[Inhoud]

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

„’n Complete jonge Dame!”

Henri vroeg zijn vrouw niets. Hij wantrouwde haar nu; zoolang hij haar vertrouwde, had hij open kaart met haar gespeeld, altijd voor zoover zijn eigen fouten daarbij niet in ’t spel waren, nu hij verdenking had gekregen, zweeg hij.

Maar het dubbelhartige in haar handelwijze stak hem diep; hij wilde „er achter” komen; hij moest weten, waarom zij voor hem den schijn aannam tegen zijn broer te zijn, terwijl zij metterdaad had getoond voor hem te wezen.

Hij vond zijn moeder zeer veranderd, oud en verzwakt, niet meer de gemoedelijke kloeke vrouw van vroeger. Zij huilde toen zij hem zag, en hij was ook aangedaan. Maar hij zat nog geen tien minuten bij haar, of hij raakte de kluts kwijt: zijn ooren tuitten!

Aaneen af ging het relletje; een eindelooze rammelslag; met tot kern dat Lize een egoïstisch onhartelijk wezen was, een lastertong; dat Piet braaf was en lief; dat Roos valsch, gemeen en gierig was; dat Clara een slechte vrouw was, op weg naar de laagste onzedelijkheid; dat Twissels een dief was—niet meer of minder; dat hij zelf—maar dit met vergoelijking en moederlijke teederheid—aanspraak mocht maken op den naam van pierewaaier en verkwister, dat Hunzman een schurk en een falsaris genoemd moest worden; Cesaartje, na den dood van grootmoeder Jansen, een oplichter; de jongelui Markens chevaliers d’industrie, die zij daags te voren hun „portie” gegeven en de deur uitgejaagd had; hun vader een vrek en woekeraar, nadat hij in dienst den schelm had gespeeld; hun moeder een krankzinnig wijf.…

Het was om er alle gedachte bij in te schieten, zóó snel ratelde en klepperde de tong van de oude mevrouw Uhlstra over familie en kennissen; en Henri, met een zeer bezwaard gemoed, hoorde maar zwijgend toe.

„En de kinderen van Tante Clara?” vroeg hij, ’t meest bezorgd nog over wat hij van deze zelf had gehoord.

„Wel, de jongens zijn in Holland.”

„Zoodat kleine Lena.…?”

„Bij haar? Bij die gemeene.…? Mijn petekind?”

„God ma, wind u toch niet zoo op elk oogenblik. Ik heb u vroeger nooit zóó gekend! Wat is dat toch hier ’n rare boel geworden.”

Nu kwam de opgewondenheid in een tranenstroom los, met afgebroken [146]woorden in het hollandsch en het maleisch; met betuigingen en verzekeringen, snikkend en hokkend uitgebracht; met beëediging van eigen goede bedoeling, bekrachtigd door vlakke handslagen op de borst, kletsend door de dunne kabaai als op de naakte huid; en.… met een diep besef van het gemis van haar man. Hij was eenvoudig en goedhartig geweest; niet zoo’n bazig man of iemand, die van alles weet en overal verstand van heeft of wil hebben; maar het bleek dan toch nu, na zijn dood: hij was de band geweest, die alles leidde en bijeenhield tevens.

Henri hoorde den treurzang om zijn vader, stil en bewogen. Ja, dat was het! Ten slotte was met den ouden heer het hek verdwenen van den dam; en zoo kloek en flink zijn moeder geweest was, toen zij nog haar steun had in zijn vader, zoo zwak en hulpeloos was zij geworden, alleen. En alles was verloopen in ordeloosheid, twist, oneenigheid en scheiding.

„Leentje is een engel!” vervolgde eindelijk mevrouw Uhlstra. „Ik heb haar hier in huis bij mij.”

Toen zij, geroepen, in de binnengalerij kwam, stond Henri Uhlstra verbaasd. Was dat kleine Lena? vroeg hij zichzelf.

„Fameus, wat ben je gegroeid!”

„Vindt u?”

„Kolossaal!” herhaalde hij vol verwondering.

En vol liefde en zelfvoldoening, zei mevrouw Uhlstra, de oogen, nog nat van ’t schreien, thans opglinsterend van genoegen:

„Wat een meid is zij geworden, hè?”

„’n Complete jonge dame!” bevestigde Henri, van de verrassing nog niet bekomen, den blik bewonderend gaan latend van het mooie blonde haar en de groote diep blauwe oogen over de zich ontwikkelende buste en de nette slanke leest.

Zij ging rustig bij hen zitten en sprak meê ’t gewoon gesprek, dat weêr werd opgevat over de familie en de zaken van de familie. En al wat Lena zei, had een vredelievende strekking, die Henri voelde en op prijs stelde en die op de zenuwen zijner moeder bedarend werkte.

„Het is,” zei ze, toen mevrouw Uhlstra noodzakelijk even naar haar goedang moest om te voldoen aan de seinen die, van achter een pilaar, reeds lang de keukenmeid stond te geven,—„het is in ’t geheel niet goed, dat tante zich zoo opwindt.”

„Zeker niet?”

„Ik doe mijn best om het tegen te gaan. Maar het is al zoo’n gewoonte geworden.…”

„Je moet ’t toch maar blijven doen.” [147]

„Dat zal ik ook. Het is zoo naar met al die onaangenaamheden tegenwoordig.”

„Het is voor mij om er niet uit wijs te worden.”

„Dat begrijp ik. Als men pas uit Europa komt en zoo lang is weg geweest.…”

„Niet waar? Alles ligt hier met elkaar overhoop.”

„Jammer, dat ik niet wat vroeger hier in huis ben gekomen. Dan zou veel anders zijn; ten minste zouden die standjes met Roos over Piet niet zijn voorgevallen.”

„Zou je dat denken?”

Hij vroeg het half lachend. Zou dat nu geen zelfoverschatting zijn van zoo’n jong ding, van hoogstens zestien jaren?

„Zonder twijfel. Het is alles omdat ze elkaar niet begrijpen, en niet vertrouwen, en de een niets voor de andere wil inschikken. De gewone kibbelpartijen van kinderen onder groote menschen.”

„Ja, dat is wel zoo.”

„En groote menschen, die in het geheel niet inzien hoeveel kwaad ze er meê doen. Men moet hun dat aan het verstand brengen met een goed woord.”

„Mijn God, kind!” riep Henri uit. „Je bent een.…”

„Wat zeit ze?” viel mevrouw Uhlstra, terugkeerend uit de goedang, hem wantrouwend in de rede.

„Ik sprak met neef Henri over al die famieljequaesties,” antwoordde Lena, haar frissche stem luid en helder verheffend, waardoor alle schijn van geheimzinnigheid dadelijk wegklonk. „Ik zei, dat ik het erg jammer vind.”

„O zoo.”

„En Henri vindt dat ook. U en ma houden zooveel van elkaar en van nicht Roos, en om dingen, die goed begrepen de moeite niet waard zijn, komen er onaangenaamheden en verbittert men elkaar het leven.”

„Zij is zoo’n goed kind,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar zoon. „Zij zou het grootste kwaad vergeven, dat men tegen haar bedreef. Ik ben zoo gek niet, hoor!”

„Nou …,” meende Henri zeer ernstig. „Wat zij gezegd heeft, is in het geheel niet gek. Ik zou haast zeggen, dat het ’t verstandigste is, wat ik nog heb gehoord sinds ik weer hier ben.”

Hij en zijn moeder hadden zich wat één zaak betreft ingehouden tot nog toe. Zij vreesden een onderwerp aan te roeren, en wisten toch dat het onvermijdelijk was. Wel had hij in den woordenstroom zijner moeder bij wijze van voorbereiding tot den strijd den lof van zijn broer [148]Piet hooren verkondigen, maar daarmeê kon het niet uit zijn. Het gesprek vlotte niet; hij vertelde van Europa, en moest ook hier weêr de leugen debiteeren, dat hij maar eens ’n enkele maal en voor de grap zich had uitgegeven voor ’n oosterschen prins. De leugen was voor zijn moeder geheel overbodig; zij vond niets in dien travesti; integendeel, zij lachte er hartelijk om; het scheen haar ijdelheid te streelen, dat in die Europeesche wereld, waarvan zij zooveel had gehoord, maar nooit iets gezien, haar zoon kon doorgaan voor een prins.

Onverwacht kwam Lena in dit eenigszins opvroolijkend verhaal met de opmerking:

„Je hebt niet eens naar Piet gevraagd.”

Mevrouw Uhlstra verbleekte en Henri hield stil, de wenkbrauwen fronsend, boos, verschrikt.

„Ja,” ging ’t meisje voort, zoo rustig als sprak ze over de gewoonste zaak. „Ik begrijp wel, dat je daar liever niet over spreekt, maar mij dunkt toch, dat het beter is en niet anders kan. Er is van weerskanten verkeerd gehandeld, dat moet eerst worden erkend.”

„Van mijn kant?” vroeg Uhlstra met groote verontwaardiging. „Is er van mijn kant tegenover hem verkeerd gehandeld? Heb ik hem niet alles overgelaten, en mijn geheele vertrouwen geschonken?”

„Dat was juist zoo heelemaal verkeerd. Hij was daar nog te jong voor, en niet genoeg op de hoogte.”

„Gekheid! van papa en mij heeft hij alles geleerd.”

„Dat heeft hij niet. Oom deed altijd alles zelf, en dat heb je ook altijd gedaan. Intusschen heette het, dat Piet leerde, omdat hij links en rechts over het land mocht rijden.”

„En toen hij op Koeningan was.…”

„Wie was dáár toen eigenlijk administrateur? Oom, en als oom er niet was, neef Henri.… Wezenlijk, het is ook gedeeltelijk uw schuld … Als dat nu maar wordt erkend, dan zal de rest, wat het geld betreft …”

„Daar zit het niet!” riep Henri, die altijd verdrietig werd, als men hem voor inhalig hield of bijzonder gehecht dacht aan geld. „In zekeren zin heb je gelijk, Lena. Hoe drommel, ben jij daarop gekomen? Ik had het niet moeten doen; het is waar.”

„Welnu, dan is er ook geen reden om je niet met hem te verzoenen. Antwoord hem dan, als hij je schrijft.”

Henri Uhlstra aarzelde, en zijn moeder, zwijgend bij dit gesprek, als ging het haar volstrekt niet aan, keek maar naar het mooie blanke gezicht van haar petekind, zoo verstandig, zoo beslist, en toch zoo lief, vond ze, en zoo goed.

„Het is dàt niet.… niet de quaestie van het geld.… van de administratie … [149]Het is iets anders, dat ik hem nooit zal vergeven, nooit!”

„Wat is dat dan?”

„Ik kan het je niet zeggen; ik kan daarover niet spreken met ’n jong meisje, ook niet al is ze van de famielje, en al is ze zoo verstandig en zoo flink als jij bent, Leen. Geloof me, ik houd veel van je; ik wou, dat we een zuster hadden, zooals jij; dat zou me veel waard zijn, maar.… ’t gaat niet; ’t gaat niet.”

Hij had het gezegd met de zachte stugheid, het eenigszins weemoedig onverzettelijke, dat zijn vader kenmerkte en zijn moeder zoo goed bekend was; hij had vóór zich gekeken, terwijl hij ’t zei, en toen hij nu de oogen opsloeg, schrikte hij, zoo bleek zag Lena en zoo bedroefd schudde zij het hoofd.

„Het is verschrikkelijk, Henri,” zei ze met bevende stem. „Ik had niet gedacht, dat zij ertoe in staat zou zijn.”

„Waartoe?” vroeg hij, meer en meer met de zaak verlegen.

„Zij heeft je hetzelfde wijsgemaakt, wat ze tante en mij wilde vertellen, dat Piet op haar verliefd was.”

„Zoo, heeft Lize dat gezegd waar jij bij was?”

„Ja, en dat hij haar niet met rust liet. Ik verzeker je, Henri, dat het niet waar is geweest. Hij was een speler en hij ging veel uit.”

„Dat weet ik.”

„Nou!” viel zijn moeder uit met volle kracht. „Nou, en wáárom denk je, dat zij niet hebben wou, dat hij heenging, toen ze daarover begonnen?”

„Dat is me juist ook een raadsel!”

„Omdat je een stommeling bent,” zei mevrouw Uhlstra opgewonden en kwaad.

Het hinderde hem; hij zou vroeger er niet op hebben gelet; nu hij in Europa in goede kringen had verkeerd, stuitte die uitdrukking in den mond eener dame hem tegen de borst.

„Je ma heeft ongelijk,” zei Lena, die hem begreep. „Het is slecht onwaarheid en kwaad te spreken, en dat heeft Lize gedaan van Piet, maar het is geen reden ’t nu ook van haar te doen.”

„Nou ja!” riep mevrouw Uhlstra schamper. „Praat jij maar!”

„Wat ik zeg, is waar,” zei Lena op een toon, die Henri Uhlstra de gezaghebbende persoonlijkheid van Lugtens ineens voor de oogen tooverde. „Lize heeft Piet tegenover die heeren van ’t kantoor verdedigd om den naam, maar voor haarzelve was ze blij, dat hij weg was, want ze kon niet met hem overweg, en daarom ook sprak ze naderhand kwaad van hem.” [150]

Mevrouw Uhlstra, den mond dichtgeknepen, als moest ze de woorden binnenhouden met geweld, kon zich niet heelemaal goed houden; zij grijnsde smadelijk; haar hoofd bewoog zacht, rusteloos, en de kin vooruit, keek ze omlaag en dan weer omhoog, beproevend in elken trek van haar gezicht, en elke beweging de gedachte uit te drukken, dat Henri daar werd beetgenomen, in de luiers gelegd,—alles wat maar synoniem is aan: gefopt. Doch hij keek niet naar haar, geheel in beslag genomen door de superioriteit van het meisje, zooals in vroeger jaren vader Uhlstra in zaken aan den leiband liep van Lugtens. Zij had gelijk! Het was dom en onheusch, dat hij dááraan niet had gedacht en een ander hem er toe moest brengen zijn eigen vrouw niet te verdenken!

Zijn moeder,—nu ja! Lize was haar schoondochter en daarmeê, vond hij, was zoo goed als alles gezegd.

„O Leen!” riep mevrouw Uhlstra toen Henri tevreden en opgewekt was weggegaan. „Hoe heb je het kunnen doen! Hoe heb je zóó voor het beest kunnen spreken? De naam … de naam!” Zij had de handen tot vuisten gebald, die opgestoken omhoog, en liep woedend heen en weer in de binnengalerij.

„U weet niets van Lize,” zei Lena beslist. „Al wat u beweert, is op verdenking gegrond.”

„Och kind, jij kent de wereld en de menschen niet.”

„Beter dan ik wenschte,” zei ’t meisje verdrietig, denkend aan haar eigen moeder. „Wat Lize deed en zei is niet gemakkelijk te verklaren; het zal wel beter zijn naar een goede reden te zoeken dan naar een kwade, vooral tegenover haar man.”

„Jawel, jawel! Spreek jij maar als een advocaat! Zij heeft met Piet willen knoeien, weet je! En dat wou hij niet.… Dáárvoor was hij te fatsoenlijk.”

Rustig en verstandig redeneerde Lena daartegen in.

Helaas, zij wist alles zoo goed!

Ze vertrouwden haar allen; ze vertelden haar alles; zij was nog maar ’n aankomend meisje en haar ooren hadden reeds meer confidenties gehoord dan die van menig bejaard mensch. Ook van dit familieschandaal was zij op de hoogte. Zij wist dat Henri Uhlstra nog nauwlijks voet aan wal had gezet in Europa, of reeds bedrogen hem zijn vrouw en zijn broer, op het landgoed met elkaar alsof dat de gewoonste zaak was ter wereld. Tot Piet in de stad een „artistieke” relatie kreeg uit een reizenden opera-troep en daarmeê het geld en den tijd verkwistte, die zijn broer toekwamen. Zij wist waarom toen Lize kwaad had gesproken [151]van Piet, maar later, in de hoop, dat het nu in de stad toch uit was, en hij weêr naar het land zou terugkeeren, hem tot voorspraak en verdediging was geweest, om, toen dat niet hielp en Piet ook niet wilde, weêr kwaad van hem te spreken.

Al het groezelig vuil zag zij, zelf zoo rein en schuldeloos, opstijgen uit de familie waartoe zij behoorde. Zij deed haar best om den vrede te doen blijven, zooveel zij kon; men geloofde haar, zooals men haar vertrouwde, en, schoon het haar tegenstond, erger dan een van allen, had zij ook Henri maar op een weg geholpen, die voor allen de veiligste en de beste was.