[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Nadere inlichtingen.

Lark had het hoofd op de borst laten zinken en tranen druppelden over zijn ingevallen wangen.

Zijn stem had allen klank verloren, toen hij stamelde:

„Dat was meer, dan Nelly kon verdragen, die reeds geheel overstuur was door de ontvoering van den kleinen Richard. De plotselinge mededeeling beroofde haar van het verstand. Gij kunt u mijn toestand zeker wel voorstellen, Mylord. Daar ginds in een vreemd land met slechts een geringe reispenning, die spoedig zou zijn geslonken tot niets als wij er al te lang bleven. Mijn besluit was dan ook spoedig genomen. Ik deelde aan de politie van Chantilly dadelijk mede, wat er geschied was, met gebruikmaking van een tolk, want de hevige ontsteltenis scheen mij beroofd te hebben van mijn geheele kennis van de Fransche taal. Ik gaf mijn adres op aan de directie van het hospitaal en daarop ging ik met mijn ongelukkig kind naar Londen terug. O, die reis zal ik nimmer vergeten. Denk eens, slechts weinige dagen tevoren waren wij innig gelukkig over datzelfde kanaal gekomen, in het vooruitzicht, nu spoedig allen weder vereenigd te kunnen worden en nu keerde ik terug met een krankzinnige en zonder kleinkind.”

„Ja, dat moet vreeselijk voor u geweest zijn,” zei Raffles op zachten toon. „En daarna hebt gij niets meer van uw schoonzoon gehoord?”

„Niets. Ik zeide u reeds zooeven dat ik een paar malen geschreven had, meenende dat hij nu wel terug gekeerd zou zijn van zijn zonderlinge afwezigheid waarvan ik niets begreep. Ik kreeg geen antwoord. Jack is mij bij dit alles trouw behulpzaam geweest, want ik kende geen Fransch en stelde de brieven, die ik naderhand eveneens aan de directie van het ziekenhuis richtte, op. Wat Nelly betreft—ik wendde mij, teruggekomen, dadelijk tot een der beste psychiaters, maar hij kon mij slechts zeer weinig troost geven—van genezing langs den natuurlijken weg kon geen sprake zijn—er bestond echter een zeer geringe kans, dat mijn kind even plotseling haar verstand weder zou terug krijgen als zij het verloren had, wanneer een of andere zeer hevige aandoening haar plotseling aangreep.”

„Ja, zooiets komt meer voor, wanneer de waanzin [14]veroorzaakt is door plotselinge schrik of ontzetting,” zeide Raffles met een hoofdknik. „De gevallen zijn echter zeldzaam, dat moet ik er bij voegen. En wilt gij mij nu toestemmen, u eenige vragen te stellen?”

„Vraag wat gij wilt, Mylord—ik zal er zoo goed mogelijk op antwoorden.”

„Hebt gij u niet aanstonds in verbinding gesteld van de ouders van Donald Webster?”

„Hoe kon ik dat, Mylord?” riep de oude man wanhopig. „Ik wist niet eens waar zij woonden.”

„Dat had Donald u dus nimmer gezegd?”

„Nooit.”

„Wist u dochter het niet?”

„Dat weet ik niet—maar ik geloof het niet. Donald bewaarde steeds een streng stilzwijgen aangaande zijn vroeger leven en zijn ouders. En Nelly aanbad hem. Zij dacht er niet over, hem te vragen naar dingen, die hem blijkbaar zeer pijnlijk waren.”

„Toen de roof van den kleinen Richard te Chantilly plaats had—werd toen in het geheel niet door de roovers gesproken—ik meen—hebt gij niet kunnen waarnemen van welke nationaliteit zij waren?”

„Zij spraken Engelsch, Mylord!” riep Lark uit. „Dat weet ik met de meeste beslistheid. Het waren Engelschen! Twee hunner waren dat zeker.”

„Nu, het is niet veel, maar het is tenminste een aanknoopingspunt.”

Raffles zat eenigen tijd in diepe gedachten verzonken en hernam toen:

„Uw schoonzoon heeft dus in het leger gediend—welken rang had hij bereikt?”

„Hij was kapitein, toen hij gewond werd, Mylord.”

„Bij welk regiment stond hij?”

„Bij het 127-ste, van de Argyll en Sutherland Highlanders.”

„En was hij daar kapitein bij?” vroeg Raffles met eenige verbazing. „Indien ik mij niet vergis, dienen bij het regiment van dien naam zoo goed als uitsluitend officieren van adel.”

„Dat meende ik ook Mylord—maar ik verzeker u, dat Donald volstrekt niet van adel was. O! dat wijst immers zijn naam reeds uit.”

„Ja—natuurlijk,” hernam Raffles nadenkend. „Zeg eens hebt gij hier misschien de oproeping bij de hand—ik meen van Webster, om zich bij zijn regiment te voegen?”

„Zulk een oproeping is hier bij mijn weten nooit ontvangen, Mylord! Donald is het voor geweest en heeft zich dadelijk ter beschikking gesteld van de legerautoriteiten.”

„Goed en wel—maar dan moet er toch later een bericht zijn afgezonden. Dat geschiedt steeds. Men plaatst u maar niet aanstonds ergens, nadat gij u zijt komen aanmelden!”

„Ik wil u gaarne gelooven, Mylord—maar ik heb zulk een oproeping nooit gezien—Nelly zeker ook niet.”

„Nu dan heeft Webster ze zeker in de bus gevonden, of op andere wijze in handen gekregen, zonder dat gij het gemerkt hebt,” hernam Raffles peinzend. „Webster was zeker nog heel jong, toen hij met uw dochter trouwde?”

„Twee-en-twintig jaar, Mylord!”

„Dat is wel zeer jong! Hij heeft natuurlijk eerst als soldaat gediend en is door zijn buitengewone bekwaamheid tot kapitein opgeklommen?”

„Neen, hij kwam dadelijk als luitenant bij zijn regiment.”

„Als luitenant,” herhaalde Raffles, wiens verbazing toenam. „Hoe is dat mogelijk. Dan moet hij op de militaire academie geweest zijn.”

„Dat kan ik u niet zeggen, Mylord. Ik weet het niet.”

„Hij sprak daar dus nooit over?”

„Nooit.”

„Merkwaardig,” mompelde Raffles voor zich heen. „Wat kan hier achter schuilen.”

Hij keek den ouden man een oogenblik aandachtig aan en vroeg toen weder:

„Hebt gij hier misschien nog eenige uitrustingstukken, die aan uw schoonzoon hebben toebehoord?”

„Ja, er moet in die kast daar ginds nog een pet en een korte jas hangen.”

Lark was reeds opgestaan en ging de kast openen.

Hij zocht even tusschen de kleedingstukken en haalde toen een korte militaire jas en een pet te voorschijn, welke hij voor Raffles op de tafel neder legde.

Deze bekeek de pet en de schouderkleeding van de jas even en zeide toen op een toon, die geen tegenspraak duldde:

„Het is, zooals ik dacht, mijn waarde Lark. Uw schoonzoon heeft de militaire academie bezocht [15]en de leerlingen van die school behooren voor het overgroote deel tot den adel.”

„Maar dat is bijna onmogelijk, Mylord,” riep Lark uit. „De naam Webster is toch zeker geen adellijke naam.”

„Neen, dat is het zeker niet,” zeide Raffles glimlachend. „Maar wie zegt U dat het zijn werkelijke naam was?”

Lark antwoordde niet dadelijk, maar keek Raffles met groote oogen vol verbazing aan.

Toen barstte hij uit:

„Niet zijn eigen naam, Mylord? Maar wat zou hem dan toch wel kunnen bewegen mijn kind onder een valschen naam te trouwen?”

„Ik zeg niet, dat hij het gedaan heeft, waarde Lark. Ik denk het zelfs niet. Maar hoe dan ook. Wij kunnen hieromtrent zekerheid verkrijgen.”

„Op welke wijze dan?”

„Eenvoudig door de registers van den Burgerlijken Stand in te zien.”

„Maar als hij zijn waren naam genoemd had, dan zou Nelly dien toch hebben moeten hooren,” riep Lark uit, die er nu hoe langer hoe minder van begreep.

„Dat is volstrekt niet noodzakelijk. Hij kan zijn papieren op het stadhuis heel goed in orde hebben gemaakt, zonder dat zij er bij was.”

Raffles zweeg nu geruimen tijd, terwijl de oude man in diepe gedachten verzonken was en stond toen eensklaps op, terwijl hij zeide:

„Luister eens, mijn waarde Lark. Er schuilt achter dit alles een geheim, dat gij gaarne zoudt oplossen, nietwaar?”

„Maar dat spreekt vanzelf, Mylord,” antwoordde Lark. „Ik weet volstrekt niet wat ik van dit alles denken moet.”

„Op dit oogenblik weet ik weinig meer dan gij, al vermoed ik wel het een en ander.”

„Donald heeft nooit iets laten blijken, dat hij een ander was, dan waarvoor hij zich uitgaf.”

„Dan had hij zeer bijzondere redenen, het verborgen te houden,” hernam Raffles op ernstigen toon. „En nu moet ik u nog enkele dingen vragen, alvorens u te verlaten. Onder welke omstandigheden leerde Donald uw dochter kennen?”

„Heel eenvoudig. Hij jaagde met eenige vrienden in de buurt van de kostschool waar zij les gaf. Zij maakte juist een wandeling met een klasse en bij die gelegenheid verstuikte zij erg haar voet, toen zij over een groote kei uitgleed. Hij hielp haar en later.…”

„Ja, ja, ik begrijp het wel,” zeide Raffles glimlachend. „Zoo, zoo, dat was dus nog in den tijd dat Donald zich aan het edele jachtvermaak kon wijden. En zeg mij nu eens, van welken aard de betrekking was, welke hij hier in het begin van zijn huwelijk kreeg.”

„Machineteekenaar op een fabriek, Mylord. Ik meen dat hij voor officier bij de genie gestudeerd had, maar wegens de hoogloopende twist met zijn vader, die hem iedere ondersteuning onthield, kon hij zijn studie niet voortzetten. Nu, ik geloof niet dat de goede Donald voor iets anders geschikt zou zijn, dan voor kantoorwerk,” voegde de oude man er glimlachend aan toe. „Hij had zulke fijne dameshanden. Het was heelemaal een heer, op en top.”

„Ei zoo. Luister eens, mijn waarde Lark. Na alles wat ge mij van hem verteld hebt, gevoel ik veel sympathie voor uw schoonzoon, en daarom wil ik alles in het werk stellen om zijn spoor en dat van den kleinen Richard terug te vinden. Ik zal geen moeite sparen. Het geldt hier het levensgeluk van een geheel gezin en ik ruik hier een misdadig opzet, waarvan ik de beteekenis slechts half vermoed.…”

Lark had met tranen in de oogen de hand van zijn weldoener gegrepen en riep nu uit:

„Dat is meer dan waarop ik ooit had durven hopen, Mylord. O, ge weet niet wat het zeggen wil wegens nijpend geldgebrek niet in staat te zijn zelf een onderzoek in te stellen naar lieden, die u het dierbaarst hier op aarde zijn. Zeker, de Fransche recherche zal moeite doen, het spoor te vinden, maar tot dusverre zijn haar pogingen toch vruchteloos geweest.”

„De Fransche recherche beschikt wellicht niet over de middelen, waarover ik beschik, Lark,” hernam Raffles glimlachend. „Wij spreken dus af, dat ik met mijn trouwen secretaris, mijnheer Brand, reeds morgen naar Frankrijk vertrek en ik beloof u dat ik u aanstonds bericht zal zenden per telegraaf, zoodra ik iets ontdekt heb.”

„Dan moge de hemel u beloonen, Mylord,” zeide de oude man met trillende lippen.

„Het is echter noodzakelijk, dat gij uw krachten spaart, waarde Lark. Gij zult mij nu veroorloven, [16]daarvoor te zorgen. Nog heden zal ik met een mijner vrienden spreken, die een groote fabriek heeft en waar juist een betrekking vacant is, welke gij zeer goed zoudt kunnen vervullen en die u een behoorlijk loon zal opleveren. Neen, bedank me niet, het heeft niets te beteekenen. Morgen ontvangt ge nader bericht van mij.”

Raffles drukte den man, die weende van vreugde om dezen plotselingen ommekeer in zijn droef bestaan, krachtig de hand en had het volgende oogenblik het vertrek verlaten.

Terwijl hij naar de wachtende auto liep, mompelde hij voor zich heen:

„Nu zal het zaak zijn, die vriend met die groote fabriek inderdaad te vinden. Nu, dit is mijn minste zorg. Op de Windsor-club zullen wel eenige leden zijn, die hun vice-president Lord William Aberdeen gaarne van dienst zullen zijn.”

Henderson stond met de groote auto nog juist op dezelfde plaats te wachten.

„Snel naar huis, Henderson,” beval Raffles. „Heb je goed op het huis gelet, waar ik zooeven ben binnen gegaan?”

„Ik zou het met gebonden oogen weten te vinden, Mylord.”

„Goed zoo, je zult er dadelijk weer heen moeten om een flinken voorraad levensmiddelen te brengen aan dien ongelukkigen man en ook wat geld.”

Raffles stapte in en de auto zette zich in beweging.— — —

Een half uur later ongeveer stond de wagen weder voor het heerenhuis in de Regentstreet stil.

Raffles vond Charly in de bibliotheekkamer, een zeer groot vertrek, waarvan de vier wanden schuil gingen achter zeer hooge boekenkasten, welker bovenste planken men slechts kon bereiken, door middel van een rollende ladder.

Er bevonden zich hier meer dan veertien duizend boeken en een groot aantal daarvan was van wetenschappelijken aard.

Want de Gentleman-Inbreker was niet alleen een man van verfijnden smaak, die zijn heerlijke Stradivarius-viool op meesterlijke wijze bespeelde, zeer goed schilderde, en een uitgebreide kennis van wereld-literatuur had, maar hij zou, indien het hem lustte, als geneesheer mogen practiseeren, wijl hij zijn studies reeds jaren geleden voltooid had.

Tenslotte was hij een volleerd chemicus en bezat ook de ingenieurkunst slechts weinig geheimen voor hem.

Charly Brand was dadelijk opgestaan van de sofa, waar hij lag te lezen en begroette Raffles met een krachtigen handdruk.

„Is alles in orde met je nieuwen beschermeling?” vroeg hij.

„Lichamelijk is alles met hem in orde,” antwoordde Raffles. „Maar voor die man zich gelukkig kan rekenen, zal er nog heel wat moeten geschieden. Er is in zijn leven of liever in dat van zijn rampzalige dochter een geheim, dat om opheldering vraagt.”

En nu deelde Raffles Charly alles mede, wat hij in de woning van den armen man vernomen had.

„Een vreemde geschiedenis. Welk doel zou Webster er mede gehad hebben, zijn naam te verzwijgen, zelfs voor zijn eigen vrouw.”

„Ja, wie kan dat zeggen? Hij zal er wel een grondige reden voor hebben gehad.”

„Waarop steun je eigenlijk je vermoeden, dat de naam Webster niet zijn eigen naam is?”

„Wel, er zijn verscheidene dingen, die voor mijn opvatting pleiten,” antwoordde Raffles. „Het begon reeds bij zijn trouwen. Zijn vrouw heeft blijkbaar nooit een blik kunnen slaan in zijn papieren, die zeker zijn ware identiteit zouden aantoonen. Hij kende geen bepaald vak, had voor officier gestudeerd maar had de studie moeten opgeven wegens een twist met zijn vader, die voor het geld zorgde.

Zijn handen waren fijn en welverzorgd, een bewijs, dat hij nog nimmer handenarbeid had verricht. Hij bezocht de militaire academie, waar bijna alleen adellijke jongelui komen en het regiment, waar hij dadelijk als luitenant bij geplaatst werd, is er een, dat geen burgerlijke officieren duldt. En als men hem zal oproepen, dan is het oproepingsbevel nergens te vinden, want natuurlijk zou daar zijn ware naam op vermeld staan, en dien wilde hij tot iederen prijs voor zijn vrouw verborgen houden naar het schijnt.”

„Je kunt wel gelijk hebben, Edward,” hernam Charly peinzend, „maar ik zou toch wel meer tastbare bewijzen willen hebben.”

„Wel, die kunnen wij morgen zoeken op het stadhuis.”

„Op het stadhuis?”

„Natuurlijk. Als hij niet wil, dat zijn huwelijk [17]volkomen onwettig zou zijn dan moest hij in ieder geval onder zijn eigen naam trouwen. Men heeft hem trouwens natuurlijk om zijn familie-papieren gevraagd. Welnu, dan hebben wij niets anders te doen dan in de registers van den burgerlijken stand naar den naam Lark te zoeken.”

„Welzeker!” riep Charly uit. „Daar had ik niet aan gedacht! Op die wijze moet je zijn eigen naam vinden. Maar dat zal ons toch niet kunnen verklaren, waarom die man verdwenen is. Wat kan hem bewogen hebben, zoo eensklaps van vrouw en kind te vluchten.”

„Wie zegt, dat hij gevlucht is?” kwam Raffles bedaard. „Er kan wel iets anders met hem geschied zijn.”

„Iets anders?” herhaalde Charly verbaasd.

„Zeker! Hij kan bijvoorbeeld een ongeluk gehad hebben, of men heeft hem overvallen, misschien wel gedood—in ieder geval kunnen wij aannemen, dat zijn terugkeer naar het ziekenhuis verhinderd is door omstandigheden, niet van zijn wil afhankelijk.”

„Natuurlijk kunnen wij dat!” riep Charly uit. „Maar ik begrijp niet goed, waarom men hem uit het ziekenhuis liet gaan, terwijl hij nog niet geheel genezen kon zijn, anders zou hij er niet terug behoeven te komen!”

„Dat is niet zoo heel verwonderlijk. Wanneer een militair uit een ziekenhuis wordt ontslagen dan moet hij zich in menig geval nog eens komen aanmelden. Bovendien stond hier de zaak anders. Naar het schijnt heeft Webster, zooals wij hem tot nader order zullen blijven noemen, verlof gevraagd om het ziekenhuis te verlaten, blijkbaar voor een gewichtige zaak, waarover hij zich echter niet nader schijnt te hebben uitgelaten, met de belofte, dat hij zou terug keeren, teneinde zijn rustkuur geheel uit te maken. Daar hij zoo goed als genezen was, heeft men daar ginds in Chantilly niet het minste bezwaar gemaakt, aan zijn verzoek gehoor te geven. Nu, wij zullen dit alles spoedig genoeg tot in bijzonderheden weten.”

„Hoe zoo?” vroeg Charly.

„Wel, wij gaan morgen, zoodra hier in Londen ons onderzoek is afgeloopen, naar Chantilly. Ik heb het Lark beloofd.” [18]