[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Het verhaal van Edwin Lark.

Het rampzalige jonge meisje had ternauwernood het hoofd opgeheven, toen zij de deur hoorde open gaan.

Maar toch liet zij een kinderachtig geluid van vreugde hooren, toen zij haar vader herkende. Er sluimerde dus nog een vonk der edele rede achter dat hooge voorhoofd, nog ongerimpeld en blank.

Lark was haastig op zijn dochter toegetreden en streelde haar met innige liefde over haar prachtig haar.

Toen wendde hij zich tot Raffles, die bescheiden bij de deur was blijven staan en zeide bewogen:

„Dit is mijn eenig kind, mijnheer, mijn dochter Nelly. Dit jonge mensch heet Jack Fieldman.

Hij is onze trouwe vriend, al jaren. Ik behoef volstrekt geen geheim te maken van onze omstandigheden, mijnheer, en hier waar ge bij zijt, wil ik het zeggen, dat Jack met onwankelbare trouw ons terzijde is blijven staan, toen alles om ons heen in puin stortte.”

„Zeg dat toch niet, mijnheer Lark. Ik deed dit alles zoo innig graag voor U en voor Nelly. Zij was immers mijn collega.

„Uw collega?” vroeg Raffles verwonderd, terwijl hij naderbij trad en Jack de hand toestak. „Wat is dan uw beroep als ik vragen mag.”

„Hij is onderwijzer, mijnheer,” antwoordde Lark inplaats van Jack. „En hij zou professor zijn, als hij maar zijn studiën had kunnen voltooien, zooals het behoort.”

„Wat heeft hem dan belet om dat te doen?” vroeg Raffles vol belangstelling.

Maar het volgende oogenblik had hij reeds berouw van zijn vraag.

Jack werd bloedrood en wendde zich af.

„Ik heb u gekwetst. Ik zie het,” zeide Raffles op zachten toon. „Neem het mij niet kwalijk. Ik begrijp het nu. Maar laat mij dan zeggen, dat armoede volstrekt geen schande is, en dat iemand, als gij schijnt te zijn, voor niemand het hoofd behoeft te buigen. Wat was uw studie onderwerp?”

„De schoone letteren, mijnheer,” antwoordde Jack met schitterende oogen, maar met trillende lippen. „O, ik kan u niet zeggen, hoe heerlijk ik het had gevonden, als ik had kunnen uit studeeren—het mocht niet.”

Raffles keek even in het open schrander gelaat en vroeg toen weder:

„Gij zijt zeker aan een openbare school?”

„Ja, mijnheer.”

„Ja, dan kan ik mij voorstellen, dat u de middelen ontbreken, u aan uw lievelingsstudie te wijden,” hernam Raffles. „Boeken zijn nog al duur en het bezoeken van een universiteit kost handen vol geld.”

Hij wendde nu den blik naar het meisje, aan de tafel, dat reeds weder in haar spel verdiept was en luid in de handen klapte wanneer het haar gelukt was, een fraai huisje van de kaarten te bouwen, en zeide:

„Miss Nelly is dus onderwijzeres geweest, voor dit vreeselijk ongeluk haar trof?”

„Ja, mijnheer. Aan een kostschool.”

Raffles stond even in gedachten verdiept en zeide toen op meewarigen toon:

„Dat alles is wel verschrikkelijk—zulk een schoon, lieftallig jong meisje.”

Lark glimlachte flauwtjes, toen hij op eenigszins matten toon zeide:

„Nelly is geen jong meisje, mijnheer. Ze is getrouwd.” [10]

„Wat zegt ge daar?” riep Raffles in de grootste verbazing uit. „Getrouwd? Hoe komt het dan dat haar man niet voor haar zorgt?”

„Dat zou hij misschien, neen zeker wel doen, mijnheer, als hij maar wist dat ze in dien toestand is geraakt.”

„Weet hij dat dan niet,” riep Raffles uit, wiens verbazing ieder oogenblik toenam. „Hebt gij het hem dan niet dadelijk mede gedeeld? Was hij er dan niet bij, toen uw dochter door dit vreeselijke werd overvallen?”

„Neen, mijnheer, daar was hij niet bij, die arme Donald.”

„Maar hebt gij het hem dan niet geschreven? Al was hij aan het andere einde van de wereld—als hij haar lief heeft, zou hij toch dadelijk gekomen zijn, en hij zou haar nimmer meer hebben verlaten.”

„Wij hebben hem eenmaal geschreven. Er kwam geen antwoord. De tweede brief kwam terug met het opschrift op de enveloppe: „Vertrokken, met onbekende bestemming.” Nu weten wij niet waar hij is.”

Langen tijd bleef het stil na deze woorden.

Raffles begreep niets van hetgeen hij zooeven vernomen had, maar hij zag wel in, dat hier een geheim bestond, een droevig geheim, dat misschien voor een gedeelte de oorzaak zou kunnen verklaren van den noodlottigen waanzin, waardoor de jonge vrouw was aangegrepen.

„Ik denk er niet aan, mij in uw familiezaken te mengen,” begon hij weder op zachten toon, „maar gij wilt mij zeker wel zeggen, of uw ongelukkige dochter kinderen heeft?”

„Eén mijnheer.”

„En woont dat kind ook bij u aan huis? Of hebt gij het misschien onder de hoede gesteld van familieleden, die beter dan gij in staat zullen zijn, er voor te waken en het op te voeden?”

De mond van den ouden man begon zenuwachtig te trekken en hij scheen de grootste moeite te hebben, zijn tranen te bedwingen, toen hij op doffen toon antwoordde:

„Wij weten niet waar het kind, waar de kleine Richard is, mijnheer.”

Nu kon Raffles onmogelijk een luiden kreet van verbazing weerhouden.

Hij staarde Lark ongeloofelijk aan als vreesde hij, dat ook de oude man aan een tijdelijke zinsverbijstering leed en herhaalde toen:

„Gij weet het niet? Gij weet dus niet waar de vader, en evenmin waar zijn kind is. Weet hij dat dan?”

„Hij weet het ook niet, mijnheer—of er zou een toevallige omstandigheid moeten plaats vinden, die ondenkbaar is. Maar neem plaats en dan zal ik het u alles verhalen. Gij hebt daarop het volle recht. En we hebben volstrekt niets te verzwijgen.”

„Ik wil het niet weten, mijn waarde Lark, indien het u ook maar de minste opoffering zou kosten het mij mede te deelen,” hernam Raffles op vasten toon. „Ik vermoed haast, dat hier een vreeselijk geheim schuilt, nietwaar?”

„Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer,” hernam de oude man zuchtend. „Het is een raadsel voor ons allen. Maar laat ik u naar vervolg verhalen. Het zal mij misschien pijn doen, een oude wonde open te rijten, maar ik acht mij gelukkig een man in vertrouwen te nemen, die getoond heeft, zijn medemenschen te willen helpen, wanneer zij in nood en ellende verkeeren. Wat Jack betreft, hij is op de hoogte van de geheele zaak en hij heeft zelfs zijn beetje spaargeld uitgegeven, om te trachten eenig spoor van den knaap terug te vinden.”

De jonge man had den spreker snel het zwijgen willen opleggen, maar hij kwam te laat.

Nu vergenoegde hij er zich mede, afkeurend zijn hoofd te schudden.

Raffles had hem op den schouder geklopt en zeide op ernstigen toon:

„Het is heel mooi van u, wat gij gedaan hebt, mijnheer Fieldman. Zoo iets vindt men ten huidige dage niet vaak meer en nu uw verhaal, Lark. Wie weet kan ik u nog wel van dienst zijn.”

„Gelooft gij dat werkelijk, Mylord?” vroeg de oude man, terwijl hij schielijk het hoofd ophief en Raffles met zijn schier uitgedoofde zwakke oogen aanzag. „Ik vrees.… ik vrees.…”

Hij had zich aan de tafel neergezet, en nam liefkoozend een der kleine blanke handen van de jonge vrouw in de zijne.

Toen begon hij:

„Ik zeide u reeds, dat mijn dochter onderwijzeres was aan een kostschool. Haar huwelijk, dat zes jaren geleden gesloten werd, hielden wij voorloopig geheim, want ik moet u zeggen, dat mijn schoonzoon en mijn kind het in den aanvang alles behalve breed [11]hadden. Zij hadden weinig anders dan hun liefde, en al was die oneindig groot, men kan er niet alleen van leven. Natuurlijk zou mijn Nelly op de kostschool dadelijk worden ontslagen, zoodra het bekend werd, dat zij gehuwd was en omdat de twee jonge lieden haar salaris in den eersten tijd niet konden missen, zoo verzwegen zij hun huwelijk.”

„Niemand wist dus daar iets van?” vroeg Raffles die aandachtig toeluisterde.

„Niemand, behalve Jack, ik en nog een paar naaste bloedverwanten.”

„En de ouders van uw schoonzoon natuurlijk,” gaf Raffles te kennen.

„Neen, die wisten het niet,” zeide de oude man op zachten, onzekeren toon.

„Wisten die het niet?” kwam Raffles verwonderd. „Hij behoefde zich toch voor zijn keuze niet te schamen.”

Lark richtte zich fier op en zijn oogen schitterden, toen hij uitriep:

„Neen zeker, dat behoefde hij niet en hij deed het ook niet. De zaak is, dat hij in onmin leefde met zijn ouders. Hij had zijn vader na een hevigen twist verlaten, naar het schijnt. Ik moet u zeggen, dat ik er nooit het ware van geweten heb, en mijn kind trouwens ook niet. Donald was daaromtrent zeer gesloten. Ik weet zeker, dat hij op zijn beurt een geheim te verbergen had, dat hem zwaar op het hart drukte.”

Lark wachtte even, scheen zijn gedachten te verzamelen en vervolgde toen:

„Ik hield bijzonder veel van hem en Nelly aanbad hem als het ware.

Hun huwelijk was zoo gelukkig als men het maar verlangen kon. Zij waren voor elkander geschapen. Ik.…”

Maar hij kon niet voortgaan, want Jack was plotseling opgestaan en zeide op eenigszins schorren toon:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Lark, en ook gij Mylord, ik moet nog een bepaald aantal schriften van mijn leerlingen nazien. Ik hoop, dat gij mij verontschuldigt.”

„Slechts dan, wanneer gij mij belooft, dat gij mij dezer dagen eens komt opzoeken,” zeide Raffles, terwijl hij den jongen man, wiens gelaat verbazend bleek was geworden, de hand toestak. „Ik stel me voor, dat er wellicht aan de studiezaak wel een mouw te passen is.”

De hand die hij vasthield, beefde en de oogen van Jack Fieldman glansden vochtig, toen hij ten antwoord gaf:

„Ik—ik zal gaarne komen, Mylord. Adieu mijnheer Lark.”

De jonge man wierp een snellen blik op de jonge vrouw, die het hoofd had opgeheven en hem kinderlijk toelachte, en Raffles meende te zien, dat zijn gelaat zich smartelijk vertrok.

Nog eenigen tijd nadat de deur achter Jack Fieldman was dicht gevallen, bleef het stil in het vertrek.

Men hoorde niets dan het lichte gerucht van de kaarten, waarmede de krankzinnige speelde.

Toen hernam Lark, na een blik op de dichte deur geworpen te hebben, op fluisterenden toon:

„Gij zult het wellicht zelf reeds gemerkt hebben, Mylord. De arme jongen is nog steeds doodelijk verliefd op mijn dochter.…”

„Zoo iets meende ik in zijn blik te hebben gezien,” zeide Raffles op zachten toon. „Was dat al zoo, toen Nelly nog.… nog normaal was?”

„Ja. Zij is altijd een goede vriendin voor hem geweest. Eenigen tijd waren zij aan dezelfde school verbonden. Zij heeft hem menigmaal ernstig onderhouden en hem bezworen, toch geen voet te geven aan het gevoel, dat zij nimmer zou kunnen beantwoorden. Maar hij wilde niet luisteren. Hij bleef haar aanbidden. Ook nog, toen zij reeds gehuwd was. Maar zijn liefde was rein en zuiver. Hij viel haar nimmer lastig. Pas toen het verschrikkelijke geschiedde en zij het verstand verloor, kwam hij mij zijn diensten aanbieden. Hij was voor dien tijd slechts zelden aangekomen. Blijkbaar wilde hij liever geen getuige zijn van haar geluk, al gunde hij het haar ook van harte. Een zeldzame jongen, Mylord. Een zeldzame jongen.”

„Ja, wel zeldzaam,” bevestigde Raffles met een hoofdknikje. „Maar ga nu voort met uw verhaal, waarnaar ik met de grootste belangstelling luister.”

„Wel, in den aanvang ging het goed, al had het beter gekund. Donald vond tamelijk spoedig een betrekking, die voor hem geschikt was, al leverde die niet al te veel op. Met wat zij als onderwijzeres verdiende, kon zij rond komen. Ik was toen nog modellenmaker en verdiende een goed loon. Ik was niet onbekwaam in mijn vak, ziet gij. En toen kwam die vreeselijke oorlog.…” [12]

Lark streelde eenigen tijd over de zwarte lokken van zijn kind en ging met bevende stem voort:

„Dat veranderde alles. Donald werd vrij spoedig opgeroepen, de kleine Richard was toen twee jaar oud, maar een wonder scheen hem te beschermen. Hij werd slechts licht gewond bij verschillende aanvallen en kon dan telkens overkomen, om hier te worden verpleegd in bijzijn van zijn vrouw en zijn kind, die hem iederen dag mochten bezoeken. Ik zelf werd tenslotte ook nog opgeroepen, toen men letterlijk iedereen te hulp riep, om den laatsten stormaanval op de sterke Duitsche linies te ondernemen. Gij weet nu, wat ik daaruit heb overgehouden. Wat Donald betreft, hij werd op het allerlaatste oogenblik zwaar gewond. Een paar dagen maar voor de wapenstilstand onderteekend werd. Gij kunt u de wanhoop van Nelly voorstellen. Zij hield zoo innig veel van hem. Maar gelukkig kwamen spoedig berichten, die meldden dat zijn leven in ieder geval geen gevaar zou loopen, en al zou de genezing heel langzaam in haar werk gaan, er was echter geen sprake van, dat hij vervoerd zou mogen worden. Hij werd naar een hospitaal, dicht achter de linie vervoerd. Chantilly heette de plaats. O, ik zou dien naam niet kunnen vergeten, al zou ik het willen. Hij is als met een stalen stift in mijn hersens gegrift.”

Weer wachtte de oude man even.

Zijn oogen hadden een strakke uitdrukking gekregen en de pupillen hadden zich verwijd.

Nadat hij eenigen tijd in gedachten verzonken had gezeten, steeds met de eene hand over de zwarte lokken van het waanzinnige meisje streelend, ging hij voort:

„Omstreeks een half jaar geleden kon Nelly eindelijk gehoor geven aan haar hartewensch, naar Frankrijk gaan, om daar haar zieken echtgenoot te bezoeken. Ze hadden een gelukje gehad, ziet gij. Op een loterijlot was een prijs gevallen, iets van tachtig pond. Toen stond ons besluit vast. Wij zouden met ons drieën naar Frankrijk gaan. O, geloof maar, dat Nelly het eerder, reeds veel eerder zou hebben gedaan, indien het slechts mogelijk ware geweest. Maar wij moesten in dien tijd zeer zuinig zijn, want ik was onbekwaam om te werken en alles wat ik beproefd had, liep op niets uit. Ik was en bleef een invalide, die voor de gemeenschap niets meer waard is. Wij maakten dus alles voor de reis in gereedheid en scheepten ons in naar Calais.…”

„Een oogenblik. Ge hadt zeker uw schoonzoon van te voren gewaarschuwd?”

„Neen, dat deden wij niet. Wij wilden hem verrassen. Het ging hem reeds veel beter en over twee weken zou hij uit het ziekenhuis worden ontslagen. Ons plan was dan ook die weken met hem door te brengen en een kleine reis langs de slagvelden te maken.”

„Toen gij op reis ging, hoe lang was het toen geleden, dat gij het laatst van Donald gehoord had?”

„Twee weken. Toen schreef hij ons nog een langen brief, waarin al zijn vurige liefde voor vrouw en kind aan den dag kwam. Ik bewaar dien brief als een heilig aandenken.”

„Was het een militair hospitaal, waarin uw schoonzoon verpleegd werd?”

„Het was een ziekenhuis van de stad.”

„Ik dank u, zoudt ge nu verder willen gaan?”

„Wij kwamen zonder ongevallen in Calais aan. Mijn dochter sprak voortreffelijk Fransch en in mijn dienstjaren daar ginds heb ik ook een mondje Fransch leeren spreken. Wij reisden eerst naar Parijs, overnachtten daar en gingen den volgenden dag verder en toen wij uit den trein stapten aan het station van Chantilly, toen gebeurde het ongeloofelijke.”

Lark hijgde van opwinding, toen hij deze woorden uitsprak. Zijn mond was krampachtig vertrokken en zijn oogen hadden een uitdrukking van vrees en tevens van woeste wraakzucht.

„Gij zoudt gelooven, dat zooiets in een beschaafden staat onmogelijk was, Mylord. Want het gebeurde bijna op klaarlichten dag. Dicht bij het station stond een auto gereed. Daarin zaten drie mannen, de pet diep in de oogen gedrongen. Ik weet het nog heel nauwkeurig. Het is in mijn ziel gegrift. Een van de mannen sprong er uit en draaide den motor op gang. Natuurlijk zou dat in gewone omstandigheden niets beteekend hebben, en ik zag het dan ook, zonder het bepaald te zien. De tweede man, die uit de auto sprong, snelde regelrecht op ons toe en greep den kleinen Richard. Het geschiedde zoo snel, dat wij nog niet eens beseften, wat er eigenlijk aan de hand was, toen reeds de auto in pijlsnelle vaart weg reed. Ik zal u niet beschrijven, hoe mijn dochter deze plotselinge, onverklaarbare ontvoering opnam. Het was verschrikkelijk. Zij gilde, zij gedroeg zich als een waanzinnige, zij rukte zich de haren uit, en [13]dadelijk kwamen van alle kanten menschen op haar gegil aanloopen. Wij moesten haar naar een apotheek brengen en haar bijbrengen. Natuurlijk was aanstonds de politie gewaarschuwd en naar alle richtingen werden telegrammen gezonden. Pas veel later vernamen wij dat de auto onderweg van gedaante veranderd moest zijn en dat ook de roovers zich vermomd hadden. Maar de ergste slag zou nog voor ons te wachten staan. Veel later dan wij gedacht hadden begaven wij ons naar het ziekenhuis. Gij kunt wel begrijpen in welken toestand. Maar wij moesten den vader toch op de hoogte gaan brengen, eer alle hoop vervlogen scheen, om de roovers nog snel in te halen.”

Lark snakte naar adem en had moeite zijn stem te beheerschen, toen hij uitriep:

„Toen wij aan het ziekenhuis kwamen, vernamen wij daar, dat Donald reeds een week geleden was vertrokken. Men wist ook niet wanneer en of hij wel zou terug keeren, want hij had volstrekt niets gezegd.”

Raffles keek den ouden man met groote verbazing aan. Wat hij ook verwacht mocht hebben, die mededeeling zeker niet.