Toen Freddy een uurtje later huiswaarts ging, sloeg hij een zijwegje in, keek aan het eind eens voorzichtig rond, loerend tusschen en over de groene paggers of hem ook iemand zag, en stapte de kampong binnen.
Voor een klein huis, van binnen met houten wanden en enkel de buitenmuren van wit gekalkte steen, onder een overstekend dak van verweerde roode pannen, hield hij stil.
Op den houten vloer met ongelijke kieren tusschen de grauwe nooit geschrobde planken, lag in het midden een oud stuk rotanmat, en daarop [208]in ’t midden stond een rond houten tafeltje van wildhout, op één poot, slecht afgewerkt, het wit van het hout schijnend door het dunne roodachtig bruin van ’t politoer; een te klein ordinair flodderkleedje, zwart met helrood, lag erover, de puntjes even over den rand. Twee oude wipstoelen flankeerden het, de lange randen der rugleuningen, eens palembangsch gelakt, waren thans dof en met een laag aanklevend vuil bedekt; wellicht voor jaren gekocht op vendutie, en zóó daar neergezet, met de kleine geborduurde antimakassertjes tegen de binnenruggen, eens zindelijk en kleurrijk, thans met pikzwarte vetvlekken van de klapperolie in de haardossen, die er achtereenvolgens tegen gerust hadden.
Op een der stoelen zat een bejaarde hadji, met, onder een dopvormig kleurloos mutsje, dat zijn geschoren kruin dekte, een bruin, van vorm typisch joodsch gezicht, scherp maar fijn van trekken, met onder tegen de kin aan een geitensik van grof grijs haar, als een valsch tooneelbaardje dat eraan was geplakt.
Toen Freddy Markens door de pagger het kleine erfje, tusschen twee klapperboomen links en rechts, optrad, streek de hadji, die op zijn gemak ’n strootje had zitten rooken, hiel op knie, zijn dunne versleten kain omlaag over zijn magere bruingele beenen vol lange zwarte haren, en buigend met een vriendelijk gezicht, den stijven sik vooruit, stapte hij de eene houten trede af, die het huisje uit den grond was gebouwd.
„Zoo, Abdul Karim!” riep Freddy welgemoed, zijn wandelstokje latende draaien tusschen duim en vinger. „Ada baai?”
Wel, Abdul Karim, de diamantenhandelaar, maakte het heel goed; hij hoopte, dat mijnheer het ook goed maakte en,—dit zei hij met den grootsten eerbied en nederigheid—ook de „groote heer,” mijnheers vader.
Voorzichtig nam Freddy plaats op ’t randje van den anderen wipstoel naast het tafeltje en hij bedankte, met de verzekering, dat hij nooit rookte op dat uur, voor een der beschimmelde manilla’s, die in een gewoon bierglas op de tafel stonden.
Abdul Karim kende hem maar al te goed. Toen Freddy en Eddy nog jongens waren, kwam Abdul Karim met zijn koopwaar enkel bij mevrouw Markens, als de kinderen naar school waren, zoo bang was hij, dat ze hem bestelen zouden! Al die europeesche heeren en dames op en nabij de plaats geboren, en er wonend, kende hij als zijn portemonnaie. Hij hoorde nu van Freddy, dat mevrouw Lugtens de twee steenen zou koopen, waarop mevrouw Uhlstra had geboden, en dat die steenen bestemd waren tot geschenk aan mevrouw Geber, als deze mevrouw Markens werd. [209]
„Je hebt ze aan mijn aanstaande stiefmoeder willen geven voor twee duizend ’t pasang.”
„Ja, betoel,” stemde de hadji toe.
„Dan moet je bij mevrouw Lugtens vasthouden op vijfhonderd meer.”
„Zij heeft er verstand van.”
„Zijn er op ’t oogenblik meer zóó te krijgen op de plaats?”
„Neen, dat niet.”
„Dan zal ze ook vijf en twintig honderd geven, en die vijfhonderd zijn voor mij.”
„Dat kan niet,” zei Abdul Karim lachend. „Dan zou ik er zelf niets aan hebben. Driehonderd voor u en twee voor mij.”
Freddy zat reeds lang op z’n gemak ’n kop thee te drinken in een luien stoel, toen Eddy dien middag vermoeid van ’t kantoor kwam. Stil lachend zag hij hem naar zijn kamer gaan.
„Driehonderd pop vandaag verdiend!” zei hij bij zichzelven. „Zoo’n lammeling moet daar anderhalve maand voor werken als een slaaf.”
Inderdaad werd van Eddy veel gevergd in zijn betrekking. Hij was niet ondergeschikt genoeg,—waar wou hij ’t ook hebben geleerd? Hij had ’n zeker air over zich,—de familiekwaal van vader en moederskant, en hij zag er altijd zoo bijzonder net gekleed uit. Daarom „donderden” hem de even boven hem geplaatsten zoo’n beetje en liet men hem werken, dat ’t hem soms voor de oogen schemerde. Hij voelde en begreep het waarom, hield er zich kalm bij, at de onvermijdelijke standjes op met een effen gezicht en deed zijn werk zoo goed hij kon. Maar het viel hem zwaar. Hij was zijn heele leven gewoon zoo goed als niets uit te voeren, en nu moest hij zoo ruw door het dichte kreupelhout. Als hij zich—hij wist zelf niet op welken grond—niet zoo vast had voorgenomen te slagen met den arbeid, hij zou het vertikt hebben. Maar naarmate ’t hem moeilijker viel, zette het idee zich vaster in zijn hoofd. En nu zat het er zoo onuitroeibaar in, dat, dacht hij, als hem onverwacht een ton gouds was ten deel gevallen, dit hem niet zou hebben bewogen ontslag te nemen uit zijn betrekking.
Toch, als hij laat in den namiddag moe thuis kwam, terwijl de bedienden al bezig waren de lampen aan te steken, voelde hij, dat er ook niets hoegenaamd in zijn leven meer was dan het kantoor. Hij had geen lust meer, na zulke werkdagen, ’s avonds uit te gaan of een boek ter hand te nemen.
Zijn moeder maakte zich erg ongerust.
„Men moet,” meende ze, „van de hem geschonkene gaven geen misbruik maken.” [210]
En papa, die als ambtenaar nooit tot langer dan ’s middags twee uren op z’n bureau had gezeten, schudde verontwaardigd het hoofd, als hij Eddy tegen halfzeven zag thuis komen.
Het was ’n maildag toen de groote jongelui’s-partij voor het huwelijk van Roos en Freddy zou gegeven worden.
Bij al de drukte kwam Freddy tegen halfacht even thuis om iets te vragen; hij moest zich nog kleeden ook, maar men was zoo in de weer met de preparatieven, en nu kwam hij zijn broer halen om ’n beetje de leiding op zich te nemen, zooveel te zijn als ceremoniemeester.
„Hij is nog niet thuis,” klaagde mevrouw Markens. „Dat laat op ’t kantoor blijven is ook zoo naar.”
„Zij mailen alweêr,” zei Markens met verachting. Hij herinnerde zich nog hoe men in zijn jeugd eens in de maand brieven naar Europa zond, en hoe het toen even goed in Indië ging als tegenwoordig, beter zelfs.
„Ik vind het vervloekt onhartelijk van Eddy, dat hij me zoo in den steek laat,” riep Freddy boos.
„Maar zijn kantoor.…”
„Och wat, dat misselijke kantoor met de fooi tractement in de maand en een huis vol noten op den zang … Hij wist hoe druk we het vandaag hebben, en dan had hij maar moeten vragen om ’n paar uren vroeger naar huis te gaan.”
„Daar heb je hem,” zei de oude heer, die in zijn hart Freddy niet zoo heelemaal ongelijk gaf. Een huur-dos-à-dos was het erf opgereden en stilgehouden voor de kamer van Eddy.
„Nou, je bent ook ’n goeie?” riep Freddy hem tegemoet. „Hadt je nou niet wat vroeger kunnen komen?”
„Wij hadden het te druk.”
„Och wat.… als je het maar hadt gevraagd.”
„Ik vraag op ’n maildag geen vrijaf voor ’n pretje.”
De toon waarop Eddy sprak klonk scherp en kort, als van iemand, die besloten is in niets toe te geven, met een meesterschap, dat zijn evenwicht reeds op den andere deed gevoelen.
„Kom-je even mee?” vroeg Freddy erg verzoekend. „Roos en ik kunnen het niet heelemaal eens worden over de schikking. Verdomd, Eddy, het is zoo lastig. En die moeder Uhlstra.… ik wou dat ze ineenzakte.”
„Dan ging je partij niet door.”
Al pratend liepen ze naar het rijtuig van Roos, dat voor ’t huis wachtte, en vriendschappelijker dan in langen tijd, kwamen ze ’n uur later terug om zich te kleeden. [211]
Eddy deed het op z’n gemak en netjes, als ’n jongmensch gewoon in de wereld te komen in groot tenue; en terwijl hij zijn witte das omdeed voor z’n scheerspiegeltje, geeuwde hij, dat z’n kaken er pijn van deden.
Hij zag op tegen die partij als tegen een berg. ’t Was onmogelijk geweest te weigeren; hij zou in de voorgalerij Freddy bijstaan in het de dames uit de rijtuigen helpen en binnenbrengen. Dat kon nu eenmaal niet anders!
Het zag er splendid uit! Zoo feestelijk als een mooi, ruim indisch huis met groen en bloemen te maken is.
Zelfs was er meer, want om de gewone planken zoldering te bedekken, had Roos er rose tulle tegen laten timmeren, gebouillonneerd, en met zeer kleurige kunstbloemen in de kuiltjes. Het was naar westersche begrippen niet buitengewoon smaakvol, maar in een indisch huis en bij een oostersche omgeving stond het niet kwaad.
Rechtop als een kaars had Eddy post gevat op het schabelletje, de rijtuigen wachtend, met zijn zwarte bekleeding, scherp uitkomend tegen het wit der gekalkte pilaren en op den marmeren vloer; hij was precies gekleed als andere jongelui, ook reeds present, maar het was alsof de anderen, stijfjes, ook wel voor een begrafenis gekomen konden zijn, terwijl hij alleen met zijn onberispelijk fijn linnen en breed uitgesneden balvest, een feest kwam bezoeken.
Ratelend sloegen de rijtuigen, van den grooten weg, met breede zwaaiingen der buitenlantarens, het erf op, en de broers Markens met nog ’n paar heeren waren maar ijverig in de weer met buigingen en strijkages, altijd gereeden gebogen rechterarm, lachend, pratend en informeerend naar gezondheidjes en zoo meer. Met ’n zeker sérieux kwam Eddy de treden af naar het rijtuig van de ongetrouwde jonge dames Uhlstra, waarin ook Lena zat. Zij kwam het eerste eruit, en Eddy, een stap terugdoende, liet haar over aan zijn broer met een stijve buiging voor haar vriendelijken groet. Hij bood den arm aan een der nichtjes, nu ook al breed en zwaar, als Roos de oudste, en zwijgend bracht hij die binnen met een ernstig gezicht.
Twissels wiens klein hoofd boven alle andere hoofden uitstak, keek aandachtig de zaal rond. Het was een groote en royale partij; niets was verzuimd om het zoo schitterend en goed te maken als mogelijk was, er was geen geld gespaard. En niettemin lag er een onmiskenbaar verschil tusschen dat feest, en de oude indische festijnen toen hij, Lugtens en Uhlstra nog waren in de volle kracht hunner opkomst. Het cachet was eraf. Hier waren menschen, die men vroeger niet had genoodigd; hier ontbraken gasten, die destijds nooit mankeerden, hier [212]miste men een zekere vrijheid, die vroeger gebruikelijk was, terwijl er van den anderen kant werd geloopen en gesproken op een manier, die men toen ongepast zou genoemd hebben.
Hij zag, dat terwijl hij met Markens stond te praten, zij de eenig overgebleven mannen uit den „goeden ouden tijd,” waren, die nog zoo betrekkelijk kort was geleden!
„Wij worden oud,” zei Twissels met een diepen zucht.
„Ja, dat worden we,” antwoordde Markens ook zuchtend. „Als alles nog maar goed gaat.…”
„Je hebt reden tot tevredenheid.”
„Over het huwelijk van mijn zoon.… zeker.… zeker!”
„Daarover ook.… maar ik had meer het oog op Eddy.”
„Ah zoo! Hm! Ja.”
„Wat bliksem,” zei Twissels met een hoog maar kwaadaardig stemmetje. „Je moest God danken, dat er werklust in den jongen zit. Jullie hebt ze waarachtig niet opgevoed om het te mogen verwachten.”
Sedert hij zijn speculatieve handelsoperaties dreef, was Twissels prikkelbaar en brutaal, en Markens, die hem in de laatste jaren maar zelden had ontmoet, keek van dien uitval verbaasd en verontwaardigd op. Een oogenblik zagen ze elkaar vijandig aan. Toen boog Markens zich terzij voor een jonge dame en sprak die aan, daarmee verdere conversatie met Twissels afbrekend, die zich eerst recht in postuur had gezet om te twisten en nu, door deze wending verbluft, zich omdraaide. Eigenlijk voelde hij dat hij altijd ’t land aan Markens had gehad en begreep hij niet hoe hij met zoo’n kerel in vroeger tijd vriendschappelijk had kunnen omgaan. En Markens, al pratend bitjara-kosong met een dame, schold hem in z’n for intérieur voor een onbeschoften ploert, er in gedachten bijvoegend dat die Twissels toch, wèl beschouwd, nooit iets anders was geweest.
Twissels, met opzet, slingerde en draaide zijn lang mager lijf tusschen de wandelende paren door naar Eddy Markens, dien hij zag staan praten met eenige jongelui, en hem terzij nemend, vroeg hij:
„Wel, hoe gaat het met je?”
„Dank u, vrijwel. ’n Beetje druk, en ’s avonds wat laat thuis; maar dat hindert niet.”
„Nou, dat doet me plezier! Ik heb nog eens over je gesproken.… ze zijn tevreden, en dat zegt veel, want je begint pas.”
Zoo praatte hij voort over kantoorwerk, kantoorbeheer en kantoorvooruitzichten; het verveelde Eddy Markens niet; wat hem verveelde was die partij. Hij zag dadelijk dat Lena Lugtens omringd werd door [213]jongelui, en dat haar balboekje van hand tot hand ging; hij had precies gezien dat het vol was; hij zag haar lachen en vriendelijk zijn tegen anderen, en hij had het land, geweldig!
De dames van de familie deden haar best tante Clara zooveel mogelijk te eclipseeren; zij hadden stoelen en tafeltjes langs den muur geplaatst, en in een dier „zitjes” mevrouw Lugtens in een hoek gezet. Met haar breede figuren zaten mevrouw Uhlstra en de dikke dochters te beproeven het ondeugende familielid aan de blikken der meeste gasten te onttrekken; men sprak tegen haar over al de soesah, die men had met de bedienden; over het gebrek aan toezicht in de achtergalerij op de dranken en de „eterij”, alles in de hoop, dat zij zich dienstvaardig zou betoonen en welwillend zich zou aanbieden voor de taak van asschepoester in het achterhuis.
Maar zij was gekomen om zich te amuseeren, en dat wenschte zij ook; zij had zich, tot ergernis van haar familie en van andere dames, gedecolleteerd, en al kon men aan enkele bekende indices wel zien, dat het geen jonge buste was—die gedeeltelijk werd vertoond,—het was er in elk geval een die veel jonge in de schaduw stelde.
Tante Clara wilde dansen; zij had de steenen gekocht en er waarlijk vijfhonderd gulden meer voor moeten betalen dan mevrouw Uhlstra had opgegeven,—zachts, dat zij ook danste op de huwelijkspartij! Freddy executeerde zich met souvereine kalmte. Wat konden hem al die lui schelen, die er waren? Hij ging met een vriendelijk gezicht op tante Clara af en vroeg haar voor een wals. Zij had, dacht hij, nog aardig wat „duiten”, en hij kon voor zichzelf nog heel wat gebruiken. De gasten, in de volle drukte der partij, deden alsof zij niets bemerkten; daar waren er onder, die van deze „kliek” nooit anders dan kwaad spraken. Maar op de partij waren ze gekomen!
Nu en dan maakte Eddy zich verdienstelijk met het toezicht op de bediening der dames, zekere drukte voorwendend, opdat zijn eigenlijke onthouding van de algemeene pret niet zou worden opgemerkt. Telkens als hij het goedschiks doen kon, ging hij de danszaal uit naar de voorgalerij om aan een der zijkanten een cigarette te rooken. Er werd nu een coquette gedanst en allen waren binnen; die er niet waren om te dansen, waren er uit nieuwsgierigheid en om te lachen over de „koopjes,” die dansgrage cavaliers soms snapten, als de schijnbaar uitnoodigende danseuse zich onttrok aan de poging om aan de invitatie te voldoen. [214]