Het liep Henri Uhlstra niet mee dat jaar; de rijstoogst mislukte grootendeels; maar niet over het algemeen: speciaal bij hem op het land; overal elders was er overvloed en de prijzen waren laag; de koffie wilde ook in het geheel niet; gewoonlijk had hij ’n vijf-, zeshonderd pikols,—ditmaal zelfs de helft niet, en ook waren de prijzen beroerd.
Op Koeningan werkte Hunzman met meer succes, doch hij kon de prijzen niet verbeteren, en zoo hij precies rondkwam,—er schoot niets hoegenaamd over.
Mistroostig zat Henri in z’n kantoor achter de boeken. Er zou niet genoeg wezen om de renten te betalen, als het jaar om was; dat was nu al zeker. Welk een vooruitzicht!
Hij was in korten tijd zeer verouderd; hij kon niet tegen zijn verlies. Grootgebracht in een weelde en een overvloed, die moesten leiden tot miskenning der waarde van het geld, was hij vroolijk en levenslustig, gelijk zijn vader, wanneer het karretje op een zandweg reed, maar [190]tegenspoed sloeg hem voor den grond. En terwijl hij nu zag hoe het misliep met den boel, verloor hij ook elken blik op middelen tot herstel. De cijfers in het gelid der lange boekkolommen hinderden en verveelden hem; zuchtend stond hij op en ging naar buiten, waar hij, het hoofd tegen het harde hout van een pilaar, zijn onaangename gedachten doorpikirde.
Er was geen „zwarte prins” meer in hem te herkennen!
In een langzaam handgalopje zag hij in de verte een ruiter komen over de witte streep, die het pad bij ’t maanlicht door de velden trok.
Henri herkende de teekening der donkere figuur in haar geheel: ’t was Hunzman op zijn grooten Preanger knol. Wat kwam die doen? Zij gingen niet met elkaar om buiten zaken. Henri mocht den man wel, en had respect voor zijn doorzicht en nauwgezetheid, maar het bleef daarbij; van vriendschap of zelfs maar van vriendschappelijkheid was tusschen hen geen sprake.
„Wel?” vroeg Uhlstra. „Nog zoo laat overgekomen?”
„Ja, wat zal ik u zeggen, niet bepaald voor mijn genoegen.”
„Neen, dat begrijpt zich. Toch geen slechte berichten?”
„Zeer slechte.”
Er ging door Henri een gevoel als zonk de grond onder hem weg. Fatalist als ieder in het oosten geborene, had hem reeds lang het denkbeeld geplaagd, dat er een noodlot op hem rustte. Waarom anders was de rijstoogst op het land zoo slecht, terwijl hij bij anderen overvloedig was? Waarom maakte hij zoo weinig koffie, terwijl met ieder mailbericht de marktprijzen in Europa slechter werden? Hoe kwam het, dat Lize, van de goede, gemoedelijke vrouw, die zij vroeger was, zulk een feeks was geworden, die het huiselijk geluk uit het landhuis had verdreven?
Als Uhlstra gedurfd had, zou hij aan de booze geesten zijn offeranden hebben gebracht, dat was zeker.
Nu kwam Hunzman opzettelijk in den avond zelf van Koeningan over naar Tji-Ori, en daar had je de poppen aan het dansen! Tjilaka, dàt had hij al gevoeld, toen hij voor de eerste maal den ruiter in de verte zag, als een zwarte schaduw onder het schijnsel der maan.
„Nu, wat is het dan?” vroeg hij, gelaten.
„Wij hebben veeziekte onder de karbouwen.”
„Nou ja.”
„O, dat is zeer zeker het ergste niet. Maar die ziekte is officieel geconstateerd.”
„Dat is verschrikkelijk.”
„Ongetwijfeld! Dat er ziekte was, wist ik al eenige dagen.” [191]
„Zoo; ze is bij mij ook.”
„Dat heb ik gehoord! Maar wat beduidt het? Met eenige voorzichtigheid en gewone bekende maatregelen waren we er ditmaal evengoed doorgekomen als vroeger.”
„Natuurlijk.”
„Nu wordt het moordenaarswerk op groote schaal, zonder doel of resultaat. En het land draagt de schade.”
„Wat zullen we er tegen doen?”
„Niets. Ik zal met de heeren meêwerken alsof ik er het grootste behagen in schepte; dat is nog de eenige manier om den boel ’n beetje te leiden.”
„Daar hebt u gelijk in.”
„Niet waar? Overigens wou ik het u maar dadelijk zelf komen zeggen, want morgen begint de grap.”
„Dank u,—’n brendy-soda?”
Hunzman sloeg het niet af, ging zitten en stak ’n sigaar op. De gelijkmoedigheid van Uhlstra verbaasde hem. Hij had zich voorgesteld hem in kwaadheid te hooren losbarsten, scheldend op het gouvernement en de domme ruïneuse middelen, die het aanwendde; middelen erger dan de kwaal; doch niets van dat alles. Hij wilde daar ’t zijne van hebben.
„Als het ’n vaart loopt, zal die geschiedenis ons heugen.”
„Och ja!”
„’t Schijnt dat de geheele portée u niet recht duidelijk is.”
„Waarom? Ik begrijp perfect wat er het eind van zijn kan. Maar wat eraan te doen? Het is toch mis met alles. Laat er nu voor mijn part de veepest en de heele rataplan bijkomen. Men kan maar op één manier naar den bliksem gaan.”
„Dat was het dus,” dacht Hunzman, hij lei er zich bij neer met wanhopige onverschilligheid. Een uitdrukking van medelijden en geringschatting ging over zijn gezicht. Wat had hijzelf voor andere vuren gestaan in het leven dan dit verwende zondagskind!
„Zoo erg is het niet. De cultuur is wisselvallig. Als het ’t eene jaar niet lukt, moet men maar denken dat het ’n volgend des te beter zal gaan.”
„Ik wou dat ik het kon. Maar ik heb een voorgevoel.”
„Ja, dat verandert de zaak,” antwoordde Hunzman nu bepaald een loopje met hem nemend, „tegen een voorgevoel is het moeielijk praten.”
„U gelooft er niet aan.”
„Och, dat hangt ervan af.”
De mandoor bracht een brief en Henri draaide het lamplicht hooger met de eene hand, in de andere het enveloppe lezend. [192]
„Van ma,” zei hij.
„Ook al slechte tijding?” vroeg Hunzman, toen Henri den gelezen brief op tafel wierp.
„Ik heb het u gezegd: er is niets aan te doen.”
„Och kom!”
„Waarachtig, het is zoo. Dit is nu een brief van ma, en wat denkt u, dat ze me schrijft?”
„Wat dan?”
„Mijn zuster Roos trouwt met Freddy Markens.”
„Zoo! Ik dacht eigenlijk, dat dit huwelijk al lang een uitgemaakte zaak was, en zóó dacht iedereen erover.”
„Er is niets aan te doen. Als Roos zich eenmaal iets in ’t hoofd heeft gezet.… ’t Is de ruïne van haar fortuin en het ongeluk van haar kinderen.”
„En hoe houdt zich mama?” vroeg Hunzman, daar inderdaad nieuwsgierig naar.
„Onbegrijpelijk! Eerst heeft ze hevigen twist gehad met mijn zuster, juist over dien Freddy.…”
„Uw reisgenoot!”
„’n Gemeen sujet.… maar enfin!.… Mama heeft Roos het huis ontzegd en is ook uit ’t hare weggebleven,—kortom twist en tweedracht van belang, en nu schrijft zij me heel gemoedelijk, dat ze haar toestemming geeft.”
Hunzman lachte.
„’n Mensch is een raar wezen!”
Henri keek hem aan uit z’n ooghoeken; hij vond het ’n flauwe uitdrukking, maar hij vervolgde zonder er verder notitie van te nemen:
„Het mooiste is, dat ze mij vraagt over te komen.”
„Welnu, wat zou het? Ten slotte bent u haar oudste broer. ’t Is wel mogelijk, dat zij zich door dat huwelijk ruïneert, doch wie weet of men haar mettertijd niet noodig kan hebben.”
Daar dacht Henri over na. Van dien kant had hij de zaak nog niet bekeken. Als hij eens ’n tweede hypotheek noodig had …
„Daarbij,” vervolgde Hunzman, „kunt u er niets aan veranderen. Mevrouw Geber zal trouwen met de medewerking van haar bloedverwanten en anders zonder.”
„Het is,” zei Henri, „alles daargelaten, toch ’n misselijk idee: eerst heeft ze ’n man gehad haast tweemaal zoo oud als zij, en nu neemt ze er een die tien jaar jonger is.”
„In elk geval, zij doet het, zooals ik zei.” [193]
„O ja; dat is zeker.”
„Welnu, in zulke gevallen verdraagt men, wat men toch niet kan veranderen; dat is vooral onder familie het verstandigste, en zoo zal uw mama ook wel tot een andere opinie gekomen zijn.”
Doch dàt had Hunzman mis.
Mevrouw Uhlstra had, toen Roos haar schreef, dat ze ging trouwen en met wien, dagen lang het huis in rep en roer gebracht door haar zenuwoverspannen getier. Eerst toen ze aan het denkbeeld gewoon was en de bedarende invloed van Lena meehielp haar tot betrekkelijke kalmte te brengen was zij geregeld gaan nadenken. Indien zij weigerde en zich er geheel buiten hield, dan hingen haar familie-oneenigheden ook ineens aan de groote klok, dan was alles uit! En dan een huwelijk.… een huwelijk! Was er op de wereld iets, dat, op zichzelf beschouwd, haar zoo innig verteederde als een huwelijk?
Het tot stand te brengen was een bron van genot, en met den leeftijd, zelf out of time, bleef er toch niets heerlijkers over, dan twee personen van verschillend geslacht langs den wettigen weg, rijk aan formaliteiten, tot sexueele gemeenschap te doen komen. Dat was nu toch zoo aardig. In haar verbeelding zag zij die „trouwerij”; zag zij de oudere dames zitten met pleizierige gezichten en vergenoegde glimlachjes, dood op haar gemak, als, menschen die naar een voorstelling kijken; wisselend met elkaar gemoedelijke blikken van verstandhouding, alsof ze zeggen wilden: „ziezoo! dat hebben wij ’m weêr eens geleverd,” nieuwsgierig, onder elkaar zachtjes ondeugende vragen fluisterend en opmerkingen makend over de resultaten eener naaste toekomst,—als menschen voor wie het huwelijksleven al vele jaren geen geheimen meer heeft. En daar zou ze niet bij zijn, nu haar eigen dochter trouwde. Wel voor de tweede maal, maar dan toch ook de eenige die trouwde.
Zij zou niet gehoord worden, zooals vroeger, in tal van bijzondere aangelegenheden van kleeding en van huishoudelijken aard; niet weten wie er zouden komen; hoe ze getoiletteerd zouden zijn; welke cadeaux er werden ontvangen; men zou, zonder haar, naar den burgerlijken stand rijden en vervolgens naar de kerk,—het was meer dan verschrikkelijk, en al mocht Roos nu ook trouwen met den duivel of diens grootvader—het zou mevrouw Uhlstra niet beletten erbij te zijn. Zij vond nu redenen.
„Eigenlijk,” zei ze tegen Lena, „heb je weêr gelijk gehad, kind. Och ja! Die jongens Markens,—’t is wel niet veel zaaks; maar ze hebben toch nooit iets gedaan, dat hen voor een oneerlijkheid openlijk kon aangerekend worden.” [194]
„Het doet me plezier, dat u er zoo over denkt. U weet, ik vind heel veel tegen dat huwelijk, maar als zij beiden het verlangen.… Wie weet of het Freddy niet heelemaal opheft.”
„En arm zijn ze eigenlijk ook niet, weet je. Die ouwelui Markens zitten er tegenwoordig warmpjes in, al kleeden zij zich niet uit, ja! voor ze naar bed gaan.”
„Dan zou ik in uw plaats zelf even naar haar toe gaan.”
Bij de weduwe Geber volgde een zeer aandoenlijke verzoening. Roos, wie het denkbeeld, dat zij als een door haar familie verstootene trouwen zou, verschrikkelijk zwaar op het gemoed lag, was van aandoening bleek als ’n doek en koud als steen geworden, toen zij haar moeders coupé het erf zag oprijden.
Hoe zij er toe gekomen was, zich door den jongen Markens het hof te laten maken—maar het hof in den meest uitgestrekten zin—wist zij zelf niet.
En de waarheid moest zij erkennen: zij was dol van hem; zij voelde voor hem, wat zij, bij haar gemoedelijk onverschilligen aard, gemeend had nooit voor een man te zullen gevoelen.
Het was langzaam tot haar doorgedrongen, zonder drukte of overhaasting; hij had het niet of althans weinig aangemoedigd, dan zoo nu en dan door een banaal en heel eenvoudig complimentje over haar mooie oogen of kleine, fraai gevormde handjes. Op dit stille vuurtje waren liefde en hartstocht bij Roos gaar gekookt, en nu waren ze ook zoo goed, dat Freddy, op een zekeren dag wat beminnelijker wordend, tot zijn verwondering inzag, dat hij van een regelmatig beleg gerust kon afzien, aangezien de vesting zich gaarne op genade of ongenade aan den vijand overgaf.
Hij had geen misbruik gemaakt van die omstandigheid. Waartoe? Als hij Roos had begeerd, zouden begrippen van deugd of conventie hem evenmin hebben teruggehouden, als zij Roos belet zouden hebben goedig en toegevend te zijn. In dat opzicht liep het haar meê in de wereld; voor de tweede maal trouwde zij een man, die geen haast had; die haar het leven niet moeilijk maakte, hetgeen voor een, vooral thans, in het defensieve zoo weinig ontwikkeld karakter ’n zegen was.
Freddy zag zijn aanstaande schoonmoeder met een bezwaard gemoed, maar nam dadelijk zijn partij, groetend wie hem te machtig was. Vriendelijk kwam hij haar tegemoet, zijn stem dwingend tot een innemend comedietoontje.
„Hé mama, wat is dat een gelukkige dag.…”
Mevrouw Uhlstra viel hem in de rede zonder een woord te zeggen; enkel door de uitdrukking eener eindelooze verbazing op haar gezicht. Zoo iets had zij nooit beleefd! Dat noemde haar „mama” met een [195]gemakkelijkheid, als had hij het zijn leven lang gedaan; Geber had het nooit gezegd dan uiterst gedwongen.
„Vind-je?” vroeg ze werktuiglijk en hem ’n hand gevend.
„Och,” ging hij voort met dezelfde gelegenheidsstem, „’t had Roos zoo’n zielsverdriet gedaan, en ik vond het zelf ook zoo naar; zij houdt zooveel van u, en ik heb u altijd zoo hooggeacht.”
En met al haar bij-de-handheid liep mevrouw Uhlstra erin; de „lekkermakerij” op ’n geschikt moment was haar te machtig. Zij zoende Roos, en toen gingen ze samen heel gewoon over de voorbereidende maatregelen zitten praten, alsof mama het tweede huwelijk van haar dochter altijd een bijzonder sympathieke zaak had gevonden.
Freddy praatte nu en dan ook mee; toen de dialoog tusschen de dames een oogenblik stagneerde, zei hij met de verwondering op z’n gezicht:
„U hebt u toch merkwaardig goed geconserveerd, mama.”
En toen zijn aanstaande schoonmoeder dit met een glimlach scheen te beamen, ging hij voort:
„Als men u zoo naast Roos ziet zitten, zou men u voor zusters aanzien.”
Hij loog als een stalknecht; mevrouw Uhlstra was tegenwoordig geen vrouw, die er ook slechts ’n jaar jonger uitzag dan zij was, en Roos, met de opmerking van haar aanstaanden man niets ingenomen, liet haar lip hangen, onpleizierig naar hem schuinoogend.
Maar mevrouw Uhlstra, het hoofd ’n beetje achterover, zachtjes ermee dodelineerend, en in den wipstoel op en neer bewegend, was overtuigd dat het zoo was, en blij dat er dan toch eens iemand kwam, die vond dat men haar de moessons, die zij boven de vijftig telde, niet zóó kon aanzien. Een oogenblik later draafde het gesprek weêr verder over ’t geen er te doen viel. Oplettend hield Freddy het bij, en toen eindelijk de oude vrouw heenging, bracht hij haar naar haar rijtuig met de grootste voorkomendheid, met een gezicht alsof hij haar het hof maakte; „allerdolst” vond Roos, en ze zei het ook tegen hem.
„Kindlief,” antwoordde Freddy ernstig, „laat mij maar begaan. Ik moet goeie vrienden blijven met mama. Voor jou is dat natuurlijk heel, heel gemakkelijk; voor mij was ’t een heel moeilijk vraagstuk hoe haar te vangen. Nu weet ik het.”
„Je bent pinter, dat moet ik zeggen.”
„Niet waar?” zei hij nu op zijn beurt ten zeerste gecoiffeerd. „Ja, ja, het is me, geloof ik, goed gelukt.”
Toen haar tante thuis kwam, vroeg Lena, bezorgd dat er nog onaangenaamheden waren voorgevallen, dadelijk hoe ’t gegaan was.
„O, heel goed.” [196]
„Goddank! en Freddy Markens?”
„Nou.… hij is me erg meêgevallen. Hij mag dan niet hard gestudeerd óf veel gewerkt hebben,—hij is een net, welopgevoed man.”
Komaan, dacht Lena verwonderd,—dat gaat voor nicht Roos boven bidden en hopen!
„Ja,” herhaalde mevrouw Uhlstra, als moest zij het haarzelve nog eens voor zeggen. „Zeker! dat is hij: iemand, die zijn wereld kent.”
En nu werd het verkeer tusschen het huis Uhlstra en dat van de weduwe Geber bijzonder druk. De rijtuigen reden den heelen dag heen en weer; de bedienden liepen af en aan. Freddy Markens was als kind in huis, met een groote, kwalijk verborgen antipathie tegen Lena, die, hoezeer het meisje dat ook bestreed, volmaakt wederkeerig was.
Doch hij liet niets merken, enkel zijn hart luchtend bij Roos, als ze samen alleen waren. Zij had hem er te liever om; zij zelf bedwong haar haat tegen de gunsteling van haar moeder, en was zooveel mogelijk gewoon vriendelijk tegen haar.