Dadelijk verlieten de beide vrienden het kasteel en zij kwamen juist bijtijds buiten, om te zien, hoe Edward Little in een kleinen jachtwagen wegreed, die met twee fraaie paarden bespannen was.
„Rijdt dat wagentje na, Henderson,” beval Raffles zich tot den reus wendend, „maar zorg zooveel doenlijk, dat die man ons niet ziet.”
De twee vrienden stapten in en de auto zette zich in beweging.
Het jachtwagentje was het groote hek reeds uitgereden, dat door den bediende met het witte haar voor hem werd open gehouden.
De man wilde het juist weer sluiten, toen hij de groote auto zag aankomen.
Henderson stuurde den wagen behendig door het hek en reed den straatweg op, het jachtwagentje achterna, waar, behalve Edward Little, nog een groom zat, die echter gelukkig naast zijn meester en niet op het achterbankje gezeten was, daar hij in dat geval de auto voortdurend zou hebben gezien.
Binnen tien minuten wist Raffles, dat Little naar Hastings reed.
Een uur later hield het jachtwagentje voor het station stil, waarop Little van den bok sprong, na den groom te teugels te hebben overgegeven.
Zonder om te zien trad hij het stationsgebouw binnen, terwijl de groom dadelijk met het wagentje weg reed.
„Ga hem na, Charly, en tracht er achter te komen, naar welke stad hij reist,” zeide Raffles op zachten toon. „Vertoon je echter zoo min mogelijk, want wij mogen tot geen prijs zijn achterdocht gaande maken.”
Charly wipte uit de auto en verdween op zijn beurt in het groote gebouw.
Hij bleef nog geen volle vijf minuten weg.
Toen hij weder naar de auto terug keerde vertoonde zijn jong knap gezicht een tevreden uitdrukking.
„Ik weet het en hij heeft mij niet gezien,” zeide hij. „Hij gaat naar Dover.”
„Regelrecht naar Frankrijk dus?” riep Raffles uit. „Nu, hij geeft ons in ieder geval een goede kans.”
Hij boog zich voorover en zeide op gedempten toon tot Henderson:
„James—over een kwartier gaat er een trein naar Dover—ik wilde gaarne dat wij er nog voor den trein waren.”
„Dan zullen wij er voor den trein zijn, Mylord,” antwoordde de reus eenvoudig.
„Je wilt dus naar Frankrijk gaan?” vroeg Charly, toen de auto zich in beweging gezet had met een snelheid, die veel beloofde voor den rit langs den verlaten straatweg.
„Ja, ik wil zien, wat die man daar gaat uitvoeren, terwijl hij zijn oom zeide, dat hij hier in de buurt zou blijven.”
„Maar onze passen?”
„Maak je niet ongerust—ik heb nog steeds een drietal passen, die een volle maand geldig blijven.”
„Maar hij zal ons daar ginds herkennen en ook onze auto aan boord van het Kanaalschip.”
„De auto gaat niet mee. Wij zullen daarginds wel een zeer snellen wagen huren. Wat ons uiterlijk betreft—dat kunnen wij in Frankrijk veranderen en wij zullen ons zoo weinig mogelijk aan dek vertoonen gedurende den overtocht.”
Reeds suisde de auto in bliksemsnelle vaart langs den breeden straatweg, die van Hastings naar Dover voert, en nog geen half uur later snorde zij reeds langs de havenstad Rye.
Henderson hield zijn woord—de groote auto reed [29]Dover binnen, volle vijf en twintig minuten voor de trein uit Hastings daar moest aankomen.
Dadelijk werd de auto in een garage gestald.
De koffers werden naar de aanlegplaats van de boot gebracht, die over vijf kwartier zou vertrekken, en de drie mannen scheepten zich in, nadat hun passen waren geviseerd.
Door een der patrijspoorten van de rookkamer hield Raffles de loopbrug in het oog.
Zijn geduld werd spoedig beloond, want een kwartier voor het vertrek van de boot kwam Edward Little aan boord, slechts voorzien van een klein handvalies, dat zich reeds in het jachtwagentje had bevonden.
Raffles en zijn beide reisgenooten hielden zich gedurende den ganschen overtocht benedendeks op, en bleven zoodoende uit het gezicht van Little, die aan dek was gebleven.
Het was bijna elf uur in den avond, toen de boot in de haven van Calais meerde.
Langzaam verlieten de reizigers de boot, want ook nu moesten de passen worden nagezien, hetgeen tamelijk veel tijd in beslag nam.
Maar de drie reizigers hadden hun maatregelen genomen, opdat Little hen niet zou ontgaan, en zij zagen hem dan ook, na de visitatie, een auto aanroepen en eenige woorden met den chauffeur wisselen.
„Hij zal zich wel naar het station laten rijden,” zeide Raffles op zachten toon tot Charly. „Snel hem achterna. Hij mag ons in geen geval ontsnappen.”
„Gaat er dan nog een trein naar Parijs?”
„Er gaan nog treinen in verschillende richtingen. Stop chauffeur.”
Dit laatste bevel gold den chauffeur van een huurauto, die juist met zijn wagen stil stond.
„Het spijt mij mijnheer, maar ik ben besteld,” zeide de man.
„Voor wien?” vroeg Raffles ongeduldig.
„Voor den nieuwen Peruaanschen gezant, die met de boot moet zijn aangekomen.”
„Het is spijtig voor den Peruaanschen gezant—maar dan zal hij op een andere auto moeten wachten,” zeide Raffles kalm. „Ik heb geen tijd te verliezen. Vijftig francs voor jou als je gindsche auto achterna rijdt en bijhoudt.”
Of het nu kwam, dat de chauffeur de finantieele positie van den Peruaanschen gezant niet zeer hoog schatte of om een andere reden—hij opende kalmpjes het portier door even achter zich te reiken en zeide langs zijn neus:
„Stap maar in, heeren.”
Raffles en zijn beide metgezellen lieten het zich geen tweemaal zeggen, maar stapten vlug in de auto, die weg reed, juist toen een kruier schreeuwend en wenkend kwam aanloopen, blijkbaar in opdracht van den woedenden gezant, die zich aldus een der zeer weinige voertuigen zag ontnemen.
De beide auto’s reden door Calais, maar tot verbazing van Raffles ging de rit niet naar het station.
Integendeel, de auto, waarin Little had plaats genomen, scheen de stad aan de zuidzijde te willen verlaten.
„Waar gaat hij toch heen?” riep Charly verbaasd uit.
„Ik vermoed haast, dat hij naar een plek gaat, die niet ver van Calais verwijderd en moeilijk per spoor te bereiken is,” antwoordde Raffles.
Hij had onder het spreken de hand in den zak gestoken en haalde er nu het pakje tabak uit, dat Little voor zijn oom had meegebracht.
Hij opende het voor een klein gedeelte, nam er voorzichtig tusschen de vingertoppen een weinig uit, en bracht het aan zijn neus.
„Wat doe je daar?” vroeg Charly nieuwsgierig.
„Ik ruik aan de tabak, in de verwachting, dat ik er wel iets vreemds aan zal ruiken,” antwoordde Raffles.
„Waarom?”
„Omdat ik denk, dat die tabak vergiftigd is.”
„Maar dat zou verschrikkelijk zijn,” riep Charly vol afschuw uit. „Hoe kwam je op die gedachte?”
„Omdat ik den ouden graaf aandachtig heb gadegeslagen toen hij die zonderlinge flauwte kreeg, terwijl zijn neef in het vertrek was. Ik ken die aanvallen en die verandering van het gelaat—zij worden veroorzaakt door een langzaam voortsluipende kwaal, die weder haar oorzaak vindt in een gestadige slooping van de longen. En daaraan is deze tabak zeer waarschijnlijk schuldig, mijn waarde.”
„Maar dan zou die Little een schurk van de ergste soort zijn, Mylord?” barstte Henderson vol verontwaardiging uit.
„Daar heb ik dan ook geen oogenblik aan getwijfeld, vriend James,” zeide Raffles droogjes. [30]
Intusschen had de auto de stad reeds bijna verlaten.
Zij stond stil en de chauffeur boog zich naar achteren en riep door het openstaande portier:
„Waar nu heen patroon. De andere wagen is de stad uitgereden.”
„Volg hem, al ging hij regelrecht naar de hel,” beval Raffles kortaf. „Doe je lichten uit—de boete betaal ik graag. En honderd francs voor jou, als we de andere auto kunnen volgen zonder dat het gemerkt wordt. Wij zijn een bijzonder grooten ellendeling op het spoor, vriend. Laat je dat een aansporing zijn om op je tellen en je beurs te passen.”
Zonder nog iets te zeggen, keerde de chauffeur zich weer om en voort stoof de auto langs den donkeren weg, die naar het zuiden voerde.
Een uur verstreek.
Er werd weinig of niet gesproken.
De drie mannen begrepen allen als bij ingeving, dat zij de ontknooping van het drama naderden.
Eindelijk hield de auto opnieuw stil.
Raffles stak zijn hoofd uit het portier.
„Waarom stop je chauffeur?” vroeg hij op zachten toon.
„Omdat zij daar ginds het ook gedaan hebben, patroon.”
In de verte schenen enkele lichten te glinsteren.
„Waar zijn we hier ergens?” vroeg Raffles.
„Die lichtjes, dat is Wissant, aan de kust, een paar kilometer van Kaap Gris Nez. U kunt hier het klotsen van de branding duidelijk hooren.”
Inderdaad—uit de verte klonk het dof, eentonig gegrom van de golven, die de rotsige kust beukten.
Raffles bedacht zich niet lang.
Hij wendde zich tot Henderson en zeide:
„Neem den hond mee en volg hem Henderson, maar in ieder geval onderneem je niets op eigen gezag, tenzij je leven gevaar mocht loopen. Vlug—voor hij uit het gezicht is. Hij heeft jou nog niet gezien en je moet je bovendien zoo goed mogelijk verborgen houden. Geef het bekende sein als het noodig is.”
De reus stapte uit, nam Busto aan de lijn mede, nadat Raffles op zachten toon een paar woorden tot het schrandere dier gesproken had, en verdween in de duisternis.
Raffles wendde zich tot den chauffeur, die van dit alles niets scheen te begrijpen en zeide:
„Honderd vijftig francs voor jou, als je hier op onze terugkomst blijft wachten. Het zal niet langer duren dan een uur denk ik. Hier zijn er vast honderd op afrekening, want je behoeft ons niet op ons eerlijk gezicht te gelooven.”
De man knikte tevreden, nestelde zich op zijn bak in zijn dikke deken en maakte zich gereed een tukje te doen.
Raffles en Charly spoedden zich weg.
Het was bijna één uur in den nacht, toen zij door het als slapende stadje Wissant, weinig meer dan een dorp, liepen.
Steeds duidelijker werd de machtige stem van den Oceaan, die zich hier te pletter liep op de klippen van Bretagne.
Raffles en Charly wisselden geen woord met elkander.
Met hun blikken trachtten zij de dikke duisternis te doorboren, die in de geheel verlaten straten heerschte.
In de verte meenden zij nu en dan voetstappen te hooren die zich haastig verwijderden.
Binnen een half uur waren zij het dorp in zijn geheele lengte doorgegaan en bevonden zich weder in het vrije veld.
De weg steeg langzaam.
Links ontwaarden de beide mannen vaag akkers, waar de winterrogge in dichte halmen bijeen stond, maar ter rechterzijde was het uitzicht geheel afgesloten door de hooge klippen.
En steeds bleef de weg stijgen.
Nu en dan stonden de beide mannen even stil, om te luisteren naar de geluiden die door het nachtelijk duister tot hen doordrongen.
Van de voetstappen vernamen zij reeds sedert eenige minuten niets meer.
En toch moest Little dezen weg zijn langs gegaan, omdat er geen andere was.
En plotseling klonk door den stillen nacht de klagende roep van den wielewaal.…
Beide mannen hadden elkander aangestooten.
„Het sein,” zeide Raffles zachtjes. „Het kwam van den kant van de zee. Wij zullen nog verder moeten stijgen.”
Snel vervolgden beide mannen hun weg.
Nog een kwartier klommen zij verder—en twee malen wees de roep van den wielewaal hun den goeden weg—Henderson waakte. [31]
Eindelijk bereikten zij den bovenkant van de rotsen, en nu breidde zich diep onder hun voeten de zee uit, omrand door een gordel van wit schuim—dat was de branding, die daar beneden, honderd meter lager, tegen de klippen sloeg, met een hel, dreunend geluid, machtig als de donder.
Plotseling maakte Charly een bliksemsnelle beweging naar zijn revolverzak—zijn scherp oog had een gedaante ontdekt, die zich behoedzaam van de rots los maakte en naderbij scheen te komen.
Maar een zachte stem zeide op waarschuwenden toon:
„Ik ben het Mylord. Alles is in orde.”
Het volgend oogenblik trad Henderson uit de schaduw van de rots te voorschijn en Busto sprong kwispelstaartend, maar zonder geluid te geven tegen zijn meester op.
„Je hebt hem dus kunnen volgen, James?” vroeg Raffles fluisterend.
„Ja, Mylord.”
„Waar is hij dan nu?”
„In een vervallen hut, daar boven op de rots om een kromming van den weg. Gij kunt haar van hier niet zien. Ik durfde niet verder gaan, want ik geloof, dat er zich daar nog meer personen bevinden, die de wacht houden, dicht bij de deur. Busto gromde tenminste, zooals hij altijd doet, wanneer er vijanden in de buurt zijn.”
„Zouden wij niet die hut langs een omweg kunnen bereiken, zonder dat de bandieten het bemerken?” vroeg Charly.
„Misschien wel, mijnheer Brand,” antwoordde de reus. „Het is wel een weinig gevaarlijk—maar wij zouden kunnen probeeren, aan de zijde van de zee tegen de rots op te klauteren en zoo de hut aan de achterzijde bereiken. Zij is zoo wrak, dat ik kans zou zien, haar omver te duwen.”
„Laten wij dat dan probeeren—maar snel om Godswil. Wie weet wat die schurk van plan is.”
„Maar wat denk je dan toch eigenlijk, Edward?” vroeg Charly.
„Wat ik denk? Natuurlijk dat de ellendeling op deze afgelegen plek, door geen sterveling bezocht, zijn twee slachtoffers opgesloten houdt. En nu geen tijd verloren met praten. Er moet gehandeld worden. Jij nadert de hut zoo voorzichtig mogelijk aan de voorzijde, Charly. Henderson en ik zullen de rots aan de zijde van de zee beklimmen. Op die wijze omsingelen wij hen.”
Dadelijk daalden Raffles en Henderson den weg af, tot zij een geschikte plek gevonden hadden, om langs de rots omhoog te klauteren, die hier weinig steil was.
Niettemin was het een zeer bezwaarlijke arbeid, die aan minder krachtige en geoefende mannen zeker niet gelukt zou zijn.
Stap voor stap naderden de twee mannen de hut aan de achterzijde.
Zij vertoonden zich als een vormelooze zwarte massa boven de rots.
Henderson was de voorste en bijna had hij den rand bereikt.… toen zijn voet op een grooten steen trapte die van rotspunt tot rotspunt rollend met luid geraas in zee viel.
Onmiddellijk verschenen er twee mannen om den hoek van de hut, om te zien, wat er gaande was.
Een hunner zag het hoofd van Henderson boven den rand van de rots uitsteken.
Met een gebrul van woede vloog hij op dat hoofd toe en begon er uit alle macht op te trappen, terwijl hij schreeuwde:
„Verraad, verraad, schiet je revolver af, Jim. Daar beneden is er nog een.”
Henderson spande zich tot het uiterste in.
Hij gevoelde, dat hij verloren zou zijn, als hij nog eenige van de vreeselijke trappen op het ongedekte hoofd kreeg.
Hij stak met een vlug gebaar de rechterhand uit en wist het been van zijn belager te grijpen.
Hij trok er aan—de ander verloor zijn evenwicht—struikelde, trachtte zich staande te houden en stortte toen met een rauwen gil, die door de rotsen weerkaatst werd, voorover in zee, daarbij strijkelings langs het lichaam van Raffles schietend.
Henderson had zich met een laatste krachtinspanning op de rots weten te werken, juist toen de tweede bandiet zijn revolver had getrokken en op Raffles aanlegde.
Het schot ging af, maar de kogel verloor zich in de ruimte.
Henderson had den ellendeling om het middel gevat en smeet hem met zooveel geweld tegen den wand der hut, dat hij bewusteloos bleef liggen.
Intusschen was de deur open gevlogen en in de [32]opening verscheen Edward Little, gewaarschuwd door het schieten.
Met een kreet van dierlijke woede keerde hij dadelijk in de hut terug en wierp de deur achter zich in het slot.
„Naar binnen, Charly, naar binnen,” schreeuwde Raffles, die op zijn beurt de bovenzijde van de rots had bereikt en begreep wat er daar binnen zou geschieden.
Charly kwam aansnellen maar hij wierp zich tevergeefs uit alle macht tegen de gesloten deur.
Toen kwam Henderson hem te hulp.
Hij smeet zijn zwaar lichaam uit alle macht tegen de deur, die splinterend open vloog.
Hij stormde naar binnen.
Uit den kelder klonk smartelijk hulpgeroep.
Nog een trap en een tweede deur barstte open.
Juist op tijd vloog Henderson naar binnen, om te beletten, dat Little zich met een spits mes in de vuist op een kleinen knaap wierp, die weerloos was tegen den schurk.
Hij vatte den bandiet bij de schouders en had hem in een ommezien ontwapend—
En wanneer Raffles niet bijtijds was binnen getreden, dan zou Edward Little waarschijnlijk zijn lage daden hier ter plaatse met zijn leven hebben betaald.
Na eenig zoeken vond men in een ander onderaardsch gewelf den ongelukkigen Donald Sealyham half versuft, die met tranen in de oogen zijn redders omhelsde.
„Het was zijn doel, mij hier krankzinnig te doen worden,” riep hij uit. „En als het nog eenige weken had moeten duren, dan was ik het hier in die eeuwige duisternis ook geworden.”
En nu volgde een reeks van vragen en antwoorden, op zenuwachtigen toon geuit—en daarop het wederzien van vader en zoon, die niet wisten, dat zij zich zoo dicht in elkanders nabijheid hadden bevonden.…
Een half uur later waren de beide gewonde schelmen veilig langs den weg naar omlaag gebracht, en de auto vervoerde het geheele gezelschap naar Calais, waar de politie van het gebeurde in kennis werd gesteld.
— — — — — — — — — — — —
Een week later las Raffles met aandoening een brief, waarin Donald Sealyham vol innige dankbaarheid schreef, dat hij zich met zijn vader had verzoend en dat zijn geliefde vrouw op den weg der beterschap was. Het plotseling wederzien, dat Raffles hem had aangeraden, had haar verstand als bij tooverslag doen terug keeren.
Wat Edward Little betreft—de rechtbank veroordeelde hem drie weken later tot levenslange tuchthuisstraf wegens poging tot vergiftiging en moord.…