[Inhoud]

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De Invitatie.

Daar iedereen het zoo erg goed vond, dat Eddy „in betrekking” kwam, verkropte Freddy zijn haat en afkeer; alleen tegen zijn ouders en Eddy zelf stak hij zijn meening niet onder stoelen of banken, doch hij kreeg ook van die zijde zóó den wind voorin, dat hij van alle discussie afzag.

„We geven een jongelui-partij dezer dagen;” zei hij tegen zijn broer. En toen er geen antwoord kwam: „Je zult toch komen.” [202]

„Het kan wel niet anders.”

„Dat zou ik denken.”

„Eigenlijk bleef ik liever weg.”

„Ben-je dan zoo’n gruwelijke dood-eter geworden?”

„Ik heb er geen liefhebberij meer in.”

„Praatjes! Ik weet heel goed waarover je nog altijd zit te zaniken.”

„Nou, als je het weet,” zei Eddy, een courant opnemend om het gesprek af te breken, „waarom vraag je dan naar den bekenden weg.”

De andere was blij. Wat zou de wereld zeggen, als zijn broer niet had willen komen?

Aller streven was op dit feest gericht; op „geur” maken; dáár had men zijn haat en zijn nijd, zijn afkeer en vijandschap voor teruggedrongen, van zijn hart een moordkuil makend.

„Maar tante Clara?” vroeg Roos, toen de lange lijst der genoodigden reeds zoo goed als geheel gereed was.

Zij hadden er wel allemaal aan gedacht, maar niemand had de eerste willen zijn. Ze zaten nu in het zachte licht der binnengalerij bij Roos, de dikke zeilen voor dicht tegen de zon, op het dofglanzend marmer, om de middentafel, de sleden der wipstoelen van achter omhoog, de hoofden in koempoelan bijeen.

En ieder zweeg nu; Freddy ook.

Werkelijk maakte de weduwe Lugtens het zeer bont. Al was maar een derde waar van ’t geen men vertelde, dan was het nog heel erg. Men kon haar niet inviteeren in een fatsoenlijk groot gezelschap. Dàt nu, zou het wezen. ’t Was of ze er allen hetzelfde gevoel voor hadden; of ze gedreven werden in één richting; de vlam van den ouden luister der Markens, Lugtens en Uhlstra’s zou nog eens hoog opflikkeren, met Twissels als nog levend getuige.

Mevrouw Uhlstra schudde het hoofd.

„Mijn God,” zei ze, „het kan waarachtig niet. Zij is mijn bloedeigen zuster, maar Roos, wat zullen de menschen zeggen?”

„Ja, ma, dat vraag ik ook.”

„Men behoeft haar niet op den voorgrond te stellen,” zei Freddy zoekend naar een modus vivendi, om het mooie cadeau, dat tante Clara ongetwijfeld zou geven, mits ze werd geïnviteerd als familielid.

„Wat dunkt u ervan?” vroeg Freddy zijn vader.

„Er is veel over mevrouw Lugtens gesproken,” zei Markens, zijn breede kin in de witte das trekkend, die hij deftigheidshalve altijd droeg, „er is veel over haar gesproken, maar wat weet men van haar?”

„God almachtig,” barstte mevrouw Uhlstra uit. „Vraag dat maar niet!” [203]

„Ik vraag het u niet, maar in het algemeen.”

Het verschil ontging de dames. Zij wisten wat zij wisten, en welk onderscheid dáártusschen bestond en tusschen ’t geen men weten kan.… in het algemeen, ging haar begrip te boven.

„Heeft iemand haar ooit betrapt op.… ik zal maar zeggen: heeterdaad?”

Henri Uhlstra stond op het punt te zeggen: „ik”; maar hij bedacht, dat het verkeerd zou zijn geweest, te meer omdat hij in zijn hart er niet voor was tante Clara nu heelemaal en in het openbaar te verstooten.

Mevrouw Uhlstra ergerde zich aan den meesterachtigen, overbluffenden toon van den ouden heer Markens; Roos ook.

„Gewoonlijk,” zei ze ’n beetje schamper, „wordt men bij zulke dingen niet geroepen.”

„Neen,” zei Freddy hardop lachend, samen met Henri, „dat zal wel waar wezen.”

„Er is niemand,” ging de oude heer voort, zonder zich in ’t minst aan de opmerkingen te storen, „die eenig bewijs kan leveren.”

„Nou,” riep mevrouw Uhlstra zenuwachtig en opgewonden, „ze heeft me dan dezer dagen weêr een mooi stukje uitgehaald! Zoo’n vent, daar ze meê knoeide, heeft ze een stel diamanten gegeven om voor haar te verkoopen, en de smeerlap.…”

„Maar ma!” zei Roos vermanend.

„Hoe weet u dat? vroeg Markens, ook de hand opheffend, kalm en waardig, als om den heftigen woordenstroom tegen te houden.

„Wel, van Piet.”

„Nou ja,” zei deze met ’n erg katterig gezicht van het pierewaaien, verlegen zijn hoofd krabbend. „Ik ben er ook niet bij geweest.… ik heb het óók maar van hooren zeggen.”

„Door wie?” vroeg Markens op zijn ouden inspecteurstoon.

„Ik heb het van.… m’n jongen; die heeft het gehoord van de baboe van tante.”

„Dus: bediendenpraatjes,” constateerde Markens, zich triomfantelijk met zijn wipstoel achterover latend, vol minachting in zijn rimpelig grijs gezicht.

’t Was waar en ze zaten er verlegen mee; mevrouw Uhlstra vooral was woedend over haar nederlaag; ofschoon zij metterdaad haar zuster graag op de partij zag, hinderde het haar gruwelijk, dat zij en Piet er zóó inliepen.

„Pa heeft gelijk,” verklaarde Freddy. „Wij moeten haar vragen, Roos.”

„Ik vind het ook,” zei Henri.

Roos keek eens rond en toen ze allemaal knikten, haar moeder ook, schreef zij de invitatie. [204]

„Geef maar hier,” zei mevrouw Uhlstra. „Ik zal het ding wel zelf brengen. Ik zal het haar dan nog eens goed vertellen.”

Daar zei niemand verder iets op, en ’s middags reed mevrouw Uhlstra met opzet bijzonder vroeg naar haar zuster. Het ging haar, zooals ’t haar oudsten zoon vroeger was gegaan; maar zij bleef niet bescheidenlijk zitten wachten in de binnengalerij; zij stoof de slaapkamer binnen, en zonder zich te storen aan den „derden persoon” en diens „omstandigheden” voer zij vreeselijk uit tegen haar zuster, in een verward Hollandsch en Maleisch.

Al wat zij in haar jeugd had gehoord aan leelijke woorden van de bedienden en de inlanders op straat, aangevuld met de haar bekende scheldwoorden van Europeanen, kwam haar met een spoed in de gedachten en over de lippen, als moest het eene woord het andere inhalen.

Clara trok met zachte, korte keellachjes telkens de schouders op, de mooie, ronde en gladde schouders van eene jonge vrouw, die ze had behouden op leeftijd, zelfs nu ermee coquetteerend in het halfduister, tegen de zwijgende figuur, die een donkeren baard liet doorschijnen achter de klamboe, welke hij stijf dichthield.

Het kon haar niets schelen, dat haar zuster Lena zag, wat zij zag; dat zij haar uitmaakte voor alles wat leelijk was en nog wat!

De invitatie kwam, dat was het voornaamste! Lena zou haar immers zoo woest niet overvallen, als men geen plan had haar te vragen voor het groote feest!

Langzaam deed de weduwe Lugtens haar kort met veel doorschijnende kant versierd kabaatje aan, de diamanten knoopjes vastmakend op haar gemak; zij schudde het hoofd naar achteren, haar zwaren haarwrong los uit de condé over haar rug, blijkbaar om het enkele genoegen die met beide handen weêr op te draaien, de buigzame armen omhoog voor den spiegel.

„Nou,” zei ze daarna zich omkeerend, en haar verontwaardigde zuster zachtjes de kamer uitdringend, „nou, Leen, maak zoo’n kabaal niet, ja! Het beteekent immers niets.”

Het was mevrouw Uhlstra een al te machtig cynisme, dat dit „niets” beteekende. Zij begon te huilen. Zelf was ze een oude vrouw en Clara, schoon ruim tien jaren jonger, was het toch eigenlijk ook, al zag ze er wel twintig jaar jeugdiger uit. Altijd had zij haar liefgehad, al sprak ze dikwijls veel kwaad van haar; altijd had ze haar standjes gemaakt in vroeger jaren over haar onzedelijk gedrag, doch in ’t vertrouwen, [205]dat het met den leeftijd wel zou overgaan. In plaats van te verminderen was het kwaad erger geworden met den leeftijd, veel erger, en terwijl zij Clara daar betrapte op de „heeterdaad”, waarvan Markens had gesproken en haar, met het volle recht van een oudste zuster, daarover kapittelde, kwam er geen excuus, geen woord van spijt of verlegenheid, geen traan van berouw … niets! niets! Integendeel, had Clara in haar tegenwoordigheid nog eerst gecoquetteerd tegen haar medeplichtige, en daarna leukweg gezegd, dat het alles niets beteekende.

Doch die uitbarsting van droefheid roerde Clara diep; zij huilde ook, nu, groote tranen; zij zoende haar zuster, die, in haar smart, zoo erg oud en leelijk was, en die snikkend en hokkend niets zeggen kon, dan telkens: „Je bent zoo’n beest, Clara! Zoo’n gemeen beest!”

Mevrouw Lugtens bracht haar, den arm om haar heen geslagen, in kleine slenterpasjes, net of ’t een reconvalescente was, naar de achtergalerij, intusschen het verhaal beginnend van de bevalling eener inlandsche vrouw op haar erf, die drielingen had gekregen. Het wekte de belangstelling van mevrouw Uhlstra in zoo hooge mate, dat zij alles vergat om de bijzonderheden te hooren, want haar zuster kende die natuurlijk tot in de kleinste kleinigheden. In druk gesprek erover, naast elkander, de hoofden dicht bijeen, met blikken en knikjes van verstandhouding en wederzijdsch bewijs van juiste opvatting, vergaten zij zoowel het aanstaande huwelijk van Roos als den medeplichtige binnen. Het was toch ook zóó belangwekkend!

„En het laki?” vroeg mevrouw Uhlstra.

„Dáár,” zei Clara met haar duim naar een klapperboom wijzend, waarin een kebon klom met handen en voeten, net als een aap.

„Weet je,” bracht mevrouw Uhlstra in het midden, na een oogenblik aandachtig den dader te hebben bekeken, „dat volk heeft het bij jou veel te goed. Weinig werken.… lekker eten.… nou?”

Clara trok haar gemarkeerde wenkbrauwen hoog op, keek haar zuster een oogenblik aan met ’n mal verwonderd gezicht, en proestte het toen uit van het lachen, zóó van harte en zóó gek, dat mevrouw Uhlstra er heelemaal door overwonnen werd. En zoo zaten ze nu tegenover elkaar, haast stikkend in een onweerstaanbaren, overweldigenden zenuwlach over deze nieuwe theorie der drielingen.

Met diepe ademhalingen, zuchten gelijk, kwamen ze tot bedaren.

„Och, jij ook!” zei verwijtend mevrouw Lugtens, haar zakdoek over ’t gezicht strijkend.

„Nou, geloof me, hoor! Het is betoel waar. Toen we vroeger niet zoo waren als tegenwoordig, en de kerels met de rotan voor de broek [206]kregen, als ze iets deden, toen gebeurden zulke grappen niet. Da’s waar ook. Hier heb ik een brief voor van je Roos.”

Aandachtig bekeek mevrouw Lugtens de invitatie; ze was eigenhandig door haar nicht geschreven en vriendelijk van inhoud. Haar gezicht vroolijkte op.

„Ik vind het heel lief van Roos,” zei ze.

En toen haar zuster daarop zweeg, vervolgde zij:

„Och ja, ik weet het wel: men heeft veel op mij te zeggen. Ik doe niemand kwaad; ik benadeel geen mensch, en laat iedereen ongemoeid; ik verteer mijn eigen geld, en raak aan geen cent van een ander. Wat ik doe, is mijn zaak; heelemaal mijn eigen zaak.”

„Zwijg toch, jij! Je hebt geen hart, anders zou je mij en de familie geen schande aandoen met die smeerlappen.”

„Ik verveel me.”

„Dat is ook wat!”

„Ik heb me altijd verveeld, Leen; met Lugtens en met de kinderen ook; Willem was de eenige, die me amuseerde, en nog niet eens altijd. Nu ik alleen ben, de jongens weg en Leentje bij jou, nou verveel ik me letterlijk dood.”

„Je kon bij familie en kennissen gaan.”

„Bij wie? Jullie en anderen vervelen mij ook op den duur met al dat praten over andere menschen. Er is ten slotte nog slechts een.…”

Soedah! Begin je weer? Denk-je dat ik hier ben gekomen om vuile praatjes aan te hooren? Ik ga maar weg; anders verveel ik je, hè!”

„Neen, Leen, zóó bedoel ik het niet.”

Maar zij drong toch niet erg aan op blijven, gedachtig aan den medeplichtige, die niet zoo geduldig scheen als een zijner voorgangers tijdens ’t bezoek van Henri, maar die door hemmen en kuchen vrij hoorbaar te kennen gaf, dat ook hij zich verveelde in zijn isolement.

„Wat zal het zijn voor Roos?” vroeg mevrouw Lugtens, toen ze haar zuster naar het rijtuig bracht.

„Claar!” riep mevrouw Uhlstra plotseling in een soort verrukking de oogen ten hemel slaand. „Ik heb laatst van Abdul Karim twee steenen gezien voor kraboe… Ah!”

’t Was of zij zou bezwijmen van verrukking.

Berapa?” vroeg mevrouw Lugtens ernstig.

„Neen, dat zeg ik niet. Bonjour, hoor! Tot ziens?”

„Zij zal ze hebben, Leen!”

Een paar klinkende zoenen, een handdruk,—en de coupé reed met luid gekraak over de grind naar buiten. Door de raampjes keek [207]mevrouw Uhlstra over het erf. Wat werd het verwaarloosd! Dat was me ’n boeltje! De vrouwen der tuinjongens kregen drielingen of het niets was, maar de bloemen en crotonperken leken wel wildernissen!

Njonja ketjil!” riep zij door het venstertje vóórin den koetsier toe. Dàt had ze geen uur kunnen uithouden! Twee duizend gulden en geen cent minder het paar! Steenen als bruine boonen! Zij had erop getaward voor de aardigheid, maar Abdul Karim was tot niet minder te krijgen dan duizend gulden het stuk. Roos moest het dadelijk weten, en toen Roos het hoorde, was ze zoo blij als ’n kind, al liep ook haar juweelenkistje letterlijk over.

„Wat zeg je ervan?” vroeg ze opgetogen haar bruigom.

„Prachtig!”

„Ze is toch zoo goed!” zei Roos meewarig en met een stem vol zachte genegenheid.

„Och, wel ja! Ik heb altijd wel gezegd, dat ze ’n beste vrouw is, en als ze nu eens ’n dwaasheid doet,—het hindert of benadeelt immers niemand!”

„Jij spreekt er net over als zij,” bracht mevrouw Uhlstra wantrouwend in het midden. Zij vond het niets aangenaam zulke bijzondere beginselen te hooren belijden door den aanstaanden schoonzoon, en Freddy, die dit begreep, voegde er dadelijk bij:

„Natuurlijk moet men die dingen van haar standpunt beschouwen.”

De zaak van het huwelijksgeschenk beschouwde hij meer van zijn eigen standpunt.