[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Belangrijke ontdekkingen.

Wanneer de avontuurlijke geest van den Gentleman-Inbreker hem tot een of andere onderneming noopte, dan rustte hij niet, of hij had er een begin van uitvoering aan gegeven, zooals het met een rechtsterm heet.

Zijn scherp vernuft had aanstonds verraad en misdaad vermoed achter de vreemde omstandigheden, welke gepaard gingen met het raadselachtige vertrek van kapitein Webster uit het ziekenhuis van Chantilly en ontvoering van diens zoontje in dezelfde Fransche plaats.

En zijn rechtvaardigheidsgevoel—zijn edel hart—ook al zou hij het zelf nimmer hebben willen toegeven—brachten hem er toe zich dadelijk in dienst te stellen van den ongelukkigen man, die zoo vreeselijk en plotseling door het noodlot was getroffen, juist toen eindelijk het geluk weder zijn intrede in zijn huis zou doen, na bange jaren van onzekerheid en vrees.

Zoo geschiedde het dan ook, dat hij reeds den volgenden morgen, door Charly Brand vergezeld, zeer vroeg naar het stadhuis reed, teneinde daar zijn onderzoek te beginnen.

Alleen het noemen van zijn naam was voldoende, hem aanstonds toegang te geven tot het reusachtige archief, waar hem een der klerken ter beschikking werd gesteld.

En nu begon het doorbladeren van eenige lijvige folianten, waarbij ook Raffles en Charly zich niet onbetuigd lieten, maar dapper meezochten, nadat de klerk op de hoogte was gebracht.

Het duurde lang, daar men alleen den naam van de vrouw wist, maar juist toen de Fransche ouderwetsche hangklok in het deftige vertrek de eerste van zijn tien slagen liet hooren, liet Charly een luiden kreet hooren en riep uit:

„Ik heb het gevonden, Mylord.”

„Laat eens hooren,” verzocht Raffles, wiens blijdschap zich alleen verried door een weinig verhoogde gelaatskleur.

Charly hief het zware register een weinig naar het licht van het hooge raam, waarbij hij stond en las met zijn heldere stem voor:

Op 23 Mei 1914 gehuwd Donald Reginald Armstrong Sealyham, zoon van Armstrong Geoffrey John Graaf Sealyham, zeventiende Hertog van Sutherford, met Petronella Mary Stefany Lark, dochter van Edwin William Lark” en dan komen de jaren der geboorte en zoo meer.”

Raffles was naderbij getreden en luisterde aandachtig.

Zijn gelaat verried echter volstrekt geen verbazing.

Klaarblijkelijk had hij iets dergelijks verwacht.

Toen Charly het zware boek weder neder legde, trad Raffles er op toe, en schreef snel alle namen over, benevens den datum van het huwelijk.

Met een tevreden gelaat klapte hij zijn notitieboekje weder dicht en zeide, zich tot den klerk wendend:

„Dat was een vervelend werk voor je, vriend. Ziehier een kleinigheid, om je daarvoor te troosten.”

En hij drukte den man een goudstuk in de hand, welke rijke gift den klerk nog jaren later met groote geestdrift van zijne Lordschap William Aberdeen deed gewagen.

Maar reeds hadden Raffles en Charly het machtige gebouw weder verlaten, waar zij zulke kostbare inlichtingen hadden verkregen.

Toen zij weder op straat stonden, zeide Raffles: [19]

„Het schijnt dus dat mijn vermoeden juist is geweest. Onze jeugdige vriend Donald Sealyham schijnt het ouderlijk huis vol verbittering den rug te hebben toegekeerd en zelfs zijn naam te hebben willen vergeten. En nu zullen wij eens spoedig in onze eigen boekerij opzoeken, of wij niets anders omtrent de Sealyhams kunnen vinden.”

Zij stonden nu voor de wachtende auto met den onverstoorbaren Henderson achter het stuurwiel, en de reus kreeg bevel hen weder naar de Regentstreet te rijden.

Daar gekomen begaven zij zich aanstonds naar de bibliotheek, waar Charly uit een der kleinere kasten een uit fraai juchtleder gebonden boek nam, dat uitsluitend gewijd was aan den Engelschen adel.

Hij zocht even in het register en bladerde haastig in het boek.

Na even te hebben gezocht, riep hij uit:

„Hier heb ik al, wat wij noodig hebben. Graven van Sealyham, sedert 1476 Hertogen van Sutherford. Een der oudste geslachten van Schotland, veel grondbezit. De mannelijke afstammelingen dienden veeltijds bij het leger of de magistratuur. En wacht eens. Hier heb ik Graaf Armstrong Geoffrey John, den vader van onzen kapitein. Zoo, Donald schijnt zijn eenige zoon te zijn.”

„Dat wist ik,” zeide Raffles, die in een gemakkelijken stoel had plaats genomen en met de beenen over elkander geslagen, kalm zijn sigaret rookte.

„Wist je dat?” vroeg Charly verbaasd. „Hoe kon je dat weten?”

„Eenvoudig door te redeneeren. Als hij niet de eenige zoon was, behoefde men zijn kind niet te ontvoeren, want dat zou dan geen doel hebben.”

„Daar begrijp ik niets van,” riep Charly verbluft uit.

„Je zult het later wel begrijpen. Misschien reeds vandaag al,” antwoordde Raffles glimlachend. „Lees maar eens verder. Ik wilde weten, waar de oude graaf op dit oogenblik verblijf houdt.”

Charly vestigde zijn oog weder op de bladzijde, welke hij had opgeslagen en vervolgde:

„Dit is een uitgave van het jaar 1918. In dat jaar woonde hij op zijn landgoed bij Hastings, op de zuidkust van Engeland. Hij schijnt een groot jager te zijn en houdt niet bijzonder veel van de stad en haar vermaken.”

„Leeft zijn vrouw nog?”

„Ja,” zeide Charly, na een blik in het boek te hebben geworpen, „tenminste nog in het jaar 1918.”

„Dan gaan wij er nu dadelijk heen. Het treft, dat Hastings als het ware op onzen weg naar Frankrijk ligt.”

„Denk je daar misschien Donald te vinden?”

Raffles keek Charly hoofdschuddend aan en antwoordde:

„Als ik dat dacht, zou ik rijp zijn voor een gekkenhuis, mijn waarde. Geloof je, dat Donald Sealyham zijn vrouw dan al dien tijd zonder bericht zou laten, terwijl uit alles blijkt, dat hij haar innig lief had? Geloof je dat hij daar een, twee, drie weer vrede maakt met zijn vader? Neen, ik weet wel bijna zeker, dat wij hem daar niet zullen vinden. Maar de vader kon ons misschien een aanwijzing geven—wie weet of hij zelf wel iets weet van de zonderlinge verdwijning van zijn eenigen zoon. Kun je soms in dat boek nazien of de oude graaf ook nog in den oorlog heeft gediend?”

„Hij is tenminste kolonel van een regiment Horseguards.”

„Hoe oud is hij?”

„Een en zestig jaar.”

„Dan is het heel goed mogelijk, dat hij ook aan den wereldoorlog heeft deelgenomen, want toen die uitbrak was hij pas vijf en vijftig. En nu wij weten, wat we willen weten, laten wij ons reisvaardig maken, Charly. Wij gaan met de reisauto naar Hastings. Henderson zal ons rijden. Wie weet of wij hem in Frankrijk nog niet noodig hebben.”

„Dat zou ik wel denken, want de ontvoerders van den kleinen Richard zijn natuurlijk schurken geweest.”

„Dat spreekt vanzelf, maar ik ben er van overtuigd, dat zij niet voor eigen rekening optraden, maar in opdracht van derden. Nu, dat zullen wij nog wel uitvinden. Zorg er voor, dat er vermommingen worden mede genomen en ik zou ook Busto, den braven speurhond, wel willen medenemen. Misschien kan hij ons nog van dienst zijn.”

„Wanneer wil je vertrekken?”

Raffles raadpleegde even zijn horloge en antwoordde toen:

„Dadelijk na de lunch. Dan hebben wij nog tijd alles voor onze kleine onderneming in orde te maken.”

Hij was uit den stoel opgesprongen. Een en al veerkracht en ondernemingsgeest. [20]

Zijn grijze oogen schitterden opgewekt in het scherp geteekende gelaat.

Charly, aangestoken door dien ijver, haastte zich, Henderson op de hoogte te gaan brengen van de aanstaande reis.

Zooals hij wel had kunnen voorzien, bleef de reus over die mededeeling volkomen kalm.

Een reisje met de auto naar Frankrijk beteekende in het geheel niets. Maar hij zou evenmin eenige verwondering aan den dag hebben gelegd, indien Charly hem was komen zeggen, dat hij zich gereed moest houden, om over een kwartier naar Peking of Nova Zembla scheep te gaan.

Hij begaf zich dus naar zijn heiligdom, de groote garage, die achter in den tuin stond, en begon de reisauto, een grooten grijsgelakten wagen, die plaats bood voor acht personen, gereed te maken.

Charly haastte zich naar de slaapkamer en pakte daar zijn valies en een koffer met dubbelen bodem, waarin de noodige zaken voor een vermomming verborgen konden worden.

Om half een werd geluncht en een half uur later droeg Henderson de bagage in de auto.

Raffles en Charly vergewischten zich nog eens dat zij hun revolvers niet vergeten hadden en daarop stapten zij in.

Henderson had zijn bevelen reeds gekregen en stuurde den wagen met vaste hand door de drukke straten van Londen.

Een half uur later reed de auto door de zuidelijke voorsteden en bereikte toen den breeden lommerrijken straatweg, die naar de zuidkust voert.

Hoewel de herfst reeds had ingezet, was het weder nog bestendig en zeldzaam warm.

Het was dan ook een verrukkelijke tocht en de beide vrienden genoten volop en spraken weinig, verzonken als zij waren in den aanblik van het schoone landschap van deze streken van Old England.

Henderson „hield niet van treuzelen,” zooals hij het plat uitgedrukt noemde en zoo bereikte de groote reiswagen reeds drie uur later de oude fraaie havenstad Hastings.

Na eenige informaties wisten de reizigers daar tamelijk spoedig te ontdekken waar het landgoed van Graaf Sealyham gelegen was.

Het heette „Primros Castle” en was gelegen aan een grooten zijweg van den straatweg, van Londen naar Hastings.

De auto moest dus weder op haar weg terug keeren. Na een half uur rijden werd een zijweg ingeslagen en geen kwartier later zagen de drie mannen de torens van het grafelijke kasteel boven het geboomte uitrijzen.

Primros Castle bleek een uitstekend bewaard gebleven specimen van middeleeuwsche bouwkunst te zijn en er was slechts weinig aan gerestaureerd.

Alleen was er in den lateren tijd een vleugel bijgebouwd, die in stijl eenigszins afweek van het oorspronkelijke gebouw. Een machtig kasteel met torens, kanteelen en overblijfselen van de oude vestinggracht, die er in vroegere eeuwen omheen had geloopen.

Rondom het kasteel strekte zich een groot park uit, dat door een hoog hek van den weg was gescheiden.

De auto stond stil.

Henderson verliet zijn zetel en belde aan.

Het duurde eenigen tijd voor er een oude bediende verscheen, met licht haar en gebogen rug.

De man naderde langzaam en liep blijkbaar niet al te goed.

Hij moest minstens zeventig jaar zijn en was blijkbaar reeds een menschenleeftijd in dienst van het grafelijk geslacht der Sealyhams.

Eindelijk stond hij voor het hek.

Het scheen of hij met wantrouwenden blik de groote auto en hare inzittenden monsterde.

„Is je meester thuis en te spreken, mijn vriend?” vroeg Raffles vanuit de auto.

„Mijn meester is thuis, maar ik weet niet of hij ontvangt,” antwoordde de oude bediende met slepende stem.

„Ga dan eens spoedig vragen. Zeg dat het een zaak van het grootste gewicht geldt. Hier is mijn kaartje.”

Henderson nam het visitekaartje aan, dat Raffles uit een kleine marokijne portefeuille had genomen en gaf het den bediende.

Deze wierp er tersluiks een blik op en zeide: „Ik zal uw verzoek gaan overbrengen, Mylord.”

En met die woorden strompelde hij weg.

Raffles wierp Charly een veelbeteekenenden blik toe, en zeide op zachten toon:

„Naar het schijnt ontvangt de graaf niet veel bezoeken. Die oude bediende scheen onze komst maar half aangenaam te vinden.”

„En wat is het hier stil en bijna droevig,” zeide [21]Charly, die een blik in het geheel verlaten park had geworpen, waar de hooge boomen roerloos te droomen schenen.

„Ja, het lijkt het verblijf van de smart,” hernam Raffles op gedempten toon. „Het is of hier alle vreugde voor goed verdwenen is, door een of andere booze macht.”

Het duurde vrij lang voor de bediende weder verscheen.

Zonder een woord te spreken, opende hij niet zonder moeite het groote hek, zoodat de auto kon binnen rijden en langs het oprijpad het breede terras kon bereiken.

Hier werden de bezoekers opgewacht door een buttler, die al weinig jonger scheen te zijn dan de bediende die het hek had geopend.

Raffles en Charly stegen uit en beklommen het terras.

De buttler boog zwijgend voor hen, begeleidde hen door de groote hall, waar een gedempt licht heerschte, door een aantal breede gangen en langs eenige trappen naar de tweede verdieping van het kasteel.

Op dien ganschen weg waren zij niemand tegen gekomen.

Geen enkel gerucht deed zich hooren in het groote huis.

En Charly maakte bij zich zelf de opmerking, dat het niets anders moest zijn geweest in het betooverde kasteel van de schoone slaapster.…

Eindelijk stond de buttler stil voor een hooge eikenhouten deur.

Hij klopte aan en opende tegelijk de deur.

„Lord William Aberdeen,” kondigde hij met een matte stem aan.

De twee vrienden traden binnen en de buttler sloot de deur weder achter hen. [22]