„Jij gaat goed vooruit,” zei Eddy op een ochtend tegen zijn broer terwijl ze samen voor hun paviljoen koffie dronken.
„Wel zeker! Het kan nu wel niet anders of ’t komt in orde. Ik zal niet te haastig zijn; dat zou den boel bederven.”
„Maar van dat andere komt niets.”
„Dan heb je ’t niet goed aangevat.”
„Er valt zoo wat niets aan te vatten. Zij is geëngageerd of zal het al heel gauw wezen.”
Freddy wist het al lang van de weduwe Geber, maar hij had ’t niet willen zeggen.
„Enfin,” zei hij. „Als je dat zeker weet, zou ik ook maar geen noodelooze moeite doen.”
Eddy schudde het hoofd, zuchtte, beet op de onderlip en keek mistroostig naar den grond.
„Ik had haar toch zoo graag gehad,” zei hij.
Verwonderd keek Freddy op. ’n Cynisch lachje gleed over z’n gezicht: die Ed, dacht hij, had meer zulke aardigheden, maar het was te kinderachtig, ze thans nog, en tegenover elkaar, uit te halen.
„Ajakkes,” zei hij, „wat ben je flauw.”
„Waarachtig, Fred, het spijt me.” [179]
„Zanik toch niet,” riep de oudste, verstoord. „Dat je nu zulke nonsens aan den oude vertelt … maar onder ons.”
„Het is waar,” herhaalde Eddy; „Parole d’honneur: ik ben er beroerd van.”
Er viel niet aan te twijfelen; het was geen fopperij; geen poging om hem, Freddy, erin te laten loopen en hem naderhand uit te lachen. Het was waar: Eddy hield van dat meisje, zooals zij beiden het reeds als jongens kinderachtig, verachtelijk en vies vonden van een meisje te houden. Hij was op de europeesche manier verliefd; in staat zich even misselijk en gek te gaan aanstellen als de menschen in Europa, of de naäpende Europeanen in Indië. Met een neêrgetrokken gezicht, vol domme verwondering, zag Freddy naar zijn broer. Hoe was het mogelijk! wat hadden zij samen al niet doorgemaakt op het gebied van ’t sexueel genot; in Indië en in Europa hadden zij alle wateren afgevischt en konden zij zeggen, dat voor hen niets nieuws was onder de zon. En daar deed Eddy ineens zoo gek.… Zij waren altijd vol geweest van stille verachting voor wat men fatsoenlijke dames noemt. Hij, Freddy, beschouwde Roos qua vrouw, zooals hij dat de eerste de beste baboe deed; een machine, niet meer. Zij had een fortuin, en dat had hij noodig; daarom trachtte hij haar genegenheid te veroveren en in de gunst te komen; daarom, zooals zij ’t onder elkaar noemden, „vrijde hij haar op.”
Dat alleen zat diep in hem, en hij was vast overtuigd geweest, dat hierin zijn broer, gelijk in alles, zijn pendant zou zijn. Had hij zich daarin dan zoo schromelijk vergist? Waarachtig, Eddy zat zoo gek te kijken.… Het viel niet te ontkennen! Zij hadden die gelaatsuitdrukking wel honderdmaal gezien in Indië en in Holland, en altijd hadden zij er samen den gek meê gestoken en den neus voor opgehaald, wetende wat zij wisten reeds van hun jeugd. En daar zat nu Eddy te soezen, rechtuit te kijken met precies zoo’n mal bakkes.… Freddy fronste de dunne, blonde wenkbrauwen. Hij gevoelde lust zijn broer uit te schelden voor ’n akeligen kwajongen, maar hij hield zich kalm en vroeg:
„Denk je bij dat meisje iets bijzonders te vinden?”
De andere haalde met ’n wanhopig gebaar de schouders op.
„Daar denk ik in ’t geheel niet aan.”
„Dat is niet waar; zóó krankzinnig kan je niet wezen. Je moet iets aan haar ontdekt hebben, dat je nog nooit bij ’n andere hebt gesnapt.”
„Ik heb niets aan haar ontdekt. Je zult me pleizier doen haar en anderen niet in één adem te noemen.” [180]
„Hé? Waarom niet?”
„Het doet er niet toe; ’t is niet hetzelfde.”
Freddy was stil woedend met bleeke lippen, een leelijk masque, met moeite zich inhoudend en bepalend tot een scherp hatelijken, ironischen toon:
„Zie je wel, dat het net is, zooals ik heb gezegd.”
„Neen! Er is niets zooals jij ’t hebt gezegd.”
„Je erkent toch zelf, dat ze anders is dan een ander. Je hebt om een hoekje gekeken of door een gaatje geloerd, Ed; misschien heb je haar baboe wel omgekocht.”
„Gévédé,” vloekte Eddy, opstaande. „Schei er uit! ’t Raakt je niet, en ik vraag je niks.”
Ze stonden dreigend tegenover elkaar, met andere gestalten en haast dezelfde gezichten; Eddy enkel wat minder verboemeld; en allebei kwaadaardig! Sinds hun jongenstijd hadden ze niet zóó tegenover elkaar gestaan.
Freddy wendde zich het eerst af, met een air van zich voelende meerderheid, een schrede terzijde stappend.
„Eigenlijk,” zei hij uit de hoogte, „moest je je schamen.”
„Ik heb me nergens voor te schamen. Het gaat je ook in ’t geheel niet aan. Het is verder niet de moeite waard erover te spreken. Zij trouwt met een ander, en ik kan toezien! Welnu, daar is alles meê gezegd! Er behoeft geen woord over vuil gemaakt te worden.”
„Daar had je het weêr!” dacht Freddy. Het was juist dàt, waarom hij zich zoo ergerde. Had Eddy gevloekt tegen den concurrent, en gescholden op het noodlot, dat hem zoo deed wanboffen door voor zijn neus een ander de vette bete te doen wegkapen, wel, met groote welwillendheid had Freddy meegevloekt en gescholden. Het zou logisch zijn geweest en hij had het volkomen begrepen.
Maar, neen! Dat pakte dien boekentoon en nam die theater-allures aan! Dat hing, na al zijn sjouwen, den verliefden jongeling uit: het kalf!! Freddy stampvoette.
Toch moest hij nog een poging doen. Het was ten slotte al te zot, dat hij hoogloopenden twist zou krijgen met zijn eenigen broer over het verachtelijkste en onbeduidendste voorwerp dat, naar zijn meening, in de wereld bestond: een bakvischje!
„Soedah!” zei hij met een zucht. „Laat ons geen ruzie maken. Als je die Lena niet krijgen kunt, dan.… voor haar een ander.”
„Ik wil geen ander.”
„Dat is te zeggen: een andere positie; een ander vermogen, liever gezegd; de vrouw doet immers minder ter zake.” [181]
„Dank je; ik ben van opinie veranderd.”
„Dus je doet van jouw kant niet meer meê?”
„Neen.”
„En wat denk je, dat de oude ervan zal zeggen?”
„Dat weet ik niet. Het verwondert me, dat dit jou kan schelen.… Je hebt je, waarachtig, nooit veel aangetrokken van de vraag hoe de oude over iets dacht.”
„Je spreekt als ’n kind, Ed. We hebben ’n heelen boel verknoeid, dat is zeker, en ik zie het nou in. Als we verstandig handelen, kan langs dien weg nog veel terechtkomen. We hebben nu ’n beetje geld, we krijgen naderhand de duiten van den ouwe, en trouwen we fatsoenlijk, met ’n aardig kapitaal erbij, dan zijn we voor ons heele leven onder dak. Kom, wees niet gek, hé?”
Maar Eddy zuchtte weêr.
„Ik kan niet,” zei hij; „ik kan niet, en bovendien.… ik verdom het;” waarop hij naar zijn kamer ging.
Het hoofd voorover, als bestudeerde hij de grind der paden, ging Freddy verontwaardigd en bedroefd naar het hoofdgebouw, waar de oudelui aan de ontbijttafel zaten, zorgvuldig hun versche eitjes pellend en ze naar oud-indisch gebruik overlepelend in een wijnglas.
„’t Ziet er met Eddy beroerd uit,” zei Fred, ongegeneerd aan tafel gaande zitten, de handpalmen tegen de kin gedrukt, de ellebogen op ’t blad.
„Hij is toch niet ziek?” vroeg mama bezorgd.
„Hij heeft, geloof ik, aanleg om gewoon gek te worden.”
„Heb jullie ruzie gehad?” informeerde de oude heer, kalm dooretend van zijn boterham.
„In het begin, ja; maar toen ik zag, dat het ’n gevaarlijk idée fixe was, liet ik hem maar wauwelen.”
„Nu, en wat is het dan?” vroeg papa met deftige stemmodulatie, maar feitelijk zonder belangstelling.
„Hij verbeeldt zich, geloof ik, dat hij op Lena Lugtens verliefd is, en hij stelt zich mal aan nu hij haar niet krijgt.”
„Wie zegt, dat hij haar niet krijgt?” vroeg mevrouw Markens, met een tikje van haar vroegeren hoogmoed, ’t hoofd in den nek.
„Ja,” zei de oude heer, „dat zou ik ook wel eens.…”
„Mijn God!” riep Freddy ongeduldig, „wat ben je toch rare menschen! Een ander is hem vóór geweest, dat is alles.”
„Het is niet officieel,” zei z’n vader.
„En ik geloof er niets van.”
„Nou ja!” riep Freddy, boos en brutaal, „of het nu officieel is of [182]niet, en of je het gelooft of niet,—het is zoo, en Ed is een malle quibus, die rijp wordt voor Meerenberg.”
Er werd dien dag niet verder over gesproken, schoon het in hooge mate de belangstelling van mevrouw Markens had opgewekt. ’t Verheugde haar. Zij zag er een soort bewijs in, dat Eddy beter was van natuur, dan men wel dacht en haar man altijd beweerde; het releveerde hem in haar oogen, en wekte haar moederlijke teederheid op in hooge mate. Freddy zag hoe zorgvuldig mama zijn jongeren broer ’s middags aan de rijsttafel bediende; hoe ze hem, als een kind, aanspoorde te eten, en hoe ze haar best deed buitengewoon lief voor hem te zijn en vriendelijk. En het bracht hem, knorrig, tot de slotsom: „Ze zijn allebei gek.”
Zoo netjes, als hij en z’n broer in Europa altijd gekleed waren, ging Eddy Markens dien namiddag alleen het pad op, naar het veld, waar de bataljons-muziek eens in de week ’n concert van blaasinstrumenten in de open lucht gaf. Er stonden dan wat militairen en burgers, kinderen en baboes op het gras te luisteren, en langs den weg een dozijn open rijtuigen met dames, ’n soort pantoffelparade in ruste. In de verte zag hij den gelen, lagen panier met de mooie zwarte ponies van Lena Lugtens. Hij wist, dat ze er zou wezen. Ze kwam er altijd met een van de nichtjes Uhlstra, zelf haar paardjes mennend, eenvoudig in een licht katoenen japonnetje en een grooten stroohoed op ’t mooie blonde haar,—een engel, dacht Eddy.
En nauwelijks stond de panier in de file of er kwamen jongelui van links en rechts, met vriendelijk lachende gezichten, den hoed in de hand, belangstellend informeerend hoe zij het maakte, en verder met de gewone praatjes van den dag. Eddy bleef op een afstand, rondkijkend met ’n onverschillig air, ’n paar malen naar Lena, maar zij zag niet naar zijn kant, druk in gesprek met den jongen ingenieur, die zooveel werk van haar maakte en zelfs door tante Uhlstra voor haar was bestemd. Terwijl hij daar zoo stond, kwam een alles domineerend kinderachtig verlangen bij hem op, dat ze maar eens kijken zou; eindelijk deed ze het, en hij groette, haastig naar zijn hoed grijpend, vreezend de gelegenheid van het oogenblik te verliezen.
Lena had hem daar al meer zien staan; ze begreep niet goed, waarom hij zoo op een afstand bleef; bij een dier vanouds zoo beruchte „jongens” Markens was het toch niet aan te nemen, dat er quaestie kon zijn van verlegenheid tegenover een meisje, zooveel jonger dan zij zelf waren. Zóó slim was Lena wel, dat ze opmerkte, zonder naar hem te kijken, hoe hij voortdurend naar haar zag, loerend naar ’n gelegenheid om een groet te wisselen. ’t Was waar, dat hij en zijn broer door tante erg [183]a faire waren genomen, toen ze, pas uit Europa terug, een bezoek brachten; maar dat was, vond Lena, nog geen reden om zich voor onbepaalden tijd op een afstand te houden.
Ze wenkte hem indisch, de handrug boven, de vingers bewegend als iemand, die iets naar zich toehaalt.—Eddy kon zijn hart voelen kloppen onder het nauw sluitende donkerblauwe jasje; hij was ervan geschrikt. Zeker, het was bespottelijk, en in zoover had Freddy gelijk; zeker, hij schaamde zich over zichzelven, hij schaamde zich over zijn gevoelens, zijn houding, zijn schrik en zijn emoties; doch daar kwam hij niet verder mee, en blij als ’n schooljongen, de vreugde op z’n gezicht, stapte hij met vluggen tred naar den panier.
Lena reikte hem de hand, een vriendelijken lach om het jonge rood harer frissche lippen, de twee rijen schitterend witte tanden toonend, mooi van schelpvorm en gelijken aangesloten stand; het aschblonde haar vrij-krullend langs haar rose-blanken blondinenhals. Opgewekt door het rijden in de frissche lucht, vloeide, als een teere tint, een zachte gloed over haar wangen, en daartusschen schitterden, vriendelijk en goedig, haar groote blauwe oogen, diep donker, nu ze zich had omgekeerd in de panier, den rug naar het wijkend daglicht.
Eddy Markens streed tegen een hem overmeesterend gevoel; hij voelde, dat hij weg was, toen hij, toetredend, haar zóó zag; maar hij wou zich toch niet zoo aanstellen als verliefde jongelui doen.
De anderen om het rijtuig weken een eindje terug, teleurgesteld. Hij had hun persoonlijk nooit iets in den weg gelegd, kende hen nauwelijks van aanzien; zij wisten van hem niet meer, dan dat hij als student mislukt, als pierewaaier schitterend gereüsseerd was; doch dat op zichzelf was wel geen reden, zij gingen met velen vriendschappelijk om van gelijk allooi. Maar physiek stelde Eddy, als jonge man en ondanks zijn eenigszins flets uiterlijk, hen in de schaduw; hij was een mooie jongen, met in zijn gebaren en manieren iets gemakkelijks en elegants, hij verstond het zich te kleeden, en trad daar op, dat zag en voelde men dadelijk, als een heer van geboorte temidden van als heer gekleede burgerjongens. Dáárom konden ze hem niet uitstaan en gingen een eindje terug, met ’n booze, minachtende uitdrukking op de gezichten, als tastte het hen in hun eer, wanneer iemand gelijk Eddy zich bewoog binnen ’n zekeren cirkel, waarvan zij het middelpunt vormden. Hij lette daar niet op, kijkend enkel naar Lena, met een dankbaar gevoel, dat ze hem zoo vriendelijk had gewenkt.
„Dorst je niet wat dichterbij komen?” vroeg zij lachend, toen hij haar en haar nichtje had begroet. [184]
„Om u de waarheid te zeggen: neen!”
Het nichtje Uhlstra, dat in ’t geheel niet was ingenomen met het komen van Eddy en het zich terugtrekken der andere jongelui, zei schamper:
„Ja, jullie bent altijd zoo bescheiden geweest.”
Eddy Markens bloosde als een jongejuffrouw, wat hem zóó geweldig het land opjoeg, dat hij daarvan weêr verbleekte.
„Dat waren we zeker niet,” erkende hij volmondig. „U ziet dus weêr, dat men worden kan, wat men te voren niet was.”
„Hoe maken het papa en mama?” vroeg Lena.
„Waarom komt u dat niet eens persoonlijk informeeren?”
„Ja.… het is lastig. De families harmonieeren niet meer zooals vroeger.”
„Dat hoeft zich toch niet tot u uit te strekken.”
„Volstrekt niet; dat hebt u daareven ondervonden.”
Hij boog voor haar, als voor een vorstin, met een gezicht stralend van genoegen.
„En daar ben ik zoo verheugd over … ik ben er dankbaar voor … en …”
„Niet overdrijven asjeblieft,” viel Lena hem spottend in de rede. „Met de vreugde en dankbaarheid is de maat al overvol.”
Ze praatten nog wat voort over de menschen en de muziek, wat er nieuws was in Europa en in Indië, tot onder de rijtuigen de zijbeweging kwam van het uit de file gaan. De muziek was gedaan; Lena nam de teugels, liet haar ponies zwenken, en reed weg met ’n vriendelijk knikje, het nichtje met ’n nauw merkbare hoofdbeweging; hij buigend op den weg, den hoed in de hand, in zijn houding en kleeding bij de omgeving misplaatst, thuis behoorend op een boulevard.
„Het is bespottelijk,” zei onderweg het nichtje; en achterover in den panier, kruiste zij de armen over elkaar, trok de kin naar binnen en zat nu, de lippen op elkaar, kwaad te kijken naar een bepaald punt vóór haar.
„Wat bedoel je?”
„Och kom, Leen, stel je nu niet zoo onnoozel aan. Je hebt heel goed gezien, dat die kwast van een Eddy je het hof maakt.”
„En al was dat zoo, wat zou het dan?” vroeg Lena, met alle aandacht op haar ponies, maar blijkbaar geraakt.
„Wat het zou! Dat is ook een vraag! Het zijn nogal nette jongelui die Markens. Iedereen weet, dat ze nooit hebben willen deugen. Ze loopen maar rond, zonder geld en zonder betrekking; ze verdienen geen cent in de maand. ’t Is mooi! En het gemeenste is, dat die Freddy bezig is tante Roos in te palmen, enkel om haar geld.”
„’t Is mogelijk. Maar dat zou zijn broer toch niet kunnen helpen.” [185]
„Je lijkt wel mal, ja! Ze zijn allebei precies eender, Leen. Geloof me, waarachtig! En nu begrijp ik ook, waarom hij jou zoo verliefd aankeek en van die malle praatjes had. Zijn broer het geld van tante, en hij dat van jou,—dáármeê zijn ze geholpen.”
„Hoe kan je toch zoo zonder aanleiding kwaad van iemand spreken! Eddy Markens heeft niets hoegenaamd meer gezegd of gedaan dan de anderen. Alleen: hij deed het veel kraniger; hij was meer gentleman. Dat is toch zeker niet voldoende om hem van slechte bedoelingen te verdenken.”
„Ja, hij is een geurmaker, dat is zeker, en het vleit jou, dat heb ik ook heel goed gezien. Maar het is al erg genoeg geweest van je, hem te roepen. Als een ander het had gedaan, soedah; dat jij het deed, Leen, daar stond mijn verstand voor stil.”
„Ik had kasian met hem; hij stond daar zoo alleen.”
„Allemaal pedanterie. Hij stond daar alleen om te poseeren, dat doen die mooie jongens meer.”
„Vindt je hem mooi?”
’t Nichtje haalde, nog altijd met een gezicht vol haat en minachting, in zulk een kwaadaardigen schok de schouders op, dat haar, zeer ontwikkelde buste ervan natrilde.
„Nou ja,” zei ze, „dat is hij: een mooie jongen en een geurmaker; maar hij en zijn broer zijn altijd slechte rakkers geweest, zie je; en dat is óók nog niets: ze verdienen geen cent in de maand.”
Lena was er niet verder op doorgegaan, maar het nichtje liet het er niet bij. Thuis bij mama Uhlstra begon ze er weêr over, en de oude vrouw was nu woedend op Lena, die haar kalm liet uitpraten. Doch zoo zij op dit middel als op een vast calmant had gerekend, dan faalde ditmaal die berekening. Mevrouw Uhlstra raakte er niet over uitgepraat, haar liefde voor haar petekind overtrof die voor haar eigen kinderen, de zonen uitgesloten; zij had het in ’t hoofd gezet, reeds lang, Lena te laten trouwen met dien jongen ingenieur, en het had haar ook reeds lang gehinderd, dat het meisje tot het doel niet meêwerkte. Eerst scheen ze het jongmensch wel genegen, en had mevrouw Uhlstra alle hoop, maar ze was heelemaal veranderd, en in den laatsten tijd had zij, schoon altijd beleefd en vriendelijk, den adspirant kennelijk op een afstand gehouden. Die „schoelje” van een Eddy Markens daarentegen had ze aangehaald, en zich diens attenties laten welgevallen; het was, vond mevrouw Uhlstra, God geklaagd!
Het begon Lena ten slotte geducht te vervelen. Wat haar het meest hinderde had ze niet precies kunnen zeggen: de verwijten tot haar of het schelden op Eddy. [186]
„U begrijpt,” zei ze eindelijk, toen haar geduld was uitgeput, „dat één zaak vast staat: als ik ooit van plan ben mijn woord te geven, dan doe ik het. Het is wezenlijk niet noodig er onaangenaamheden over te maken. Ik zal nemen, wien ik wil, en al zouden u en duizend anderen er al het kwaad ter wereld van zeggen, ik zou het doen.”
Dat blufte mevrouw Uhlstra gewoon af, minder om de woorden, dan om den toon van zuivere onverzettelijkheid; precies zooals Lugtens in z’n tijd iets zeggen kon!
De gedachte aan Lena bleef Eddy den heelen dag bij. Thuis zagen zij het allemaal, en Fred was de eenige, die met minachting glimlachte aan tafel om die „kwajongensaanstellerij.” In den na-avond ging Eddy wandelen, zijn broer keek hem hoofdschuddend na uit de voorgalerij.
„Het is waarachtig maneschijn!” zei hij.
„Nu, wat zou dat?” vroeg de oude heer, die zijn afterdinner-sigaar zat te rooken, alleen in een tête-à-tête, terwijl zijn vrouw aan een zijde van de galerij haar kopje koffie dronk.
„Wat het zou? Wel ziet u dan niet, zoo’n gekken bliksem, pa! Hij is immers verliefd, en hij gaat wandelen in den maneschijn. Wel gévédé!”
Zijn moeder bestierf het van schrik.
„Ik verzoek je fatsoenlijk te blijven, Freddy,” zei Markens uit de hoogte zijner oude deftigheid, „je bent hier niet in ’n kroeg.”
Dáárheen ging Eddy wel, in zoover hij vrij onverschillig de sociëteit binnen slenterde.
Er was op dat moment niemand, en in de leege zaal met de verlaten biljarten, ging hij op ’n bank zitten en bestelde zich een pousse-café. Daar deed hij, dood op zijn gemak, een half uur over, en slenterde toen met echte flaneursverveling weêr naar buiten. Eerst drong hem van den uitgang een rumoer van drukke stemmen tegemoet; daarna doken figuren op in den lichtkring voor de galerij, de trappen opstappend naar binnen, met luidruchtig lachen, sterk uitgedrukte armbewegingen en kleurige gezichten; jongelui uit een hotel of commensalen-huis, die goed gegeten en een kloek glas wijn gedronken hadden.
Eddy zag niet eens, dat bij dit troepje dezelfde jongelui waren, die hij als ’t ware had verjaagd ’s middags van den panier van Lena; hij ging ’n beetje opzij om hun ruimte te geven en liep door.
„Daar heb je dien ploert ook.”
Ontroerd bleef hij staan, juist bij de eerste trede van de galerij. De anderen gingen door, een galm achter zich zendend van gelach en van voetstappen op het marmer. [187]
Langzaam, besluiteloos liep Eddy Markens langs het randje der galerij ’n minuut of wat heen en weer, peinzend in het donker turend buiten, gedachteloos zich een cigarette rollend, daarna beslist de sociëteit weêr binnen.
’t Werd ineens zeer stil onder het rumoerig troepje, dat zich, de queus in de hand, voor een poule gereedmaakte.
Eddy keek eens rond, ’t hoofd in den nek, een onuitstaanbaar air van meerderheid, hen als monsterend door zijn lorgnet.
„Neem me niet kwalijk, dat ik u stoor,” zei hij, „maar zooeven heeft iemand gezegd: „daar heb je dien ploert ook.” Wie zei dat?”
Een der jongelui, blijkbaar bang, riep: „Daar behoeft u je niets van aan te trekken.”
Een ander, ook vredelievend, voegde daaraan toe:
„U hebt niets te maken met wat wij onder elkaar bespreken.”
Maar de jonge ingenieur, die verliefd was op Lena, trad, de queu in de eene, het stuk krijt in de andere hand, vóór Eddy, keek hem strak in de oogen, gereed tot alles, en zei met een moeilijk bedwongen stem:
„Dat heb ik gezegd. En wat wou je daarvan?”
„Dat je dit beschouwde als een klap in je gezicht,” zei Eddy luid en kalm-helder, zijn smalle blanke hand langs den neus van den ander wuivend, zonder hem aan te raken.
De vrienden van den jongen ingenieur moesten hem aangrijpen en vasthouden; zij hadden gevoeld, dat Eddy de „zaak” netjes en fatsoenlijk behandelde; het had hun allen een indruk gegeven, en toen zijn tegenpartij een beweging maakte om te gaan vechten als een koelie, hadden zij hem tegengehouden en teruggedrongen.
Eddy ging langzaam heen, zoo rustig als hij gekomen was. Inwendig verheugde hem ’t heele geval. Dit was, dat wist hij, ’t jongmensch, dat vues had op Lena. Waarom was die zoo boos op hem? Het antwoord deed hem glimlachen tegen zijn eigen gedachten. En zóó wandelde hij den weg weêr af, terug naar huis, in den maneschijn.
Het ging alles stil in z’n werk. Freddy en een luitenant gingen meê als getuigen, de eerste met een uitdagend gezicht, duidelijk toonend, dat wie van hem iets verlangen mocht, ook zijn aandeel kon krijgen. Zij mochten dan wezen, wat ze wilden, maar ze lieten zich niet beleedigen! Hij vergat er een oogenblik zijn verontwaardiging door over Eddy’s „krankzinnigheid.”
De „partijen” waren allebei tamelijk bedaard en op hun gemak; ze werkten niet als onbeholpen burgers, die geen wapen kunnen hanteeren, doch als welopgevoede jongelui, die meer een sabel in de hand hebben gehad, al is het dan ook enkel in de schermzaal. [188]
Op hetzelfde oogenblik werden beiden gewond, de ingenieur aan den arm, Eddy, door de parade, op de hand. Het was niet erg, maar ’t bloedde. En in het leege huis, waarin ze vochten, verbond hen dadelijk een jong dokter, die in een andere kamer den afloop afwachtte.
Maar nu het zoo prachtig was afgeloopen, ging het als een relletje de stad door, en kwam, van de noodige illustraties rijk voorzien, ook bij mevrouw Uhlstra thuis. Het ontroerde haar niet; en zij troostte Lena met groote liefheid en o zoo vriendelijk, toen het meisje, zeer bedroefd, een oogenblik moedeloos neêrzonk op ’n stoel. In de oogen harer tante was het een triumf; zij lachte er over met haar oude kokkin in de keuken. Het was terlaloe! Al de europeesche heeren wilden met elkaâr vechten om nonna Leentje. Daar kwam nog moord en doodslag van!
Het was onder de vele baboes op het erf een algemeen gegichel en zacht gepraat, en ze moesten allen op haar beurt even in de achtergalerij komen om toch eens goed de nonna te bekijken, die zoo mooi was en zulk een eigenaardige aantrekkelijkheid had voor de mannen, dat de toean’s blanda zich om haar doodvochten.
„’t Is intusschen nog zoo dom niet overlegd.”
Freddy zei het met den ouden gemeenen trek van sluwheid om z’n mond, die hem zoo’n afgeleefd aanzien gaf; zijn broer hield de gewonde hand met het zwarte verband erom op de tafel; ze gloeide en deed pijn; daar dacht hij aan, maar half lettend op wat Freddy babbelde.
„Hoe zoo?” vroeg hij zonder erbij te denken.
„’t Is waar,” ging de andere voort. „Hij is ook gewond, en in zoover is dat beroerd.”
En toen Eddy geen antwoord gaf, nog altijd geoccupeerd in gedachten met z’n wond:
„De zijne is zelfs van meer beteekenis.”
„Wat zou het?”
„Er is ook niets gezegd eigenlijk. Haar naam is niet eens genoemd.”
„Neen,” viel Eddy driftig uit, „en ’t is maar goed ook!”
„Waarachtig niet! Die had juist genoemd moeten worden. Je hadt het zóó moeten draaien, dat ze háár beleedigd hadden; dan was het voor jou ’t ware geweest.”
„Doe me ’n plezier en houd zulke misselijke praatjes voor je.”
„Wees nou niet kinderachtig. Al ben je zoo dom verliefd op dat meisje als een ezel maar wezen kan, dan zal je toch je voordeel wel doen met dat gevalletje. Dat zou anders te gek zijn om alleen te loopen.”
Met ’n kleur van kwaadheid en bij ’n opkomend wondkoortsje, keek Eddy heel boos. [189]
„Als m’n hand niet zoo’n vervloekte pijn deed, smeet ik je m’n kamer uit.”
„Jij ventje!” riep Freddy smalend net als toen ze schooljongens waren en hij, als de oudste, zeker air aannam.
„Ik zou je een rammeling geven, ja!”
Maar inwendig lachend ging hij heen. Van z’n verliefdheid zou Eddy toch pleizier hebben thuis; dáárvoor stond hij in!
De oude lui hoorden het ’t laatst; zij hielden zoo weinig connecties en de „jongens” hadden het verzwegen. Roos viel met de deur in huis, buiten adem van den spoed, en vóór nog Freddy haar had kunnen waarschuwen, vertelde zij aan allebei wat ze wist. Mevrouw Markens stormde, zenuwachtig den Heer aanroepend, wanhopig jammerend naar het paviljoen. Maar Eddy, woedend nu, zette zijn moeder bij een arm buiten de deur, daarbij zoo onstichtelijk vloekend over het „malle gedonderjaag” over nonsens en beuzelingen, dat Freddy zich, kijkend van de zijgalerij, in allerlei bochten wrong van het lachen om het luid geklaag van mama met haar vrome verzuchting en de brutale woede van den tierenden broer, dien hij al zoo lekker nijdig had gemaakt.