reden?”
„Ja! Onvoorwaardelijk ja. Ik ben geen grootheid; geld en goed bezit ik niet; een schoonheid ben ik evenmin; ik ben in het minst geen partij. Als u mij nu vraagt, na het gesprek van hedenochtend, dan zie ik er niets in dan kasian. Ik wil niet, meneer, ik wil niet. Zóó ben ik niet!”
De gave van het woord bezat ze maar in zeer geringe mate; doch ze had zich opgewonden en zag bleek, terwijl de tranen weer opkwamen in haar nog roodgeweende oogen.
Hij zag, dat er op dit moment niets met haar was aan te vangen.
„Wind u niet op,” kalmeerde hij. „Denk over mijn voorstel na. Het is gedaan uit achting en liefde. Maar ik dring mij niet op. Ik vraag alleen een redelijken bedenktijd vóór u beslist.”
„Geloof me, het is onnoodig. Ik zou het u nooit vergeven en mijzelve ook niet. ’t Zou een ongelukkig huwelijk worden, anders niet. Ik houd nu niets van u en als ik u nam, zou ik het moeten doen om mij te bergen. Dat wil ik niet, nu niet en nimmer.”
„Ik zal thans niet verder aandringen,” zei hij; „toch hoop [194]ik, dat u denken zult over mijn woorden, die waar zijn en welgemeend.”
„Het zij hoe het wil, maar ik moet u bepaald afwijzen.”
De kapitein zei geen woord meer, boog en ging.
Corrie kreeg een moederlijke vermaning van de buurjuffrouw, die, zei ze, wel niet geluisterd had, maar toevallig gehoord wat de kapitein had gezegd en Corrie had geantwoord. Zij was in de gang geweest en de deur had opengestaan. Een mensch kan toch niet helpen, dat hij niet doof is! Maar een kapitein af te wijzen,—dat vond de buurjuffrouw, die met haar echtvriend de liefdefirma op touw had gezet toen deze nog slechts sergeant was—en in „het militaire” had hij het bij die waardigheid gelaten—toch al te kras; zij meende dat iemand in de omstandigheden van haar buurmeisje een kapitein moest aannemen, het mocht dan zijn hoe het wilde. Vooral in een tijd, dat het zoo slecht ging met alles; vooral in Indië moest alles heel slecht gaan, had haar man op zijn bureau hooren vertellen.
Nu, dat was zoo.
De berichten luidden steeds ongunstiger.
Mourant, die een hevige scène had gehad met Henriëtte, waarin hij ruzie gemaakt en gevleid, gebeden en gevloekt, gesmeekt en gedreigd had, was kortweg ’t huis uitgejaagd, met een haat en een minachting, die hem razend maakten. Hij was, niet wetende wat te doen, de straat opgeloopen, inwendig kokend van woede, en schoon uiterlijk zijn kalmte bewarend, wel tien jaren ouder in zijn gezicht. Nogeens zou hij het dien dag beproeven. Hij wilde, hij kon de werkelijkheid [195]niet als zoodanig aannemen. Het was al te dwaas! Zij was ziek; ze moesten weg; een groote reis door Italië en Griekenland of zoo! ’t Kon, ’t mocht niet zijn, dat zij en haar vermogen hem ontgingen en hij daar werd neergezet alleen, verlaten, bespot, geminacht. In een restaurant trachtte hij tot kalmte te komen door iets te eten en een glas champagne met ijs te gebruiken. Het gelukte hem, en bedaarder, schoon niet minder somber gestemd, ging hij naar zijn kamers om er de middelen te beramen, die nog denzelfden dag, zonder verwijl, toegepast moesten worden.
Er was een mail aan.
Mourant was gewoon veel brieven te ontvangen, vooral in den laatsten tijd, maar zooveel als er ditmaal op de tafel lagen, waren er anders toch nooit.
Hij las er een en werd erg bleek. Mijn God, dat moest er nog bij komen! Zijn vriend, zijn beste vriend, zijn boezemvriend, dien hij een onbeperkt vertrouwen had geschonken, bleek hem voor een goed deel van zijn vermogen te hebben bestolen en opgelicht. Bevend streek hij de handen over ’t hoofd, als vreesde hij, dat iets daarin verkeerd zou gaan zitten. Met zijn weinige grijze haren en potsierlijke verwarring, half luid sprekend met de breede gemaakte gebaren, die ten slotte natuurlijk bij hem waren geworden, liep hij heen en weer in de kamer, nu eens een enveloppe van een brief scheurend en dien, na een vluchtigen blik op den inhoud, neerwerpend bij de andere. Het was immers alles ’t zelfde! Zijn vrienden beklaagden hem allen, maar zijn geld kreeg hij niet terug. Wat te doen, wat te doen? En allen schreven hem, dat hij in ’t belang van de kansen op redding, van [196]een gedeelte althans, zoo spoedig mogelijk naar Indië moest komen. Hij wist, althans begreep, dat dit volkomen waar was, maar dan verwierp hij hier moedwillig alle kansen.
Een denkbeeld kwam bij hem op: als zij eens te bewegen was ook naar Indië te gaan!
Hij begon zich te verkleeden in een stemming, welke hem toescheen overeenkomst te moeten hebben met die van een ter dood veroordeelde. Zijn handen beefden zoo, dat hij de knoopjes van zijn overhemd niet vast kon krijgen.
De huissleutel van Henriëtte’s woning was nog in zijn bezit en hij trad binnen met zijn gewone air van heer en meester der vesting; maar de meid kwam hem dadelijk in de gang te gemoet; het was of ze op hem had gewacht.
„Ik zou u niet aanraden binnen te gaan,” zei ze snibbig en brutaal.
Hij verwaardigde haar met geen blik en had reeds den voet op de eerste trede van de trap.
„Meneer Jules is boven.”
Mourant trok den voet terug en keek het meisje in haar aardig, maar onbeschaamd gezichtje. Zijn verbeelding stelde hem de kamer voor, met Henriëtte en Jules er in, zijn optreden daar en de onvermijdelijke onaangenaamheden. Hij wist dat die jonge kerel zich voor niets zou ontzien en dat hij zich blootstelde aan een bejegening, die tot alles kon leiden, van een kaakslag tot een tweegevecht. De vrees maakte zich van hem meester; hij was bang. Een held was hij met het woord en waar dat indruk teweegbracht kon hij verschrikkelijk zijn; zijn uiterlijk was groot, forsch, indrukwekkend. Maar zijn persoonlijke moed was een muisje [197]door dezen berg gebaard. Als er kans bestond op een vuistslag, een sabelhouw of een pistoolkogel, dan trok hij zich gaarne terug met al de kracht die in hem was. Een oogenblik aarzelde hij; toen stak hij duim en vinger in een vestzak en haalde langzaam een sovereign te voorschijn.
Het meisje lachte hem brutaal uit.
„Ik laat me niet omkoopen! Ik doe wat mevrouw mij heeft gelast.”
„Dus zij heeft je hier gezonden?”
„Zeker. Waarom niet?”
„En om mij te beletten.…”
„Wel neen! Wie belet u iets? Ga maar gerust binnen.”
Zij zei het spottend; ze had gezien dat hij niet durfde.
„Nu ja.”
„Neen wezenlijk meneer; geneer u niet.”
„Je moet me helpen er een eind aan te maken.”
„Dank u; ik help u niet.”
„Ik zal je er rijk voor beloonen; je moet!”
„En ik wil niet. Wat denkt u! Ik heb heel graag een fooi, maar ik mag zien, dat die met pleizier wordt gegeven. Heb ik vroeger ooit iets van u gehad?”
Thans begreep hij welk een groote fout hij had begaan door tegen de kleinigheden te zondigen; zijn zuinigheid met fooien had op gruwelijke manier de wijsheid bedrogen.
Aarzelend liep hij in de gang op en neer, den neus in den wind, de handen op den rug, inwendig dol van woede, uiterlijk vrij kalm. De bonne telde met een cynischen glimlach de knoopjes van het lijf harer japon: gaan, niet gaan! De lust om binnen te dringen was er bij Mourant; de physieke [198]moed ontbrak, en dit leidde hem tot een philosopheeren over redenen, die hem het maken eener scène—’t zij luidruchtig of in gewonen toon—onmogelijk maakten. Zoo viel het hem in dat hij geen zedelijk recht bezat; dat hem bij een gewelddadig optreden elke rechtsgrond ontbrak, omdat hij geen ander beroep had, dat uit een immoreele verhouding voortsproot. Was hij zelfs niet op wettige gronden als voogd der kinderen te wraken? In een oogenblik zette hij een pleidooi op tegen zichzelven en vóór de noodzakelijkheid onverrichterzake heen te gaan.
„Zeg aan mevrouw,” zei hij, „dat ik haar het onaangename van mijn tusschenkomst thans wensch te besparen, maar dat ik haar verzoek mij morgen vóór negen uren mede te deelen, waar en wanneer ze mij kan ontvangen.”
„Het is goed.”
Zij liet hem uit met overdreven gedienstigheid.
„Niets meer van uw orders?”
Zonder het brutaal schepsel met een blik te verwaardigen, ging Mourant, in groote deftigheid en met zenuwachtigen greep zijn demi-saison hooger op de borst trekkend, het trottoir op.
Intusschen waren Jules en Henriëtte volstrekt niet meer op hun gemak, dan de man in de gang was geweest. Jules had vast besloten voor goed Mourant af te maken; hij was jong en sterk en zijn voornemen stond vast. Maar als hij dacht aan de persoonlijkheid van den advocaat en zich voorstelde hoe deze hem met het woord dadelijk de baas zijn zou, zoodat hem om te overwinnen niets anders overbleven dan de ruwe uitingen van het vuistrecht, dan parelde het zweet hem erger [199]op het voorhoofd in dit koel klimaat, dan ooit onder het tropisch zonnetje van Indië; dan werd hij zoo zenuwachtig, dat, als zijn liefde voor Henriëtte niet zoo sterk was geweest, hij zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen zou gezocht hebben. Thans zou hij blijven; het gold niet meer of minder dan.… zijn aanstaande vrouw.
Zij had hem alles verteld; alles.
Zij had hem bleek, zenuwachtig en met tranen in stem en oogen, haar leven geschetst gedurende de ziekte van Veninga, en haar lijden onder zijn beleedigende, ruwe bejegening; zij had hem doen gevoelen hoe zij bezweken was, niet uit liefde voor Mourant, maar door de groote behoefte aan liefde, die zij, zonder andere vrienden of familie, elken dag dieper gevoelde naarmate het humeur van Veninga haar erger griefde en verbitterde. En eindelijk had zij toegegeven, half en half met het denkbeeld: als ik dan toch elken dag word uitgescholden alsof ik het was; als ik ieder oogenblik onder de uitgedrukte verdenking moet staan het te zijn, welnu, dan zal ik het wezen.