Te Nieuwediep lag het groote stoomschip, waarmee ze de reis zouden maken. Al de herinneringen uit haar kinderjaren waren bij Corrie levendig geworden. Zij vond het niets vreemd aan boord en installeerde zich met haar kleine in de voor hen bestemde hut, zonder iets te vragen of ergens aanmerking op te maken, zich schikkend in bekende omstandigheden. Maar voor den Hèègschen jongen bureau-ambtenaar, die nog nooit een voet had gezet op een mailboot, was het zoo overstelpend vreemd, dat hij nauwelijks goed wist, wat hij zei en [240]deed, en in zijn verwardheid een van verlof terugkeerenden luitenant-kwartiermeester aansprak voor den administrateur. En toen het oogenblik kwam, dat de trossen werden losgeworpen, het schip met zachte schommeling van den oever deinde, den afstand van het land met elke seconde vergrootend; toen van het wachtschip het volkslied in schetterende tonen weerklonk en de Jantjes in het want een luid hoezee! aanhieven, toen werd Etienne, leunend over de reeling, bleek als een doek; een gevoel van angstige beklemdheid maakte zich van hem meester en, hij wist zelf niet hoe ’t kwam, maar de tranen schoten hem in de oogen en zijn sigaar ontsnapte zijn bevenden vingers. Doch Corrie was niet aan dek; zij was bezig met haar kind en met haar goed beneden in de hut; zij hoorde wel aan het geluid daarbuiten, dat men de reis aanvaardde, doch wat daarachter bleef was niets voor haar, en de oogenblikken van geluk en genot, dáár genoten en gesmaakt, wogen te weinig op tegen de zorgen en het verdriet, dan dat zij iets er voor zou hebben gevoeld bij haar terugkeer naar het groene land der zon, waar zij haar vroolijke, onbezorgde eerste jeugd in het toen zoo gelukkig ouderhuis had doorgebracht.


Verwezen tuurde Nelly op het bericht onder het mail-nieuws in de courant, die haar man met een collega samen las. Op het eerste lijstje der benoeming van het, zooals men het in Indië noemde, „nieuwe factuurtje geïmporteerde ambtenaren,” had zij niet zoozeer gelet. Maar nu zij in de passagierslijst van den naar Indië vertrokken stoomer las: „E. Van Haafte, echtg. en één kind”, kwam het denkbeeld bij haar op, dat die „echtgenoote” niemand anders wezen kon dan haar zuster. [241]Zij informeerde te Batavia waar zij maar eenigszins kon, doch niemand maakte haar wijzer, tot een brief van Corrie zelf, kort en inderhaast geschreven, haar zekerheid gaf.

Toen moest ze er toch om lachen.

„Zoo’n nest,” zei ze tot haar man; „ik had nooit gedacht, dat er nog iets van zou terechtkomen.”

En hij met een cynischen glimlach:

„In Indië komt alles terecht!”


Het was dien dag, wat men noemt, allergemeenst weer. Het anders zoo vroolijke en vriendelijke Brussel met zijn kleurrijke en opgesmukte winkelgevels en zijn levendige drukte in de hoofdstraten, zag er naargeestig en grauw uit. De regen viel kletterend neer op het plaveisel der trottoirs en rommelde op de regenschermen der voetgangers, die zich zoo snel zij konden door de straten spoedden. Onder de reusachtige marquise van het station du Nord, die nog voor een deel het dofgrauwe daglicht onderschepte, was het kwartduister, en overal droegen reizigers en bedienden de natte sporen door de lokalen over het perron en in de drukkende en benauwde atmosfeer verspreidde zich de duffe, onaangename geur, die dampte uit het natte hout der waggons van aangekomen treinen, uit de druipende dekkleeden en uit de vochtige lading der open véhikels.

Met den kraag van zijn demi-saison hoog opgeslagen, de dampende sigaar voortdurend in den mond en de handen diep in de zijzakken verborgen, stapte Mourant ongeduldig het perron op en neer, het oogenblik wachtend dat de trein naar Holland zou vertrekken.

Hij zag er bleek en vervallen uit en al hield hij uit jarenlange [242]gewoonte iets aangeleerd deftigs in zijn houding, toch kon men het hem aanzien, dat hij in den laatsten tijd onevenredig verouderd was.

Alles tusschen hem en Henriëtte was uit, voor goed uit.

Toen hij de laatste maal een poging had aangewend om haar te spreken te krijgen, was hem dat alleen gelukt op een soort van deurwaardersbriefje, waarin hij haar in bijna officiëele termen als het ware sommeerde, hem in zijn hoedanigheid van voogd over haar minderjarige kinderen, te woord te staan.

Zij ontving hem alleen en ofschoon hij dadelijk aan haar gezicht had gezien, dat er hoegenaamd geen hoop bestond op herstel hunner vroegere verhouding, had hij toch na eerst gesproken te hebben, zoo kalm en bedaard dat mogelijk was over de belangen der kinderen, een laatste poging tot toenadering gedaan. Dat het een kapitale dwaasheid was, gevoelde hij toen en betreurde hij nu, maar het was hem onmogelijk geweest anders te handelen. Terwijl hij daar tegenover haar zat overstelpte hem de gedachte, dat al zijn droombeelden voor de naaste toekomst, ook zijn finantiëele, zoo plotseling en geheel onverwacht waren vernietigd, en toen hij gereed was met zijn mededeelingen en haar de stukken overhandigde, die betrekking hadden op zijn voogdij en het beheer van haar vermogen, waarom hij met bevende hand weer het bruin elastiek sloeg, dat ze bijeenhield, loosde hij een diepen zucht en zag haar smeekend aan.

Het baatte niet; het kon niet baten.

Ware zij een man geweest, een vroegere vriend, dan had er sprake kunnen zijn van medelijden; thans trof hem slechts [243]uit twee groote koude zwarte oogen een blik vol haat en minachting. „Henriëtte,” zei hij, „is ’t mogelijk, dat alles zóó moet eindigen?”

Zij trok even ongeduldig de schouders op.

„Heb je,” vervolgde hij, toen er geen antwoord kwam, „alles goed overdacht?”

„Er valt niets te overdenken,” zei ze snibbig.

„Meen je dat inderdaad? Geloof je werkelijk met dien jongen man gelukkig te kunnen zijn?”

Zij had hem half den rug toegekeerd en staarde, spelend met een der cordelières van de staatsiegordijnen, uit het venster.

„Wij zijn geëngageerd en als de stukken in orde zijn, trouwen we.”

„Dat weet ik, dat heb je me doen weten. Maar het is geen antwoord op mijn vraag.”

„Mij dunkt van ja. Wat zoudt u nog verder dienen te weten?”

„Ik vroeg, of je kunt veronderstellen, een gelukkig leven te zullen leiden met dat jonge mensch, die alles weet.”

„Hij is een fatsoenlijk man,” zei ze met emphase, „een man van eer! Bovendien: wat gaat het u aan, als ik u tòch niet hebben wil?”

„Het gaat mij aan, Henriëtte, omdat ik u liefheb, omdat wij elkaar hebben liefgehad en omdat ik beloofd heb een vader te willen zijn voor uw kinderen.”

„Dáár zou ik me op beroepen,” zei ze schamper lachend en hem haar gelaat toekeerend, waaruit woede en haat spraken.

„Of hij fatsoenlijk is en een man van eer, laat ik in ’t midden. Het kan zijn dat hij thans de beste bedoelingen heeft; doch wat zal later het geval zijn, als het eerste vuur gedoofd [244]is; als er kleine verschillen ontstaan en de herinnering, die hem nooit geheel verlaten kan, opkomt aan de verhouding tusschen u en mij!”

Mourant had haar ongetwijfeld getroffen in een zwakke zij, doch hij was te veel advocaat geweest in zijn betoogtrant en had er geen rekening mee gehouden dat hij voor een zaak stond, die met geen logische redeneering te winnen was. Het was als olie in het vuur.

„Jij,” stoof ze op, „jij rekent alle menschen naar jezelve. Hij is geen gemeene kerel! Hij is iemand met een goed hart, in wiens schaduw je niet staan kunt met al je mooie praatjes. Hij zal me niet ongelukkig maken, zooals jij het je goeie arme vrouw hebt gedaan.”

Tranen van woede waren haar in de oogen gesprongen en terwijl Mourant, door den hevigen uitval een oogenblik van zijn stuk gebracht, niet wist wat te antwoorden, nu deze bom was gesprongen in zoo geheel verkeerde richting, ging een zijdeur open en trad Jules driftig en bleek de kamer binnen en op Mourant toe.

„Hebt u hier,” vroeg hij op hoogen toon, „uw zaken als voogd van de kinderen afgedaan?”

Mourant had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Zij stonden dicht voor elkaar, man tegen man, en zagen, als leeuwen gereed toe te springen, elkaar in de oogen.

„Ik weet niet,” zei Mourant, „dat ik u daarover eenige opheldering zou schuldig zijn.”

„Het raakt me niet, wat u weet. Ik heb u alleen te zeggen dat mevrouw Veninga mijn aanstaande is.”

„Dàt raakt mij niet.” [245]

„En ik zeg u er bij, dat ik niet verkies, haar door u lastig te zien vallen.”

„Wat u verkiest,” zei Mourant, thans op zijn beurt erg uit de hoogte, „doet hier niet ter zake. Dit is het huis van mevrouw en zoo ik hier kom, om zaken met haar te bespreken, zou het gepast zijn als vreemden zich daarbuiten hielden.”

De jonge man, die zich meer en meer opwond en begreep, althans gevoelde, dat hij tegenover Mourant met praten het veeleer zou afleggen, dan verder komen, greep onverhoeds een glas water, dat er als het ware voor klaar stond op een guéridon, en wierp het Mourant met volle kracht in het gezicht.

Het was een armzalige figuur, die de man van eenigszins gevorderden leeftijd daar maakte. Zijn met zooveel zorg opgekamde bakkebaarden hingen hem als een paar natte haarkrullen aan ’t gezicht en groote waterdroppels liepen snel van de punt van zijn spitsen neus. Hij rukte een foulard uit zijn borstzak, wreef snel zijn oogen uit en droogde zijn gezicht. Toen hij weer zien kon, was het eerste, wat zijn blik trof, het opgewonden gelaat en de gloeiende oogen van den minnaar zijner vroegere minnares, die hem toesnauwde:

„Je kunt nu verder van me krijgen wat je hebben wilt; mijn adres is bekend; maak nu, dat je weg komt en zet hier geen voet meer in huis of, zoo waar als God leeft, ik trap je de deur uit.”

Zonder een woord te spreken ging Mourant heen. Met die scène was alles uitgeweest; voor goed uit.

Terwijl de trein voortvloog tusschen de onafzienbare rijen, tot dwergen getopte, pereboompjes, die de bermen van [246]den weg begroeiden, was het weer helder geworden, en vroolijk speelde het zonlicht op de natte blaren van het geboomte; maar in de donkere stemming, waarin Mourant verkeerde, was geen verandering teweeggebracht. Hoe meer hij nadacht, leunend tegen de harde kussens van den weinig comfortabelen Belgischen spoorwegwaggon, des te bitterder werden zijn conclusiën. Dat Henriëtte zich tegenover hem had schuldig gemaakt aan de zwartste ondankbaarheid, was voor zijn zelfgenoegzamen aard een onbetwistbaar feit. Maar er was meer. Langzamerhand begon hij tot de overtuiging te komen, dat het toch eigenlijk van hem had afgehangen aan alles een anderen loop te geven. Hij begreep nu, rustig en stil neerzittend in den coupé, volstrekt niet hoe het mogelijk was, dat hij zich door het brutaal optreden van dien jongen „sinjo” zoo uit het veld had laten slaan. Thans buiten de omgeving, waarin hij zich den laatsten tijd bevonden had, thans alleen, had hij grooten moed en hij dacht er zelfs een oogenblik aan op een der tusschenstations uit te stappen en naar de hoofdstad terug te keeren. Doch hij deed het niet. Ondanks zijn groote ingenomenheid met zichzelven begreep hij wel, dat hij een al te dwaas figuur had gemaakt; onherstelbaar dwaas!

En wat nu? Toen hij zoover was met zijn gedachtenloop, ontsnapte hem een luide zucht, die door het rammelend spoorweggedruisch heen, het oor scheen te bereiken van den in een Belgischen spoorwegwaggon onvermijdelijken geestelijke, die stil en zonder op te zien zijn getijden las, maar nu eensklaps gestoord scheen en een oogenblik den deftigen heer in het hoekje aankeek. Mourant wierp hem een grimmigen [247]blik toe; hij had zoo’n hekel aan die heeren, al hadden zij hem nooit iets in den weg gelegd!

Het was reeds laat in den namiddag, toen hij in Den Haag aankwam; toch stond hij op het punt in een vigilante te stappen, zonder een bepaald plan, zonder dat hij de vraag: waarheen? voor zichzelven had beslist. Hij noemde den koetsier den naam van een hotel, omdat hij den man, die met een gezicht als een vraagteeken van den bok naar beneden keek, niet op een adres kon laten wachten.

Maar hij deed het machinaal en zonder overtuiging, en met loomen tred volgde hij in het logement den kellner, die hem, met drie treden te gelijk, voorsprong naar zijn kamer op de bel étage. Den ganschen avond liep hij het voor een hotel fraaie, doch als in een hotel ongezellige vertrek op en neer, sigaren rookend en champagne drinkend, om zijn leed te verzetten en het gevoel van diepe onbehaaglijkheid te verdrijven, dat hem nooit zoo had beheerscht, als dien ganschen langen dag en dat hem den volgenden ochtend, na een nacht vol looden slaap, bij het eerste ontwaken dadelijk weer overviel. Reeds vroeg ontbeet hij in de eetzaal, geheel tegen de gewoonten der soort van gasten, die hier hun intrek namen. Hij was blij, toen hij op straat was en de koele wind der zeestreken hem verfrischte. Mourant wandelde in de richting van zijn oude huis; het huis, waarin zijn nu verlaten vrouw woonde; maar nog voor hij er aankwam, zag hij met verbazing, dat er een huurbordje uitstak. Toen verwonderde hij zich over zijn verwondering. Het was immers de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij alleen niet was blijven wonen in zulk een betrekkelijk ruim [248]huis; hij had dat als ’t ware op de vingers kunnen narekenen, doch hij rekende zoo weinig met wat zijn vrouw betrof, dat de gedachte geen oogenblik bij hem was opgekomen. Nu liep hij er voorbij en keek nieuwsgierig door de spiegelruiten naar binnen in de holle, leege benedenkamers. Waar zou zij gebleven zijn? Het scheen voor ’t oogenblik moeilijk dit te weten te komen, hoe uiterst gemakkelijk dat metterdaad was.

Zij had een advocaat, wiens naam en adres hem bekend waren, en naar diens kantoor wandelde hij heen.

Een uur later stond hij voor een nette eenvoudige woning aan den Bezuidenhoutschen weg en schelde aan.

Het dienstmeisje, dat hem open deed en hij te voren nooit gezien had, scheen van hem te schrikken.

„Is mevrouw thuis?” vroeg hij op den afgemeten toon, dien hij altijd aannam tegen minderen.

Doch hij wachtte het antwoord niet af. Door een open deur aan het einde van de gang, zag hij een vrouwengestalte in den tuin met den rug naar hem toegekeerd, gebogen over een bloemperk, en zonder iets te vragen of te zeggen, schreed hij voort over den looper en trad met een zekerheid, als ware hij volkomen op de hoogte der lokaliteit, de kamer binnen, die op den tuin uitzag. Een poedel—zijn hond!—sprong van een canapé met kort gebrom, maar zijn baas herkennend, kwispelstaartte hij en lekte hem de hand. Mourant ging zitten en streelde het dier den kop; hij keek de kamer rond en vond haar erg gezellig en met goeden smaak gemeubeld. Doch hij had niet lang tijd aan die bijzonderheden te denken; hij onderging haast tegen zijn [249]wil een hem sedert lang vreemde sensatie: een gevoel van rust en behaaglijkheid, dat hem vreemd geworden was; dat iets moest hebben van den indruk, dien een zwerver ondervindt bij zijn terugkeer.

Zijn vrouw was binnengekomen en recht naar haar plaats gegaan aan de tafel, waarop naast het theeservies een mandje borduurwerk stond. Zij zag bleek, maar scheen in ’t minst niet ontsteld en zij keek hem ook aan met een gezicht, dat duidelijk vroeg wat hij eigenlijk verlangde.

En de zwijgende vraag bracht hem in verlegenheid. Hij had haar nooit ontzien; hij had altijd tegenover haar de grootst mogelijke vrijheid betoond in zijn spreken en doen; meer, veel meer, dan hem ooit toekwam. Thans wist hij niet, wat te zeggen en keek met saamgeknepen lippen aandachtig naar den hoed, dien hij in de hand hield, als ware ’t een kunstwerk.

Zoo zaten zij eenige oogenblikken zwijgend tegenover elkaar: zij in stillen triumf, in het algemeen zoo volkomen begrijpend, wat er gebeurd was, als had ze het bijgewoond; hij niet wetend, hoe aan te vangen en in pijnlijke onzekerheid, of, indien hij iets zei, zijn woorden goed zouden opgenomen worden.

„Ik heb je erg gegriefd.”

Bij zichzelve moest ze lachen om het onhandig begin; hij was en bleef toch altijd dezelfde: een groot en ijdel menschenkind, vol aanstellerij en met een minimum wezenlijk gevoel. Nooit was hij zoozeer naar het uiterlijk in harmonie geweest met haar schatting van zijn innerlijk wezen. [250]

„Waartoe kan het dienen dáárover te komen spreken?” vroeg zij.

„Omdat het mij berouwt.”

„Een berouw, dat te laat komt, als altijd.”

„Waarom te laat? Er is immers in den zin der wet.…”

Zij viel hem toornig in de rede.

„De zin der wet doet hier niets ter zake.”

Maar hij gevoelde zich à cheval op dien „zin”.

„Toch wel. Er zijn in zoover immers nog slechts voorbereidende stappen gedaan, waarop met een enkel woord is terug te komen.”

„Ik spreek daar niet van en ik wensch daar niet van te hooren. Een scheiding is, wat het is, met of zonder de wet; formaliteiten tel ik niet. Waarom ben je hier gekomen?”

„Ik kwam.… ik kwam een verzoening voorstellen.”

„Wat is er gebeurd met de weduwe van Veninga?”

„Zij is.… te Brussel.”

„Dat is mijn bedoeling niet.”

Hij trok met een zeker air de schouders op.

„Wat kan ik er meer van zeggen! Zij is te Brussel en zij en ik zijn voor eeuwig gebrouilleerd.”

„Gebrouilleerd,” zei ze niet zonder spot, „ja, dat begrijp ik.”

„Welnu, laat het dan daarbij blijven.”

Maar zijn vrouw bleef onverbiddelijk. Na haar laatste bezoek aan Henriëtte, had zij de waarschijnlijkheid van terugkeer van dezen quasi berouwhebbenden zondaar voor oogen gehad en zij was vastbesloten, hem niet te sparen, maar, indien zij vergeven wilde, een geheel andere houding [251]tegenover hem aan te nemen, dan de vroegere vol meegaandheid.

„Waarom,” vroeg mevrouw Mourant, zich oprichtend, „heeft de weduwe Veninga u weggezonden?”

Mourant kreeg een kleur als bloed. Hij had een verhaal verzonnen, dat hij, als ’t noodig mocht zijn, wilde opdisschen en waarin hij, zoo al geen schoone, dan toch een eenigszins waardige rol vervulde. Dat „weggezonden” was hem een klap in ’t gezicht en op geraakten toon antwoordde hij blufferig:

„Er is geen sprake van.”

„Het is onnoodig er doekjes om te winden. Je zegt dat je een verzoening verlangt?”

„Dat herhaal ik.”

„Ik kan het alleen gelooven, indien je oprecht bent en niet huichelt of liegt. Ze heeft je dus weggezonden?”

Het klamme zweet parelde hem op het voorhoofd.

Zoo iets had hij allerminst verwacht, en vruchteloos trachtend zich in deze pijnlijke omstandigheid een houding te geven, zag hij haar aan met iets van vrees op zijn gezicht.

„Ik wil,” ging zij voort, toen hij niet dadelijk antwoordde, „de volle waarheid weten. Zooals je hoort, weet ik er reeds een deel van. Doch dit zeg ik u: indien ik niet alles van u verneem, wat aanleiding gaf tot uw komst hier in mijn huis, dan ben ik voor niets te spreken; dan wil ik van geen verzoening weten; dan gaat de scheiding onverbiddelijk door.”

Er viel niets tegen te doen, dat zag hij duidelijk in.

C’était à prendre ou à laisser. Een oogenblik streed hij een zwaren strijd tegen zijn groote ijdelheid, die hier den [252]genadeslag scheen te moeten krijgen, en zij met haar effen rustig gelaat en kalmen helderen blik las in zijn geest zooals zij het altijd gedaan had: gelijk in een open boek.

Eindelijk ving hij hortend en stootend aan met het verhaal van zijn jammerlijk wedervaren, doch al doende kwam hij meer op streek en van een opsomming van feiten, werd het allengs meer een klacht dan een zelfverdediging.

Zoo zwaar het hem gevallen was in den aanvang, zoo luchtte het ten slotte zijn gemoed en hij verdiepte zich, al pratend, in kleinigheden, die hij had mogen verzwijgen, maar die het hem nu een droevige wellust werd in bittere woorden weer te geven.

Geen enkele maal viel zijn vrouw hem in de rede. Zwijgend hoorde zij hem aan, langer dan een kwartier, en toen hij gloeiend van opgewondenheid met tranen van woede in de oogen en trillingen van wraakzucht in de stem, alles en alles had verhaald, toen wist ze, dat hij de geheele waarheid had gesproken.

„Het moest zoo gaan,” zei ze eenvoudig, nadat hij had uitgepraat; „het kon niet anders.”

En toen hij haar vragend aankeek:

„Ik heb haar bezocht te Vlietwijk; zonder dat ik haar iets vroeg, zei ze mij toen reeds, dat ze van je ontslagen wenschte te zijn.”

Mourant boog onder den slag het hoofd. Dat het waar was, wat ze zei, betwijfelde hij nu niet meer. Wat waren toch de vrouwen!

Er werden niet veel woorden meer tusschen hen gewisseld. [253]Mevrouw Mourant gaf de verbaasde dienstbode last een kamer voor „mijnheer” in orde te maken. Hij keerde terug naar ’t hotel om zijn rekening te betalen en zijn bagage te halen en nog denzelfden avond installeerde hij zich in het huis zijner vrouw met een onverklaarbaar gevoel van groote vreugde, dat al de soesa van den laatsten tijd, die zijn zenuwgestel geweldig had aangegrepen, voorbij was. Voor geen schatten der wereld had hij die laatste weken nog eens willen doormaken.

„Ziezoo,” zei Jules, na den smadelijken aftocht van zijn tegenstander, met erg manhafte schreden op en neer stappend: „ziezoo; nu geloof ik niet, dat dit heerschap het u nog lastig zal maken.”

De waarheid was, dat, toen Mourant zwijgend heenging, hem een pak van het hart viel. Hij was, van nature, schoon sterk en kloek gebouwd, zoo’n voorvechter niet; het zou zeer de vraag zijn geweest of hij, had Mourant zich flink en onverschrokken vertoond, een schitterend figuur zou gemaakt hebben. Nu hij hem zoo gemakkelijk van de baan had geslagen, klom zijn moed tot groote hoogte.

„Ik ben er zóó verschrikt van!” zei Henriëtte, inderdaad nog bevend van het hoofd tot de voeten.

Jules drukte haar aan ’t hart en gaf haar een zoen.

„Het is de moeite niet waard, lieve. Het moest gebeuren. Had ik mijn zin gehad, dan zou ik, dat weet je, er al veel eer een eind aan hebben gemaakt.”

„Zou hij het er bij laten?”

„Of hij wat?” vroeg Jules, een weinig ontsteld.

„Of hij je niet zou uitdagen?” [254]

„Dat denk ik niet; maar als hij het deed.…”

„O, neen, ik zou het niet gedoogen. Je leven is mij veel te dierbaar, om het op die wijze in gevaar te zien.”

„Mijn leven,” herhaalde hij verwonderd en gedwongen lachend, „maar beste Jet, haal je nu geen dwaasheden in het hoofd. Hij zal wel zoo verstandig zijn, niets van zich te laten hooren.”

Doch de jonge vrouw was maar half gerustgesteld. Zij bezat niet de scherpzinnigheid en de menschenkennis van een mevrouw Mourant en zij behield nog altijd een zeker denkbeeld, dat heel conventioneel achter uiterlijk vertoon innerlijke waarde onderstelde.

Telkens kwam zij ongerust terug op de mogelijkheid, voor haar een waarschijnlijkheid, dat Mourant de ondergane beleediging zou willen wreken.

„Beloof me,” drong ze aan, toen Jules haar verliet, „beloof me stellig, dat je een duel zult weigeren.”

„Dat zou ik onmogelijk kunnen.”

„Lieve Jules,” ging ze opgewonden voort, „ik wil het niet hebben.”

En toen hij zag, dat zij zich weer meer opwond en de tranen haar in de mooie oogen stonden, deed hij opnieuw zijn best haar gerust te stellen, ofschoon het ook, door al haar praten, bij hemzelven hoe langer hoe meer begon vast te staan, dat een cartel hem van den kant van Mourant te wachten stond.

Van dat idee doordrongen, ging hij niet naar zijn logement, informeerde in een wapenwinkel naar het adres van [255]den besten Brusselschen schermmeester, bij wien hij een even dure, als langdurige les op de sabel nam.

Henriëtte kon, toen hij weg was, haar vrees niet alleen dragen; zij maakte de bonne, reeds lang haar vertrouwelinge, er deelgenoote van, en dit had in zooverre een goede zijde, dat het haar meer geruststelling bracht, dan al de betuigingen van haar aanstaande.

Celui là!” riep het coquette ding, de handen van verbazing ineenslaande. „Le vieux? Est-il possible? Mais c’est un gros blagueur, madame. Il est poltron comme le dernier des derniers!

En toen haar meesteres nog twijfelde, ging zij geruststellend voort:

Croyez-moi, madame, je m’y connais. Avec ses grand airs il a peur d’un rien. Ce ne sera pas lui qui cherchera querelle à msieur Jules.

Zoo babbelde zij voort en verhaalde al lachend nu en dan hoe Mourant zich steeds angstvallig had teruggetrokken, als naar haar opinie een man in zijn omstandigheden tot uitersten van gewelddadigheid behoorde over te slaan.

„Zie je wel,” zei Jules den volgenden avond, thans volkomen gerustgesteld en triumfantelijk, „zie je wel, dat ik gelijk heb gehad. Hij is een blufzak, anders niet.”

Maar Henriëtte, terwijl zij het toegaf, dacht aan het geklap van haar bonne, die het toch eer en beter scheen geweten te hebben dan hij.

„Ik wou,” vervolgde Jules, den rechterarm uitstekend en met een beweging als bracht hij een „slag naar ’t hoofd” toe, die zijn tegenstander moest verpletteren, „dat de kerel [256]den moed had gehad, mij uit te dagen; hij zou dan van een nog heel andere reis zijn thuisgekomen.”

Nu het gevaar voor goed was geweken, maakten zij druk werk van de verwezenlijking hunner plannen. Jules had zijn stukken in orde gekregen; die van Henriëtte waren compleet; daarvoor had destijds Mourant gezorgd. Uiterst stil en eenvoudig werd hun huwelijk te Brussel voltrokken; daartoe gehuurde lieden dienden hun tot getuigen, en kort daarna vingen zij de groote reis aan naar Indië, waar Jules, wiens tijd reeds lang was verstreken, met ongeduld werd verwacht; het was meteen hun huwelijksreis, al had er dat, door de kinderen, niet den schijn van. Te Marseille aan boord gaand, trof Henriëtte het uiterlijk van een bijzonder kloek gebouwde jonge vrouw, met een echt Indisch gezichtje. Ze keken elkaar een oogenblik aan, alsof ze trachtten zich te binnen te brengen, waar ze elkaar vroeger hadden ontmoet; maar toen ze nog dienzelfden dag, op de gebruikelijke manier, aan elkander werden voorgesteld, maakten de namen der wederzijdsche echtgenooten haar niet wijzer. Van een mevrouw Van Haafte had Henriëtte in haar leven niet gehoord.

De oude dokter Van der Linden begon er langzamerhand aan te gewennen, vrij geregeld, maar voor zijn beschikbare middelen toch zeer matig, door Van Leeuwendaal geëxploiteerd te worden. Wel was zijn kleinkind nog steeds de lust zijns levens, en zou dat ook wel blijven tot hij stierf, maar de jongeheer moest trouw naar school en kreeg privaatles bovendien. Deze opvoeding strookte geheel met des dokters begrippen. Van die apenliefde, waardoor kinderen tot weetnieten [257]worden grootgebracht, wilde hij nimmer hooren. En zoo kwam ’t, dat de oude heer, zijn plicht doende tegenover den knaap, het levensgenot zijner laatste jaren zeer verkort zag. Hij kon zich soms gruwelijk vervelen. Lust in uitgaan had hij niet meer; in studie of lectuur nog maar bitter weinig; een wandelingetje was in een half uur gedaan en in het lieflijk Hollandsch klimaat meestal verre van aangenaam; in eten, drinken en rooken moest hij matig zijn en zich ontzien, dat voelde hij het best aan zijn eigen lichaam. Zoo sleet hij dan den langen dag grootendeels in de zitkamer van zijn huis, turende door het venster met een gedwongen belangstelling in kleinigheden, waarover hij vaak zelf vol ergernis en met minachting de schouders ophaalde. Hij werd oud, zeer oud. Het teekende zich in zijn trekken en zijn gestalte; zijn vele campagnejaren, in alle beteekenis, wogen zwaar. Slechts zelden ontving hij bezoek. De oud-gasten dachten niet meer aan hem; daartoe vertoonde hij zich te weinig in het publiek; daartoe was hij betrekkelijk te lang uit Indië. Eens in de week bezochten hem Louise en haar man, de ritmeester; het waren een soort van plichtmatige bezoeken, waarin nu en dan wel iets van de oude affectie doorstraalde, maar die toch niet langer werden gerekt dan strikt noodzakelijk was; hij had iets tegen Riquelle en deze had iets tegen hem; wat het was, wisten zij niet; nooit hadden zij onaangenaamheden gehad met elkaar en de ritmeester behandelde zijn schoonvader steeds met onderscheiding en groote beleefdheid. Doch juist dat laatste hinderde den ouden heer; hij had wel eens met dien eenigen man in zijn familie meeningsverschil willen hebben en daarover [258]gemoedelijk twisten, doch bij de afgepaste manieren van den ritmeester wilde dat niet gelukken en daardoor was dokter Van der Linden tot de slotsom gekomen, dat zijn schoonzoon geen meening had.

Van Leeuwendaal, die intusschen van het pak slaag, door hem opgeloopen, geheel bekomen was, amuseerde den dokter door zijn dwaas gebabbel.

Het was wel vervelend, dat deze sinjeur altijd om geld kwam, maar aan den anderen kant was hij een gezellig tijdverdrijf. Het geld, dat deze verloopen telg van een voorname familie kwam afbedelen, was voor een zeer bemiddeld man maar een kleinigheid. Niettemin begon dokter Van der Linden steeds met zich schrap te zetten tegen elken aanval op zijn beurs en dan smaakte hij het dubbel genoegen der toepassing van het boléh tawar en van de vermakelijke argumenten, die Van Leeuwendaal aanvoerde in zijn betoog, dat hij het „parole d’honneur” voor niet minder doen kon.

De wraakzuchtige plannen van dezen panier percé tegenover de familie Riquelle traden bij die zonderlinge verhouding ook op den achtergrond; zij sluimerden in, zonder uit te sterven. Hij kreeg genoeg om het leven van een „fatsoenlijken” vagebond voort te zetten, maar de pogingen nu en dan door dokter Van der Linden aangewend om hem op te heffen uit den modderpoel van zijn bestaan, mislukten. Werd er beproefd hem beter te kleeden, dan verdwaalde na weinige dagen het nieuwe pak in den lommerd, wat meer dan eens leidde tot verwoede scènes, die den ouden heer geen kwaad deden, in zoover hij dan zijn gemoed kon koelen over allerlei kleinigheden, die hem hinderden in zijn eigen bestaan. [259]Daarbij dacht ook hij geen oogenblik meer aan de mogelijkheid, die eerst zoo zwaar bij hem gewogen had, dat Van Leeuwendaal iets zou ondernemen tegen de familie; dit deed hem te ver gaan.

In een vlaag van buitengewone mildheid had hij Van Leeuwendaal een zilveren horloge geschonken en bij de eerste aanvraag om middelen kwam hij tot de ontdekking, dat het den weg der nieuwe pakken was opgegaan. Het trof dien dag al heel ongelukkig; des dokters maag was van streek en bovendien had de onderwijzer van zijn lieveling hem geschreven, dat hij ernstige klachten had over vlijt en het gedrag van dit veel belovend knaapje. Hij voer geweldig uit tegen Van Leeuwendaal. Het was een dier heftige attaques van boosheid, die hem in zijn jeugd vaak hadden overvallen; doch waarvan hij zich op lateren leeftijd had gecorrigeerd door er een goede dosis cynisme voor in de plaats te stellen. En Van Leeuwendaal, die ondanks zijn verregaand verval, toch niet alles kon verdragen, was onder dien vloed van smaadredenen weggeloopen. Snel stapte hij voort, zooals zijn gewoonte was met de handen in de zakken van zijn veel getinte overjas en het scherpe, magere gezicht ver vooruitgestoken. Hij was woedend en al zijn half begraven plannen van wraak herleefden. Als men hem zóó behandelde, dan zou men toch eens zien, met wien men te doen had. Te verliezen had hij niets, zoodat hij er veel op wagen kon. Deze gedachte kalmeerde hem; hij ging niet naar een of andere kroeg, zooals zijn gewoonte was, hetzij hij geld had of niet, maar trok zich terug op zijn ellendig kamertje en zat er uren na te denken over het leed, dat hij die verwenschte [260]familie Van der Linden kon aandoen met de mogelijkheid dat er nog wat geldelijk voordeel voor hem viel te behalen, want sneed het mes niet van die twee kanten, dan zou het toch maar half werk zijn.

Het kostte hem veel inspanning; nu eens bedacht hij dit, dan weer iets anders en meestal verwierp hij het uit gebrek aan moed. Doch toen hij dacht aan den kleinzoon, helderde zijn gezicht op. Dat was het teere punt, voor hem ook het zwakke, en daarin zou hij hen allen treffen.

Het denkbeeld stond hem met dat al maar vaagjes voor den geest. Doch daarover bekommerde hij zich het minst.

Het kon wel een paar dagen lijden, dacht hij, vertrouwend op zijn „krediet”. Maar daarin vergiste hij zich. Het feit, dat hij in den laatsten tijd betaalde en soms zelfs groot geld „op zak” had, werkte juist in den tegenovergestelden zin; het had zijn op medelijden gegrond krediet van vroeger totaal ondermijnd. Dat viel hem tegen! Hij moest toch leven! Hij had behoefte aan eten, rooken en drinken; aan drinken vooral. Zijn wraakzuchtige plannen streden tegen het meer en meer opkomend idee naar dokter Van der Linden te gaan en vergiffenis te vragen. Het laatste vonkje van betrekkelijke eerlijkheid, dat door dien strijd zelf nog werd bewezen, zou er bij ondergaan. Hij stond stil en glimlachte. Hoe dwèès! Er behoefde in ’t geheel geen strijd te wezen. Het een stond het ander volstrekt niet in den weg. Hij zou heel leuk naar den ouden heer gaan om pèrdon te vragen en te zien wat geld machtig te worden. Vervolgens zou hij zijn grooten coup slaan.

Maar de oude heer had zijn goed humeur nog niet terug. [261]

„Onbeschaamde ploert!” viel hij uit, waar de dienstbode bij was, driftig de vestibule instormend, waar Van Leeuwendaal op de mat stond. „Hoe durf je hier in huis komen!”

„Pèrdon!”

„Ik verbied je een voet meer over mijn drempel te zetten.”

„Pèrdon, dokter. Ik kom mijn excusen aanbieden.”

„Ik heb met jou excusen niets te maken. Je bent ’n laag sujet; ’n door en door gedemoraliseerd individu.”

„Het is zoo, dokter; het spijt me; ik kan het niet helpen.”

„Wat ’n kerel!” riep de oude heer hoonend, met het hoofd in den nek Van Leeuwendaal beschouwend door zijn bril. „Hij kan het niet helpen!”

Parole d’honneur, dokter; het is mijn schuld niet.”

„De mijne zeker!”

Pèrdon; het is een fout in mijn gestel; een onjuistheid in mijn appreciatie-vermogen. Ik kan den tijd niet waardeeren; daarom heb ik nooit ’n horloge kunnen hebben. Als schooljongen heb ik ook altijd mijn horloge naar den lommerd gebracht. Het is een zwak.”

De oude heer keerde zich om en keek naar de groote klok aan den wand als moest dit getuigen dat het hem niet ontbrak aan het vermogen den tijd te waardeeren; metterdaad schoot hij bijna in een lach. Wie had ooit zulk een dwaas gehoord. Hij had veel komieks in zijn leven gehoord, maar de zucht tot het verpanden van horloges te hooren verklaren uit een soort van psychologischen drang, uit een soort van onweerstaanbaren lust tot het feit zelf, was hem te machtig.

„Je begrijpt wel, dat ik van zulke kinderachtige praatjes niets wil hooren,” zei hij, zich goedhoudend. [262]

„Dokter!” riep Van Leeuwendaal op kluchtigen toon, pathos parodiëerend, „wees niet langer boos. Ik beloof beterschap, parole d’honneur! Mag ik meteen zoo vrij zijn u nog eens aan te pompen! Hm! Tien pop!”

Een oogenblik keek dokter Van der Linden verbaasd en verbluft over zulk een verregaande brutaliteit, sprakeloos in het smal en mager vogelengezicht van Van Leeuwendaal met de hoogopgetrokken wenkbrauwen en de scherpe, lange trekken om den mond. Hij wist niet wat hij doen zou: hem de deur uitjagen of toegeven aan den opkomenden lust deze haast eenige gelegenheid om zich te amuseeren niet onherroepelijk weg te werpen.

„Je bent een echte chevalier d’industrie”, zei hij grommend, maar inwendig lachend. „Ik moest je eigenlijk door de politie laten oppakken!”

En Van Leeuwendaal, die zag dat hij het gewonnen had:

„Zeker, ongetwijfeld!”

„Zoo, ben je zelfs dat met me eens?”

„Zelfs dat! Maar verbeeld u, dat ik het liever niet zou willen, voor de politie. Wat zou zij er aan hebben! Het zou geen aanwinst zijn. Bij de politie zijn er veel, niet beter dan ik. En wat de horloges aangaat!.…”

Al voortbabbelend met de bedoeling zijn clowns-rol zóó te spelen, dat de oude heer er heel veel pleizier in had, volgde hij, ongevraagd, ongeweigerd, dezen naar binnen. En terwijl zijn mond allerlei dwaasheid sprak, bromde in zijn geest de weder opgewekte woede over de harde en onomwonden bejegening en vlamden de oude wraakplannen hooger op dan ooit.

„Ik heb,” zei de oude heer, zoekend onder papieren op zijn [263]schrijftafel, „een paar oude stukken, die je eens voor me moest overschrijven.”

„Ik schrijf een leelijke hand.”

„Dat weet ik, maar dan doe je je best maar ’n beetje!”

„Helaas! het helpt niet. Het is toch altijd even leelijk.”

„Nu, het komt er niet op aan; doe het maar.”

„Geloof me, dokter, het gaat niet; mijn schrift is tegenwoordig totaal onleesbaar.”

„Dus,” zei de oude heer, weer woedend, „dus je bent zelfs te lui om voor mij, die je, onverplicht, geruimen tijd zoo goed als geheel onderhoudt; van wien je leeft, wiens parasiet je bent,—om voor mij iets te copiëeren.”

„Dat is het waarlijk niet, parole d’honneur! Maar heusch, geloof me; u zoudt er toch maar uw oogen op bederven.”

„Het is wel!”

„Kan ik u met nog iets van dienst zijn?”

„Loop naar den duivel, vent.”

„Dank u. En vooral voor de tien pop. Ik zal ze opschrijven bij de rest, en als ik nog eens ’n erfenis krijg.…”

„Kom, ga nu maar.”

Van Leeuwendaal kocht zich een paar glaasjes cognac en wandelde toen naar den kant der school van den jongenheer Van Velton.

„Dàg schoone mèègd,” zei hij tot een dienstmeisje, dat den grooten schelknop en ’t handvat der deur blinkend wreef.

„Kijk hij!” riep de dienstbare met verachting, en in stilte voegde zij er bij: „zoo’n verloopen mesjeu!”

„Gaat hier een jonkertje Van Velton school?” [264]

„Weet ik het?”

„Als je ’t niet weet, lief kind, wees dan zoo goed en vraag het eens.”

De dienstbode deed het, maar met tegenzin.

Van Leeuwendaal zag haar de lange gang doorgaan en aan het eind daarvan een deur openen. Een eigenaardig geluid drong tot hem door: een dof gestommel, waartusschen verwarde menschelijke klanken en gonzend geschuifel; hij herinnerde het zich uit zijn jeugd; hij had altijd gruwelijk ’t land gehad aan dat geluid, want het had hem, luien ondeugenden knaap, nooit iets anders voorspeld dan straf en nog eens straf.

Er verscheen een jongmensch in ’t vaal en kaal zwart met een bril op en een keurig gepunt potlood achter het oor: het type van een kweekeling. Hij bekeek Van Leeuwendaal wantrouwend.

„Wat is er van uw dienst?” vroeg hij.

„Ik kom den jongenheer Van Velton halen.”

„Namens wien?”

„Namens dokter Van der Linden.”

„Meneer Van der Linden laat anders nooit den jongenheer Van Velton halen.”

„Och kom!” zei Van Leeuwendaal woedend: „ik meende dat hij het elken middag deed.”

„O ja, na schooltijd; dat bedoel ik niet; ik bedoel: binnenstijds.”

„Dan heeft de grootpa van den jongenheer daarop vandaag een uitzondering gemaakt. Hij heeft mij verzocht.…”

„Ik zal hem halen,” zei de kweekeling, thans gerustgesteld [265]door Van Leeuwendaals bekendheid met de omstandigheden. „Alleen zal meneer waarschijnlijk een briefje meegeven.”

Het duurde wel een kwartier eer ’t ventje kwam.

Van Leeuwendaal stond op heete kolen; als de meid van den dokter zich eens vergiste in den tijd en te vroeg kwam, dan was hij verloren.

De kleine Van Velton met zijn schooltasch op den rug en zijn pet achter op het hoofd, keek eenigszins vreemd, maar hij zei niets.

„Wilt u zoo goed zijn dit briefje aan meneer Van der Linden te geven?” vroeg de kweekeling.

„Met pleizier.”

Van Leeuwendaal stak het in zijn zak en greep de hand van het jongetje.

„Je grootpa heeft me verzocht je van school te halen. Ben je niet blij dat je zoo vroeg weg mag?”

Het kind keek eens naar den kweekeling; hij had graag „ja” gezegd, maar hij durfde niet.

Op straat hield Van Leeuwendaal hem vast.

„Ik kan anders wel los loopen.”

„Ja zie je, ik ben zoo bang dat je ’n ongeluk krijgt. Hoe heet je?”

„Ik heet Willem en ik kan heel goed alleen loopen. Waarom komt grootpa niet zelf?”

„Omdat hij te Scheveningen is met gezelschap.”

Kleine Willem lette er niet op dat voor Scheveningen het weer wel wat guur was; ook niet dat het vreemd was te Scheveningen te blijven, als iedereen zoowat naar de stad kwam om te eten. Evenmin dacht het kind aan de altijd [266]noodige verwisseling van kleeren; grootpa zou hem toch nooit in zijn schoolpak en met zijn tasch op den rug uit hebben laten gaan.

Maar hij had het eene woord gehoord, en dat had hem geëlectriseerd: Scheveningen, de duinen, het strand! Hij schudde zijn blonden krullebol tot de lokken van pleizier om zijn ooren dansten.

„Gaan we dadelijk?” vroeg hij.

„Wel ja; grootpa heeft gezegd, dat we gauw moesten komen.”

„Hoe gaan we dan?”

„We zullen een vigilante nemen.”

„Daar komt er een aan. Hé koetsier! Hij houdt al stil. Zeg meneer, wie ben je?”

„Ja.…. Ik ben.… ik heet.…—hoe mal dat hij nu niet op een geschikten naam kon komen!—Neitsel.”

„Nu, meneer Neitsel, mag ik op den bok zitten bij den koetsier?”

„Wel neen, zeker niet.”

„Waarom niet?”

„Dat zou je grootpa niet willen hebben; ’t is veel te gevaarlijk!”

„Gevaarlijk!” riep Willempje met diepe minachting, „’t Is in het geheel niet gevaarlijk.”

Maar Van Leeuwendaal trok hem zenuwachtig met zich mee in het huurrijtuig, en liet dat naar Scheveningen rijden. De mond van den kleinen jongen stond niet stil; hij rammelde maar altijd door; het was nog licht genoeg, zei hij, om in het duinzand wegen en gangen te graven; als grootpa zijn werktuigen maar had meegenomen. En Van Leeuwendaal antwoordde gedachtenloos. [267]Wat was hij over zichzelven ontevreden! Het bleek hem nu alweder te laat welk een volkomen gemis aan geschiktheid hem kenmerkte om iets, wat dan ook, te doen. Hij kon iets verzinnen en daarover praten, maar hij kon niets uitrichten zonder het van meet af verkeerd te doen. Zoo was er ook nu niets behoorlijk voorbereid. Wat moest hij te Scheveningen met dien knaap aanvangen?

Hij vond zichzelven stapelgek.

„Is grootpa in het Badhuis?”

„Ja.”

„Zijn er veel menschen?”

„Neen, niet heel veel. Ik heb ze niet gezien.”

„Zijn er kinderen bij? Ik bedoel jongens?”

„Dat geloof ik wel.”

Het vragen maakte Van Leeuwendaal zenuwachtig; hij had gaarne den koetsier gelast terug te keeren, maar het was daartoe te ver gekomen.

Bij het dorp liet Van Leeuwendaal de vigilante stilhouden.

„Laat hem toch om de kerk rijden,” zei de kleine ongeduldig, „dan komen we immers achter bij de trap.”

Maar Van Leeuwendaal luisterde niet langer naar hem; met haastigen tred en het kind bij de hand voorttrekkend, liep hij, wadend door het mulle zand, naar den hoogen weg, die langs het Badhuis voerde.

„Loop toch zoo hard niet,” riep Willempje, kwaad: „we zullen er immers wel komen.”

Ze kwamen er, en rilling op rilling voer Van Leeuwendaal door het lijf; een stijve wind zweepte het duinzand over den eenzamen weg; de avond begon te vallen; in sombere eentonigheid [268]loeide de groote zee, dof weerspiegelend de jagende wolkenmassa boven haar in grijzen, grauwen toon; de nog gesloten gebouwen ter rechterzijde rezen als doodsche monumenten uit de dofgroene helm en ’t bleekgeel duin. Er liep of wandelde niemand. Slechts hier en daar zat op een bank een oude visscher met diepe groeven in het verweerd gezicht, met een grof buis aan en donkerblauwe morsmouwen er onder; met een ouden hoogen hoed op en een zwartgerookt pijpje tusschen de knevels, starend met zijn kleine dofgeworden oogen, recht voor zich uit, naar de zee,—zijn verleden, zijn oud arbeidsveld, zijn herinnering.

Op een helling van den weg zagen zij het Badhuis, gesloten, stil en verlaten.

„Het is dicht!” zei Willempje.

Een oogenblik stond Van Leeuwendaal stil, nam zijn hoed af en veegde de zweetdroppels weg, die op zijn voorhoofd parelden als ware het een snikheete Julidag. Hij deed zijn best om zichzelven meester te blijven.

„Hé, ja!” zei hij, verbazing veinzend, „dat zie ik ook.”

„En je zei, dat grootpa er was.”

„Dat heeft hij me ook gezegd.”

„En hij is er niet en het is dicht,” ging het kind voort met onverbiddelijke logica, maar op eenigszins angstigen toon.

„Dat zie ik ook.”

„Ik wil naar huis. Waarom heeft grootpapa mij voor den gek gehouden? Dat doet hij nooit.”

„Wacht even. Nu weet ik het. Hij heeft gezegd: een villa voorbij het Badhuis; daar was hij bij kennissen.” [269]

„Ik wil maar liever naar huis.”

„Goed, strakjes. Maar eerst moeten wij toch je grootpa gaan opzoeken.”

Kleine Willem scheen het daarmee niet eens te zijn, want toen Van Leeuwendaal weer haastig voortstapte, het Badhuis voorbij, keek het kind met een pruilend gezicht naar de gesloten stores en liet zich, tegenstrevend, half voorttrekken.

Een eindje verder hield de met roode baksteenen losjes bestraatte weg op; Van Leeuwendaal beklom het tegenoverliggend duin en kleine Willem, verlokt door het gezicht, dat hem altijd zoo bekoorde, vergat zijn vrees, zijn grootpa en zijn verlangen naar huis; als een kat klauterde hij naar boven, door zijn hijgenden en kuchenden geleider gevolgd. Toen gingen ze rechts, als het ware weer in de richting van de stad. Maar na een kwartier nam de schemering toe; kleine Willem werd moe en had geen pleizier meer in klimmen en klouteren. Van Leeuwendaal was halfdood van angst en afgetobdheid.

„Ik wil hier nu niet langer blijven,” zei het kind, bang om zich heen ziende en op schreienden toon.

„Houd je mond, kwajongen,” riep Van Leeuwendaal met krassende hooge stem, buiten adem.

Maar de jongeheer Van Velton, verwend door zijn omgeving en met eenige eigenschappen zijner moeder begaafd, was geen zoet en gezeglijk kind.

„Ik wil niet,” schreeuwde hij. „Ik wil naar huis!”

„Kleine draak, wees stil, of ik trap je voor den grond.”

„Ik wil naar huis!” herhaalde Willempje, en toen hij er [270]een om de ooren kreeg: „Help! Hij slaat me! Ik wil naar huis.”

Van Leeuwendaal stond stil, buiten zichzelven van woede.

„Zal je stil zijn?” vroeg hij hijgend, het kind aan een oor trekkend.

Willempje, aan zulk een behandeling niet gewoon, begon te schoppen en te trappen en raakte met den rand van zijn schoenzool Van Leeuwendaal vrij hard tegen het broodmager scheenbeen. Met een vloek liet de baron los. Het kind wilde wegloopen, maar viel in het zand, en kreeg daar van Van Leeuwendaal, die het vol angst was nageloopen, den reeds toegezegden trap.

„Houd nou je bek, kleine adder, of ik vermoord je.”

Maar er was niets, niets aan te doen.

Willem schreeuwde hoe langer hoe vervaarlijker en luider; in grooten angst keek Van Leeuwendaal rond; er was niets te zien, dan de duinranden, afstekend tegen de duister wordende lucht, en hier en daar een ijle rhododendron; maar het was den in overspannen zenuwtoestand verkeerenden man of hij in de verte twee personen zag, die haastig naar hem toekwamen; zij kwamen op het rumoer af, dat scheen hem duidelijk, en zich over het schreeuwend en in zijn woede kronkelend kind buigend, beukte hij het met de vuist.

„Wees toch stil, hondenkind! Zal je nu stil zijn? Dáár, dáár! Vervloekt, wees stil zeg ik!”

Doch Willempje schreeuwde niet meer; hij brulde, met kreten van pijn onder de stompen der harde knokkels, maar hij was ook boven het punt waaronder stil en bedaard [271]worden nog mogelijk is; hij bleef, al brullend, zich verzetten, schoppend en trappend, en terwijl Van Leeuwendaal zich vooroverboog in het halfduister, trof hem de jongensschoen onverhoeds midden in het gezicht. Razend wierp hij zich op het kind.

„Ga dan naar de hel bij je vader, satansjong!” siste hij geheel buiten zichzelven en, woelend met zijn lange magere handen om den hals van het knaapje, drukte en kneep hij uit al zijn macht, met de wilde woede van een bezetene.

Het arme kind gaf geen geluid meer; het lag onbeweeglijk stil, en langzaam steunend op de handen, struikelend, en op zijn magere beenen waggelend, stond Van Leeuwendaal op. Schuw keek hij rond in het dieper wordend duister. Hij wist niet en hij dacht niet; zijn hoofd was leeg, versuft, dronken. Zóó bleef hij een lange minuut staan, raapte, half op den tast, zijn kalen hoed op en beklom zuchtend het naaste duin stadwaarts, langzaam en met groote moeite. Op den heuvel woei de wind hem in ’t gezicht; in de verte hoorde hij een voertuig ratelen, en daarachter tegen de zwarte lucht ving een heldere gloed aan te glanzen, de weerschijn van de pas ontstoken lichten in de groote stad. Hij keek er naar en er kwam besef in zijn geest; hij keek er naar met groote uitpuilende oogen, en toen zette hij het op een loopen, met wijde wilde sprongen en stappen, wegzinkend in het zand of uitglijdend op de gladde helm; viel hij, dan sprong hij op, vlug en lenig in zijn overspannen toestand, als een kat, en hij vloog weer vooruit in de zwart-grauwe duisternis onder den invloed van een vrees, die hem [272]gek maakte, altijd in de richting van het noorden, diep het duin in, tot hij neerviel in het mulle schuivende zand, bewusteloos, met het gezicht voorover op den grond.

’t Was rustig en doodstil in de zoo goed als geheel onbewoonde duinstreek. Willempje Van Velton en baron Van Leeuwendaal omringde geen geluid, dan het gekwaak in de lucht van een overvliegende eendenvlucht, hier of daar opgejaagd, of ’t geritsel van het onrustig naar den kost zoekend konijn.

Maar in de stad was het zeer onrustig over hen; zij was er vol van. Het toeval had gewild dat de dokter zelf met zijn coupétje zijn kleinzoon van de school kwam halen.

„We hebben hem al meegegeven.”

„Hè?” vroeg de dokter verbaasd, en aan niets anders denkend dan een onverwachte en zeldzame uiting van moederlijke teederheid. „Al meegegeven?”

„Ja, u hebt hem zelf laten halen.”

Dokter Van der Linden verbleekte.

„Wel neen, dat heb ik niet.”

„Er is hier ’n uur ongeveer geleden ’n meneer geweest, namens u. Hij zag er niet rijk, maar toch nogal fatsoenlijk uit. ’n Heel mager heer met ’n grooten neus. Hij kwam namens u den jongenheer halen!”

„En je hebt hem meegegeven aan ’n onbekenden vent?”

„Ik wist niet.… ik meende.… hij zei.…” stotterde het jongemensch achteruittredend voor den ouden heer, die woedend op hem afkwam.

„Wie gaf je het recht, beroerde kwajongen, mijn kind.…”

„Ik zal meneer roepen”, zei de kweekeling en liep hard [273]naar achteren, op den voet gevolgd door den dokter. De school was nog aan, en het praatje was dadelijk bekend: de kinderen mochten naar huis gaan en als een zwerm verspreidde zich over honderden huisgezinnen in de stad het nieuws: „er was een jongetje gestolen”; enkele wettische heeren zeiden, dat er een „minderjarige was ontvoerd.”

De onderwijzer zelf was zeer ongerust; hij trachtte niet zijn personeel te verontschuldigen; hij zag wel dat het niet baatte; maar hij reed met zijn kweekeling mee naar het politie-bureel. Aan de persoonsbeschrijving had de dokter dadelijk Van Leeuwendaal herkend. In het rijtuig voerde de onderwijzer alleen het woord, troostend en opbeurend, voorbeelden aanhalend van dien aard, die ook alleen hadden geleid tot noodelooze ongerustheid. Maar de dokter dacht aan de oude geschiedenis te Batavia; aan Van Leeuwendaal’s wraakzucht over het pak slaag; aan de positie zijner dochter; en wat het verschrikkelijkste was: aan het lot van zijn lieveling; hij was een man, en in zijn lange medische en chirurgische carrière had hij geleerd met droge oogen het lijden der menschen aan te zien; maar nu was hij oud; hij had al zijn liefde bijeengebracht op dat kind, en als hij er aan dacht, dat Willempje wellicht gruwelijk werd mishandeld, dan liepen hem rillingen van smart door het lichaam, dan moest hij veel moeite doen om zijn tranen te bedwingen.

Een inspecteur van politie bracht hen naar een hoofdinspecteur van politie, die hen bracht naar een commissaris, die hen deed binnengaan bij een hoofdcommissaris. Ieder hoorde het verhaal van den kweekeling en de verklaringen van den dokter, noteerde ze, trok een bedenkelijk [274]gezicht, vond het een hoogst ernstig geval, en schoof dat over op zijn chef, tot groote woede van den doodelijk ongerusten dokter, die stampvoette over het tijdverlies.

De hoogste politioneele macht gaf dadelijk orders.

„Duizend gulden,” zei de dokter, „voor den man, die me het kind gauw en goed terugbrengt.”

De voorgeroepen agenten zeiden niets; ze keken eerbiedig naar dien ontstelden ouden heer, die zulk een som uitloofde; voor henzelven beschouwden ze het verdwijnen uit de school onder den leertijd een kwajongensgrap; die kinderen van de Haagsche „groote lui” waren lievertjes! Daar wisten zij, politie-agenten, van mee te praten!

„Er schiet thans niets over dan te wachten,” zei de hoofdcommissaris toen de agenten met instructies waren vertrokken.

„Te wachten!” zuchtte de oude heer. „Het is verschrikkelijk!”

Hij reed naar de Riquelles.

Juist kwam hem de panier van den ritmeester te gemoet. Louise met een frissche kleur op het gezicht, mooier en eleganter dan ooit, mende de poneys, die, hun korte dikke manen schuddend, op de stangen beten.

Toen papa, nog voor de rijtuigen geheel stilstonden, de deur van zijn coupé opende, er uit sprong en op angstigen toon riep:

„Ik wou Wim van school halen.… Hij is weg!”—begon Riquelle te lachen.

„Maak u niet zoo ongerust, pa. Hij zal gespijpeld hebben: dat is zoo erg niet; dat heb ik ook wel eens gedaan!”

Maar Louise lachte niet.

Zij kende haar vader en ze zag duidelijk aan zijn gezicht, [275]dat er meer stak achter het enkele woord. Den koetsier achter haar gaf zij de teugels en sprong uit den panier.

„Wat is er, pa?”

„Ik zeg je: Willem is weg.”

„Maar hoe komt dat dan? Spreek toch duidelijk!”

„Hij heeft hem onder schooltijd weggehaald.”

Dokter Van der Linden zei het als tegen zichzelven op den smartelijken toon van iemand, die een pijnlijke gedachte doelloos en machinaal herhaalt en onder woorden brengt.

„Hij?” herhaalde Louise, haar man aankijkend met een vreemden blik, die vroeg of papa wellicht in een stadium van kindschheid geraakte. „Wien bedoelt u, pa?”

„Van Leeuwendaal.”

Zij werd zeer bleek; haar trekken drukten grooten angst uit.

„Wie is dat?” vroeg Riquelle.

„Ik kan het je niet in twee woorden zeggen; het is een smeerlap, een vagebond, een verloopen zoon van ’n voorname familie.”

„Wacht even,” zei Riquelle, „daarover herinner ik me iets, maar ik weet waarachtig niet wat. Het was een bekende familie in mijn jeugd, maar sedert uitgestorven als ik me niet bedrieg.”

„Het is de kerel, dien je hebt laten afranselen.”

„Och wat! En kende u hem?”

„Zeker! Ik kende hem, helaas!”

„Dat is curieus,” ging de ritmeester langzaam voort met een onderzoekenden blik op zijn vrouw.

„Zijn vader heeft hem eens in Indië op mijn dak gezonden.” [276]

„Dus kende jij hem ook?” vervolgde Riquelle tot zijn vrouw.

Louise sloeg de oogen neer; zij had een benauwd gevoel als stond haar een groot ongeluk voor de deur.

„Ja, ik kende hem.”

„Daarvan heb je me niets gezegd.”

„Neen.”

„Maar lieve, dat is toch vreemd. Als ik zijn afkomst had gekend en geweten had, dat hij vroeger de gast van je papa was geweest.…”

„Wat zou het hebben uitgemaakt?”

„Het scheelt nogal iets! Ik zou hem dan zeker geen pak slaag hebben laten geven door ’n paar dragonders.”

„Ook dat doet er niet toe,” riep de oude heer. „Hij heeft het pak slaag beet en ik vrees.… ik vrees.…”

„Wat?” vroeg Riquelle snel.

„Dat de schurk zich wreekt op mijn arm kind.”

Een oogenblik stond de ritmeester verstomd. Hij hield volstrekt niet van het souvenir zijner vrouw aan haar Indisch huwelijk, maar als man van eer en fatsoen schokte het hem toch geweldig de middellijke oorzaak te zijn geweest van het vermoedelijk ongeluk van een kind.

Maar hij herstelde zich.

„Ik geloof pa, dat u het veel te donker inziet.”

„Je hebt goed praten.”

„Wat zou zoo’n man aan ’n enkele wraakneming hebben?”

„Weet ik het! Maar het gebeurt in de wereld, dàt weet ik bij ondervinding.”

„Nu ja, maar zeer zeldzaam. Weet u waaraan ik denk?” [277]

„Neen!”

De oude heer zei het op een toon, alsof hem de gedachten van zijn schoonzoon volkomen onverschillig waren.

Chantage.

Een oogenblik dacht dokter Van der Linden na.

„Waarom niet, pa?” riep Louise. „Ik geloof het ook. Waarom zou ’t hem anders te doen zijn, dan om geld?”

„Ik had hem denzelfden ochtend pas geld gegeven.”

Ze zwegen nu alle drie een oogenblik, tot de dokter, die geen rust had en met het hoofd op de borst en onrustig dwalende oogen geen twee seconden stil kon staan, in zijn coupé sprong.

„Ik ga nog eens naar ’t politie-bureel.”

„Kom u gauw, als er iets is?” riep Louise met een in ’t oog vallend opvlammen van moederlijke bezorgdheid.

Haar vader wuifde met de hand en knikte bijwijze van belofte met het hoofd.

„Ik zal je de heele geschiedenis met Van Leeuwendaal vertellen,” zei Louise toen ze thuis was met haar man.

„Is het zooveel?”

„Och neen, eigenlijk niet, Ed. Maar toch voorzie ik iets verschrikkelijks.”

„Geloof je dan waarachtig ook, dat die man het kind zal kwaad doen?”

„Misschien niet, maar of hij ’t doet of laat, er zal veel over de zaak gesproken en geschreven worden.”

„Ja, natuurlijk. Dat is altijd onpleizierig.”

„En dat wordt het dubbel om en door de oude geschiedenis met dien Van Leeuwendaal te Batavia.” [278]

Zij vertelde hem alles, en het hinderde hem geweldig.

Hij geloofde haar volkomen; hij wist dat ze geen woord onwaarheid sprak, had de volle overtuiging dat nooit iets bestaan had tusschen haar en dien kerel. Maar die was toch, dat wist men, in haar slaapkamer geweest, toen ze nog een jong meisje was en terwijl ze te bed lag, en dat was genoeg, zoo het besproken raakte, voor een zee van de schandelijkste lasterpraatjes. Daarvoor vreesde hij, dien storm zag hij aankomen, en dat domineerde beiden meer, veel meer dan de eigenlijke vraag: wat is Willempje overkomen?

De chef der politie ontving den ouden heer triumfantelijk.

„We zijn op het spoor,” zei hij.

„En?”

„Hij is met het kind naar Rotterdam.”

„Hoe weet u dat?”

De commissaris glimlachte sluw. Dat was nu ook iets! Waarom gaf men zulke zaken aan, als men niet meende, dat de politie in de gelegenheid was er achter te komen? Hij tikte de asch van zijn sigaar en antwoordde langzaam:

„Zóó vraagt men de boeren de kunst af.”

„Wat hebt u gedaan?”

„Er zijn twee geheime agenten naar Rotterdam. Maak u niet ongerust meer. Er zal hem geen tijd worden gelaten iets kwaads te doen aan het kind.”

„Goddank!”

„Ga gerust naar huis, mijnheer Van der Linden, gerust! Er zal hem niets overkomen.”

De dokter wilde juist eenigszins gerustgesteld heengaan, [279]toen een agent, die de kamerwacht had, een collega aanmeldde, die op recherche was geweest in de zaak van het vermiste kind.

„Als u even wilt wachten,” zeide de commissaris, „kunt u hooren wat deze man rapporteert.”

Er kwam een heel gewoon, mager man binnen met een blonden baard, zweetend en kuchend van vermoeienis, en de commissaris, met de zelfvoldoening van iemand, die slechts zou hooren bevestigen, wat hij reeds wist, zei:

„Ga je gang maar.”

De agent wierp een schuinschen blik op den dokter, dien hij herkende als de oude heer van de duizend gulden; daarna keek hij zijn chef aan en zei in telegram-stijl: