Gedurende eenige oogenblikken werd er niet gesproken.
Toen zei Raffles op zachten toon:
„Dat is verschrikkelijk. Kom snel vriend Tower. Ik wil weten, wat hieraan te doen is. Help mij eens dien ongelukkige naar mijn auto te dragen.”
Raffles en Tower namen Lark op en tot stomme verbazing van de omstanders, bijna even arme en hongerige stakkerds als de bezwijmde grijsaard, droeg de deftige schatrijke Lord met den armen invalide het lichaam van den schooier naar de wachtende auto, die getuigde van den rijkdom haars bezitters.
Charly volgde met de plaid, die dadelijk over Lark werd uitgespreid.
Wat Henderson betreft, hij toonde niet het minste spoor van verbazing. Blijkbaar was hij aan dergelijke tooneeltjes wel gewend.…
Tower stapte, op uitnoodiging van Raffles, in en keek dadelijk zijn oogen uit aan de fraaie inrichting van den wagen.
Raffles gaf den chauffeur een kort bevel. Het portier klapte dicht en in snelle vaart ging het door de straten van Londen, die nu veel minder druk waren, daar alle schouwburgen thans waren aangegaan.
Een kwartier later stond de auto stil voor een fraai heerenhuis in de Regentstreet, dicht bij Pall Mall.
Charly ijlde vooruit teneinde de voordeur te ontsluiten en behoedzaam droeg de reusachtige chauffeur het geheel beweginglooze lichaam naar binnen, terwijl Raffles en Tower op hun beurt het huis betraden, nadat Henderson den bewustelooze naar een der slaapkamers had gebracht en daar op het bed had neer gelegd.
Bill Tower was een eenvoudige ziel, en hij slaakte telkens kleine uitroepen van verbazing, toen hij door de marmeren vestibule schreed en over de dikke wijnroode looper de prachtige trap besteeg, en overal fraaie beelden en schilderijen, wandtapijten en kostbare vazen ontwaarde.
Een bejaarde bediende was Raffles tegemoet getreden.
Het was Gaston, de grijze kamerbediende van Lord Aberdeen.
Ook hij verbaasde zich niet uitermate over hetgeen hij te zien kreeg, hetgeen weer de verwondering opwekte van Bill Tower, die van de eene ontroering in de andere verviel.
En toen Charly hem eindelijk in de groote ontvangsalon liet, die slechts zeer weinig gebruikt werd, daar Raffles een afkeer had van groote gezelschappen, toen kende zijn bewondering geen grenzen.
Hij keek met groote oogen naar de schoone wandversiering, gobelins van groote kunstwaarde, naar de kostbare beelden, naar de dikke fluweelen gordijnen voor de ramen en naar den gladden parketvloer, hier en daar met Smyrna-tapijten bedekt.
Met open mond stond hij stil voor den kolossalen haard, half in den schoorsteen ingebouwd.
En hij slaakte bijna een schreeuw van schrik, toen hij zich liet neervallen op een gemakkelijken stoel en half wegzakte in de mollige zitting.
Intusschen had Raffles zich nog altijd aan den bewusteloozen grijsaard gewijd.
En hier, waar hij alle geneesmiddelen dicht bij de hand had, slaagde hij er tamelijk spoedig in, de levensgeesten van den ongelukkige weder op te wekken.
Het was half tien, toen Edward Lark de oogen opsloeg [6]en met verwilderden blik de hem vreemde kamer rond zag.
Ten slotte vestigde hij ze op het gelaat van den man, die zich over hem had heengebogen, met een kleine flacon in de hand.
„Waar ben ik hier toch,” stamelde de oude man met zwakke stem. „Ik droom toch niet?”
„Je bent hier bij goede vrienden, en je droomt niet, Edwin Lark,” antwoordde Raffles op vriendelijken toon. „Je bent heel zwak en je moogt nu niet te veel praten.”
En hierop deelde Raffles Lark met enkele woorden mede, wat er met hem geschied was onder de peristyle van den Garrick-schouwburg.
Lark had zwijgend toegeluisterd en keek Raffles nu met omfloerste oogen aan.
„Ik dank u, dat gij u over mij ontfermd hebt, mijnheer,” stamelde hij. „Ik—ik—geloof dat ik mij dwaas gedragen heb, maar de zaak is—ik gevoelde mij—mij zeer flauw en dan die koude.…”
Raffles keek hem zwijgend aan.
Blijkbaar belette hem zijn trots, ronduit te bekennen, dat hij van honger in zwijm was gevallen.
Juist op dat oogenblik trad Charly Brand binnen.
Raffles richtte op fluisterenden toon eenige woorden tot hem en dadelijk verliet de jonge man het vertrek weder, om een oogenblik later terug te keeren met een blad, waarop eenige schalen, een glas en een flesch wijn.
Met groote oogen keek Lark toe.
Een blos begon zijn vermagerde wangen te kleuren.
Hij zag hoe Raffles de flesch ontkurkte en een glas met donkerrooden wijn vol schonk.
Hij zag ook hoe de jonge man, dien hij niet kende, bezig was met het snijden van koud vleesch.
En ondanks zichzelf kwam het water hem in den mond.
Nu trad Raffles glimlachend met het glas in de hand op het bed toe en zeide op bemoedigenden toon:
„Drink eens wat van den wijn, mijn waarde Lark. Hij zal u goed doen en dan moet ge wat eten. Niet te veel echter, want dan zou het u kunnen schaden.”
„Maar mijnheer—ik weet niet, of.…” begon Lark stotterend, terwijl de blos op zijn wangen nog dieper werd.
„Ik weet wat u thans bezielt, mijn vriend,” hernam Raffles met zachten aandrang. „Maar ge moogt u niet door uw gevoel van eigenwaarde laten weerhouden om dit van mij aan te nemen, en als gij u versterkt hebt, deel mij dan eens mede, wat ik verder voor u doen kan. Het is toch dwaas, dat iemand van uw kennis en stand op deze bitter harde wijze zijn brood moet verdienen.”
Lark keek Raffles met schuwen blik aan en zeide toen:
„Hoe weet gij.…”
„Men heeft mij op de hoogte gebracht, mijn vriend. Gij zijt vroeger modellenmaker geweest en door uw ernstige wonde, in den oorlog opgedaan, kunt gij thans dat fraaie beroep niet meer uitoefenen. Ik weet nog meer van u en gij moet mij toestaan u te helpen.”
Een oogenblik bleef Lark onbewegelijk liggen.
Toen begonnen zijn lippen te trillen en eensklaps barstte hij in een hartstochtelijk snikken uit, dat zijn geheele vermagerde lichaam deed schokken.
Met de gezonde hand greep hij die van Raffles en riep snikkend:
„Hoe lang is het niet geleden, mijnheer, dat men op deze wijze tot mij armen ouden man sprak. O ik ben inderdaad nog niet zoo oud, maar ik ben een grijsaard door lijden en nu ik u aanzie, ja, nu herken ik u. Gij zijt Lord Aberdeen, dien ik reeds eerder op de trappen van den schouwburg heb gezien, en dien men mij dadelijk heeft aangewezen. Nu begrijp ik ook, waaraan ik het te danken heb, dat ik zoo liefderijk ben opgenomen. Ik dank u. Ik dank u.…”
De oude man stamelde zijn dankbaarheid uit in onsamenhangende woorden, overstelpt door dezen onverwachten keer in zijn leven, want hij had reeds al te veel over Lord Aberdeen hooren spreken, om niet te weten, dat deze zonderling zijn beschermeling niet halverwege in den steek liet.
Maar eindelijk kwam hij toch in zooverre weder tot bedaren, dat hij een weinig van den wijn en van het versterkend voedsel kon nuttigen.
Toen werd de brave Tower er bij geroepen en zoodra Lark hem zag, begreep hij wel van wien de man, die hem in zijn woning had opgenomen, die bijzonderheden uit zijn leven kende.
Hij keek zijn collega eens glimlachend aan en zeide met een aandoenlijke poging om te schertsen:
„Daar lig ik nu Tower, als een prins.”
„Ja, daar lig je nu, Lark, en als ik me niet bedrieg, dan is de ergste tijd nu voor je voorbij, man.” [7]
Tower meende het zeker goed. Hij was niet bijzonder fijngevoelig, de brave kerel.
En er lag ook een ietsje van naijver in zijn stem, toen hij die woorden uitsprak.
Raffles had een scherp gehoor en die klank was hem niet ontgaan.
Hij keek Tower eens onderzoekend aan en vroeg:
„Wel vriend, hoe staan de zaken. Wat doe je voor den kost?”
„Wat er zooal te doen valt, mijnheer,” antwoordde de man. „Sjouwen aan de haven, nu eens in de steenkolen, dan weer in het graan, of soms in het ijzer.”
„Dus je bent los werkman?”
„Erg los, mijnheer, erg los,” antwoordde Tower met een grimmig lachje. „Het kon bijna niet losser. Ik heb niet veel adem overgehouden moet u weten, al zie ik er ook sterk uit. Er zit een gat in mijn borst. Daarom krijg ik niet voldoende lucht meer en word ik gauw moe.”
„Een gat?” vroeg Raffles verbaasd. „Wat voor een gat dan?”
„Wel, natuurlijk een kogelschot, mijnheer,” antwoordde Tower.
„Dus jij bent ook al in den oorlog gewond,” riep Charly uit.
„Bij het laatste offensief, mijnheer. Ik had volle vijf jaar gediend. En bij de laatste bestorming van de Hindenburglinie kreeg ik drie kogels bijna tegelijk, een in mijn dij, een in mijn wang—daarom ben ik nu zoo’n mooie jongen, en een in mijn borst. Ze hebben me opgelapt, zooals u ziet, maar de man van vroeger ben ik toch nooit meer geworden.”
„Wat was je vroeger?” vroeg Raffles.
„Sjouwer, mijnheer, maar niet los, hoor, niet los. Ik kon toen tien uur per dag de zwaarste vrachten sjouwen, zonder moe te worden, maar nu gaat het niet meer, neen, het gaat niet meer.”
Hij scheen ergens even diep over na te denken en vervolgde toen met een zucht: „En daarom neem ik er van alles bij waar, mijnheer, waarbij ik mijn gemak kan nemen. Zooals dat baantje van vanavond.”
Raffles wierp snel Charly een veelbeteekenenden blik toe en zeide toen op zachten toon:
„Ik weet mij op dit oogenblik niet juist te herinneren, wie het gezegd heeft, dat ook een gewonnen oorlog niets dan ellende en armoede brengt. Maar de man had duizendmaal gelijk. Waar we ook het oog heen wenden, zien we de vreeselijke gevolgen van dien gevloekten oorlog.”
Hij staarde even met gefronste wenkbrauwen voor zich uit en richtte toen de vraag tot Tower:
„Ben je getrouwd?”
„Ik heb een vrouw en zes kinderen.”
„Nu, ik zal je in ieder geval niet vergeten, vriend Tower. Je hebt mij en onzen vriend Lark hedenavond een grooten dienst bewezen en nu geloof ik, dat onze zieke reeds ver genoeg is, om naar zijn woning te worden vervoerd. Heeft het u goed gesmaakt, waarde Lark?”
„Uitstekend, mijnheer. Ik wil er geen geheim meer van maken. In langen tijd had ik geen vleesch geproefd. Ik was den smaak ervan geheel vergeten.”
„Dan zullen wij wel eens zien, of wij je dien smaak niet weder spoedig kunnen bijbrengen,” zeide Raffles vriendelijk.
Hij wendde zich weder tot Charly en zeide iets op zachten toon, waarop de jonge man weder het vertrek verliet.
Eenige minuten later werd Lark door Henderson weder naar beneden en in de wachtende auto gedragen, waarin nu Raffles en Tower plaats namen.
Charly, die bij den wagen de wacht had gehouden begaf zich weder in huis, en de auto zette zich in beweging, nadat Henderson zich de Crescentstraat als adres had laten opgeven.
Bijna drie kwartier later reed de wagen een nauwe stille straat in een der volksbuurten in.
De huizen waren oud en vervallen.
Henderson bracht de auto tot staan en wachtte tot Tower naast hem zou komen plaats nemen, teneinde het huis aan te wijzen, waar Lark woonde.
Eenige minuten nadat de wagen zich weder in beweging had gesteld, stond hij stil voor een huis, dat nog ouder en vuiler scheen te zijn, dan alle anderen in deze armoedige straat.
Raffles sprong uit de auto, en hielp Lark, die nog zeer zwak was, op zijn beurt om uit te stappen, waarbij hij hem den arm bood.
Men behoefde zich niet de moeite te geven om aan te schellen, want de huisdeur stond open.
Raffles wendde zich nu tot Tower en zeide op gedempten toon, terwijl hij hem een goudstuk in de hand drukte:
„Het spreekt, vriend Tower, dat wij verplicht zijn, [8]u uw winstderving van hedenavond te vergoeden. Gij kunt nauwelijks op tijd bij den schouwburg terug zijn, om daar de portiers der auto’s weder te openen. Neem dit dus als vergoeding en noem mij het nummer van uw huis. Het mocht eens te pas komen.”
„No. 67, mijnheer,” zeide Tower met een grijns van blijdschap op zijn breed goedig gezicht. „Als er iets voor mijnheer te sjouwen valt, dat niet al te zwaar is, dan houd ik mij gerecommandeerd.”
Tower tikte aan zijn pet en was het volgend oogenblik in de duisternis verdwenen.
Terwijl Henderson de auto op een hoek van een breedere straat deed postvatten, besteeg Raffles met zijn beschermeling de steile trappen van het oude huis, niet veel beter dan een krot.
Het kostte heel wat moeite, maar ten slotte bereikten de twee dan toch de vierde verdieping.
Op het gerucht van hun schreden ging op het donkere portaal een deur open.
En in het lichtschijnsel vertoonde zich een mannelijke gestalte.
Een welluidende stem vroeg: „Is u daar, mijnheer Lark?”
„Ja, ik ben het, Jack,” antwoordde de oude man. „Is alles goed met Nelly?”
„Alles in orde mijnheer Lark, maar u is niet alleen?”
„Neen, ik breng iemand mee, een goed vriend, Jack. Een heel goed vriend.”
De beide mannen hadden nu het portaal bereikt en stonden voor de deur, die werd open gehouden door een jongen man met een sympathiek doch zwaarmoedig gelaat, ongeveer vijf en twintig jaar oud en zeer eenvoudig gekleed, hoewel men zien kon dat hij aan zijn schamele kleedij alle mogelijke zorg besteedde.
De drie mannen traden nu een zeer eenvoudig maar armelijk gemeubeld vertrek binnen.
De verlichting bestond uit een kleine petroleumlamp.
Maar het was toch licht genoeg om een withouten tafel, een paar rieten stoelen en een ijzeren veldbed te kunnen onderscheiden.
Voor de ramen hingen een paar oude tot op den draad versleten lappen, bij wijze van gordijnen.
De vloer was kaal en liet de vermolmde planken zien.
Aan de tafel zat een jong meisje.
Zij kon ongeveer twintig jaar zijn.
Heur haar was buitengewoon weelderig en blauwzwart.
In het bleeke smalle gelaat, dat vroeger zeer schoon geweest moest zijn, schitterden met ongewonen gloed twee donkere oogen, onder onberispelijk geteekende wenkbrauwen.
Het meisje scheen te spelen met een spel kaarten, waarvan zij huisjes en allerlei voorwerpen bouwde, welke zij dan met een schril lachje telkens omver wierp.
Raffles was een uitnemend geneesheer. Op den eersten blik zag hij aan de geheele uitdrukking van het bleeke gelaat, dat dit de dochter van Lark moest zijn.
Het was de uitdrukking van den waanzin.… [9]