Henri’s aangenamere stemming door het goede idee, dat Lena hem had gesuggereerd, daalde toen hij zijn tante Lugtens had bezocht. Op het hagelwit gemetseld muurtje om het voorerf prijkte in nieuw-geverfd bruinbrons het krullend ijzeren hekwerk; de zwaar begrinde paden kronkelden erachter in dof grijsblauw tusschen de groene randen dik engelsch gras, zacht op naar de breede bleekwitte reepen der marmeren treden van de voorgalerij; de effen eentonigheid der dikke grauwgele zeilen tot onder neergelaten, werd gebroken door hooge chineesche bloempotten met glinsterend groen- en blauw-porseleinen plekken, het harde zonlicht weerkaatsend; boven alles het pannendak ver over de galerij heenglooiend, uitloopend in een grauwe zinken marquise.
En in den heeten dag lag het mooie huis, dat Lugtens verdiend, gekocht, gemeubeld en bewoond had, tot men, met groote staatsie, hem dood eruit had gedragen,—zoo rustig en als verlaten, dat Henri meende een vergeefschen tocht te hebben gedaan. Zij zou, meende hij, uit wezen naar de toko’s of op bezoek. Er waren geen bedienden te zien. Alles was stil, scheen uitgestorven. Zelfs toen hij doorging naar achter, zag hij niets. In de bediendenkamers niemand; in den stal de paarden enkel; in de achtergalerij en binnen geen sterveling, en hij vond het onverantwoordelijk een huis vol kostbare dingen zoo geheel onbewaakt te laten.
Besluiteloos stond hij in de binnengalerij bij een met paarlemoer ingelegd tafeltje, waarover het flauwe licht, doorvallend tusschen de [152]hooge blauw damasten portières, zacht weerschijnend heenschoof. Het was hier koel en lekker; buiten hellicht en heet; onwillekeurig zacht de voeten neerzettend, als vreesde hij een zieke te storen, ging hij naar een divan, waarboven een reusachtige spiegel hing met breede marmeren console, en liet zich neêr op het fluweelig trijp, het hoofd achterover in de kussens.
Waarom zou hij niet even wachten; hij had immers den tijd! Tegen de rijsttafel zou ze toch wel terugkomen; dan kon hij blijven eten. Zijn blik ging rond in de galerij. Eigenlijk was alles nog precies als vroeger; misschien wat minder proper en in de puntjes, maar dáár had hij geen oog voor.
Als alles waar was, wat men van tante Clara zei, dan moesten achter die tochtdeuren van mahoniehout, met de fraai gesneden frontons en geborduurde vogels en figuren in de bekleeding,—al heel rare dingen zijn gebeurd. Hij was erg benieuwd haar te zien. „Zoo’n oud lijk,” dacht hij heel oneerbiedig, „en dan nog zoo gek!”
Het zou om te lachen zijn geweest, als het niet zoo onaangenaam was voor de familie. Maar het interesseerde hem in hooge mate; hij had er ’n soort van respect voor. Hoe drommel lei ze het aan om, zooals de booze wereld zei, zelfs met jonge mannen relaties aan te knoopen. Er moest dan toch iets bijzonder aantrekkelijks aan haar zijn; iets dat anderen vrouwen ontbrak.
Ineens zat hij rechtop.
Hij hoorde stemmen in een kamer vlak tegenover hem. Een vrouwenstem, de hare, en.… een andere; zij lachten en praatten, en Henri Uhlstra zat, bleek en verschrikt nu, rechtuit te kijken, inderdaad met een gevoel zoo beleedigd te zijn als had hij ’n klap op z’n gezicht gekregen.
Wat ze zeiden kon hij niet verstaan; dat behoefde ook niet. Hij begreep volkomen den geheelen toestand; hij had willen opstaan en wegsluipen, net doende of hij niets had gehoord, zóó de beleediging ontloopen, maar dat was onmogelijk nu. Men zou hem hooren.
Even besluiteloos als hij eerst een tijdlang bij het tafeltje had gestaan, bleef hij nu zitten op den divan, de eene minuut na de andere, met het praten dat voortging in de kamer en het gerammel daarbinnen van sleutels, vervolgens van geld. Het was dus dáárom! Niet haar persoonlijkheid, maar haar geldtrommel was het trekkend lokaas.
Even ging een der dubbele deurtjes open en zag hij langs de lijn van het andere een zijgedeelte van mevrouw Lugtens, in een sarong en een uiterst fijne en doorschijnende kabaja; zij zag Henri zitten en deed verschrikt en haastig het deurtje weer dicht. [153]
Nu stond hij op en ging met harden stap over het marmer naar de achtergalerij.
Waarachtig, men kon elkaar verklaringen besparen! Hij hoefde niet meer te weten; zij niets mede te deelen. Maar ’t was terlaloe, dat was zeker!
Nog geen tien schreden was hij het voorerf op, of achter hem in de voorgalerij hoorde hij het gedruisch van deuren openen.
„Henri, Henri!”
Het was haar stem, en … hij hield van haar. Zij was altijd goed en lief voor hem geweest, toen hij nog een kind en zij zelf nog niet eens getrouwd was. Hij schaamde zich over zijn eigen geringe fierheid, over zijn gebrek aan ongevoeligheid, waardoor hij niet verder kon gaan, harteloos, zonder groeten, nu hij haar zoolang niet had gezien en zij hem riep bij zijn naam. Maar welk een gezicht hij vertoonde toen hij de trappen opging, wist hij niet, en hoe gek hij het vond, dat zij hem omhelsde en zoende was ook iets, waarvan hij zich geen bepaald denkbeeld kon vormen.
„Had je zóó weg willen loopen?” vroeg ze verwijtend, met tranen in de oogen.
„Me dacht er was gezelschap.”
Zij trok de schouders op met een onverschillig gezicht vol minachting.
„Het is toch ’n beetje al te gek,” meende hij ernstig te moeten zeggen.
Mevrouw Lugtens glimlachte, zenuwachtig knijpend en trekkend met de eene hand in en aan de vingers van de andere. Het was waar, zeker! Zooals Henri zich uitdrukte was het op de meest verschoonende manier; zachtmoediger kon het niet. Anderen spraken vrij wat krasser.
„Soedah,.… het is ten slotte zonder iemand te benadeelen.… en ik ben immers vrij, nu.”
„Om zulke dingen te doen is men nooit vrij. Uw kinderen.… uw familie.”
„Ja, ik weet het wel.”
„Welnu dan? Wat moet het einde zijn?”
„Dat weet ik niet, Henri. ’t Kan me ook niet schelen. Geld is er genoeg en zal er voor allemaal wel blijven. Ik heb overigens alles mezelve voorgehouden.… Honderdmaal is maar eens.”
„En?” vroeg hij, nieuwsgierig, toen ze niet voortging.
Rustig keek zij hem aan, haar groote zwarte oogen waren nog schitterend en mooi, zonder kunstmiddelen; het gezicht en de hals waren verouderd, met hier en daar fijne maar scherp gemarkeerde rimpels en vouwtjes; ook haar handen zagen er oud uit op de knokkels, met de aderen hoogop onder de huid. Overigens was ze jong gebleven van [154]uiterlijk, met de fraaie taille, de goed uitkomende buste en het slanke der geheele meisjesachtige figuur.
„Ik kan er niets tegen doen.”
En toen hij ongeloovig ’n beetje boos de wenkbrauwen optrok:
„’t Is werkelijk zooals ik zeg, Henri. Dat jij als man ’t niet begrijpt, verwondert me. Wat heb jij gedaan in Europa?”
„O!.… maar dat is heel iets anders.”
„In mijn oogen niet. Soedah, laat ons over zulke narigheid niet twisten. Je blijft bij me rijsttafelen, ja? Waarachtig, onder famielje moest men zich niet meer met elkaar bemoeien, dan noodig was om elkaar ’t leven te veraangenamen.”
„Wat hebt u eigenlijk met Lize gehad?”
Mevrouw Lugtens antwoordde niet; haar borst zwoegde, alsof zij zich zenuwachtig opwond, en Henri Uhlstra meende dat hij begreep.
Maar hij was in zijn opvatting weêr ver van de waarheid. Hij dacht, dat zijn vrouw tante Clara beleedigd of met minachting bejegend had om haar onzedelijk gedrag. Het was juist omgekeerd! Zij, mevrouw Lugtens, had haar nicht een scène gemaakt om de manier, waarop deze den afwezige bedroog met diens broer; zij, met haar eigen opvatting geboren uit de zucht tot zelfrechtvaardiging, vond het schandelijk en gemeen zoo’n goeden hartelijken man te hoornen en dan nog zóó. Voor haarzelve was het natuurlijk alweêr iets anders. Lugtens was een nare, onverdraagzame huistyran geweest, niet beter waard, en nu.… Wel, zoo het nu niemand baatte,—dat zij zich vermaakte schaadde ook geen mensch! Tegenover Henri, die van niets wist wat Lize betrof, zat zij thans in tweestrijd.
Zou ze hem alles zeggen en Lize daarmee afmaken: een echtscheiding provoceeren? Het zou hem geen genoegen doen, al had zijzelf er ook den grootsten lust toe, ware het slechts om door de vergelijking aan te toonen, dat wat men kon zeggen van haar, Clara, eenvoudig niets beduidde, en daarbij de afgunst meer sprak dan ander gevoel. Doch haar genegenheid voor Henri was óók groot, en hij zou, dat wist ze, er veel verdriet van hebben.
„Men moet met Lize een weinig door de vingers zien,” zei hij vergoelijkend, volgend zijn eigen gedachtenloop.
Zij had het niet gehoord; niet gelet op zijn woorden, bezig met haar eigen tweestrijd.
„Ik ben een weduwe en vrij,” zei ze hem vast aankijkend, bleek en ouder nu schijnend van gezicht dan eerst.
Dáár had je het! dacht Henri Uhlstra, en hij zette, als antwoord, [155]een bedenkelijk gezicht, de herhaling bedoelend van wat hij in ’t begin had gezegd, toen zij ’t zelfde betoogde.
Verder, over het netelig onderwerp zooveel mogelijk willende heenstappen, hernam Henri:
„Men moet ’t haar niet kwalijk nemen. Zij is zoo erg op die zaken …”
Wat bedoelt hij? dacht mevrouw Lugtens, nu opmerkzaam, verwonderd, vragend opkijkend. Zou hij … maar dat was haast onmogelijk, toch!
„Het is wat moois!” zei ze om iets te zeggen, dat tot verdere uitweiding van zijn kant leidde. Wat, in vredesnaam! zou zij nu hooren?
„Och, dat is immers de gewone geschiedenis,” ging hij voort: „het gaat haast altijd zoo.”
„Hè?… Dikwijls … ja, dàt is zeker. Ik verwonder me niettemin over die opvatting van jou. Ik sta er als gek van te kijken.”
„’t Was bij ons thuis net eender, Roos …”
„Neen Henri, dat is niet waar! Men kan zeggen wat men wil;—Roos mag niet … niet ladylike zijn in haar manieren en voorkomen; niet veel geleerd hebben en van weinig meer weten dan van goedang en daper, maar ze is een door en door brave vrouw, waarop niet zóóveel valt te zeggen; niet zóóveel, Henri!”
„Ik zeg immers niets van haar?”
„Dat wou je toch!”
„In het geheel niet; u begrijpt me verkeerd. Ik wou alleen zeggen, dat Roos net als Lize wat dàt aangaat in een grooten afkeer van al wat.… ongeregeld is, werd opgevoed.”
„Zoo!”
Wat meende hij? vroeg zich mevrouw Lugtens af. Het was toch duidelijk geweest!
„Nu,” ging hij verder, „Roos is goediger en meegaander; Lize kan soms gauw uit haar humeur zijn. Als zij dus onaangenaam is geweest tegen u …”
„Tegen mij? Zij tegen mij!”
„Ja, dat zal het toch wel wezen.”
’t Was de weduwe Lugtens of de zoldering op haar hoofd neêrkwam. Nu begreep zij alles volkomen; ook het mal-à-propos. Haar eerste idee was dus juist geweest: de stakkerd wist van niets en hield zijn Lize voor een Suzanna, die in haar bijzondere kuischheid meer dan gewoon laag op haar, Clara, neêrzag, door eigen exedent van fatsoen en braafheid. Glimlachend nu, keek zij hem aan. Hij was een goede, brave jongen; maar welk een lummel; welk een voorbeschikte.…!
„Ja,” zei ze ironisch, in een diepen modulatie-toon, zooals men spreekt tegen een kind. „Je zult wel gelijk hebben, zeker! Je moet [156]altijd maar zoo blijven denken, hoor! ’t Is verreweg het beste voor alles en allen. Daar zijn nu eenmaal van die ondeugende menschen als ik, en die geven heel veel ergernis. Vooral aan vrouwtjes als Lize; dat begrijp ik heel goed.”
Hij zweeg verlegen, pijnlijk glimlachend, niet wetend uit welken hoek nu de wind ging waaien. En ze aten door van de rijsttafel, door Henri geprezen als de beste, die hij in jaren had gegeten. Hij zag wel, dat er gedekte schoteltjes geheimzinnig naar binnen werden gedragen, bij een stil komen en gaan van bedienden, maar hij zei daar niets van, doende of hij niets bemerkte.
Een minuut of wat na tafel rookte hij nog ’n cigarette. Het mooie rijtuig van Lugtens stond voor; hij zou eerst met een huurwagen naar de stad rijden, maar dat wilde zij niet toestaan.
„Komaan,” zei hij, op zijn beurt scherp. „Ik zal u niet langer ophouden. U wilt zeker ook wel ’n uurtje slapen.”
„Mijn groeten aan Lize,” gaf zij hem na, toen hij in het rijtuig stapte. „Zeg haar, dat ze eens bij me moet komen; dat ik geen rancune heb, ja? Ik moet haar noodzakelijk spreken.”
Achterover leunend in den lekkeren wagen met goede veeren, zoodat men het stooten van het rijden over de grind haast niet voelde, schudde Henri Uhlstra bedenkelijk het hoofd. Inderdaad, het was te erg zooals zij zich gedroeg. Hij zou er zich wel voor wachten Lize te vertellen dat hij daar geweest was. Al voortrijdend, half soezend na het copieus diner en in de groote warmte van den middag, die, als uit den grond, met happen onder de kap sloeg, dacht hij ook aan Lena, dat brave, verstandige kind. Welk een verschil tusschen moeder en dochter! Hoe was zoo iets toch mogelijk in de natuur?
Wat Hunzman had gezegd over Twissels zag Henri dadelijk dat, voor een deel althans, zeer waar was. Niemand was in betrekkelijk korten tijd zoo veranderd als hij. Ieder had zijn deel gehad, niemand had de tijd geheel gespaard; en hij was, in zijn werkenden arbeid altijd geholpen door de menschen zelf of hun leven en bedrijf; voor- en tegenspoed, vreugde en verdriet, ziekte en gezondheid, alles had, was het niet door zichzelf, dan als oorzaak en gevolg, als resultaat gehad, boven zekere hoogten en laagten, den tijd de hand te reiken bij zijn stempelen van den ouderdom.
Doch in niets was dat blijkbaar zoo sterk, zoo machtig ’t geval geweest als in de zenuwachtige agitatie, voortvloeiend uit de soort van arbeid, waaraan Twissels bezig was zich op te offeren, die hij eerst had aangewend als een spelletje; die hem nu gebruikte als een slaaf. [157]Zonder dat hij het had bespeurd of er aandacht aan had geschonken, had de emotie der speculatie een ander man van hem gemaakt, een overspannen zenuwlijder. Hij wijdde geen voldoende zorg meer aan zijn andere zaken en administraties; die boezemden hem nog enkel belang in als middelen om te beschikken over vlottend geld.
Nooit netjes op zijn kleeren, was hij nu slordiger dan ooit; zijn traditioneele witte vesten zagen er altijd groezelig uit, en zaten door zijn lichaamsvermagering hem nu zoo wijd en slobberig om het lijf, dat volgens de employé’s, er nog wel een compagnon mee in kon; zijn haar was niet regelmatig uitgevallen, als bij lieden met een soort tonsuur of een behoorlijk kaal hoofd, maar ’t was of hij had geplukhaard en men overal dotjes had uitgetrokken, niets overlatend dan hier en daar ’n ijl, wit vlokje; en als kleine, bij elke lichaamsbeweging zacht meêbewegende zakjes, hingen zijn wangen slap en flets omlaag. Toen Henri hem zag zitten, gebogen over de cijfers zijner rekening-couranten en afrekeningen, als gewoonlijk den bril op den neus, in myopie de groote glazen schuivend over de cijferkolommen, was het of het kleine hoofd, kleiner nu dan ooit, nog te zwaar was voor den dunnen gerimpelden hals, die in de wijde ouderwetsche vadermoorders een aan losbandigheid grenzende vrijheid genoot.
Met een groot gevoel van medelijden bleef Henri Uhlstra een oogenblik staan in de deuropening van het stoffig kantoor.
„Stoor ik u?” vroeg hij toen zacht.
Het hoofd rees als een wip naar boven, en de bekende hooge stem, nu min of meer onvast en bevend in haar fausset, klonk daar dadelijk na:
„Zoo, ben jij het? Kom binnen! Wil je gelooven, dat ik van je schrikte.”
„Dat spijt me.”
„Neen, ’t is niets. Maar je hebt zoo precies de stem van je vader, net als je z’n figuur en z’n gezicht hebt. Den „Normandiër” noemden wij hem als jongelui, weet je, onder elkaar, vijfendertig, veertig jaar geleden. ’t Is frappant.… als ik jou zie!”
„En hoe gaat het u?”
„Mij?” vroeg Twissels, als was hij verwonderd over de vraag en wist hij niet dadelijk wat te antwoorden. „Wel.… mij.… Heel goed, zooals je ziet.”
„Het doet me genoegen.”
„En jij maakt het ook goed, hè? Aan ’t pierewaaien geweest! Ja, ja, ik heb ’t gehoord! Oostersch prinsje spelen, hi, hi! met ’n paar klaploopers!”
Daar had je het weêr, dacht Henri boos. Er viel niet tegen te spreken; in de waarheid berusten was nog maar het beste. [158]
„Men is maar eens jong,” zei hij.
„Zeker, zeker! Maar dat zijn ook dingen die men maar ééns moet doen; soms zelfs niet eens.”
„Het zal niet weêr gebeuren.”
„Natuurlijk niet. Ze zouden je ook zien aankomen om de dubbeltjes, ha, ha!”
Daar kwam Uhlstra’s trots tegen op. Wat, als hij ’t eens in het hoofd mocht krijgen of wel voor zijn gezondheid verplicht zou wezen ten tweeden male naar Europa te gaan, dan zou hij daarvoor geen geld kunnen krijgen! Dan zou de naam Uhlstra dáárvoor niet goed genoeg meer wezen!.… Neen, daar moest hij tegen in bluffen.
„Och,” zei hij met gemaakte gemoedelijke onverschilligheid. „Dat is het niet. Geld genoeg!”
„Tatarata, vriendje! De tijden zijn er niet naar, hoor! Met jullie zaken is het tegenwoordig vervloekt moeilijk wat te verdienen. Voor je vader, die onder geen lasten zat, was het wat.”
„Het is nog niet erg. Ik zie best kans in weinig tijd de gaatjes te stoppen, en als ik geld woû hebben …”
„Daar valt me iets in, zeg. Waarachtig, dat is niet kwaad! Er is nog een manier om flink wat te verdienen.”
Zoo Henri Uhlstra in veel sprekend zijn vader geleek,—hij had ook diens instinctmatige voorzichtigheid en diens wantrouwen in zaken geërfd, en hij voelde, hij rook nu het gevaar, meer dan hij wist wat het was.
„En dat is?” vroeg hij.
„Ik heb met je ouden heer vroeger vele en goede zaken gedaan. Als jij lust hebt, wil ik met jou ook wel eens ’n dingetje op touw zetten.…. in suiker of koffie.”
Al de blufferigheid van Uhlstra was ineens weg. Dat kon die oude Twissels begrijpen! Ik zal waarachtig, dacht Henri, niet gek genoeg wezen om mij nog dieper in de beren te werken, alleen om een partijtje meê te dobbelen.
„Als ik er verstand van had.…”
„Dat is niet noodig, het verstand heb ik.”
„Nu, ik zal er eens over nadenken.”
„Maar niet te lang,” zei Twissels zenuwachtig, blijkbaar geraakt, „het zijn geen dingen van „geduld is zulk een schoone zaak!” Gauw erin en gauw eruit.”
„Maakt u nog wel eens ’n partijtje?”
Met opzet gaf Uhlstra geen verder antwoord. Die was aardig verzonnen! dacht hij bij zichzelven. Hij zou nu het geld geven, en de [159]oude had ’t verstand, en na een paar maanden had hij ’t verstand en de oude zijn duiten! Trima kasi, banjak!
„’n Partijtje, ’n partijtje.… ik maak elken dag partijtjes, maar ’s avonds niet. Ik kan er zoo goed niet meer tegen.”
„Och, kom!”
„En dan: er zijn geen partners meer! Goede God, de menschen kijken je tegenwoordig aan of je ik weet niet wat bent, als je ’n fijntje voorstelt van ’n gulden met een oploopend potje! Zijn dat lui. Neen, de goeie hombreurs: je vader, Lugtens en zoo,—parlez-moi de ça!”
De waarheid was, dat Twissels heel onaangename berichten had gekregen uit Europa; als er niet spoedig betere tijdingen kwamen, zou hij voor een moeilijken toestand staan, enkel door veel geld te overkomen. Het wantrouwen van Uhlstra had hij gevoeld; ook dááraan herkende hij diens vader. Aandringen zou niet baten; zou niet anders dan meer argwaan wekken.
Toch moest hij middelen beramen, iets nieuws zoeken, waarmeê hij voor den dag kon komen en dat tijdelijk kon aangewend worden om het gat, als het viel, te stoppen.
De gewone en voor de hand liggende hulpmiddelen had hij reeds aangewend, zelfs was hij genoodzaakt zeer voorzichtig te werk te gaan; zijn crediet was zóó, dat hij het moest behandelen als een jongejuffrouw.
De eigenlijke zaken gingen dien dag hun gewonen gang; hij behandelde ze werktuiglijk, zonder belangstelling, zonder hart; de vele kleintjes, die te zamen een groote maakten, en waarvoor hij altijd zoo goed had gezorgd, lieten hem koud en onverschillig, nu hij zoo zwaar bij even aanzienlijke als avontuurlijke posten was betrokken. Zeker, hij had groote kapitalen omgezet, ook vroeger; maar dat was heel anders; daarbij kon men als het ware precies berekenen wat men eraan verdienen kon, met de haast wiskunstige zekerheid er nooit bij te verliezen. Zóó had hij gewerkt met Lugtens en den ouden Uhlstra. Doch daaraan kon hij zelfs niet met enthousiasme denken. Nu ja, er was veel geld door gewonnen, maar het miste de groote macht der begoocheling; de raadselachtige bekoorlijkheid der speculatie met haar geweldige emoties en zenuwachtige spanning. Hij kon aan al dat oude niet terugdenken; ’t was alles vervelend, plat, eentonig, hoe goed, secuur en solied ook.
Wat hij nu deed, ondermijnde hem, hield hem in spanning, maakte hem ziek; het hield hem bezig met allerlei berekeningen en combinaties, waarin hij zich verdiepte, tot hij er haast zelf niet meer uit kon komen; het roofde hem zijn eetlust, zijn slaap, de hem nog overgebleven viriliteit zelfs; het derangeerde zijn zenuwen en ontnam hem al de genoegens [160]van een rustigen, comfortabelen ouden dag. Maar hij had het lief als een zegen; het deed, als hij er zich in verdiepte en in optimistische richting de resultaten voor zijn geest zag, die, meende hij, niet konden uitblijven,—het deed dan zijn oogen schitteren van ongekend genot, het gaf voor een oogenblik aan zijn wezen een uitdrukking van kracht, levenslust en zelfvertrouwen; en die emoties waren zijn grootste vreugde geworden: wat de drank is voor den dronkaard, de injectie voor den morphinist, het opium voor den schuiver.
’s Middags in de voorgalerij schonk Louisa, zijn huishoudster, hem ’n kop thee, als elken dag; toen ze nog jong en mooi was, had iedereen zich verschrikkelijk aan deze openbaarheid van het concubinaat geërgerd, nu Louisa vroeg oud en leelijk was geworden, nam niemand er meer notitie van; het was eenvoudig of ’t zoo hoorde.
Met ’n kop thee in de eene en ’t schoteltje in de andere hand, liggend in een luierstoel, geeuwde hij luid, hoog, als ’n vrouw.
„Ik denk wel, dat ik vannacht slapen zal,” zei hij. „Ik val nu al bijna om van den slaap.”
„’t Zou geen wonder zijn,” meende Louisa, doelend op de omstandigheid, dat hij de laatste nachten zoo slecht en zoo weinig sliep.
„Neen. Als ik een goeden nacht maakte, zou ik hem niet hebben gestolen, dàt is zeker.”
En hij geeuwde nog eens en nog eens, tot hem de kaken zeer deden en de tranen in de oogen stonden.
„Ik zou maar vast naar bed gaan.”
„Wel neen! Dan slaap ik vannacht weêr niet.”
„Hebben is hebben, zou ik zeggen.”
Maar hij wilde den goeden raad niet opvolgen, baadde en kleedde zich, naar gewoonte, overtuigd, dat nu een goede nachtrust, die hij gevoelde hoog noodig te hebben, hem wachtte. Tot na het diner bleef hij in die meening. Toen week het gevoel van loomheid en behoefte aan rust.
Niettemin ging hij naar bed, trachtende in te slapen; het gelukte hem niet; onrustig, ongeduldig en met meer en meer last van de warmte, wendde hij zich van den eenen kant naar den anderen. Na een paar onaangename uren, stond hij op, ging naar zijn kantoorkamer, stak er de lamp aan en een sigaar op, wierp de vensters open, en begon een berekening voor een geheel nieuwe speculatie, die hem daareven in de gedachte was gekomen. Zoo bleef hij voortwerken den heelen nacht, opgewekt, helder van geest, zonder eenig gevoel van afmatting of vermoeienis. [161]
„Ben je al op?” vroeg Louisa ongerust, toen zij uit haar kamer kwam.
„Niet al, maar nog.”
„Wat heb je toch? Vroeger toen je nog ’n hombertje ging maken ’s avonds, sliep je ’s ochtends altijd als ’n marmot.”
„Ik heb zeker ’n kwaal, die ik niet ken, opgeloopen.”
Nu het dag was, overviel hem het onaangename, dat hij de vorige dagen reeds met zich had omgedragen in nog sterker mate; hij had een opkomende hoofdpijn en lichte huiveringen als bij zacht begin van koorts. Louisa wilde den dokter halen, en Twissels vond dat goed. Toen die hem voorschreef het rooken te laten, was hij woedend; maar hij deed het toch. Werktuigelijk greep hij op ’t kantoor wel tienmalen dien dag naar zijn sigarenkoker; doch hoe moeielijk het ook was, hij bedwong zich. De tijdingen uit Europa lieten zich wachten; zijn zenuwachtig ongeduld nam toe, tot het weêr tijd was om naar huis te gaan, en de kans op berichten dien dag zoo goed als verkeken was. Weêr sliep hij dien nacht niet; weêr ving hij, nauwkeurig narekenend, den arbeid aan van den vorigen nacht, en … hij stak er een sigaar bij op. Wat was dat voor nonsens! Hij had nu den heelen dag niet gerookt, en ’t was immers net eender! Nu dronk hij, het eene glas grog na het andere. Het benevelde hem niet; hij was en bleef helder wakker; volkomen scherp bij ’t hoofd, tot de dag kwam en daarmeê een diepe ellende over hem. In het rijtuig, naar het kantoor, dook hij weg in ’n hoekje; dun en smal, geen vierde beslaand van de breedte; het kleine grijze hoofd rustend tegen de kap, doodvermoeid, de oogen gesloten achter de brilleglazen. De nieuwe speculatie spookte intusschen voort in zijn hoofd, rusteloos, onophoudelijk zich herhalende; voortwerkend als een idée fixe, waaraan hij zich met moeite ontworstelde, om achter zijn lessenaar de brieven te openen, te lezen en met orders en kantteekeningen te beschrijven. Geel blinkend als ’n streepje helder licht, in den dag voor het venster, gleed zijn gouden potlood over het wit der brieven in onduidelijk schrift, de woorden op het eind uitloopend in een vage streep of middenin afgebroken, het kenmerk van iemand, die ’t land heeft aan het schrijven of aan wat hij schrijft.
Maar het moest. Al waren die gewone zaken thans voor hem bijzaken,—zij waren de oorsprong geweest van zijn huis, zij hadden het tot bloei gebracht en ontwikkeling; zij waren er nog de gezonde reden van bestaan van. En nadat hij zoo een uur had zitten werken, het vervallen gezicht meêschuivend achter ’t ringetje van de gouden stift, kwam het eerste telegram uit Europa. Toen hij het aannam, beefden zijn lange dunne vingers; maar voorzichtig toch, deed hij het couvert open met [162]een klein vouwbeen. Hij wist wat het wezen zou, schoon hij ’t voor zichzelven niet had willen erkennen met zijn verstand. Zijn overprikkelde geest zag het cijfer in gedachten, noodlottig nadeelig.
Het was zoo! Nu hij het voor zich zag, onherroepelijk, kwam het looden gevoel over hem van een zwaren last. Stil deed hij het telegrampapier dicht, deed het weer open, bekeek het nog eens, de manipulatie herhalend, machinaal. ’t Was een harde slag! Hij was er niet finaal meê weg, maar dat scheelde toch niet veel. Als hij met zijn gewone zaken zou moeten terugwinnen, wat hij met speculeeren in ’n paar jaren verloren had, was het heele arbeidsleven achter hem daartoe noodig; en zulk een leven had hij niet meer vóór zich. Maar hij dacht aan zijn nieuwe plan, en als dat gelukte.…. De stijfheid in zijn gezicht, opgekomen onder de jobstijding en daarop gebleven, gleed zachtjes weg; er kwam ontspanning in de trekken om z’n mond; nu stond hem de volle schoonheid zijner nieuwe combinatie in al haar prachtige kansen voor oogen, veel helderder dan te voren; hij was nu niet meer belemmerd en in beslag genomen door die oude zaak, thans achter den rug; zijn blik was vrij, zijn geest heelemaal los van dien band. Driftig en zenuwachtig greep hij zijn portefeuilles, haalde er zijn aanteekeningen uit, zijn statistieken van voorraden en producties, zijn informaties over allerlei bijzonderheden. En het was zoo duidelijk als de dag! Hoe had hij soms nog kunnen twijfelen? ’t Was zoo goed als wiskundig zeker, dat hij niet omver te werpen conclusies had getrokken uit cijfers, welsprekend, zuiverder, helderder dan de meest logische redeneering,—„als het een hombertje was,” dacht Twissels, zijn handen wrijvend tusschen de knieën, „zou ik zeggen: het is een os.”