Zij bevonden zich in een vertrek met een hooge uit eikenhouten balken bestaande zoldering.
Ook de wanden waren tot manshoogte met eikenhout beschoten, dat door den tijd bijna zwart was geworden.
In een der wanden bevond zich een reusachtige schoorsteen, waar ondanks de warmte daarbuiten een groot haardvuur brandde.
Dicht bij een der drie groote ramen stond een man, wiens haar zoo wit was als sneeuw.
Hij moest vroeger een rijzig man zijn geweest, maar de jaren, of de smart hadden hem voor zijn tijd gebogen.
Zijn gelaat had een strenge, maar tevens zwaarmoedige uitdrukking.
Het was zeer bleek en met diepe rimpels doorploegd.
Die man was graaf Armstrong Sealyham.
Hij kwam zijn bezoekers een paar passen tegemoet en daarbij kon Raffles waarnemen, dat hij moeilijk liep en zich daarbij van een stok moest bedienen. Blijkbaar was hij in den oorlog gewond.
Met een heesche stem zeide de graaf:
„Neem plaats, heeren en zeg mij, aan welke reden ik wel de eer van uw bezoek moet toeschrijven. Ik wil er geen geheim van maken, dat dit huis niet gewend is, gasten, of zelfs gewone bezoekers te zien. Het is geen opgewekt huis, ziet gij?”
De oude graaf had deze woorden op bitteren toon gezegd, terwijl hij een zenuwachtige beweging met de linkerhand maakte.
Raffles en Charly hadden plaats genomen.
En nu begon de Groote Onbekende op ernstigen en zachten toon:
„Ik hoop, graaf, dat gij ons niet zult beschouwen als onbescheiden indringers, mijn secretaris, mijnheer Brand en mij. Wat ons hierheen brengt, dat is oprechte belangstelling in.… in een uwer naaste bloedverwanten.”
„Een mijner naaste bloedverwanten,” herhaalde graaf Sealyham langzaam en op doffen toon. „Gij moet u vergissen. Ik heb in het geheel geen bloedverwanten, Mylord.”
„Zoo? Dan zou ik mij dus hebben vergist? Ik meende zeker te weten, dat gij een volwassen zoon hadt.”
Deze weinigen woorden schenen den ouden man hevig te treffen.
Hij wankelde, drukte de hand op het hart en liet een kreunenden zucht hooren.
Maar daarop herstelde hij zich aanstonds weder en keek Raffles met doordringenden blik aan, zoo mogelijk nog bleeker dan tevoren.
„Ik weet niet, wat gij bedoelt, Mylord, ik heb geen zoon,” zeide hij.
„Kom graaf, zou uw geheugen u parten spelen,” hernam Raffles hoofdschuddend. „Gij hebt een zoon, die Donald heet, die als kapitein bij een regiment Argyll en Sutherland Highlanders aan den oorlog heeft deel genomen, die juist even voor het sluiten van den wapenstilstand gewond werd en sindsdien verpleegd werd in het militaire ziekenhuis te Chantilly in Frankrijk, vanwaar hij een paar maanden geleden met onbekende bestemming weder vertrokken is.”
Met gebogen hoofd en een diep smartelijke uitdrukking op het witte gelaat had de oude graaf toegeluisterd, maar bij de laatste woorden hief hij eensklaps het hoofd op en keek Raffles met een starenden blik aan. [23]
Hij deed een paar stappen op den bezoeker toe, en zeide toen met bevende stem:
„Ik zeg u dat ik geen zoon meer heb, Mylord. Hij is dood.”
„Misschien is hij dood voor u, graaf, en dat is bitter te betreuren,” zeide Raffles op ernstigen toon, „maar ik verzeker u, dat Donald zich nog slechts weinige maanden bevond in het ziekenhuis te Chantilly.”
„In het ziekenhuis te Chantilly?” herhaalde de graaf als het ware automatisch terwijl een verschrikte schuwe uitdrukking in zijn oogen kwam. „Maar dat is onmogelijk,” barstte hij uit. „Hij is dood, zeg ik u, gesneuveld bij Permes, bij de laatste bestorming. Geen zes maanden geleden is het geschied.”
„Waarom denkt gij dat?” vroeg Raffles, den ouden man strak aanziende, daar hij vreesde, dat de onzekerheid omtrent het lot van den verstooten zoon hem misschien van zijn verstand had beroofd.
„Waarom ik het denk?” schreeuwde de oude graaf nu, bevende over al zijn leden. „Waarom ik het denk? Wilt gij mij gek maken? Ik heb er toch de bewijzen van.”
„Welke bewijzen?”
„De officieele aankondiging van zijn dood, onderteekend door zijn regimentschef Sir Easton.”
„Als dat zoo is, graaf, als dat inderdaad zoo is, dan heeft hier een laaghartig bedrog plaats gehad,” riep Raffles op luiden toon. „Dan heeft men u met een doel, dat ik begin te doorzien, op de ellendigste wijze om den tuin geleid. Want dan zeg ik u, dat dat bewijs niets waard is, dat de aankondiging vervalscht is.”
Raffles had nog niet geheel uitgesproken, of de graaf stiet een doffen kreet uit, waarin alles weerklonk, wat zijn vaderhart in de laatste maanden had gemarteld, berouw, vrees, toorn, smart.… en zou neergestort zijn, wanneer Charly niet haastig was opgevlogen en hem in zijn armen had opgevangen.
Dadelijk droegen de beide mannen den ongelukkigen man naar een breede lage sofa, terwijl Raffles aan het schelkoord trok, dat naast de deur hing.
Even later trad de bejaarde buttler binnen, die een uitroep van schrik liet hooren en op zijn meester wilde toeijlen.
Maar Raffles weerhield hem met een gebaar en beval:
„Breng water, alsmede vlugzout, snel. Uw meester is flauw gevallen.”
De man snelde heen en keerde spoedig terug met het gevraagde.
Raffles en Charly hadden intusschen de kleederen van den bewustelooze los gemaakt om hem zooveel mogelijk lucht te verschaffen.
Zij maakten nu zijn pols nat en wreven zijn slapen met azijn en water, terwijl Charly hem een kleine flacon met vlugzout onder den neus hield.
Na enkele minuten kwam graaf Armstrong weder bij.
Hij sloeg langzaam de oogen op en scheen Raffles tot diens blijdschap dadelijk te herkennen.
Hij richtte zich overeind, door de beide bezoekers gesteund, en mompelde op zwakken toon:
„Ik geloof, dat ik zooeven mijn bewustzijn heb verloren, Mylord. Neem het mij niet kwalijk. Het voegt een oud soldaat niet, maar het was sterker dan ik. Wat gij daar zeidet greep mij vreeselijk aan.”
Hij had den buttler in het oog gekregen, die nog altijd ongerust aan het voeteneinde van de sofa stond en vervolgde met sidderende stem:
„Denk eens aan, Mice—Mylord Aberdeen zeide mij daareven, dat mijnheer Donald niet gevallen is.”
„Niet gevallen?” stamelde de buttler, bevend van ontroering. „Zou dat mogelijk zijn, graaf?”
„Het is niet alleen mogelijk, vriend, het is zoo,” zeide Raffles.
„Dat—dat is bijna te mooi om waar te kunnen zijn, graaf,” kwam het bevend over de lippen van den getrouwen dienaar. „Mag ik het dadelijk over vertellen graaf en mevrouw de gravin, moet het haar niet aanstonds worden mede gedeeld?”
„Dat in geen geval,” riep Raffles haastig uit. „En spreek er vooral met niemand over. Het is van het grootste belang, dat er voorloopig niets bekend wordt, dat mijnheer Donald niet door den vijand gevallen is. Later zal u wel blijken, waarom. En laat mij nu nog even met den graaf alleen. Ik heb zeer gewichtige en naar ik hoop goede dingen met hem te bespreken.”
De oude buttler verwijderde zich haastig, misschien wel om de tranen te verbergen, die hem naar de oogen waren gedrongen, nadat hij nog een schuwen, haast smeekenden blik op zijn meester had geworpen, die niet aan het scherpe oog van John Raffles was ontgaan. [24]
Zoodra de deur achter den getrouwen bediende was dichtgevallen, richtte de oude graaf zich geheel op en vroeg op hartstochtelijken toon:
„Wat weet gij nu, Mylord. Wat vermoedt gij. Waarom denkt gij, dat men mij bedrogen heeft en wat zou daar de reden van kunnen zijn.”
„Ik zal het u zeggen, graaf. Maar laat mij beginnen met u mede te deelen, dat ik hier optreed, niet namens mijzelf, maar voor iemand, die u zeer na aan het hart moet liggen, uw kleinzoon.”
„Mijn.…” begon de graaf, maar hij beëindigde den zin niet, maar verborg het gelaat in de handen en liet een kermenden zucht hooren.
„Ja, graaf, uw zoon is gehuwd en heeft een kind, maar denkt niet dat gij nu reeds aan de grens staat uwer smarten. Neen, er wacht u nog meer droefheid, maar laat ik u alles in volgorde verhalen, het zal dan aan u staan of u mij vertrouwen wilt en mij zeggen hoe het mogelijk was, dat gij niet eens geweten hebt, waar uw zoon zich ophield.”
En nu deelde Raffles den graaf mede, op welke wijze hij in kennis was gekomen met Edwin Lark en diens rampzalige dochter.
Hij verheelde niet, niets van de armoede, welke hij in de kleine woning in de Crescent-street had aangetroffen, niets van den toestand waarin de vrouw van Donald zich bevond.
Graaf Armstrong had met strakke oogen en onbewegelijk gelaat toegeluisterd.
Toen Raffles alles had medegedeeld bleef de ongelukkige man geruimen tijd als een steenen beeld zitten, ten prooi aan diepe smart.
Gekrenkte trots, ouderliefde, wrok en mededoogen voerden fellen strijd op zijn gelaat.
Eindelijk hief hij het hoofd op en begon:
„Het is edel van u, dat gij u in dienst van dien armen man hebt willen stellen, Mylord, en nu zult gij ook alles hooren. Wie weet kunt gij mij enkele raadselachtige zaken ophelderen, die mij volkomen duister zijn.”
Hij wreef zich met de vermagerde hand over de oogen en vervolgde:
„Gij zult natuurlijk reeds geraden hebben, dat een hevige twist mij van mijn eenigen zoon heeft vervreemd. Wij beiden hebben een trotsch, onafhankelijk karakter en buigen doen wij niet spoedig, ook niet voor elkander. Het is spoedig verteld. Een zestal jaren geleden ontmoette mijn zoon een onderwijzeresje van een kostschool, louter door toeval. Laat ik dadelijk zeggen, dat dit de vrouw moest zijn, die thans zoo vreeselijk getroffen is in haar verstand. Hij deelde mij mede, dat hij haar wilde huwen. Gij zijt zelf van adel, Mylord, gij kunt misschien beseffen, met welke kracht ik mij tegen die verbintenis verzette. Daar kwam bij, dat ik juist een andere keuze voor mijn zoon had gedaan, maar hij wilde niet toegeven. Er vielen harde woorden over, van die woorden, die een kloof ondempbaar schijnen te maken.…”
Weer wachtte de oude graaf even om met een pijnlijken zucht te vervolgen:
„Ik ontstak in hevige drift en joeg hem weg. Ik onthield hem zelfs zijn toelage, zoodat hij dadelijk de militaire academie moest verlaten, toen hij juist den rang van luitenant had behaald. Hij ging, zelf bleek van woede en drift en wij hebben elkander sedert dien vreeselijken dag nimmer terug gezien. Ik wist zelfs niet dat hij gehuwd was, ofschoon ik het wel kon vermoeden. Om haar immers had hij zijn vader en moeder verlaten.”
„Zij zijn gelukkig geweest, graaf,” zeide Raffles op zachten toon.
„Dat—dat is— — —” stamelde de oude man, „het verheugt mij, dat het zoo gegaan is. Maar laat ik verder gaan. De oorlog brak uit. Natuurlijk nam ik dadelijk dienst. Ik ontving hier ook den oproep aan mijn zoon, maar kon het stuk niet opzenden, daar ik immers niet wist waar hij vertoefde.”
„Daarom dus is die oproep nooit te Londen ontvangen,” mompelde Raffles zacht voor zich heen.
„Ik vernam echter reeds weinige dagen later dat mijn zoon zich dadelijk bij zijn regiment had aangemeld, en toen Mylord, toen greep er langzamerhand een groote verandering in mijn binnenste plaats. Het besef dat mijn eenig kind zou kunnen sneuvelen, voor ik hem had terug gezien, de smart van mijn arme vrouw, die met den dag vermagerde, het inzicht dat ik toch misschien niet geheel en al in mijn recht was geweest, toen ik mijn zoon verbood te doen, wat hij als zijn levensgeluk beschouwde, dat alles deed mij het hoofd buigen. Ik stond mijn vrouw toe, dat zij Donald schreef.…”
„Gij hadt hem dus tenslotte meenen te vinden?”
„Na verloop van tijd wist ik tenminste waar zijn regiment was, een streek in Vlaanderen, na den ongelukkigen veldtocht op Gallipoli te hebben gemaakt.” [25]
„Wanneer schreef de gravin voor de eerste maal op uw verzoek?”
„Ongeveer twee jaar na het uitbreken van den oorlog.”
„Wist gij dan toen zeker dat uw zoon nog in leven was?”
„Ja, wij lazen in de bladen, dat hij eervol vermeld was.”
„Dat geschiedde natuurlijk onder zijn waren naam?”
„Ja, het stond in de Times en andere groote bladen. Op dien brief hebben wij echter nimmer antwoord ontvangen.”
De oude graaf zuchtte diep en wischte de oogen af.
Daarop vervolgde hij.
„Mijn vrouw schreef nog tweemaal. Daarop schreef ik zelf. Ik wachtte bijna een maand en schreef nogmaals en steeds geen antwoord. Zijn trots scheen hem nog altijd te beheerschen en toch zweer ik u, dat ik hem gaarne aan het hart had gedrukt, in dien tijd. Maar toen geschiedde er iets nog veel ergers. Ik zelf werd zwaar gewond en moest den dienst verlaten. Mijn vrouw deelde het Donald onmiddelijk mede en meende stellig, dat hij nu wel komen moest. Het kon immers slecht met zijn vader zijn afgeloopen. Maar hij kwam niet. Mijn vrouw schreef hem een smeekenden brief. Hij bleef weg.”
„Hoe—wist gij zeker, dat hij toen nog in leven moest zijn?”
„Mijn neef, die bij de administratie was, kwam ons vaak bezoeken en deelde het mij mede. Hij was bij dezelfde brigade, jaren achtereen.”
„Uw neef behoorde dus tot dat regiment.”
„Ja.”
„Wat was zijn functie, meer in het bijzonder?”
„Hij was bij den veldpost-dienst.”
„Hoe heet uw neef?”
„Edward Little.”
„Waar is hij nu. Ik zou hem zelf gaarne eenige vragen stellen.”
„Dat kan ik u niet zeggen. Wij hebben hem nu in geruimen tijd niet gezien. Wellicht blijft hij uit een gevoel van tact weg in den eersten tijd.”
„Een gevoel van tact,” herhaalde Raffles. „Hoe zoo?”
„Wel, hij is mijn eenige erfgenaam. Hij moet mijn fortuin en titel erven.”
„Ei zoo.
„Dat wil natuurlijk zeggen, wanneer Donald inderdaad niet meer tot de levenden zou behooren.”
„O Mylord, ik wenschte zoo vurig, dat gij in het gelijk zoudt worden gesteld. Maar hoe kan ik nog twijfelen met het doodsbericht in de lade van mijn schrijfbureau.”
„Zou ik die aankondiging eens mogen zien?” vroeg Raffles. „Geloof mij, het is geen nieuwsgierigheid. Ik wil mij slechts overtuigen of het stuk wel echt is.”
Graaf Armstrong stond op en strompelde naar zijn groote schrijftafel, dat tusschen twee der ramen stond.
Hij haalde een sleutelbos te voorschijn, opende een lade, zocht daar even in en trok toen een papier naar zich toe, dat hij ontvouwde en Raffles toestak.
Deze onderzocht het papier nauwkeurig en zeide na eenigen tijd:
„Het formulier is zonder eenigen twijfel echt. De mededeeling draagt het gebruikelijke hoofd en het is ontwijfelbaar officieel briefpapier van het regiment, waarbij uw zoon stond. Nu blijft slechts de vraag te beantwoorden, wie dit stuk heeft geschreven, of onderteekend.”
„Het is de onderteekening van den regimentschef Sir Easton, Mylord.”
„Het is te betreuren, dat hij niet zelf meer in staat is om te zeggen, of hij zelf inderdaad dit stuk heeft geteekend, in ieder geval staat het als een paal boven water, dat uw zoon leefde, toen dit stuk verzonden werd, graaf.”
„Maar wie kan dat gedaan hebben?” riep graaf Armstrong op wanhopigen toon. „Welke laaghartige schurk kan ons zoo ellendig bedrogen hebben en met welk doel.”
„Wel graaf, dat moet natuurlijk iemand geweest zijn, die er groot belang bij had, dat gij uw zoon inderdaad dood waande. Uw neef, om maar eens iemand te noemen.”
Het was goed, dat een stoel in de nabijheid van den ouden man stond, want hij had niet de kracht zich overeind te houden bij het hooren van deze woorden.
„Mijn neef,” fluisterde hij op heeschen toon, de handen tot vuisten gebald. „Dat zou ongelooflijk zijn. Hij was altijd goed en voorkomend voor ons. Hij wist ons steeds te troosten als wij ons over het [26]stilzwijgen van onzen zoon beklaagden. Hij wist zelf niet wat hij er van moest denken.”
„Was uw neef rijk?” vroeg Raffles, zonder acht te slaan op den uitroep van den ouden man.
„Hij was in ieder geval welgesteld, maar ik wil wel erkennen dat hij zeer veel geld noodig had.”
„Hij was zeker reeds een tamelijk bejaard man?”
„Waarom denkt gij dat. Hij is nog geen dertig.”
„O, ik dacht het, omdat hij in het leger een post bekleedde, die hem ver van ieder gevaar hield,” zeide Raffles losjes.
„Ach, Edward Little behoorde niet tot de sterksten,” zeide graaf Armstrong vergoelijkend. „Hij meende, dat hij zijn land ook op die wijze van nut kon zijn.”
„Ja, ja, ieder zijn meug. Dus die jonge man wordt nu van welgesteld zeer rijk, nietwaar, natuurlijk tenzij blijkt, dat uw zoon nog leeft en terug gevonden wordt. Er is echter iets, dat mij bij deze gansche zaak niet geheel en al duidelijk is. Als uw zoon aan zijn vrouw en schoonvader alleen bekend was onder den naam Webster, hoe konden zij dan weten, dat hij ziek lag in een hospitaal te Chantilly, waar hij immers opgenomen moest zijn onder den naam van zijn vader?”
„De eenige oplossing is, dat hij zijn regimentschef in het geheim heeft genomen en hem verzocht heeft zijn aangenomen naam ook onder dienst te mogen blijven dragen, natuurlijk behalve in officieele stukken.”
Raffles bleef even in gedachten zitten en vervolgde toen:
„Kende uw neef en uw zoon elkander goed?”
„Zij kenden elkander, maar zij hebben nooit al te goed met elkander overweg gekund,” antwoordde de oude graaf. „Hun karakters liepen nog al uiteen.”
„Het is dus mogelijk, dat zij onder dienst in aanraking met elkander zijn geweest?”
„Dat is zelfs zeker. Edward schreef ons vaak, dat hij mijn zoon had gezien of gesproken.”
„En hij zorgde voor de brieven, nietwaar?”
„Ja, dat was zijn taak.”
„Hij zou dus bijvoorbeeld brieven kunnen beletten hun bestemming te bereiken, eenvoudig door vernietiging.”
Graaf Armstrong gaf geen antwoord en staarde Raffles geruimen tijd met een uitdrukking van hevige afschuw in zijn oogen aan. Toen barste hij uit:
„Ik durf—ik kan niet gelooven, wat gij mij daar te verstaan wilt geven, Mylord. Het is te afschuwelijk om er aan te denken.”
„O, het menschelijk gemoed heeft zeer diepe en duistere afgronden, graaf,” zeide Raffles schouderophalend. „De boosheid van het menschelijk hart is menigmaal niet te peilen. Het moet voor uw neef inderdaad vrij gemakkelijk zijn geweest, bij het uitzoeken der brieven, de uwe, zoowel als de zijne te verduisteren. Hij had natuurlijk ook briefpapier, met het hoofd van het regiment er op gedrukt, onder zijn berusting.”
Aan zooveel laagheid scheen hij nimmer te hebben gedacht.
„Luister graaf,” hernam Raffles met vaste stem. „Het staat voor mij vast, dat wij hier te doen hebben met een sluw bedacht complot. Het was natuurlijk niet voldoende, dat uw zoon van het tooneel verdween—ook zijn zoon moest verdwijnen en geve God dat het niet voor goed is geweest.”
Graaf Armstrong werd lijkbleek en wilde iets zeggen, toen de deur weder geopend werd en de buttler met zijn vlakke stem aandiende:
„Mijnheer Edward Little vraagt, of u hem ontvangen kunt.”
Charly stond reeds op, teneinde zich bescheiden terug te trekken, maar Raffles wendde zich fluisterend tot den ouden graaf en zeide, zoodat de buttler het niet kon hooren:
„Ik verzoek u dringend, uw neef hier te ontvangen—in onze tegenwoordigheid. Praat echter vooral niet over hetgeen wij zooeven hebben behandeld. Hij mag niet het geringste vermoeden. Laat het voorkomen, alsof wij hier juist in de buurt zijn gekomen en u een beleefdheidsbezoek komen brengen.”
De graaf knikte en zeide tot den buttler, die op den drempel van de deur was blijven wachten:
„Verzoek mijn neef hier te komen.”
De buttler ging heen en liet een oogenblik later Edward Little binnen treden.
Hij was een man van dertig jaar ongeveer, maar die er ouder uitzag, met slappe trekken, dun gezaaid haar, en een weinig gebogen rug.
Hij bleef een oogenblik in de deuropening stil staan toen hij de hem onbekende bezoekers ontwaarde en fronste even de wenkbrauwen.
Toen trad hij met uitgestrekte hand op den graaf toe en zeide opgeruimd:
„Goeden dag, oom. Lang geleden sinds ik u gezien [27]heb. Ik maak gebruik van de gelegenheid dat ik hier in de buurt ben, om u even de hand te komen drukken.”
„Daar doe je goed aan, Edward,” zeide de graaf, zonder zijn neef aan te zien. „Laat ik je even voorstellen aan Lord William Aberdeen en zijn secretaris, mijnheer Charles Brand, die hier een huis hebben gehuurd en mij de eer bewijzen van hun eerste bezoek.”
De heeren bogen zwijgend voor elkander en Raffles keek in een paar eigenaardig schitterende groenzwarte oogen, die in het geheel niet bij het bleeke fletse gelaat schenen te passen.
Hij wilde een nietszeggende beleefdheidsfrase uiten, toen een zwak gekreun hem haastig het hoofd deed omwenden.
De oude graaf had zijn hand op het hart gedrukt en scheen een bezwijming nabij.
Raffles schoot toe, om hem te ondersteunen, maar de graaf weerde hem glimlachend af en zeide op zachten toon:
„Het gaat al weer over—laat maar—ik ken die aanvallen—de dokter weet niet wat het is—ik denk dat het de naderende ouderdom zal zijn.”
Raffles keek den graaf onderzoekend aan, schudde even het hoofd en daarop zetten de heeren zich, om een gesprek over de jacht te beginnen.
Little scheen echter veel haast te hebben, want hij stond na een kwartier reeds weder op, en zeide, terwijl hij een klein pakje uit den zak haalde en het zijn oom overhandigde:
„Hier is uw tabak, oom. Ik heb ze ditmaal zelf maar meegebracht, inplaats van ze u te sturen, zooals gewoonlijk. Ik moet nu afscheid van u nemen, want ik heb een afspraak met eenige vrienden. Over eenige dagen hoop ik een paar dagen te komen logeeren.”
Hij drukte zijn oom de hand, boog stijf voor Raffles en Charly en verliet het vertrek.
Onmiddellijk trad Raffles op den graaf toe en fluisterde:
„Geef mij die tabak mede. En beloof mij, dat gij nimmer meer iets zult aanraken, wat door de handen van dien man is gegaan.”
„Groote God, wat wilt gij zeggen, Mylord?” vroeg graaf Armstrong, bleeker dan een lijk.
„Voorloopig vermoed ik nog slechts, graaf. En nu verlaten wij u. Kom snel mede, mijnheer Brand. Wij moeten weten, waar die Edward Little blijft.” [28]