[Inhoud]

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Het Faillissement.

Onder het dansen, wandelen, praten en lachen, liepen door het feest geruchten als geheimzinnige, onzichtbare slingertjes. Eddy Markens en Lena Lugtens hadden op het erf gewandeld aan den niet verlichten kant van het huis, en hij had haar gezoend! De gezichten waren zoo vol verontwaardiging alsof geen der aanwezige jongelieden ooit ’n zoen gekregen of ontvangen had; hier sprak de afgunst bij de meisjes, die volstrekt zoo afkeerig niet waren van Eddy, vooral niet nu hij een betrekking had; daar bij de jongelui, die Lena ieder ander dan hunzelven misgunden. Het was, vonden zij allen, een schandaal; de meisjes, omdat die Lena, altijd zoo geroemd en anderen voorgehouden als toonbeeld van fatsoen en betamelijkheid, op zoo’n lage manier de kat in ’t donker kneep; de jongelui, omdat men in het belagen der deugd van een meisje als Lena, weer het door en door gemeene van de „jongens Markens” herkende.

Er was nog ’n ander schandaal, waarover minder hard werd geoordeeld: Piet Uhlstra hield zich den heelen avond bezig met zijn schoonzuster Lize. Men had al veel gehoord van hun ongeoorloofde verhouding, en terwijl Henri in de achtergalerij zat te homberen, scheen het alsof Piet en Lize er zich in het publiek op toelegden de juistheid der praatjes over hen te bevestigen. Het was waar; zóó waar, dat toen Roos, [222]die het vreeselijk druk had met de zorg voor haar gasten, een oogenblik in haar slaapkamer kwam, omdat ze op was van vermoeienis en zij haast stikte in haar corset,—ze daar, achter een sempiran, haar jongsten broer vond en haar schoonzuster, in meer dan vertrouwelijk gesprek. Het vergalde al de vreugde van Roos dien avond. Piet had, overvallen, stotterend gezegd, dat ze een zakdoek zochten, dien Lize meende daar te hebben verloren; ze waren daarop beiden weggegaan, Roos had niets geantwoord. Wat daar gezocht was, wist ze wel!

„Men” had daarover wel gepraat, maar niemand ging het feit persoonlijk aan. De meisjes haalden den neus op voor den onooglijken Piet, dien zij, onder elkaar, den „hottentot” noemden; de jongelieden vonden Lize niet mooi, niet jong, getrouwd en met reeds groote kinderen; volstrekt geen benijdenswaardige relatie.—In die omstandigheden schoot nog de persoon van Henri over, en om hem werd eenvoudig gelachen! Was het niet een kluchtspel. Dat Lena zich, zooals verteld werd, door Eddy Markens een zoen had laten geven, dat was een schandaal, maar het andere gevalletje—precies ’n fransche vaudeville: le mari, l’amant et la femme! Aardig, ja?

Doch het schandaal had geen gevolgen. De eene maand na het huwelijk verliep, en de andere kwam, maar van Lena en Eddy hoorde men niets. Alles was teruggekeerd tot zijn gewone indische eentonigheid, zijn effen en onberoerd huiselijk sleurgangetje.

Van de bekende namen werd op de plaats, in den laatsten tijd, minder gehoord dan ooit. Het was of alles was ingezonken, na het hooghouden op het groote feest; een wezenlijke reactie. Men zag haast niemand meer als er „iets te doen was”; zelfs de weduwe Lugtens bleef een heelen tijd volmaakt onbesproken. In de stilte werkte Twissels; in het openbaar Henri en Piet Uhlstra; de een had voor zijn speculaties al wat de familie beschikbaar had ingepalmd; de anderen hadden de rest in hun landen gestoken gekregen. En zoo broeide het door, zoetjes aan, op hoop, en zonder dat de meesten er veel over tobden of zich zorgen maakten voor hun geld en goed, anders dan in de enkele oogenblikken, dat ze eens wezenlijk doordachten. Dan brak er wel eens een ’t klamme zweet uit, maar dan haastte men zich zulke nare gedachten te verwerpen.

De slag viel geheel onverwacht. Alsof het met bliksemstralen door de straten en langs de wegen voortvloog, ging het gerucht van het faillissement van Twissels. Eddy hoorde het op zijn kantoor en vroeg verlof dien dag. Zijn chef gaf het hem dadelijk, wetend hoe zwaar zijn familie in de zaak was betrokken. Het eerst reed hij naar zijn broer [223]en zijn gemoed schoot vol, toen hij het mooie huis binnentrad, zoo keurig ingericht. Roos en Freddy zaten in de achtergalerij, zij met een glas stroop en reeds ’n heel eind „in positie”, hij in een luierstoel met ’n halfje champagne naast zich en ’n parijsche courant in de hand. Zij leefden er voortreffelijk van en konden wel met elkaar overweg, niet meer van elkaar en van de wereld vergend dan die geven konde en daarmede rustig en tevreden.

„Wel?” riep Roos verbaasd. „Eddy, hoe kom jij zoo hier en op dit uur?”

Haar man sprong verschrikt op. Hij kende zijn broer zoo door en door; zij hadden samen zoo menigmaal in den „piepzak” gezeten, dat hij waarlijk wel aan diens gezicht kon zien, hoe helder overigens en rustig, of er goed of kwaad nieuws te wachten stond.

„Heb je me iets te zeggen?” vroeg hij met een schielijken wenk. Hij dacht aan een sterfgeval in de familie en vreesde een onvoorzichtigheid in verband met de „positie” van zijn vrouw.

„Ja, ik heb iets te zeggen. Als een bepaalde ramp beschouw ik het niet; maar het is toch hoogst onaangenaam.”

Roos werd doodsbleek.

„Dan is het kantoor van Twissels over den kop,” zei ze met ’n bevende, toonlooze stem.

Eddy knikte bevestigend.

Jammerend en scheldend begon Freddy in groote opgewondenheid, stampend nu en dan met z’n bloote voeten op de marmeren steenen, heen en weer te loopen, als een tijger in z’n hok. Hij zou het er niet bij laten! Twissels was een dief, een oplichter, een zwendelaar en al wat er meer was; maar hij, Freddy, zou hem vermoorden; al moest hij ervoor aan de galg komen, het kon hem niet schelen. Twee ton hadden ze er in zitten! „En die zijn nu weg, meneer!” zei hij tegen zijn broer met de vuist op de mahoniehouten etenstafel slaande, dat de stroop van Roos over den rand van het glas vloog; „die zijn nu weg, meneer! Totaal naar den bliksem!

En terwijl hij, dol van wanhoop, om het geld, dat hij zoo liefhad, tekeer ging als een bezetene, sloop Roos met moeite heen. De schrik had haar „positie” vernietigd, maar haar man lette daar nu niet op.

„Ik begrijp niet,” zei Eddy, „waarom je zoo op Twissels scheldt.”

Met wijd geopende oogen keek zijn broer hem aan, stil, met zijn woede omvergeworpen, door het overweldigend idee, dat er iemand was, die niet begreep, waarom hij schold op den man, die ’n groot deel der fortuin zijner vrouw naar de maan deed verhuizen. [224]

„Neen,” ging Eddy voort, „dat begrijp ik niet. Het was bekend genoeg.”

„Wat was bekend genoeg?”

„Wel, dat Twissels speculeerde in producten. Dat heb jij net zoo goed geweten als ieder ander.”

„Ik?” riep Freddy, terwijl al zijn boosheid zich keerde tegen zijn jongeren broer. „Heb ik dat geweten?”

„Wel waarachtig! Nog geen maand geleden heb ik ’t je zelf gezegd.”

„Dat lieg je.”

Eddy was opgestaan, en de muilpeer, die hij zijn broer toedacht, zou er reeds hebben opgezeten, als hij zich niet, denkend aan de financieele ramp, met geweld had bedwongen.

„Het is de waarheid, ik heb het je zelf verteld; ik zou den dag en het uur kunnen opgeven.”

Maar Freddy wond zich hoe langer hoe meer op.

„Je liegt het, zeg ik. Je bent net zoo’n smeerlap als Twissels. Jullie hebt zeker onder één deken gelegen. Zoo is al dat schuim van den handel! Dieven en oplichters, anders niet. Jij zal ook je deel wel hebben gekregen van onze duiten.”

De stoel, waarop Eddy Markens had gezeten, zweefde hoog en snel door de lucht, gelijk een batonneerstok zoo handig bewogen, en een seconde later kwam hij neer met een zijstuk boven op ’t hoofd van Freddy, die een oogenblik wankelde, als duizelig, en met beide handen in z’n haar greep, waar tusschenuit het bloed vloeide over zijn voorhoofd, hem de oogen verblindend; toen zonk hij ineen op den vloer, het bloed zijn goed vuilmakend, sterk donker vervloeiend over het wit van zijn kabaja en dat van den marmeren vloer.

Eddy ging regelrecht naar achter.

„Ga meneer helpen,” zei hij barsch en zoo bevelend als een in Indië geboren mensch kan spreken tegen bedienden. „Er is een ongeluk gebeurd.”

In zijn boosheid nog onontroerd, stapte hij met groote schreden naar voren, het erf af, bij zichzelven herhalend, dat het hem niet schelen kon, al had hij den ander doodgeslagen.

Tot zijn geluk was het zoo erg niet, en kwam Freddy met behulp van koud water heel gauw tot zijn bezinning, zonder ander lichamelijk letsel dan een hoofdwond, die hem leelijk pijn deed, maar met een zoo fellen haat tegen zijn broer in z’n hart, dat alleen de diepe overtuiging ’t hem betaald te zullen zetten eenige bevrediging schenken kon.

„Heb jij niks gehoord?” vroeg hij, de slaapkamer binnenkomend.

Maar plotseling verstomde hij; de lijfmeid van Roos was stil maar [225]druk in de weer. Freddy begreep wat er gaande was; hij zag Roos in bed liggen, haar kussens nat huilend. Ook dat had die lage kwajongen, dacht-ie, hem geleverd. ’t Was wel het ergste niet … toch!

„Wat heb je?” vroeg Roos opkijkend naar den doek om z’n hoofd.

„Hij heeft me verraderlijk geslagen met een stoel.”

„Wie!”

„Wel … wat ’n gekke vraag! Wie anders, dan die gemeene rakker, die Eddy, die dief.”

„Maar, wat was er dan!”

„Wat er was? Begrijp je dat niet? Al dat vuile volk van den handel spant met elkaar samen. En die Twissels en Eddy … nou! Geloof maar dat die wel weten waar ons arme geld is gebleven.”

Roos richtte zich verstomd op, den rechterelleboog in het kussen, de hand onder het hoofd, in al haar verdriet verwonderd en verrast boven alles.

„Zou je het denken, Fred?”

„Twijfel je er nog aan? ’t Is diefje en diefjesmaat!”

Zij twijfelde niet; zij geloofde het. ’t Was immers een door zoovelen erkende omstandigheid, dat ieder, die zijn tractement niet put uit een schatkist of geen fortuin bezit van zichzelven, op ’n min of meer oneerlijke manier aan den kost moet komen! Buiten eigen privaatvermogen en ’s lands kas bestond er niets dan twee soorten van dieven, de openbare, die in de gevangenis gingen, en de geheime, die, al rijk wordend, het er goed van namen in de wereld. Zoon van een hoofdambtenaar, man van een gefortuneerde vrouw, leeglooper van beroep, en van roeping parasiet van gefortuneerden, hadden omgeving, afgunst, luiheid en roofzucht zijn karakter gevormd en de stof geleverd voor een meening, met een stoel door Eddy hem, nu definitief, in het hoofd geslagen. Zij geloofde het met groote graagte, en zij spraken er nog over, toen haar moeder kwam. Het was een aanstommelend rumoer, als van een heel ver opkomend onweer; het sloeg als het ware de kamer in, maar toen was ook de kracht gebroken, en mevrouw Uhlstra had nog juist den tijd een divan te bereiken om een zenuwtoeval te krijgen, zonder zich, al vallend, te beschadigen. Henri, die achter haar aankwam, suf en soezerig van uiterlijk, bleef in de post van de deur staan. Tot zijn groote woede zag Freddy, dat zijn oudste zwager weêr meer had gedronken dan hij kon verdragen; sedert Henri, terug uit Europa, zooveel huiselijk leed had te verduren, zocht hij troost bij den drank.

Een oogenblik trof Roos de ellende van het geheel; zij, met het aanhoudend gevoel van ziek zijn en blauw van toenemende uitputting; [226]haar moeder in overprikkelden zenuwtoestand gillend op den divan, haar man met den doek om het hoofd, niet eens naar haar persoonlijke omstandigheden vragend, en Henri, ’n glas water schenkend nu voor mama in onvasten stand, met een gemompel van slechts half verstaanbare woorden.

Maar wat haar meer verbaasde en trof, was dat mama ook zooveel geld had verloren; die maakte haar nog wel zoo’n standje, omdat ze haar geld aan Twissels had toevertrouwd!

„Ik dacht niet, dat u er iets mee te maken had!”

Midden in haar zenuwtoeval hield mevrouw Uhlstra ineens op met gillen, overgaande in een jammertoon.

„Het is jouw schuld, Roos.”

„Wees toch niet zoo dwaas, ma! Ik heb al genoeg aan mijn eigen ongeluk. Als u hier bent gekomen om malle standjes te maken.…”

„Ik dacht dat jij pinter was.… Dáárom heb ik mij met dien schelm weêr verzoend.… heb ik hem van ’t mijne ook gegeven.”

„Veel?” vroeg Freddy in grooten angst.

„Alles!” jammerde de oude vrouw. „Alles wat ik bezat.… Ik ben zoo naakt als een pas geboren kind.”

Henri begon te grinniken, wat hem de hik deed krijgen en zijn familie in volle verontwaardiging bracht.

„Mijn God!” zei Roos nu weêr huilend. „Wat ’n kerel! Hij lacht erom!”

En mama Uhlstra, die haar oudsten zoon een stomp gaf tegen zijn schouder:

„Schaam je toch.… leelijke dronkaard.”

Freddy nam hem bij den arm en trok hem meê naar buiten. ’t Was een „goedaardige dronk,” dien Henri Uhlstra over zich had.

„Wat heb je aan je kop?” vroeg hij.

„Gestooten.”

„Hm! Zeg, dat is gek, hè? Watte? Die Twissels is ook ’n rare.”

In zenuwachtig nadenken zat Freddy nu eens op een stoel, stond dan weer op, liep ’n paar passen, ging weer zitten.…

„Zooals met mij,” ging Henri voort, „is ’t nog maar het beste.… Ik sta debet, en leelijk ook.… Met mijn geld kan geen mensch meer strijken gaan.… Het land blijft wel op z’n plaats liggen!”

’s Avonds, toen men van den eersten grooten schrik was bekomen, werd er ’n soort familieraad belegd; mevrouw Lugtens, die ook veel verloren had, was er nog ’t kalmste onder. Daar Roos niet op mocht staan, zaten ze bij haar in de kamer. Als men alles wat overbleef meêrekende, [227]had ieder nog wel genoeg om te leven, maar er moest zeer verminderd worden; kleiner huizen van bescheiden huurprijs, geen equipages, weinig bedienden,—het was alles heel ongelukkig, doch, daar troostte men elkaar mee, het zou gedeeltelijk kunnen terechtkomen, uit de landen.

Henri, nu nuchter, bezwoer dat dit wel zou gaan; al die narigheid verveelde hem, en schoon hij heel goed wist, hoe weinig kans er bestond op ’t behoud van Tji-Ori en Koeningan, blufte hij er lustig op los, sprak als in een droombeeld van de vermoedelijk prachtige resultaten zijner aanplantingen, de rijzing der marktprijzen, de mooie houtverkoopingen, die hij zou houden,—tot aller hart weer lichter werd.

Onder die omstandigheden werd hij een ander man, fleurde hij zelf ook op, liegend tot hij zelf geloofde dat ’t waar was.

De namen der families waren weer eens algemeen op de tong, besproken met medelijden. Enkele oude vrienden toonden belangstelling. Uit den boedel van Twissels kwam hoegenaamd niets. En de metamorphose volgde in stilte. De groote huizen werden gemeubeld verhuurd, het overvloedige, met voor een groot bedrag aan juweelen, onderhands verkocht. Twissels vertoonde zich aan niemand, ging met zijn huishoudster naar „boven” ergens in ’t gebergte, om tot verademing te komen. Hij was blij, hij dankte nu den hemel, dat ’t gedaan was; aan zorgen en angsten had hij veel geleden; de laatste slag, hoe doodelijk, was een bevrijding geweest. En toen de nieuwe toestand was ingetreden, leek ’t hen allen een droom.

„Ik kan ’t me nog niet voorstellen,” zei Roos, die, gauw hersteld, zich rustig schikte in het kleine huisje, met een gemengd meubilair van nieuw eenvoudig goed voor dagelijksch gebruik en daartusschen enkele stukken, waaraan zij gehecht was, en waarvan één meer gekost had, dan het nieuw aangekochte samen; met op heel gewone étagèretjes bibelots van vroeger; kostbaar, maar niet te verkoopen.

„Ik zit te pikeren,” zei Freddy, die nog ’n pleistertje droeg op zij van z’n hoofd, over de genezende wond. „We zullen toch moeilijk rondkomen.”

„Neen, we moeten wat doen, en dat is gemakkelijk genoeg.”

Zij ontwikkelde haar plannen, en die bevielen hem voor zoover het werk der uitvoering op haar zou neêrkomen, want de enkele gedachte aan werk hinderde hem nog altijd. Koeien houden en melk verkoopen deed mama reeds; een karrenverhuurderij was hem te veel soesah; er was één goed idee: Roos moest geld leenen tegen veel rente aan vrouwen, die het noodig hadden, en die er pand voor konden [228]geven. Dat plan druk besprekend, verbleekte Freddy plotseling, kijkend naar het groene hekje, dat den toegang van het kleine erf afsloot.

„Fred, ik kom je excuus vragen,” zei Eddy binnenstappend. „Het spijt me erg, dat ik het gedaan heb; je moet het me vergeven.”

Hij stak hem de hand toe, en Freddy, na een oogenblik van aarzeling, gaf hem de zijne, met een vreemd lachje.

Soedah,” zei hij, „het was er anders een om lang te onthouden.”

„En het was gemeen van je,” viel Roos uit. „In zulke omstandigheden en terwijl jij met dien gemeenen kerel ons geld hebt opgestoken.”

Zij geloofde het nog altijd vast, en toen hij haar vertelde, dat hij met zaken als die van Twissels niets te maken had en ook niet kon hebben, er slechts in het algemeen van gehoord had als iedereen, maar er nooit van wist, en als eenvoudige employé op ’n ander kantoor van zulke dingen ook niet weten kon, toen moest ze hem wel gelooven, maar ze deed het zonder overtuiging.

Freddy zat de explicatie aan te hooren; hij begreep het wel, en vervolgde in stilte het idee, dat hij met Roos had besproken.

„Je begrijpt,” zei hij tegen zijn broer, „dat het ’n heele soesah is voor ons. Wij hadden er in ’t geheel niet op gerekend. Henri en Piet kunnen hun rente niet betalen vóór ze over hun producten hebben afgerekend.… Heb jij misschien.…?”

„Nog acht mille.”

Eddy Markens kreeg tot zijn eigen verbazing en ergernis een kleur als vuur.

„Geef mij die,” zei Freddy onverstaanbaar. „Ik zal je er vijf percent over vergoeden.”

„Dat is niet noodig.”

„Nu, ook goed.… onder familie.…”

„Het is eigenlijk geld van jou, Fred. Ik ben blij, dat ik je er mee van dienst kan zijn; voorgoed; om het te houden. Ik ga het dadelijk halen.”

„Heel aardig van je, dat moet ik zeggen.… Heel flink!”

„Maar.… zóó is het nu niet,” zei Roos, met de uiterste verbazing. „Wij zijn er niet zoo erg aan toe, dat wij op die manier en door jou geholpen moeten worden.”

„Maak je daar geen zorgen over.”

„Neen,” zei ze beslist, „ik wil het niet hebben.”

Maar Freddy beet haar knorrig toe, dat het een zaak betrof tusschen hem en zijn broer, waarvan zij niets wist en waarmee zij zich niet had te bemoeien. [229]

„Je hadt,” zei hij later, toen Eddy weg was om het te halen, „je mond er buiten moeten houden.”

„Het is terlaboe!” antwoordde Roos met een heel ontevreden en verdrietig gezicht; „we behoeven Goddank nog niet afhankelijk te zijn van onze familie.”

Over zijn bleek gezicht, dat magerder was dan vroeger, waardoor zijn scherpe kromme en bleeke neus boven ’n puntig baardje, dat hij liet staan, grooter uitkwam, gleed een kwaadaardige grijns.

„Afhankelijk! ’t Mocht wat!”

„Wel als men hun geld aanneemt.…”

Zijn geld? We hebben indertijd samen een zaakje gedaan.… koop en verkoop, weet je.… Ik deed het werk, maar gaf hem toch de helft van de winst.”

„Hé!” zei Roos verwonderd. „Daar heb je me nooit iets van verteld!”

„Nou, je begrijpt, dat hij het heel goed inziet.… Het is eigenlijk mijn geld, dat hij me teruggeeft.”

Roos was het dáármee wel niet eens, maar het leek haar nu toch veel minder bezwaarlijk, en ten slotte keek ze met genoegen naar het aardig stapeltje bankpapier, dat Eddy ’n half uur later op de tafel uittelde. Het ging hem aan het hart, dat moest hij zichzelven eerlijk bekennen. Maar het moest. Den rechtmatigen eigenaar kon hij het niet teruggeven, zelfs niet anoniem terugzenden; dan moest de onrechtmatige het maar hebben; hij wilde het niet houden; dàt in geen geval!

Niettemin deed hij met hartzeer afstand van de acht mooie pakjes; het was alles wat hij bezat, want, dat was zeker: papa Markens, die bovendien ook al niet vrij van schade in den laatsten tijd was gebleven, zou, zooals men het noemt: zich niet ontkleeden vóór hij naar bed ging.

Hoofdschuddend keek Freddy z’n broer na, toen die het erfje af en den weg op liep. ’t Was ’n knappe jongen van uiterlijk en er zat ’n heldere kop op; in stilte erkende Freddy, dat, wat kennis betrof, zijn jongere broer veel meer beteekende dan hij. Maar welk een ezel in zaken! dacht hij. Wat moest er in den handel en zoo terechtkomen van zulk een individu? Hij voelde in z’n zijzak het dikke pak bankpapier. Wat ’n aangename sensatie! Welk een genot zoo iets te voelen! En dat schaapshoofd dat daar ging, en niets in de wereld bezat, gooide zoo’n kostelijk sommetje moedwillig weg. ’t Was waarachtig een feit voor Freddy zoo ongehoord, dat, naar zijn meening, menigeen voor minder dan dat in ’t gekkenhuis zat. [230]