[Inhoud]

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Mijnheer Hunzman.

Henri Uhlstra hield zich goed tegenover Lize, die, zeer bewogen, hem schreiend verwelkomde. Maar van zijn familie was niemand op het land, en dat trof hem diep. Niet zeer vriendschappelijk bekeek hij den administrateur, een rustig man met ’n glad geschoren gezicht en ’n bril op z’n scherpen neus, geen man om te wantrouwen, maar ook geen om bij voorkeur onaangenaamheden mee te zoeken; een imponeerende kalmte.

„Dat is mijnheer Hunzman, die in de plaats van je broer is gekomen,” dus stelde Lize hem voor.

En meneer Hunzman maakte het kort en duidelijk.

„Het zal u wel eenigszins vreemd zijn, meneer Uhlstra,” zei hij, „mij hier aan het werk te vinden.”

„Ja.… ik kan ’t niet ontkennen. Papa en ik hebben ’t altijd zelf gedaan.”

„Welnu, dat kan weer heel gemakkelijk, wat u betreft. Ik heb de betrekking van administrateur alleen aangenomen op de voorwaarde, dat als het na uw terugkomst raadzamer schijnt, wij dadelijk van elkaâr af kunnen.”

„Heeft men die voorwaarde gesteld?”

„Pardon, die heb ik gesteld.”

Verwonderd keek Uhlstra zijn vrouw aan. Tegenover die rustige zelfstandigheid, die onafhankelijkheid van positie, dat volslagen gemis aan onderdanigheid, kwam zijn oostersch gemoed in stillen opstand, hij voelde dat hij nu reeds den toestand niet meer meester was, en dat hij, met Hunzman tot administrateur, volstrekt niets meer zou te zeggen hebben, dan wat recht en billijk was. Hij zou dan ’n landheer zijn, [140]beperkt in zijn vrijheid door allerlei onderhandsche bepalingen niet alleen, niet enkel bovendien door zijn geldschieters, maar ook door zijn eigen personeel op het land! En op ’t gezicht van Lize las hij de bezorgdheid, de vrees, dat het tot een conflict zou komen en Hunzman zou heengaan. Dàt verdroeg hij niet. Nooit!

„Wel, dat is heel verstandig,” antwoordde hij. „Er kunnen ook hier geen twee koetsiers zitten op één bok.”

„Dat begreep ik dadelijk. Men zei mij, dat de positie van u als eigenaar en van mij als beheerder wel te regelen was, maar ik begreep, dat ’t niet gaan zou.”

Het kwam er alles uit als een manlijk woord, volkomen goed overdacht, zonder de minste agitatie, onbevreesd, doch beleefd van toon. Juist dit wond Henri meer en meer op.

„Wij zullen dan vanavond daarover wel verder spreken, als u wilt,” zei hij onvriendelijk en uit de hoogte.

„Ik ben geheel tot uw dienst.”

Toen Uhlstra en Lize binnen waren met de kinderen, gingen ze er eerst maar niet op door. Hij meende, dat het zou lijken op gebrek aan hartelijkheid; het lag hem echter op de tong, en toen hij zag, dat zijn vrouw ’t huilen nader stond dan het lachen, hield hij het niet langer uit.

„Hoe ben je er toch toe gekomen standjes met Piet te maken!” riep hij uit, doelende op zijn jongeren broer, dien hij destijds met de administratie had belast.

Zij stond zeer ontroerd tegenover hem, maar zei niets.

„Hij was toch van alles goed op de hoogte en werkzaam; kon je dus geen vrede met hem houden? Waarom moet ik hier zoo’n vreemden onaangenamen vent in onze zaken vinden, die me ontvangt op ’n manier of hij hier baas en meester is.”

„Piet kon niet blijven!”

„Waarom dan niet?”

„O, Henri, hij is een gemeene kerel! En hij heeft hier geleefd.… Je moest alles eens weten!”

Met groote oogen keek hij haar aan. Wat zou hij over zijn broer hooren? Had die den boel bestolen?

„Het zal wel overdreven wezen. Ik begrijp dat heel goed: jij hebt voor administrateur willen spelen op je eigen gelegenheid.”

„Daarover was het niet. In het eerst hebben we daar ook wel over gekibbeld en onaangenaamheden gehad, maar dat ging later goed; hij deed zijn eigen werk op ’t land en het kantoor zooals hij wou.” [141]

„Zeg het dan ineens!” riep Henri bij zijn eerste idee blijvend. „Heeft hij gestolen?”

„Gestolen? Wat gestolen! Neen, dat heeft hij niet. Maar op een avond, dat hij met de boeken bij me zat.…”

Het zweet begon ineens op te parelen over Henri’s voorhoofd; angstig weken zijn trekken naar achteren in zijn gezicht; nu begon hij te begrijpen.

„Gévédé!” zei hij met ’n bevende stem: „Ga voort, asjeblieft.”

„Toen pakte hij me ineens om mijn schouders en begon zoo gek te doen, en.… met allerlei malle praatjes …”

Zij zweeg een oogenblik, en hij ook, vóór zich kijkend grimmig en moorddadig.

„Ik heb hem natuurlijk weggestuurd, ja?”

Maar Henri keek haar wantrouwend aan.

„Och kom!” zei hij met ’n grijns, en met ruwen spot de woorden stootend achter uit z’n keel.

„Van dien dag was het niet uit te houden. Als hij mij maar zag, wou hij me altijd beetpakken.…”

„En hoelang heb je dat wel toegelaten?”

„Toegelaten niet, maar hij deed het toch.”

„En jij vond het wel aardig, hè?”

Zij zag met innig genoegen, dat hij langzaam aan als ’t ware dol werd van jaloerschheid. In een oogopslag, toen hij terugkwam, had ze gezien hoe diep herinneringen aan in Europa gesmaakte genoegens hem in den geest staken, als doornen in het vleesch.

„Natuurlijk vond ik het niet aardig, maar wat moest ik er tegen doen? Ik kon toch niet met hem gaan vechten!”

„Je hadt den gemeenen gladakker dadelijk weg moeten jagen als ’n hond.”

„En wat dan?”

„Het komt er niet opaan. ’t Is.… ’t is.… ik weet niet wat,” stotterde hij, geen woorden vindend, half stikkend van kwaadaardigheid, „maar je hadt den sm.… O, ik zal hem.…”

„Ik heb hem immers ook weggejaagd, zooals je me daar net hebt verweten. Het werd zóó erg.… ik kon voor niets meer instaan.… ik was toch ook slechts ’n vrouw alleen, en.… jij waart er niet; al zoo lang niet!”

„Van zijn famielje moet men het toch maar hebben,” zei Henri, zonder te repliceeren op de twee verwijten. „Maar ik …”

„Het beste is nergens over te spreken. Piet is naar Oost-Java als onderadministrateur op een koffieland, dat hij naderhand denkt te koopen. Je zult hem niet ontmoeten.”

„’t Is zijn geluk?” [142]

En ineens, nu, buitengewoon brani somde hij, zijn hart ontlastend, al de gewelddadigheden op, waarmede hij Piet voor diens wangedrag zou straffen.

Ernstig en kalm zat hij ’s avonds met Hunzman op het kantoor, en hij moest bekennen, dat de administratie in orde was; maar in orde zóó als hij ’t nooit had beleefd!

De scène met Lize, haar verhaal van de aanvallen, die ze zoo glansrijk, zij het dan ook door meer passieven dan actieven weêrstand, had doorstaan,—dat alles gepaard aan de opwekkende kracht der lange zeereis, hadden dien dag een groote passie bij hem opgewekt; hem zoo verliefd op zijn vrouw doen worden, als hij zich eigenlijk niet herinnerde vroeger ooit te zijn geweest.

Zij had hem dien middag nog eens met woorden gezegd, wat hij nu zag met eigen oogen; zij had hem aangeraden „het” met Hunzman bij te leggen, en nu hij alles had nagegaan, voelde hij spijt over zijn aanstellerij van dien ochtend, te grooter wijl de stand van zaken door zijn eigen toedoen minder gunstig was. Hunzman had de boeken afgesloten, den dag waarop hij de administratie van Piet had overgenomen. Die had een treurig boeltje nagelaten! En weêr kwam Henri terug op z’n eerste idee: hij was bestolen door zijn broer!

„U hebt zeker dit een en ander ook wel eens bekeken?” vroeg Henri, doelende op het beheer van Piet.

Hunzman knikte langzaam en herhaaldelijk, zoodat de lichtjes in zijn brilleglazen weêrkaatsend, op en neer dansten.

„Zeker heb ik dat.”

„Ik kan ’t zoo ineens niet overzien.”

„Neen, ten minste niet in de détails.”

„En.… hoe zijn die?”

„Wat zal ik u ervan zeggen? U hebt zelf al den tijd om ’t na te gaan op uw gemak.”

„Het neemt niet weg.… U kunt me toch wel uw opinie zeggen.”

De weêrkaatste lamplichtjes in de brilleglazen dansten nu niet op en neêr, maar heen en weêr. Dat weigerde Hunzman.

„Ik doe het liever niet. Van wat op mijn werk betrekking heeft kunt u alle inlichtingen krijgen, over dat van uw broer laat ik mij niet uit.”

„.… Om mij genoegen te doen.”

„Dat is voor mij geen reden. Waarom zou ik u een genoegen doen?”

Henri Uhlstra boog het hoofd; de kin gedrukt tegen de borstkas. ’t Was waar. Even keek hij naar Hunzman, die met een malicieus gezicht zijn sigaar zat te rooken.

Hij had hem wel willen vragen te blijven, doch hij kon niet. Ook [143]nu weer was hem de andere de baas. Dat zou zoo blijven, daaraan viel niet te twijfelen, en dat was te gek. Ineens echter ging hem een licht op. Hij en Piet hadden vroeger Tji-Ori en Koeningan bijeen beheerd, maar elk op een land. Dom, dat hij er niet eer aan had gedacht!

„Ik sprak van morgen,” zei hij, „van twee koetsiers op één bok. Maar dat is eigenlijk niet noodig.”

„U bedoelt, dat ik Koeningan alleen zal houden.”

„Ja, dat bedoel ik. Neemt u het aan?”

„Het hangt natuurlijk af van de voorwaarden. Koeningan is een aardig land; het is meer dan groot genoeg; er is nog heel wat van te maken. Meest alles is blijven steken in het begin.”

„Door den dood van Geber destijds.”

Zij werden het heel gauw eens over de voorwaarden. Uhlstra was royaal genoeg, en Hunzman te fatsoenlijk om buitensporige eischen te stellen.

Zij gingen nu weêr aan ’t werk met een nieuw contract, zoo duidelijk en goed omschreven mogelijk, en Henri veegde zich, toen zij geteekend hadden, het zweet van het voorhoofd. Het was lang geleden, dat hij zich met arbeiden eenigszins had ingespannen!

„Mij dunkt,” zei hij, toen ze samen in de voorgalerij een oogenblik zaten op te frisschen, „dat u me wel een en ander kunt vertellen van het verloop der zaken hier.”

„Nu wel … waarom niet? Uw broer stuurde alles heel gewoon in de war.”

„Bestal hij me?”

Henri Uhlstra wachtte angstig op een antwoord en Hunzman bedacht zich.

„Ja,” zei hij eindelijk.

„Was het erg?”

„Heel erg. Ik heb hem, toen mij het onderzoek werd opgedragen, onder handen gehad. Hij kon zich niet verantwoorden.”

„Wie kwam er het eerst achter.”

„Het kantoor. Op een goeden dag kwamen zij bij me.”

„En mijn vrouw? Heeft die nooit ergens kennis van gekregen?”

Weer draalde Hunzman met zijn antwoord.

„Zeker. Ik heb haar zelf op de hoogte gebracht. Maar zij geloofde het niet; zij wilde ’t niet gelooven. Familiezwak!”

„Heeft zij het heelemaal niet.…”

„Neen! Zij heeft zich zeer sterk verzet tegen het ontslag van uw broer. Het was een scène.”

„Wat zegt u? Was het een … een scène? Wou zij niet hebben, dat Piet …; verdedigde zij hem?” [144]

„Zooals ik zei.”

Wat was dat nu weer? Hunzman loog niet; waarom zou hij ook? Dus had Lize hem voorgelogen. Terwijl zij hem diets had gemaakt, dat zij ’t vertrek van zijn broer had geprovoceerd.… Wat was er dan gebeurd; wat in Godsnaam? Hij mocht niets verder voor den vreemden administrateur van Koeningan laten blijken, in geen geval.

„Hoe maakt de oude heer Twissels het tegenwoordig?” vroeg hij om voor het moment van het onderwerp af te komen.

„Gezonder dan ooit en ook ijveriger.”

„En rijker?”

„Daar loopen de opinies over uiteen. Vroeger ja, toen hij met uw vader, Lugtens en Geber samen in allerlei groote ondernemingen zat.… Sedert hun dood, zegt men, heeft hij het edele dobbelspel van de kaarten overgebracht in zijn zaken. Dat moet hem niet best zijn bekomen.”

„Hij is een voorzichtig man,” zei Henri, gewoon hoog op te zien tegen een financieele en handelsspecialiteit als Twissels.

„Ja, dat is men.… tot de eerste onvoorzichtigheid.”

„Wordt erover gesproken?”

„Zeker! Hij heeft aanvankelijk veel gewonnen. Van dat moment heeft hij zichzelf verraden. Hij kon zijn mond niet houden.”

„Nu, hij kan een duw verdragen.”

Hunzman antwoordde er niet op; hij wist daar meer van uit eigen levenservaring.

„Is mama wel eens hier geweest, terwijl u hier waart?”

„Neen. Ik heb mevrouw eens gesproken in de stad. U moest haar maar alleen bezoeken, dat is ’t beste; zij en uw vrouw verstaan elkaar niet.”

„Dat heb ik tot mijn verwondering aan mijn vrouw bespeurd. En vroeger was het altijd zoo koek en ei!”

„Zij hebben hoog loopenden twist gehad.”

„En tante Clara.”

„Is heelemaal met uw mama gebrouilleerd, en ook met uw vrouw.”

„Mijn zuster Roos woont ook al niet meer samen met mama, hoor ik.”

„Neen; mevrouw Geber is in onmin met haar naaste famielje, maar heel wel met mevrouw Lugtens.”

„Het is me een mooie geschiedenis geworden!” zuchtte Henri. „Ik houd van den vrede, net als pa deed, en ik heb aan een toestand zooals ik dien hier vind verbazend het land.”

„In het financieel belang der famielje,” zei Hunzman, „is hij ook zeer zeker niet.” [145]