Het was omstreeks kwart voor achten in den avond.
De vroege herfst had zich op ruwe wijze ingezet, en een gure wind deed de Londenaren, die niet voor hun vermaak of om een andere reden de straat moesten opzoeken, snel huiswaarts gaan.
Sedert een half uur was het tot overmaat gaan regenen en een dier verraderlijke Londensche misten scheen op komst te zijn.
Het asphalt glom in het schijnsel der tallooze lantaarns en dof klonken de hoeven van de paarden der huurrijtuigen, die schouwburgbezoekers naar hun plaats van bestemming moesten brengen. Voor het Garrick Theater was het een onophoudelijk komen en gaan van voertuigen van allerlei aard, ouderwetsche cabs, welke men bijna niet meer zag in de Engelsche hoofdstad, vierwielige rijtuigen of broughams, huurauto’s, glanzende equipages en prachtige eigen auto’s.
En het was geen wonder, want de aanplakbiljetten vermeldden voor dien avond het optreden van een bekwame buitenlandsche actrice, die zelfs in het kieskeurige land van den dollar grooten roem had geoogst.
Geen enkele Londenaar, die zichzelf respecteerde en die over voldoende middelen beschikte om den zeer hoogen entrée-prijs te betalen, zou het in den zin hebben gekregen, dien avond niet in het Garrick Theater aanwezig te zijn.
Men wist, dat men daar de bekende premiere-gangers zou aantreffen, die geen enkele eerste voorstelling overslaan, evenmin als het optreden van een buitenlandsche ster, wier naam door de bladen reeds lang te voren was verkondigd.
De voorgevel van den schouwburg glansde van licht.
Alle electrische lantaarns waren aangestoken en straalden hun licht uit over den breeden verkeersweg.
Men zag telkens een auto stil houden en dan verdwenen de inzittenden al spoedig onder het gewelf van de ruime peristyle, gedragen door een tiental zuilen. [2]
Een paar baliekluivers, oogluikend toegelaten omdat er oorlogsinvaliden onder bleken te zijn, schoten dan haastig toe om het portier van het voorrijdend rijtuig te openen in de hoop van een fooi.
Onder die gelegenheidsportiers was ook een oud man met reeds sterk grijzend haar en die blijkbaar niet al te best ter been bleek te zijn.
Want de arme stakkerd kwam meestal eenige oogenblikken te laat aansukkelen, als een ander hem reeds voor was geweest.
Dan bleef hij op eenige passen afstand staan en keek droevig toe, hoe een meer bijdehande en jonger concurrent met de fooi ging strijken.
Hij scheen den moed niet op te geven, hoewel het duidelijk te zien was, dat de steeds toenemende vermoeidheid het hem voortdurend moeilijker maakte, vlug genoeg toe te schieten teneinde een portier te openen.
Nu en dan nam hij zijn hoed af, een tot den draad versleten hoofddeksel, om zijn voorhoofd met een zakdoek af te wisschen.
Dan pas kon men goed zien, hoe vermagerd zijn gelaat, hoe ingevallen zijn wangen waren, hoe koortsig zijn oogen gloeiden.
Kleine zweetdruppels parelden op het gerimpelde voorhoofd, ondanks de gure koude.
De man droeg geen overjas en had den kraag van zijn armelijk buis zoo hoog mogelijk opgeslagen.
Om zijn dunnen hals was een roode zakdoek geknoopt.
De man droeg de kleederen van een haveloozen schooier en toch was er iets in zijn geheele voorkomen, dat er op wees, dat deze man niet steeds in deze armzalige omstandigheden had verkeerd.
Hij scheen er dan ook nog een restje van ijdelheid, van zorg voor zijn uiterlijk op na te houden, want zijn gelaat was zorgvuldig geschoren.
Het was reeds bij achten en nog altijd had de oude geen kans gezien een paar penningen te verdienen.
Zijn gelaat verkreeg langzamerhand een zorgelijke, smartelijke uitdrukking, en het was ook of er schrik op te lezen viel.…
Hij steunde zich met de hand tegen een der pilaren en hoestte.
Daarbij drukte hij de andere hand op de borst, alsof het hem pijn deed.
Zoo stond hij daar gebukt, het jammerlijk toonbeeld van ouderdom en ziekte.
Weer kwam er een groote auto aanrijden.
Het was een prachtige, blauw gelakte Limousine, en behoorde blijkbaar aan een zeer rijk man.
Aan het stuurwiel zat een chauffeur van reusachtigen lichaamsbouw, een ware Hercules, met breede schouders, een nek als een stier en de vuisten, die het stuurwiel omklemd hielden, leken wel geschikt om er steenen mee te kloppen.
Ditmaal scheen het geluk den ouden man gunstig te zullen zijn. De vluggere collega’s hielden zich juist bezig met andere auto’s en het veld scheen dan toch eindelijk vrij te zijn.
Met haastige stappen kwam de oude man naderbij.
Maar juist werd van binnenuit het portier reeds geopend door een hand die in fijn glacé-leder gestoken was.
De grijsaard slaakte een smartelijken zucht, dit was blijkbaar meer dan hij verdragen kon.
Hij wankelde, tastte tevergeefs naar een steun en zakte toen alsof hij een rustig plaatsje zocht om te sterven langzaam langs het glanzende hout van de auto ineen.
Onmiddellijk snelden er eenige suppoosten toe, die dien bewustelooze wilden weg dragen. Men moest tot iederen prijs den rijkaard den aanblik van dezen flauw gevallen schooier besparen.
Maar dadelijk liet zich uit de auto een bevelende stem hooren, die riep:
„Laat dien man liggen, ik zal naar hem omzien,” en op hetzelfde oogenblik stapte een heer van rijzigen lichaamsbouw, zeer elegant gekleed, uit de auto.
Hij kon omstreeks veertig jaar zijn, maar dat was alleen te zien aan zijn haar, dat aan de slapen lichtelijk begon te grijzen, want zijn gang was zoo licht en veerkrachtig als die van een jongeling. Zijn grijze oogen hadden een glans als van metaal en al zijn bewegingen verrieden den geoefenden sportman.
Onmiddellijk weken de suppoosten terug.
Zij hadden den bezoeker herkend.
Dadelijk werd zijn naam in het rond gefluisterd, terwijl het aantal nieuwsgierigen zich om den ouden man verdrong.
„Lord Aberdeen. Dat is Lord Aberdeen,” ging het zacht van mond tot mond.
Inderdaad, het was de zonderlinge weldoener, de schatrijke filantroop, bij duizenden Londenaren van aangezicht bekend en die letterlijk werd aangebeden door even zooveel ongelukkigen, die hij niet [3]alleen met goeden raad, maar ook met daad had bijgestaan.
En niemand van al die rampzaligen die hij van den afgrond had gered vermoedde ook maar een seconde, dat zich achter Lord Aberdeen niemand anders verborg dan de Groote Onbekende, Lord Edward Lister, alias John Raffles, de langgezochte Gentleman-Inbreker, de schrik van Scotland Yard.
Wie zou dit ook hebben durven denken.
Wie zou het onzinnig denkbeeld hebben durven uiten, dat de man in zijn deftige kleederen met zijn scherp besneden aristocratisch gelaat en die over fabelachtige rijkdommen scheen te beschikken, dezelfde man was, op wiens aanhouding reeds sedert eenige jaren een premie van 1000 pond sterling was gesteld.
Men zou dengeen, die zooiets waagde te opperen, eenvoudig voor gek hebben verklaard. Achter zijn lordschap was een jonge man verschenen, met helder blauwe oogen en een blozend gelaat. Dat was Charly Brand, de secretaris van Lord Aberdeen, maar veel meer de trouwe vriend van den Gentleman-Inbreker, die de meeste van diens gevaarlijke en opwindende avonturen had gedeeld.
Raffles had zich reeds over den ouden man heen gebukt en richtte nu op zachten toon eenige woorden tot Charly Brand, die met innig medelijden op den armen ouden man neerkeek. Toen hief hij het hoofd op, en vroeg den portier die naderbij was gekomen en wat ruimte poogde te maken:
„Weet gij, wie die ongelukkige is?”
„Zijn naam weet ik niet, Mylord,” antwoordde de man. „Wel weet ik, dat hij hier sedert een paar weken geregeld komt, om de portieren van de auto’s open te maken. Het lukt hem maar zelden, maar wij laten hem maar wat begaan. Het is zoo’n oude stumperd. Als Mylord het veroorlooft, zullen wij hem wel gauw ergens heen dragen.”
Er scheen een scherpe opmerking op de lippen van John Raffles te liggen, maar hij bedwong zich en zeide:
„Wij zullen hem slechts wat terzijde leggen, dan kan ik zien, wat hem scheelt.”
De portier haalde de schouders op. Maar hij deed het zoo, dat niemand het zag. Want met een Lord, zelfs al haalde hij zulke dwaze kuren met een ouden bedelaar uit, moest men altijd een weinig voorzichtig zijn.
En zoo werd de nog altijd bewustelooze grijsaard terzijde van de peristyle gedragen en daar opnieuw neergelegd, maar ditmaal op een dik kleed, hetwelk Charly snel uit de auto had gehaald.
Tevens had hij Henderson, zoo was de naam van den reusachtigen chauffeur, gelast om met de auto in de zijstraat die langs den schouwburg loopt, te wachten.
Raffles had zich opnieuw over den grijsaard heen gebogen.
Het was nu reeds over achten en daar de deuren aanstonds gesloten zouden worden hadden zich eenige van de lieden, die zooeven de auto’s bestormd hadden, rondom de kleine groep opgesteld.
En Charly bukte zich op zijn beurt voorover en vroeg op zachten toon aan Raffles:
„Wat zou den ouden stakkerd schelen?”
„Ik denk dat het hem aan voedsel scheelt,” antwoordde Raffles op scherpen toon. „Die arme man is eenvoudig neergezakt, omdat hij honger heeft.”
„Dat kan wel waar zijn, mijnheer,” liet nu een stem zich hooren, die bleek toe te behooren aan een der gelegenheidsportiers.
Raffles richtte zich een weinig uit zijn gebukte houding op en keek den man in het gelaat.
Het was geen fraai gelaat, maar hij vertoonde de goedheid des harten, die ook het leelijkste gelaat iets aantrekkelijks geeft.
„Hoe weet je dat, man?” vroeg Raffles.
„Ik woon in zijn straat, mijnheer. Ik ken hem wel van aanzien.”
„Dan weet gij misschien ook wel zijn naam?” vroeg Raffles op levendigen toon.
De man scheen even te moeten bezinnen en antwoordde toen:
„Hij moet Lark heeten, Edwin Lark.”
„Zijn adres?”
„Hij woont in de Crescent street.”
„Het nummer?”
„Dat weet ik niet, mijnheer.”
„Maar zoudt ge het mij kunnen aanwijzen?”
„O, wat dat betreft,.…”
„Zoudt ge mij dan willen vergezellen en mij er aanstonds heen brengen? Ik wil u gaarne voor hetgeen gij hier mocht verzuimen, schadeloos stellen.”
De man krabde zich even achter het oor en zeide toen met ver opgetrokken wenkbrauwen:
„De zaak is, mijnheer, om elf uur moet ik hier [4]weer terug zijn, want dan gaat de schouwburg uit en dan moet ik de portieren weer open doen.”
„Dan laat gij de portieren voor dezen keer maar eens aan een ander over,” hernam Raffles glimlachend. „Ik herhaal u, dat het u geen windeieren zal leggen.”
„In dat geval kunt u op mij rekenen, mijnheer,” hernam de man. „Ik zou het graag voor niets doen, want ik mag dien ouden snuiter wel lijden, maar als ik zonder geld bij moeder de vrouw thuis kom, dan zwaait er wat.”
„Dat kan ik mij begrijpen,” zeide Raffles met een zacht lachje. „Uw naam?”
„Bill Tower en met uw welnemen, oud gediende, Victoria kruis, twee eervolle vermeldingen, vijf maal gewond, waarvan de laatste maal zoo leelijk, dat ze me niet meer wilden terug hebben. Dat was bij Pervys in België.”
Bill Tower had dit alles op den natuurlijksten toon van de wereld gezegd.
Hij scheen het volgens den loop der dingen te vinden, dat hij zijn bloed voor zijn land had geplengd en nu in den guren regen moest staan omdat er geen werk en geen plaats meer voor hem was. Raffles keek eenige seconden strak voor zich uit.
En Charly kon duidelijk zien, dat zijn lippen zich krampachtig vertrokken.
Edwin Lark lag intusschen nog altijd onbewegelijk op de dikke deken uitgestrekt, zonder besef van hetgeen er rondom hem gebeurde.
Toen hief Raffles het hoofd weder naar Tower op en vroeg:
„Had de ongelukkige man geen ander werk, dan hetgeen hij hier deed?”
„Neen, mijnheer, tenminste niet voor zoover ik weet. Hij moet vroeger modellenmaker zijn geweest, maar hij is drie vingers kwijt geraakt.”
„Een ongeluk?” vroeg Charly meewarig.
„Het is maar wat je een ongeluk belieft te noemen, mijnheer,” riep Bill Tower op schamperen toon uit. „Ze zijn hem in den oorlog afgeschoten.”
„Wat, heeft deze man in den wereldoorlog meegestreden?” riep Raffles uit.
„Zeker, als vrijwilliger. Hij was korporaal, toen hij gewond en afgekeurd werd. Nu krijgt hij een half pond in de week pensioen.”
„Maar hoe oud is deze man dan wel?” riep Charly Brand verwonderd uit.
„Niet ouder dan vijf en veertig jaar, mijnheer,” antwoordde Tower.
„Kom, laten wij hier niet onzen tijd verpraten,” riep Raffles op bijna ruwen toon. „Die man moet voor alles eten. Vriend Tower, wij gaan nu eerst naar mijn huis om daar den ongelukkige bij te brengen, en dan zullen wij hem gezamenlijk naar zijn woning brengen. Zijn familie zal wel in de grootste ongerustheid over hem verkeeren.”
„Dat denk ik haast niet, mijnheer,” zeide Tower hoofdschuddend.
„Wat? Je wilt toch niet zeggen, dat de familie van dezen ouden man zich niets aan hem laat gelegen liggen?” riep Raffles op verontwaardigden toon. „Het zou een schande zijn.”
„Dat is de zaak niet, mijnheer. Lark heeft een dochter, een heel mooi meisje tusschen twee haakjes, maar het arme kind is krankzinnig. Zij zou er niet eens besef van hebben als haar vader niet meer thuis kwam.” [5]