En Jules, die in zijn wijze van denken, in zijn geheele levensrichting een niet minder groote overeenkomst toonde met Henriëtte, dan in de kleur van oogen, haar en huid, had dat dadelijk volkomen begrepen.
Maar die bekentenis had voor hem den toestand geheel veranderd.
Aanvankelijk had hij gedacht, dat deze kennismaking met het mooie jonge weeuwtje zou uitloopen op een voorbijgaande liefdesgeschiedenis, waarbij Mourant den gefopten minnaar zou vertoonen; hij had zich ’t verloop onder de bestaande [200]omstandigheden haast niet anders kunnen voorstellen. Thans was dat heel veranderd. Hij gevoelde dat hij Henriëtte zeer liefhad, en zij hem ook. Het begon er anders uit te zien. Hij moest haar òf dadelijk verlaten òf haar trouwen! Heel gauw had hij tot dat laatste besloten. Zijn oom, thans razend van woede, had Brussel verlaten, zwerende, dat als Jules het deed, hij nimmer meer in zijn woning te Batavia zou worden toegelaten. En Jules, die wel wist dat dit op den duur tegenover een planter, wien het voor den wind gaat, niet is vol te houden, liet zijn oom stilletjes vertrekken.
De slechte berichten uit Indië hadden ook Fournier bereikt.
Ondanks den practischen raad van Hortense, had hij toch niet zoo goed gezorgd voor hun eigen geld, als voor dat van Louise en van dokter Van der Linden. Dat maakte het heel moeilijk voor hem en drukte hem zwaar ter neer, terwijl hij de Jobstijdingen las, die de jongste mail aanbracht.
„Wat scheelt er aan?” vroeg zijn vrouw, toen ze zijn kantoorkamer binnenkwam om te zien of er ook brieven voor haar waren.
En toen hij zoo gauw niet antwoordde, vroeg ze ongerust:
„Is het weer mis?”
Hij knikte toestemmend en zuchtte diep. Het zat hem als een brok in de keel. Nooit was hij geldzuchtig van aard geweest, en voor hemzelven was het niet erg. Maar nu hij kinderen had, nu was de mededeeling, dat zijn halve fortuin gewoon naar de maan was, hoogst verdrietig; ’t was hem of zijn kinderen in hun toekomst werden bestolen en hij de dief was.
Hortense ging naast hem zitten, en haar gezicht tegen het [201]zijne drukkend, keek ze mee in den noodlottigen brief, dien hij voortging met lezen; toen ze die cijfers zag, begreep haar heldere geest alles; een oogenblik werd ze erg, erg bleek.
„’t Is een ruïne!” zei hij toonloos.
„Het is verschrikkelijk!”
Een paar seconden zwegen beiden.
„’t Beste is, Gérard, dat we hier den boel zoo spoedig mogelijk aan kant doen; dat je voor het lidmaatschap bedankt; dat we teruggaan naar Indië en je de praktijk weer opneemt.”
„Ja,” zei hij nogmaals uiterst ontstemd.
„’t Baat niet, Gérard, of we er lang over tobben. Een kort besluit, een goed besluit.”
„Had ik maar heelemaal gedaan, zooals je gezegd hebt!”
„Gedane zaken nemen geen keer, vent. Er moeten spijkers met koppen worden geslagen. Het is hoogst verdrietig, dat weet ik immers zoo goed als jij! Maar ’t baat niet er om te treuren.”
Fournier keek haar met verwondering aan.
Hij wist dat zij een hekel had aan Indië; dat zij er altijd ziek was; dat hun eerste kind er zoo geleden had; dat aan haar verblijf te Batavia hoogst onaangename herinneringen waren verbonden.
En hij wist hoe blij ze was om zijn verkiezing, hoe zij in haar vreugde zelfs nog weinig dagen te voren had gesmaald op Indië.
Nu was zij de eerste, die sprak van teruggaan naar Indië, niet alsof het een zaak was van de grootste opoffering, maar de meest alledaagsche ter wereld.
„Ik vrees dat het onvermijdelijk zijn zal,” zei hij. [202]
„Zeker, met wat ons overblijft kunnen wij immers niet blijven leven, zonder erg te verminderen.”
„Als we dat toch eens deden.”
Beslist schudde zij het hoofd.
„Neen, Gérard, dat mag niet; dáárvoor zijn we te jong.”
„Ik heb zulke ernstige bezwaren.”
„Zeker. Ik begrijp dat wel: je verkiezing hier; het nare werk ginds; het andere leven, eentonig en afmattend.”
„Juist, dàt ook. Maar.….”
„Kom,” zei ze, hem kussend en lachend, wel zenuwachtig maar toch met vertoon van vroolijkheid, „kom, het zal wel schikken. Wellicht is het weer in orde binnen een jaar of vijf. Dan zijn we weer hier terug, en het is maar de quaestie van eenigen verloren tijd.”
„En jij, en de kinderen?”
„Wij gaan natuurlijk mee.”
„Om er weer als vroeger doodziek te worden?”
„Wel neen; we zijn nu, Goddank, allen uitstekend gezond, en ik zie niet in, dat.…”
„En vroeger dan?”
„Dat was iets anders. Mijn hemel, je kunt toch niet zeggen dat men ergens per se ziek moet zijn, omdat men er eens ziek was?”
„Enfin, ik moet er eerst nog eens over nadenken; het is een heel besluit.”
„Gérard, het geeft niets of je al langer nadenkt; het moet gebeuren, daartegen is niets te doen. Wat schrijft Droz?”
„Kijk zelve maar,” antwoordde hij, zuchtend den brief overhandigend. [203]
Zij las hem met een gezicht vol ernst en gewicht.
„Juist wat ik dacht! ’t Kantoor gaat prachtig, te beter naarmate de tijden slechter zijn.”
„Ja, dat wist ik.”
„En hij wil graag eens naar hier. O, maar Gérard, dat treft prachtig.”
Doch Fournier werd boos.
„Het ontbreekt er nog maar aan, dat je verheugd bent,” zei hij schamper. „Je schijnt heelemaal te vergeten, dat het vandaag de ongelukkigste dag is, die we in jaren hebben doorleefd. Je weet, ik hecht niet aan het geld om ’t geld, maar ik verzeker je, dat dit me te machtig is.”
Het scheelde maar weinig of tranen van aandoening kwamen hem in de oogen. Hortense troostte en bemoedigde hem. Doch toen hij des middags in zijn kantoor was begonnen met maatregelen te nemen voor zijn vertrek, en hij voor ’t een en ander het advies zijner vrouw noodig had, vond hij haar met de kinderen op het tapijt zitten in hun kleedkamer, schreiend en snikkend.
Hij was er zeer door bewogen, en zij, schrikkend op zijn onverwacht binnentreden, droogde haastig haar tranen. Daar had je het! dacht hij. Zij had zich goed gehouden voor hem; zij had zichzelve geweld aangedaan en hem het denkbeeld, naar Indië terug te keeren, met opgewektheid aangepraat, terwijl het haarzelve doodelijk bedroefde, hoewel ze hem toch niet alleen wilde laten gaan, al waagde zij er ook haar eigen gezondheid aan en die van haar kinderen.
Bewogen keek hij haar aan, terwijl ze haar best deed om, zich bezighoudend en sprekend met de kinderen, hem niet [204]te laten zien, dat ze gehuild had, en toen hij haar stil en met dankbare genegenheid aanzag, vond hij haar mooi en lief; het was de eerste maal in zijn leven.
„Stance,” zei hij: „wil je me een groot, groot genoegen doen?”
Verschrikt zag ze hem aan met wijdgeopende oogen en angsttrekken om den mond. Zij behoefde geen uitlegging; ze wist wat het was; zij had het gevoel dat ze in Indië haar dood te gemoet ging, doch dat vond ze het ergste niet; zij sloeg haar armen om zijn hals, en streed niet verder om haar droefheid te bedwingen.
„Nooit, Gérard, nooit! Ik heb je eens laten blijven en ben alleen naar hier gegaan, en je hebt me zelf verteld hoe akelig en verdrietig je dat leven was zonder familie, zonder eigen gezin.”
„Nu ja, doch wat.….”
„Gérard, spreek er niet van; ik doe het niet. Wij moeten bij elkaar blijven. Later, als we ouder zijn en het mocht dan nog noodig wezen, dan kunnen we altijd zien.”
„Dat is ook een uitvlucht!”
„Het kan me niet schelen: nu doe ik het niet.”
Hij kuste haar blonde haren; haar aanhankelijkheid deed hem goed, en zeker, het zou een heel ander leven voor hem zijn met haar en de kinderen in eigen woning, dan hier of daar te Weltevreden in een paviljoentje.
Dokter Van der Linden en de jonge familie Riquelle hadden geen last van slechte tijdingen uit Indië. Wel hoorden zij er van spreken in Den Haag en zagen zij dat de couranten wemelden van advertenties, waarin huizen en villa’s te huur en te koop [205]werden aangeboden met en zonder ameublement, maar verder trof het hen niet,—tot op een goeden middag Louise een brief ontving van haar gewezen stiefdochter, waarin die meedeelde, dat zij en Fournier door finantiëele omstandigheden genoodzaakt waren terug te keeren. Het trof haar hoogst onaangenaam; zooals haar sedert haar huwelijk met den ritmeester nog niets had getroffen, want alles ging van een leien dakje. Zij was op normalen tijd in „de” omstandigheden geraakt, en nu lag sedert maanden reeds, meer op den schoot van papa en mama Riquelle dan in zijn prachtig met kanten en strikken opgesierd wiegje, een jeugdige gravin Riquelle met den blonden krullebol, die sedert vele jaren het hoofd van dokter Van der Linden had verlaten, en met eenige sprekende bijzonderheden der Van Veltons, als had die oude Bataviasche koopman voor goed zijn tjap gedrukt op de nakomelingschap van Louise.
Zij had daar, ondanks haar scherpzinnigheid, niets van bespeurd; zij verbeeldde zich, dat ’t kleintje sprekend op haar man geleek, en daar waren beiden recht gelukkig mee. Louise had een gevoel alsof ze tot rust was gekomen; alsof zij eindelijk was beland waar zij wezen moest.
Met gemoedelijkheid en een kalm vertrouwen zag zij de toekomst tegen. Niets kon haar deren. Zij had Riquelle voor goed lief, en hij haar, dat wist ze; in de coterieën was zij opgenomen; men mocht haar gaarne en bewonderde haar gedistingeerde vormen en goeden conversatie-toon, terwijl men haar schoonheid benijdde en haar rijkdom op prijs wist te stellen. [206]
„Vindt je het niet vreemd, Edmund?”
„Ja,” zei de ritmeester zijn rossige knevels opdraaiend, „dat is het zeker. Het spijt me voor Fournier. Ik weet dat hij het niet voor zijn genoegen doet.”
„En hij is pas in de Staten-Generaal gekozen.”
„Dat komt er nog bij! Ik kan me toch niet voorstellen, dat hij voor ons geld heeft gezorgd, en niet voor het zijne.”
„Het schijnt toch wel.”
„’t Zou verschrikkelijk wezen! Zouden we niet eens naar papa gaan?”
„Mij dunkt, dat ware ’t beste; wellicht weet pa Van der Linden er meer van.”
Zij lieten den coupé inspannen. Toen Louise bij het afrijden even door het raampje keek, betrok haar gelaat en liet zij zich achterover in de kussens vallen. Midden op den weg liep langzaam een vrij fatsoenlijk gekleed burgerman, nog jong betrekkelijk, met een ronden hoed en een wandelstok in de hand. Hij keek haar brutaal in het gezicht met een ergerlijk onbeschaamde uitdrukking op zijn gelaat. Het was nu reeds de derde maal dat zij, haar huis verlatend, dien persoon ontmoette en op die wijze door hem werd gefixeerd. ’t Was onuitstaanbaar, maar er was niets aan te doen. Riquelle had het niet gezien. Als hij ook maar had kunnen vermoeden, dat die man zijn vrouwtje hinderde, hij zou hem met de rijzweep hebben afgerost. Bij het huis van haar vader dacht zij er niet meer aan. Een mooie vrouw maakt dikwijls diepen indruk; dat was ze van jongs af gewend!
„Het is een gek geval,” zei de oude heer, die wel hoe langer hoe kaler en grijzer werd, maar weinig verouderde, [207]„hij heeft inderdaad voor ons geld gezorgd en niet voor ’t hunne.”
„Maar hoe is het mogelijk?”
„Sommige menschen zijn zoo. Hij is voorzichtig voor anderen, sekuur van aanbelang; maar zijn eigen geld moest hij door anderen laten beheeren.”
„Zouden wij hen niet kunnen helpen?” vroeg Louise.
Riquelle zei niets, maar keek haar een beetje angstig aan; hij bevond zich zoo uitstekend bij de tegenwoordige ruimte van middelen! En als iemand, die weet wat ontbering van comfort is, als men dit zoo gaarne zou hebben, was hij haast gierig op het bezit.
„Wij zouden wel kunnen,” meende de dokter.
„Welnu, dan moeten we het doen.”
Maar haar vader schudde het hoofd.
„Nonsens, kind. Persoontjes als Fournier en Hortense nemen zulke hulp niet aan.”
De ritmeester haalde diep adem.
„Dat meende ik ook.”
„Wij konden het toch beproeven.”
„Goed! Ik zal het doen, kind. Het is zeer zeker, dat het niets hoegenaamd zal baten; maar als ik je er een pleizier mee doe, dan gaarne, en ik beloof je, dat ik mijn best zal doen.”
Zij vroeg naar haar zoon. Die was naar school, zei de dokter op een toon van gewicht.
„Waarom neemt u niet liever een gouverneur?”
„Gekheid! kinderen moeten met kinderen omgaan.”
„Dat vind ik ook,” zei Riquelle. [208]
„Als jullie nog een kwartier wacht is hij thuis.”
Maar daar had Louise geen tijd voor, want ze moesten nog noodzakelijk eenige visites maken, nu ze toch en route waren. Riquelle bevestigde het; hij was volstrekt niet verlangend naar den jongenheer Van Velton en de antipathie was wederkeerig.
Glimlachend schudde de dokter het hoofd, hen uitlatend op den corridor.
„U bent al tweemalen naar uw kleindochter wezen zien,” zei Louise verwijtend en terwijl ze de trap afging omkijkend naar haar vader.
„Ik ga weinig uit, maar ik kom toch gauw eens aan.”
Wat kon hem dat pasgeboren gravinnetje schelen! Had hij niet zijn eigen kleinzoon, dien fermen jongen?
Toen zij in het rijtuig stapte, zag ze wederom aan de andere zijde door het raampje het gezicht van den man, dien ze de laatste dagen telkens als ze uitging ontmoette, die haar fixeerde en volgde; zij schrikte er ditmaal van. Het trof den ritmeester ook, dat die man zoo keek en hij monsterde hem met een gezicht en een paar oogen, die den kerel dadelijk vol vrees het hoofd deden omwenden.
„Wat is dat voor een man?” vroeg hij, toen het rijtuig wegreed.
„Ik weet het niet.”
„Onbeschoft volk!”
„Wel Edmund, ik zie nu al dagen lang dien man, telkens als we uitgaan, en iederen keer kijkt hij zoo verschrikkelijk brutaal.”
Riquelle’s gezicht betrok onheilspellend. [209]
„Maar lieve Louise, waarom dat niet eer gezegd?”
„Ik durfde niet goed, ik vond het zoo gek.”
„Integendeel, het is.…”
„Ik was bang, dat je me zoudt uitlachen, of misschien in drift een ongeluk begaan.”
„O zoo! Neen, ik zal wijzer zijn. Persoonlijk zal ik aan zoo’n individu de handen niet vuil maken.”
„Het is allervervelendst!”
„Wees maar gerust,” zei hij, zijn hand op haar schoot leggend en de hare zacht drukkend met een teedere beschermende uitdrukking op zijn gezicht: „je zult er geen last meer van hebben.”
Dokter Van der Linden liet er geen gras over groeien. Nauwelijks was zijn kleinzoon van school thuis gekomen, of hij liet hem netjes kleeden en toog op weg naar de Fourniers; al wandelend praatte hij met het ventje; het was zijn grootste genoegen. Aan de overzijde van de straat, een eindje achter hen, volgde dezelfde man, van wien Louise last had. Met de handen in de zakken van zijn paletot, den wandelstok onder den arm, het hoofd vooruit en een weinig gebogen, slenterde hij langzaam voort, in gedachten verzonken, nu en dan een blik slaande op den ouden heer en het kind aan de overzijde. Zoo volgde hij hen tot voor het huis van Fournier.
„Toe Hortense,” zei de dokter, „hou jij mijn kleinen vent zoolang bezig. Ik wou Gérard eens spreken over zaken.”
„Hij is op zijn kantoor.”
„Goed kind, dan vind ik hem wel.”
„U wilt.…” [210]
„Wat?”
„U wilt ons toch geen proposities doen om hier te blijven?”
„En als dat nu eens ’t geval was?”
Hortense kreeg een kleur en haar hoofd, zich oprichtend, maakte korte, zenuwachtige bewegingen vol trots.
„Het is heel lief van u, doch het helpt niet.”
„En waarom niet, asjeblieft?” vroeg de oude heer boos en op den eenigszins ruwen toon, die hem in vroeger jaren niet vreemd was.
„Omdat wij niet mogen en niet kunnen.”
„Pfff! groote woorden, meisje! Zaken zijn zaken, dat zei je oude heer altijd en dat is waar. Asjeblieft geen sentimentaliteit.”
„Het is geen sentimentaliteit!”
„Wat is het dan? Is ons fortuin niet wezenlijk het onze en zijn wij er niet op eerlijke en fatsoenlijke manier aangekomen?”
„Och, dat is het niet, meneer Van der Linden.”
„Dat is het wel, mevrouw Fournier, want was dat anders, dan hadt je gelijk. Het is ’t eenig motief voor het afwijzen van proposities als de onze.”
„We kunnen heusch niet.”
„Nu,” vervolgde hij lachend, „wind je maar niet op. Ik zal het wel eens bepraten met je man.”
En hoe weinig hoop hij daarop had, deed hij toch zijn best; toen hij binnenkwam riep hij met bonhomie, waardoor echter een tintje ontevredenheid straalde:
„Wat ga je nu voor onbezonnen dingen doen?” [211]
Fournier stond op en ging hem met een uitgestoken hand te gemoet.
„Het moet, papa Van der Linden; het is onaangenaam, maar het kan niet anders.”
„Hoor eens, Fournier: een kort lied is gauw gezongen. Wil je me cijfers noemen?”
„Onder ons, natuurlijk!”
„Dat spreekt vanzelf.”
Zij staken de hoofden bijeen boven het zakboekje, dat Fournier op zijn schrijftafel opensloeg.
„Nu,” zei de dokter opkijkend over zijn bril. „Het is te doen!”
„Dat wil zeggen?” vroeg Fournier, die met minder scherpzinnigheid in dit geval dan Hortense, niet zoo dadelijk het fijne van de zaak begreep.
„Kijk eens hier! Wij, Louise en ik, kunnen samen zooveel dekken dat jullie niet naar Indië behoeft te gaan.”
Fournier stond driftig op met een breed gebaar van afwijzing.
„Stil!” vervolgde de dokter: „laat me uitspreken. Als je gaat met je familie, zal Stance er zeker ziek worden, want zij is nu eenmaal niet voor het klimaat vervaardigd, en je kindertjes hoogstwaarschijnlijk ook. Ik heb veel, wat het beheer van mijn vermogen aangaat, haar vader en jou te danken. Louise nog veel meer door haar zoo belangrijk aandeel in de erfenis van Van Velton. Het is dus geen geschenk, geen edelmoedigheid of zoo,—het is een uitvloeisel van knellende zedelijke verplichting en het zal mijn dochter en mij een vreugde zijn.” [212]
Een oogenblik dacht Fournier na, aarzelend.
„Laat Hortense beslissen.”
Maar de dokter werd rood van kwaadheid, sloeg met zijn vlakke hand op de schrijftafel, dat de inkt uit den koker spatte, en riep:
„Dat behoeft niet, want ze verdomt het. Ziedaar!”
Zich in stilte vermakend om den barschen uitval van den dokter, betoogde nu Fournier met grooten ernst, dat het voorstel, hoe goed gemeend en hoe treffend offervaardig, onmogelijk kon worden aangenomen.
„Men doet zoo iets,” dus eindigde hij, „als men in werkelijken nood zit en dan, zou ik zeggen, is het plicht.”
„Maar jullie zit in nood.”
„Och kom!” lachte Fournier: „dat is ook wat!”
„Waarachtig! Je begrijpt het niet, mijn waarde, maar het is zoo. Hortense houdt het niet vol in Indië en de kinderen ook niet.”
„Dat is niet gezegd; zij zijn er vroeger.…”
„Geloof je dat ik van zulke zaken meer weet dan jij?”
„Zeker. Maar u heeft thans een nevenbedoeling.”
„Goed! Als je meent dat dit overwegend is, kan ik je niet overtuigen; intusschen: ik heb je gewaarschuwd en ik zal het Stance ook doen. De gevolgen van deze dwaasheid komen voor jullie rekening.”
Half boos ging de oude heer heen, en toen hij in de kamer kwam waar zijn kleinzoon, die zich veel te groot achtte om zich met die „kleintjes” bezig te houden, een heel eigenwijs gesprek hield met Hortense—ging hij regelrecht op haar af. [213]
„Zeg Stance, als je soms lust hebt tot zelfmoord, dan is er een gemakkelijker manier voor jou en de kinderen dan naar Indië te gaan.”
Zij trok ongeloovig en minachtend de schouders op.
„Je denkt, dat het niet waar is, maar ik geef je er mijn woord op, mijn woord van eer.”
„Waarop?”
„Op de waarheid van ’t geen ik zeg. Binnen het jaar ben je dood.”
„Het is goed!”
„Wat is het? Is het goed?”
„Nu, zoo meen ik het niet. Maar als het waar was…”
„Als het waar was? Het is waar.”
„Ik zeg: als het waar was, ging ik toch nog liever, dan hem alleen te laten gaan.”
„Maar mijn God, jullie bent zoo koppig als ezels. Hij behoeft immers evenmin te gaan.”
Zij knikte vastberaden met het hoofd.
„Wij moeten.”
Driftig reikte de oude heer haar de hand.
„Dan wil ik je groeten.”
Hij trok zijn kleinzoon mee, en Hortense half lachend liep hem achterna.
„Ik hoop niet, dat u boos zijt.”
„Och wat? Jullie bent een paar dwazen; een paar kinderen, die elkaar opwinden. Jullie brengt van die nonsense ideeën uit romans en tooneelstukken over in je dagelijksch leven. ’t Is een paskwil!”
En hij liep woedend weg, regelrecht naar de Riquelles. [214]
„Ik had het wel gedacht,” zei Louise zuchtend.
„’t Is jammer,” veinsde de ritmeester, „maar het doet hen toch in mijn achting rijzen.”
„Zoo,” grijnsde de dokter, hem kwaadaardig door zijn bril beglurend, en bij zichzelven dacht hij: die is goed! eerst neemt hij uit onbaatzuchtigheid Wies om haar dubbeltjes en nu een ander weigert iets daarvan te aanvaarden, doet dat hem in zijn achting rijzen. Hij zei niets, maar lachte zacht en met ergernis.
„Wil ik het nog eens beproeven?” vroeg zij aarzelend.
Dat zou wel een zeer slecht middel zijn geweest, en zij zag er gruwelijk tegen op.
„Geen moeite doen, kind! Zij willen niet en jij noch iemand ter wereld zal die stijfkoppen tot verstandige menschen bekeeren.”
„Ik kan die opvatting niet deelen,” zei de ritmeester ter verdediging der Fourniers.
„En ik zeg, dat het belachelijk komedievertoon is.”
„Ja, men kan alles zoo noemen. Op die wijze wordt elke geste een acteursdaad en elk beter gevoel theatralia.”
„Niet alles, maar heel veel. Pouah! ’t is belachelijk,” ging de dokter voort, wiens ironische geest bovenkwam. „Als ik in den schouwburg zit, zie ik bijvoorbeeld een stuk opvoeren. Twee jonge menschen zijn op elkaar verliefd; dat hebben ze natuurlijk al lang aan elkaars gezicht gezien. Het meisje is rijk, de jongeling arm. Het is voor zijn fijngevoelig hart een onoverkomelijk bezwaar. Ik woon zijn zielsstrijd bij en haar verdriet; ik hoor zijn klachten, ik zie hem lijden, en dat werkt op mijn zenuwen. Ik krijg er [215]tranen van in de oogen, en ik ga met een bewogen gemoed naar huis. Zoo’n edel karakter, hè! Maar gesteld eens, dat ik een zoon had, een knap jongmensch met een fatsoenlijke positie, maar, evenals ik dan, zonder fortuin en die zoon kwam me tegen terwijl ik nog onder den indruk van die edele onbaatzuchtigheid op de planken, naar huis wandelde; en die zoon zei: Papa, ik ben doodelijk verliefd op een meisje met een ton of vier, wat denk je dan, dat ik zou antwoorden?”
Riquelle draaide zijn knevels op en zei niets; Louise, eenigszins boos, evenmin.
„Dan zou ik zeggen,” ging de oude heer voort: „blikskater, die moet je zien te krijgen. En als hij mij dan antwoordde, dat het meisje ook heel veel van hem hield, maar dat hij haar niet wilde vragen uit een gevoel van kieschheid of onbaatzuchtigheid, omdat zij zooveel geld had en hij niet, dan geloof ik dat ik hem op straat om zijn ooren zou slaan, mij bitter beklagend dat de goede God me zoo’n domoor tot zoon had gegeven. Ik weet niet, schoonzoon,” voegde hij er bij, „hoe u daarover denkt.”
Als ze onder vier oogen waren geweest, zou Louise, die inwendig kookte van woede, haar vader de repliek niet schuldig zijn gebleven; nu vond ze ’t beter te zwijgen.
„De oude heer,” zei Riquelle later, „zal mij nooit vergeven, dat ik zijn kleinzoon concurrenten bezorg.”
In geen jaren was de dokter zoo uit zijn humeur geweest en knorrig zelfs tegen zijn afgod, den kleinzoon, die op zijn beurt zeer boos was, wilde hij in zijn coupé stappen dien hij ontboden had, terwijl hij bij zijn dochter vertoefde. [216]
Maar er werd een hand op zijn arm gelegd en hij stond stil, trachtend door zijn bril den persoon te herkennen, die hem staande hield, wat door de ingevallen duisternis niet gelukte.
„Dèg dokter,” zei een pedante Haagsche stem met een intonatie, die duidelijk vroeg: herken je me niet?
En de dokter, die de stem herkende, zei barsch:
„Wat mot-je?”
„U is wel vriendelijk! En dat onder goede bekenden.”
„Zoek je bekenden maar elders.”
„En als men nog wel aan elkaar is geparenteerd langs de teedere vrouwelijke lijn.”
„Hoor eens, geen praatjes, hè! Ik wil niets met je te maken hebben. Ik heb destijds niets als onaangenaamheden van je beleefd. Wat ik na dien van je gehoord heb.…”
„Lèster, lèster, allemaal lèster!”
„Het kan me niet schelen of het laster is, maar ik verbied je mij lastig te vallen en mij aan te spreken.”
„O gèèrne, gèèrne! ’t Is niet om lèstig te zijn, volstrekt niet. Ik wou u alleen maar aanpompen voor vijf en twintig pop.”
Het was de oude geschiedenis. Bij al zijn boosheid overviel den dokter een onweerstaanbare lachlust om den dwazen vent; maar hij hield zich goed.
„Geen cent,” zei hij barsch en wilde in zijn rijtuig gaan.
Doch de andere hield hem vast bij zijn jas.
„Kom dokter, wees niet chicaneus; tien pop, ziedaar; tien pop en een lekkere sigaar. Ik weet niet meer hoe die smaakt, parole d’honneur! en,” zei hij zachter, „ik heb honger ook.” [217]
De oude heer voelde in zijn vestzak, haalde er een gouden tientje uit en stopte het in de lange knokkelige hand.
„Merci! En nu de sigaar.”
„Loop naar den duivel.”
Dokter Van der Linden wipte in zijn coupé, waar het kind reeds in een hoekje zat gedoken, en sloeg de deur met een harden slag dicht.
Ronduit gezegd was dit een waardig einde van dien onaangenamen dag. Hij had niet kunnen weigeren op dat woord: honger, dat zoo’n naren klank had; maar het was een dwaasheid geweest. De vent zou hem wel weer weten te vinden; hij was te zeer een panier percé en te goed geslaagd met die tien gulden om het bij deze eerste poging te laten. Wat daartegen te doen? De politie? Maar och, dat was ook al zoo moeilijk. De heele oude geschiedenis, met dien Van Leeuwendaal te Batavia voorgevallen, stond hem nu weer helder voor den geest. Ze was reeds lang in ’t vergeetboek geraakt. Men sprak er niet meer van en zou er wellicht nooit meer over gesproken hebben, als dat akelig individu daar niet onverwacht en van slechter conditie dan ooit, uit de lucht kwam vallen. Een diepe zucht ontsnapte den dokter. Het was een beroerd geval. Nog denzelfden avond schreef hij aan Louise:
„Kindlief! Hedenavond ben ik aangehouden en om geld gevraagd door dien Van Leeuwendaal. Mocht hij zich ook tot u wenden, zeg hem of laat hem zeggen, dat gij hem niet te woord staat. Vroeger was hij een dwaas, nu is hij een gemeen sujet geworden, waarmede een vrouw als gij zelfs geen gesprek kunt voeren. Je Pa.” [218]
Het was volstrekt niet overdreven en dokter Van der Linden was goed ingelicht.
Toen Van Leeuwendaal terugkwam bij zijn ouders met zijn kort, maar naar zijn meening hoogst interessant avontuur in Indië, dacht hij er minder dan ooit aan iets ter hand te nemen. Hij slenterde rond, kroeg in, kroeg uit, flaneerend langs de straten, burger- en dienstmeisjes bewerkend met monocle en badientje, en eindelijk, toen zijn ouders gestorven waren en ’t beetje geld op was, toog hij naar Amerika. Hij speelde er den schuimlooper een jaar of wat lang, tot dat nergens meer goed ging, en kwam terug naar Europa. Eerst trad hij op te Londen, leefde er goed van, doch werd op een zeer onbehoorlijke manier betrokken als medeplichtige in een valsche wisselzaak. Dit bracht hem een paar jaren in de gevangenis, en dit knakte hem naar het uiterlijk zóó, dat haast niemand hem herkende en men er over verbaasd moest staan, dat zulk een hoogst ordinair uitziend individu ooit een swell was geweest. Nog teerde hij op zijn naam, die bekend was, en zijn titel; nog waren er kroeghouders, gewezen livreibedienden of kamerdienaars, die zich herinnerden hoe zij voor hem als kind en voor zijn familie, met nederige buigingen de deur hadden geopend, en die het niet over hun hart konden krijgen hem krediet te weigeren, al wisten zij ook, dat hij nimmer zou betalen.
Op een goeden dag, slenterend langs de straten, zijn eenig bedrijf, zag hij mevrouw Riquelle. Hij twijfelde; ook zij was veranderd, schoon niet zoo ongunstig; zij was dik geworden, en ze scheen nog veel dikker door haar „omstandigheden”, welke zij rustig, zonder vertoon, maar ook zonder terughoudendheid, [219]droeg; hij liep haar vooruit en toen weer terug; toevallig keek ze hem aan; nu twijfelde hij niet meer; zij was het, maar ze had hem niet herkend, en hij miste den moed haar aan te spreken. Doch hij had nagedacht en geïnformeerd, en hij had ingezien dat dit voor een chevalier d’industrie als hij, een waar buitenkansje was, een melkkoetje, dat in geen jaren zou opdrogen.
Zoo had hij eenige dagen rondgegluurd en geloerd.
En eindelijk, zijn kans schoon ziende, had hij den dokter gesnapt en met betrekkelijk goed resultaat. Hij wreef het gouden tientje tusschen zijn mageren duim en wijsvinger. ’t Was zoo’n aangenaam gevoel. In geen maanden had hij goud in zijn handen gehad!
Voor het venster van een winkel, waaruit een breede lichtbundel zich krachtig naar buiten verwijdde, veegde Van Leeuwendaal met groote zorg zijn rossigen hoed en sloeg hij de pluisjes van zijn kale jas; toen liep hij met zijn kromme, naar binnen gebogen magere beenen snel de Plaats over en trad vast besloten de restauratie van Van der Pijl binnen. Er zaten verscheiden gasten, waaronder die Van Leeuwendaal en zijn verleden op hun duimpje kenden. Het waren meer verwonderde en medelijdende blikken, die hem troffen, dan boosaardige, zelfs van den kant des ouden kellners. Hij zette zijn hoed af; in die weinige jaren had hij zijn ganschen haartooi verloren; zijn schedel glom als een spiegel.
Toen hij op zijn ouden toon een matig dinertje bestelde, liet hij gemakshalve den bediende ’t goudstuk zien; toen werd hij in dit établissement, waar hij ook meer schuld had dan krediet, bediend. Hij at geweldig, en de oude knecht, die [220]toekeek, had zulk een medelijden, dat hij desnoods voor hem zou betaald hebben. Van Leeuwendaal keek daar niet naar,—wie bekommerde zich om knechts! Hij riep, toen hij voldaan was, om een havana, stak die aan, slurpte een likeurtje en stak zijn beenen voor zooveel mogelijk rechtuit onder de tafel.
En al „savoureerend”, zooals hijzelf zou gezegd hebben, van het een in het ander, met een lichten nevel om zijn geest en een sterke neiging tot slaperigheid, trachtte hij er over na te denken, welke middelen hem ten dienste stonden om de Van der Lindens verder te exploiteeren.
Hij zou haar bang maken, en dan zou zij wel moeten afschuiven; niet dat hij het doen zou op brutalen, dreigenden toon,—volstrekt niet. Daartoe was hij te veel gentleman; men moest nooit onbeschoft zijn tegen de dames. Hij zou zeer nederig verzoeken op zijn manier, en dan zou zij toch wel gevoelen en begrijpen, dat een fatsoenlijke dame zich geen man tot vijand maakt, die, toen ze nog jong meisje was, ’s nachts, terwijl ze sliep, bij haar in de kamer is geweest. Er was wel niets gebeurd, maar toch: iedereen kon het zijne er van denken, en de graaf Riquelle, officier der cavalerie, zou zeker niet gesticht zijn als hij er van hoorde; Van Leeuwendaal gevoelde zich niet op zijn gemak toen hij dacht aan dien ritmeester, die hem zoo nijdig had aangekeken, en die volkomen in staat was hem een geweldig pak slaag toe te dienen. Doch zij kon wel zwijgen en opdokken; hij had haar in zijn macht; ’t was maar te doen om een handig gebruik te maken van wat hij wist.
Langzaam en met tegenzin stond hij op en betaalde. Er werd in het fatsoenlijk établissement zelfs geen poging gedaan [221]om hem ’t geld op afrekening zijner oude schulden in te houden; wat er na de vertering over was, kreeg hij terug; recht liep hij naar de overzijde een stil koffiehuis binnen, waar hij plaats nam achter het groene gordijn, dat hen, die voor het venster zaten, in de duisternis hield en dus onttrok aan de blikken der voorbijgangers; hij dronk er eenige glazen bier en een paar grogjes, en ging toen eenigszins zwaaibeenend naar wat hij zijn huis moest noemen; een armzalig zolderkamertje in een hoog, vervallen huis door tal van gezinnen bewoond, dat in de oude stad stond en bekend was in de wandeling als de „Arke Noachs”.
Baron Van Leeuwendaal liet zich maar half ontkleed in het bed vallen, kroop tusschen het vuile beddegoed en sliep, dank zij den sterken drank, weldra vast genoeg om geen last te hebben van talrijke gasten, die gymnastiek maakten tegen de bedgordijnen.
En toen hij reeds sliep, droomend van een lui en lekker leven, zat Louise nog op, ongerust en zenuwachtig over dat briefje van haar vader.
Maar zij was het daarmee niet eens.
Een passieve houding strookte, als er iets bijzonders te doen was, in ’t geheel niet met haar aard. Zij had allerlei plannen bedacht om handelend op te treden en weer verworpen.
Toen ze haar man van een vergadering hoorde thuiskomen, waarin militaire zaken werden besproken, bergde zij ’t briefje weg en veranderde de uitdrukking van haar gezicht.
„Het heeft lang geduurd,” zei ze.
„Ja, maar ’t was zeer interessant; een lezing over de ontwikkeling van het paard.” [222]
„Nu, dat zal jij wel mooi hebben gevonden.”
„Natuurlijk.”
„En wat vertelden ze?”
Het interesseerde haar niets, maar zij kende zijn liefhebberij voor paarden, en ze wist hoe graag hij er over sprak, als hij meende haar niet te zullen vervelen. Zoo verviel hij nu ook in een uitweiding over tal van bijzonderheden uit het leven van veulens, waarbij zij aandachtig luisterde, met moeite den drang tot geeuwen bedwingend.
„A propos, ik heb dien kerel gerecommandeerd,” zei hij, toen zijn mededeelingen gedaan waren.
„Wien?” vroeg zij verschrikt.
„Wel, dien ploert, die ons altijd zoo brutaal fixeert en soms hier om het huis draait.”
„Je hebt toch geen aangifte.….”
„Bij de politie? Neen, merci, mijn beste! met de politie,” zoo vervolgde hij op den toon der diepste verachting, die een hooggeboren Hagenaar voor de politie koestert, „wil ik nimmer iets te maken hebben.”
„Dat is goed!”
„Ik heb veel eenvoudiger expediënten voor zulk volk.”
„Wat dan, Edmund?”
„Ik heb twee van mijn mannetjes gezegd nu en dan een oog in het zeil te houden.”
„En als ze dien man zien?”
„Dan zoekt een hunner ruzie met hem en ranselt hem af, terwijl de ander op den uitkijk blijft staan; dat doen wij altijd met zulk volk.”
„Het is zeker heel gemakkelijk, maar is het niet gevaarlijk?” [223]
„Bah, men laat de cavalerie met rust.”
De recommandatie trof al zeer spoedig doel.
Het gaf geen aanleiding tot tusschenkomst der politie; al wist Van Leeuwendaal uit welken hoek de wind woei, toch vond hij het niet raadzaam een aanklacht in te dienen, welke bij zijn antecedenten zeer zeker tot geen voldoening zou geleid hebben. Met een doek om zijn oog en een kreupel been, ging hij dokter Van der Linden opzoeken, die, toen hij van den bediende hoorde hoe het individu was toegetakeld, zijn pleizier en zijn nieuwsgierigheid beide niet kon bedwingen.
„Zóó,” zei hij norsch, „wat is het nu weer?”
„Ik kom uw geneeskundige hulp inroepen.”
„Dank je. Ik gun jongere collega’s graag patiënten.”
„Het is anders niets meer dan billijk,” vervolgde Van Leeuwendaal op klagenden toon, „dat de vader repareert, wat de dochter beschadigt.”
„Ik verzoek je mijn dochter buiten spel te laten; zij heeft met vechtpartijen en dronkenmansgelagen niets te maken.”
„Och wèt? Vechtpartijen en dronkenmènsgelagen! Ik wou wèrèchtig, dat ik dronken was geweest en gevochten had. Ik ben aangerand en mishandeld, door gemeene soldaten, die u of uw schoonzoon op me hebt afgezonden.”
„Zoo?” zei de dokter lachend. „Nu, ik deed het niet, maar als mijn schoonzoon dat mocht gedaan hebben, geef ik hem groot gelijk. Lieden als jij verdienen niet beter. Doe dien band eens van je oog.… hm! ze hebben je aardig te pakken gehad.…. De kerel, die je dien opstopper gaf, had iets in zijn mouwen.… Ik zal je een smeersel voorschrijven en [224]droppels tegen de ontsteking.…. Doe nu maar weer dicht, en laat me het been zien.”
Van Leeuwendaal deed het alles in stilte, blij dat het zoo gelukt was, zich op die wijze weer in te dringen.
„Ze hebben je zeker een trap gegeven tegen het scheenbeen, hè?” vroeg dokter Van der Linden en meteen kneep hij in het been, dat Van Leeuwendaal het uitschreeuwde.
„Net ooievaarspooten,” mompelde de dokter met belangstellende verbazing.
Maar intusschen schreef hij wat voor en blies in zijn beurs.
„En hoe weet jij nu,” vroeg hij ten slotte, „of die kerels iets met den ritmeester Riquelle te maken hadden?”
„Het was in den omtrek van zijn huis.….”
„Dus je liep te spionneeren!”
„Volstrekt niet, dokter! Ik dacht er zelfs niet aan. Ik deed mijn avondwandeling voor de digestie, en dan kom ik altijd langs het huis; ik pèsseer.…”
„Maak het maar kort.”
„Plotseling komt mij een eindje verder, juist voor een klein stil zijstraatje, een soldaat op zij, grijpt mij bij den arm en rukt mij ’t straatje in; een ander soldaat scheen daarvoor de wacht te houden. Ik geef den vent parole d’honneur een what you call voor zijn kop, maar hij was de sterkste. Enfin, hij zei: smeerlap, nu voortaan uit de buurt van mijn ritmeester blijven! Is dit niet een afdoend bewijs?”
De dokter haalde lachend de schouders op.
„Ik zou het aannemen, als ik in jou plaats was, voor een goeden raad, mij er naar gedragen, en God danken dat ik er nog zoo goed was afgekomen.” [225]
„Tudieu! God danken voor een pak slaag,—die is wel aardig! Ik weet nog niet precies of ik het doen zal.”
Van Leeuwendaal grijnsde zoo leelijk, dat de dokter hem sterk verdacht van wraakzuchtige plannen.
„Als je nu heel fatsoenlijk bent,” zei hij, „dan zal ik je nu en dan iets geven voor je onderhoud. Maar maak het mij noch iemand lastig, dat zeg ik je, want dan is het uit en voor goed ook, hoor! Ga nu maar gauw!”
„Dank u, dokter, mèèk u verder niet ingerust over mijn précieuze gezondheid.”
Buiten frommelde hij ’t papiertje ineen en wierp het weg. Dat oog en dat been zouden ook wel beteren zonder zalf of droppels. Een glas grog meer, men sliep lekker, slaap genas en dat was minder kostbaar, doch veel lekkerder. „Een trouvaille,” mompelde hij hoofdschuddend voortstrompelend, „een ware trouvaille die familie. De oude heer zal me in mijn ziekte nog vet mesten en als ik beter ben, wacht maar, dan zullen we die lieve familie wel straffen. Die dragondergrap zal haar duur te staan komen.”
Terwijl hij voortliep, tornde hij om een hoek bijna tegen een heer op, die, met zijn wandelstok zwaaiend, luid in zijn eentje sprak.
„Pèrdon!” zei Van Leeuwendaal pijnlijk.
„Het is niets; hebt gij u niet bezeerd?” vroeg de andere, den doek ziende en het kreupel loopen.….
„U is wel vriendelijk! Dat is niet iedereen.”
„Zijt ge zoo weinig niet gewoon?”
„Om u de wèèrheid te zeggen, in den laatsten tijd niet erg. Als men geen geld heeft, pèrbleu!.…” [226]
„Ge schijnt toch een goede opvoeding te hebben genoten.”
„Magnifique!” zei Van Leeuwendaal met een geheimen spot, die den ander ontging. „De fijne puntjes ontbraken, dat is het eenige wat er aan mankeert.”
„En geen werk?”
„Wat blief? Geen werk, vraagt u?”
„Ja, ik vraag of gij geen werk, geen betrekking kunt vinden in deze door en door verrotte maatschappij.”
„Ah!.… u bent een sociaal-democraat?”
„Ja.”
„Dat zou men u niet aanzeggen.”
„Ik ben het niet uit armoede, maar uit overtuiging. Sedert ik weet hoe onze samenleving het recht met de voeten treedt en hem, die er voor strijdt, verguist en beleedigt, heb ik nagedacht en ben tot een bepaalde overtuiging gekomen.”
Hij had eenige schreden met den kreupelen, doodarmen baron opgeloopen, en was nu stil blijven staan onder het licht van een lantaarn.
„Mijn denkbeelden hebben zich verruimd; van het enge van een bepaalden werkkring, zijn zij gekomen tot een begrip, dat het geheel onzer maatschappelijke samenleving ook in zijn onderlinge verhoudingen begrijpt. Ik weet thans welke ellende wordt schuil gehouden onder het dunne vernislaagje onzer beschaving.”
„Eééh!” riep Van Leeuwendaal buitengewoon verrast.
Hij rekte zijn mageren hals uit en draaide met zijn hoofd heen en weer, om met het beschikbare ééne oog het gezicht van den vreemdeling beter te kunnen zien; deze, die van de zonderlinge inspectie niets begreep, richtte zijn [227]kloek gebouwde gestalte meer op, benieuwd te weten, wat deze proletariër bedoelde.
„Eééh!” herhaalde Van Leeuwendaal op fijnen, gerekten toon. „Maar u bent, wacht eens.… Wat drommel, het is haast onmogelijk, dat ik me vergis.… Laat eens kijken: de luitenant Van.… de luitenant Van.… Tiens, tiens! ik kan op den naam niet komen.”
„Ik heet Van Schermbeek.”
„Precies! Eureka! Het is Van Schermbeek!”
„Maar wie is u?”
„Van Schermbeek! In Indië geweest.… artillerie.… gewoond bij moeder Sleeks.… met Fournier en van.… van.… Die duivelsche namen!”
„Van Brakel,” klonk het, maar niet meer opgewekt of oratorisch; veeleer pijnlijk.
„A la bonne heure! Van Brakel! Ja, dat was een andere tijd; een rare boel voor mij, maar toch nog zoo kwaad niet bij later vergeleken. Enfin! Het is wonderlijk, dat u mij niet herkent. Iedereen herkent mij bij het eerste woord. Ik ben Leeuwendaal, baron Van Leeuwendaal.”
De gewezen luitenant Van Schermbeek ging een schrede terug; hoezeer hij in den laatsten tijd nogal in aanraking kwam met menschen van minder allooi, was hem dit specimen toch te machtig. In een oogenblik herinnerde hij zich weer de geheele geschiedenis te Batavia voorgevallen en ook de veel erger ongunstige mededeelingen nu en dan gedurende zijn verblijf in Holland vernomen. Hij was door opvoeding, verleden en karakter een veel te fatsoenlijk man om zich met gemeen volk gemakkelijk te encanailleeren. [228]
„O zoo!” zei hij langzaam en tamelijk ontnuchterd. „Is u die persoon?”
„Hm! Dezelfde.”
Van Schermbeek zon gaarne gezegd hebben, dat hij dan het genoegen had hem te groeten, maar zijn nieuwe denkbeelden omtrent de maatschappij enzoovoort waren daarmee in lijnrechten strijd.
„En hebt u geen middel van bestaan?”
„Direct niet. Ik leef zoo’n beetje van den eenen dag in den anderen.”
„Zoudt gij geregelden arbeid verlangen?”
„Werk! Ik weet eigenlijk niet goed wat dat is. Ik heb nooit gewerkt.”
„Dan is het meer dan tijd, om, als het kan, een fatsoenlijk, werkzaam leven aan te vangen.”
„Daar zit juist de knoop: het kan niet.”
„Waarom niet?”
„Het is geheel in strijd met mijn aard en gewoonten; ik zou kunnen voorgaan, toespreken.…”
„Aan voorgangers en redenaars van uw slag is geen behoefte,” zei Van Schermbeek, kalm en ernstig: „wij hebben dus verder niets te bespreken. Goeden avond!”
„A propos, werp het idee niet weg. Ik zou.…”
„Goeden avond!” herhaalde de ander op een toon, die voor Van Leeuwendaal geen verdere discussie toeliet. En Van Schermbeek ging op zijn schreden terug.
Corrie Roos had haar intrek genomen bij den slijter om, zoo dacht zij, de schuld haars vaders in te verdienen. De [229]behandeling viel haar mee; de menschen waren zoo kwaad niet. Doch langzamerhand en zonder dat zij het eigenlijk bespeurde, verviel zij metterdaad in het dagelijksch leven tot weinig meer dan een gewone dienstbode.
Alleen als er „partijen” waren of de burgerluitjes uitgingen was zij zoo iets als een dame, want dan werd met haar geparadeerd als met de kapiteinsdochter, die tot levend en welgedaan bewijs moest strekken van de menschlievendheid der familie, welke haar om niet in huis had genomen en verzorgde. Zij kwam in gezelschappen, die ze niet kende; waar het er netjes en goed gemeubeld uitzag; waar het aan dranken en lekkernijen niet haperde; waar de dochters en vriendinnen goed gekleed waren; waar het vroolijk toeging,—maar waar toch stukjes werden uitgehaald en uitlatingen werden gebezigd, die ze wel kende van de school en van de straat, maar die ze noch in haar kinderjaren in Indië, noch thuis van haar vader en moeder ooit had bijgewoond of gehoord.
Corrie dacht nog wel eens aan den afgewezen kapitein en aan haar nu getrouwde zuster, maar toch zonder spijt. Voor den man gevoelde zij niets en Nelly benijdde ze niet. Zij kon zich in de nieuwe levensomstandigheden vrij goed schikken, even goed als destijds haar vader dat had kunnen doen, wiens aard ze in menig opzicht had. En zij en de dochter des huizes hadden elk in stilte een galant; ze verzonnen samen zooveel mogelijk boodschapjes tusschen licht en donker, net als ze vroeger deed met haar zuster, en dan maakte ze lange wandelingen met die jongelui, klerken bij een van de ministeries. [230]
Zoo leidde zij onbezorgd en tamelijk onverschillig een leven, dat, vergeleken bij haar jongste verleden, inderdaad zoo slecht nog niet scheen.
Haar zuster schreef zij niet meer.
Op den brief, waarin zij had herhaald dat zij het aanzoek van den kapitein had afgewezen, was een epistel gevolgd, dat allesbehalve malsch mocht heeten en waarin zij werd uitgemaakt voor al wat dom was. Haar te vergeven, dat zij een kapitein had afgewezen, terwijl Nelly zelfs een tweeden luitenant in liefde had aangenomen, was onmogelijk. Zoo was de briefwisseling tusschen de zusters op onaangename wijze gestaakt.
Maar er kwam een oogenblik dat Corrie in doodelijke ongerustheid, haast soms niet wist wat ze deed en onder tranen bij zichzelve Nelly groot gelijk gaf; gelijk in alles!
Het was dan gebeurd, zooals haar zuster had voorspeld; ’t was op een avond,—natuurlijk; zoo iets gebeurt altijd ’s avonds; zij waren alleen, zij en Etienne; ook precies als altijd bij gelegenheden, dat een derde persoon een onmogelijkheid is; zij zaten samen in een buitentuin, in het donker, in een priëeltje,—soedah, het was de old, old story! Maar Etienne—Steef noemden „ze” hem thuis—was in zijn soort geen slecht jongmensch en, wat in dit geval meer zei: hij was dol van Corrie. Een erge kwast was hij, volgens het algemeen gevoelen van zijn collega’s en superieuren; hij droeg manchetten tot op zijn nagels, zat keurig netjes in de kleeren, en sprak bijna zoo schaapachtig Haagsch als Van Leeuwendaal, zoodat zij, die hem niet kenden, hem in de wandeling voor een heel heer hielden, ofschoon hij ’t grootste [231]deel van elke maand zonder fondsen was, en dan vaak een sleutel droeg op de plaats, waar men een horloge had mogen veronderstellen. Hij woonde in bij zijn vader, een eerzaam mandenmaker, die op een plank in het voorhuis zittend, met stalen vlijt rietjes en teentjes tot manden en mandjes vlocht. ’s Morgens als Etienne naar zijn kantoor ging, wipte hij vlug het kleine huisje uit, waarover hij zich schaamde, en ’s middags sloop hij er in, of, als er toevallig een dame aankwam, liep hij er voorbij om naderhand langs een omweg terug te keeren.
Doch ondanks al die kleine ijdelheden en gebreken, was Etienne Van Haafte bij weinig kennis en een middelmatig verstandje, geen jonkman met bepaald slechte eigenschappen, en toen Corrie hem huilend vertelde, hoe het met haar geschapen stond, schrikte hij wel hevig, maar zwoer dadelijk dure eeden, dat hij haar trouwen zou.
De verdere ontdekking gaf aanleiding tot hevige tooneelen bij de familie Maas, te meer toen bleek, dat ook de jongejuffrouw Maas in omstreeks geheel overeenkomstige omstandigheden verkeerde. Ook de oudelui Van Haafte waren woedend; niettemin duurde al die boosheid met de geweldige uitbarstingen en het gehuil, dat die vergezelden, niet heel lang. Corrie was er geheel suf van en betreurde bitter, dat zij bij de préliminairen geen weerstandsvermogen genoeg aan den dag had gelegd; dan was er niets gebeurd. Doch, als altijd, kwam het berouw te laat; zij zou trouwen, dat was de slotsom, en daar Etienne schoon slechts klerk toch ambtenaar was, zou ze „mevrouw” worden, dàt was ten minste een troost! [232]
Toen men eenmaal zóóver was, ging alles vrij gemakkelijk. Op een goeden ochtend kleedde zij zich en.… ’s avonds reed zij als mevrouw Van Haafte naar een kleine woning op het dorpje Rijswijk, waar ze zouden wonen voor de goedkoopte, want le mari had slechts zooveel jaarlijksch inkomen, als in den tijd van zijn actieven dienst in Indië, wijlen papa Roos per maand had genoten.
Het ging Corrie slecht af, huis te houden met zoo weinig en Etienne zat halve nachten copiëerwerk te doen, dat hij had machtig weten te worden tegen zóóveel centen per bladzijde van zóóveel regels met zóóveel letters op elken regel.
Toen het eerste product de bloemkool had verlaten, en Corrie lichamelijk nog nauwelijks hersteld en finantiëel zieker dan ooit was, kwam haar man opgewonden en druk te huis.
Hij kuste haar en het kind.
„Lieve,” zei hij, „we moeten eens ernstig spreken.”
„Wat is het?”
„Er worden ambtenaren gevraagd om naar Indië te gaan.”
Zij streek haar hand langs het voorhoofd en zuchtte. Naar Indië! Hoe kwam hij daaraan? Hoe kwam hij aan dat stille droombeeld, dat ze altijd zoo zorgvuldig had teruggedrongen, als het bij haar opkwam?
„Naar Indië!” herhaalde ze.
„Er worden er zes gevraagd, maar er zijn wel zestig sollicitanten. Verbeeld je, het geeft driehonderd en vijftig gulden in de maand, vrijen overtocht en een voorschot voor uitrusting!” [233]
„Maar als er zooveel sollicitanten zijn.…”
„Dan heb ik weinig kans, dat is waar; doch je hebt me zoo dikwijls verteld, dat er zooveel hoofdofficieren hier zijn en andere gepensionneerde hoofdambtenaren, die je nog kent uit den tijd van je papa.”
„Ja, dat is zoo.”
„Als ik eens naar hen toeging? Want je begrijpt, het is alles een quaestie van protectie.”
„Ze kennen je niet.”
Hij liep onrustig op en neer. Het denkbeeld uit zijn Haagsche misère te komen, lachte hem zoo toe! Maar hij was heel jaloersch, en de vraag, die hem thans op de lippen lag, kostte hem heel veel strijd.
Toen hij haar toch doen zou, kreeg hij er een kleur van, hij wist zelf niet hoe ’t kwam.
„Als jij eens ging?”
Het viel den jongen ambtenaar erg mee. Corrie toonde geen de minste verwondering of ergernis. Met haar van nature practischen Indischen aard, had zij dadelijk ingezien dat dit om te slagen verreweg de beste oplossing was. Van kindsbeen af had ze te veel menschen gezien om bepaald verlegen te zijn, al zag ze er tegen op.
„Ik zal het doen, Etienne, maar indien het mocht gelukken, moet je me één ding vast beloven.”
„En dat is?”
„Zonder dan elke maand een kleinigheid af van je traktement, en laat dat hier ontvangen door Maas, tot de schuld, die pa aan hem had, is betaald.”
Hij had er weinig lust in, want hij meende dat dit de [234]plicht van Nelly, zijn onbekende schoonzuster, was; hij beloofde het echter.
Maar zijn belofte was op dat oogenblik welgemeend. Zij had meer kunnen vragen, als zij gewild had, want Etienne was overgelukkig door het welslagen zijner poging om Corrie te spannen voor de lading protectie, die den kruiwagen vullen moest, welke hem naar de betrekking in Indië zou rijden. Hij was zoo lief, zoo vriendelijk en zoo zorgzaam voor haar als in de beste dagen hunner eerste intieme verhouding. Corrie sloeg er geen acht op; zij was vol van het denkbeeld der démarches, die zij doen moest, en zij had geen veelzijdig verstand genoeg om, als haar één gedachte vasthield, op andere bijzonderheden te letten.
„Ik geloof,” was het eerste, dat zij den volgenden ochtend zei, „dat ik het beste doe met de Van Stralens te beginnen.”
„De kolonel Van Stralen,” zei Etienne om iets te zeggen, en met een eerbiedigen klemtoon op den hoofdofficiers-rang.
„Het is te hopen, dat ik hem thuis tref. Ik zal daarom wat vroeger gaan, dan mama er destijds heenging, want die kwam altijd eerst, als de oude heer naar de sociëteit was.”
Etienne had een idee; of het uit zijn eigen slimheid voortkwam, dan wel een puntje jaloezie hem stak, had hijzelf niet kunnen uitmaken, maar hij zei met een erg leep gezicht: „Misschien kon het geen kwaad als je eens eerst met haar sprak.”
Zij gaf het hem toe; dat was wellicht nog het verstandigste en op denzelfden tijd van den dag, dat haar moeder zoo dikwerf vol hoop op de fortuin van het spel de schel had [235]doen weerklinken in de marmeren gang der Van Stralens, drukte Corrie op den koperen knop.
Een klein beetje in verwarring trad mevrouw Van Stralen, die juist in de bekende kamer haar dames-partners bijeen had om het gewone spelletje aan te vangen, de benedenzijkamer binnen, niet wetend welke vreemde bezoekster haar overviel op dit ongewone uur, want schoon Corrie haar bij het huwelijk de gebruikelijke kennisgeving had gezonden, was de naam van Van Haafte haar volkomen ontgaan en het zien van Corrie maakte haar niet wijzer.
„Met wie heb ik het genoegen te spreken?” vroeg ze koel.
„Kent u me niet meer?” vroeg Corrie, teleurgesteld: „mijn papa was de kapitein Roos.”
„Och wat! ben jij een van de meisjes Roos.…? Ja, nu herinner ik mij; je bent eenigen tijd geleden getrouwd, en hoe gaat het je?”
„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” antwoordde Corrie glimlachend: „mijn man is een jong ambtenaar en de traktementen hier in Holland.…”
Mevrouw Van Stralen begon te lachen. „Ja kind, dat begrijp ik; dat is misère ouverte.”
Zij voorzag een aanval op haar beurs en hoe onaangenaam dat ook is in gewone omstandigheden, schrikte het haar thans niet af; zij had nog genoeg sympathie voor haar gestorven vriendin om iets voor de dochter over te hebben.
Toen Corrie haar echter verteld had waarom het te doen was, kwam zij geheel in haar humeur; zij vond het heel verstandig van het jonge vrouwtje, dat zij niet had geaarzeld [236]de hulp in te roepen van goede, oude relaties, en het getuigde naar hare meening gunstig voor het karakter van den jongen man, dat hij het er op durfde wagen de groote wijde wereld in het Oosten in te gaan, in plaats van als een huismusch te willen leven en sterven onder den rook der schoorsteentjes van zijn geboorteplaats.
Het maakte haar zoo warm, dat zij in een opwelling van haar goed hart zich de zaak geheel aantrok; verklaarde, dat Corrie geen moeite meer hoegenaamd behoefde te doen, want dat zij, mevrouw Van Stralen, alles in ’t werk zou stellen om Van Haafte het baantje te bezorgen.
„Maar, zie je kind, de kolonel heeft zijn eigenaardigheden; hij zou voor iemand door het vuur gaan, maar hij wil altijd graag zelf gekend wezen. Kom daarom nu morgenochtend, om een uur of tien, nog eens terug en vraag het hemzelf ook.”
Met die blijde boodschap reed de jonge vrouw met de paardentram naar haar dorpje, en den volgenden morgen zat zij precies op tijd tegenover den kolonel, die met zijn vrouw in de huishoudkamer het ontbijt gebruikte. Zij moest haar hoed en haar mantel af doen en mee aanzitten; de dochter van een oud krijgskameraad mocht, zei de kolonel, geen vreemde in zijn huis zijn. Hij behandelde haar met die eigenaardige, hoffelijke vriendelijkheid, waarover zijn vrouw altijd in stilte lachte en die, zoo zei ze, tot de streken behoorde, welke hij niet verloor, al raakte hij zijn haren kwijt.
Toen zij had verteld, wat de kolonel trouwens reeds achter de gordijnen hoogst uitvoerig van zijn vrouw had vernomen, [237]trok hij voor een oogenblik het passend bedenkelijk gezicht, dat elke gedachte aan luchthartigheid moest uitsluiten.
„Er zal een zware wijs opgaan, mevrouwtje; ik heb er al van gehoord. Slechts enkele plaatsen en, zooals het gaat, veel liefhebbers!”
„Ja, kolonel, dat is zoo,” gaf Corrie toe met haar gemoedelijkst lachje, „maar toch als u, met uw vele relaties en hooggeplaatste vrienden en kennissen, uw best voor ons zoudt willen doen, hadden wij zeker een mooie kans.”
De kolonel was opgestaan. Hij klopte haar vaderlijk met de hand op den gevulden schouder. Het was nu eenmaal zijn oude zwak: als hij een jonge, knappe vrouw zag, kon hij moeilijk zijn handen heelemaal thuishouden. En hij lachte haar allervriendelijkst toe met scherpe mondtrekking onder zijn grijze knevels en erg geteekende ganzenpootjes naast zijn oogen.
„Wel,” zei hij, „we zullen ons best doen, dat spreekt vanzelf, en je moet maar nu en dan hier bij mevrouw komen informeeren, wat je man te doen staat. Zijn request heeft hij natuurlijk al verzonden?”
Corrie wist dat eigenlijk zelf niet, maar zei gemoedelijk: ja, en zij ging heen tot aan de deur begeleid door den gevoeligen ouden heer, wiens welwillende hand en vinger zij nog voelde, toen zij reeds op het trottoir was. Het beviel Etienne maar half. Aan den eenen kant was hij blij, dat het geloop van zijn vrouw bij al die oud-gasten, over het algemeen voor niet heel onschuldig gehouden, zoo spoedig ten einde was; maar overigens vreesde hij, dat, door alles aan die familie Van Stralen over te laten, het doel niet zou bereikt worden. [238]Corrie bestreed zijn tegenwerpingen. Zij stelde een onbeperkt vertrouwen in de slimheid en den invloed van mevrouw „de kolonelsche” en daar Etienne inderdaad zijn verzoekschrift reeds aan den minister had verzonden, was zij na tweemaal vier en twintig uren weer bij haar beschermster, om te vernemen, of haar man ook „stappen” moest doen.
De geheele kleine kring der familie Maas en der Van Haaftes was in rep en roer. Het was een feit en het stond in alle couranten: Etienne was benoemd als ambtenaar in Indischen dienst. Driehonderd en vijftig gulden in één enkele maand! Vier duizend en tweehonderd gulden in één jaar! Als de eerzame mandenmaker zich deze som voorstelde in den vorm van gevlochten mandjes en korfjes, dan duizelde hij er van. Al die kleine burgerlieden, die in hun kring van zulke inkomsten voor jonge mannen nooit hoorden, keken Etienne, die zelf half gek was van vreugde en zenuwachtige opgewondenheid, aan, alsof hij een wonderdier was, waaraan noodwendig iets bijzonders moest te zien zijn, dat zij te voren nooit bij hem hadden opgemerkt.
Maar voor elkaar wilden zij dat niet weten en zelfs zij, die Etienne voor nooit iets anders hadden gehouden dan een „kwast”, waarin niets dan dwaasheid stak, verklaarden nu het luidst, dat zij altijd wel gedacht hadden, dat er „iets” in hem zat en hij het ver in de wereld zou brengen. In de eenvoudige woning op het dorpje Rijswijk heerschte een gestadige drukte, die Corrie, toch zelf reeds opgewonden door het vooruitzicht haar vaderland weer te zien, somtijds het hoofd geheel deed verliezen. Den ganschen dag snorden de [239]naaimachines, brachten winkelknechts stukken goed van allerlei soort en werd tot in het oneindige gedisputeerd over de „uitrusting” en wat daarvoor noodig was. Etienne moest zich bij elk bezoek van familieleden, kennissen en confraters van zijn departement in een andere kamer gaan verkleeden en kwam dan terug in zijn onmogelijk wijden kabajo en dito slaapbroek, tot groote hilariteit van allen en in de eerste plaats van hemzelf, doch met uitzondering van Corrie, die zoo trouw mogelijk de modellen had gevolgd van wijlen haar vader, den ouderwetschen, groot- en zwaargebouwden kapitein Roos. Hoe die roezige tijd vóór het vertrek naar Indië verliep, wist ze zelve niet; maar zeker is het, dat ze op den bepaalden ochtend met man en kind en een groote hoeveelheid bagage, in een waggon zat van een trein, die het station van den Hollandschen spoorweg zou verlaten; dat er velen op het perron stonden, afscheid nemend met vertoon van aandoenlijkheid, waarbij kwam een groote mate van eerbied voor de jonge vrouw, toen de deftige kolonel Van Stralen en zijn echtgenoote ook even verschenen om den vertrekkenden vaarwel te zeggen.