[Inhoud]

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Geldzaken.

Tusschen Twissels en zijn huishoudster waren in zoover de rollen omgekeerd, dat zij hem onderhield in plaats hij ’t haar deed. Het behoefde strikt genomen niet, want hij had zooveel en zoo groote zaken gedaan, en er waren zooveel lieden, die daarmeê aanzienlijke sommen hadden verdiend, dat hij, voor zoover zijn bestaan betrof, grif zou geholpen zijn. Doch dat wilde hij niet. Men had hem die hulp aangeboden: kort en onaangenaam had hij ervoor bedankt, en was met Louisa naar een binnenplaatsje vertrokken, zoo te zeggen met de Noorderzon, en alles latend à l’abandon. Zij had de teugels van het bewind heelemaal in handen genomen, zonder van haar macht misbruik te maken. Hij was oud, en afgeleefd en arm nu; maar toen hij, vroeger, nog krachtig was en rijker dan eenig ander, had hij zich niet geschaamd over haar, al was zij slechts zijn huishoudster: nu zou zij hem ook niet in den steek laten, voor alles ter wereld niet.

Maar toen het gelukkig gevoel van verlichting had uitgewerkt, kwamen de naweeën van het zenuwoverprikkelend leven met geweldige kracht. In de koelte van het bergklimaat, bij de verpletterende rust van een kampong, in een klein plaatsje in ’t binnenland, en de slaperige stilte onder het dichte loover, waardoorheen den ganschen dag zachte lichtbolletjes speelden van den weinigen doorvallenden zonneschijn, hield de oude koopman, die meer dan veertig jaren aan de kust een druk zakenleven had geleid, bezig van ’s ochtends tot ’s avonds, het niet uit. Het was een net planken huisje, hoog uit den grond, proper en fatsoenlijk gemeubeld, als van een gepensionneerd ambtenaartje; de houten vloer der voorgalerij was met ’n mat bedekt; nieuwe goedkoope medaillonstoeltjes vormden zooveel etappen langs den wand, met van bruin politoer glimmende knaapjes in de hoeken.

En aan den eenen kant in een singapoorschen rotanstoel lag, stil, bewegingloos, wat er over was gebleven van den man wiens handen millioenen aan geld hadden bestuurd, wiens woord zooveel jaren honderden in beweging had gezet. Louisa zat naast hem op een gewonen stoel druk bezig met het borduren van een kabaja-strook. Zij spraken geen woord. Zijn nu geraamteachtige figuur zonk heelemaal weg; ’t was of daar een groote wijde kabaai lag en een bijzonder lange slaapbroek met niets erin; aan den eenen kant als toevallig twee verschrompelde vel-over-been-voeten [231]eruit stekend; aan den anderen een oud witgrijs en met diepe rimpels doorwerkt kinderkopje, met doffe, wezenlooze oogen en door ’t krachteloos neêrhangen van de onderkaak een half-open mummelmond.

Enkel zijn spichtige vingers, rustend op de stoelarmen, trommelden slap en zwakjes op het randje van de glasopening, eraf glijdend nu en dan, zonder dat hij ’t voelde, machinaal doorbewegend in het leege gat.

„Hij gaat uit als een nachtkaars,” had de dokter tegen Louisa gezegd; dàt had zij wel zien aankomen; hij lag zachtjes aan weg te sterven, zwakker en benevelder van geest heden dan hij gister was; sterker en helderder vandaag dan hij morgen wezen zou; daar hielp geen kaldoe voor, of ’n glaasje spaansche wijn; daar waren geen melk en een zacht eitje tegen opgewasschen! Trouw gaf ze het hem op de bepaalde tijden; zij hielp hem in alles. In het begin had hij nogal gepraat met haar en rondgekuierd tusschen de bloemperkjes op het erfje; later had hij zich bepaald tot het huisje, want de zes treden op en af vermoeiden hem zóó; nu moest zij hem helpen van den stoel op het bed en omgekeerd, tot hij heelemaal te zwak werd om er uit te komen.

Nooit had hij een woord tegen haar gesproken over zijne zaken. Of hij er nog veel aan gedacht had in het eerst wist niemand. Soms kwamen er brieven, altijd met den gedrukten naam van den afzender boven op het couvert; Twissels opende ze niet, maar zond ze terug, met een briefje van Louisa, dat zijn toestand hem niet veroorloofde zich met zaken te bemoeien; hij onderteekende het met een onvaste hand en beverige letters.

Maar hoe hij ook achteruitging, het leven scheen in het lange magere lichaam als vastgeroest. Maanden „ging hij uit,” zooals de dokter had gezegd, en verpleegde Louisa hem, zonder ooit één woord van ongeduld of één oogenblik van opzien tegen de moeite of de kosten.

Tot hij op een ochtend dood was.

Zij had er niets van gemerkt; toen zij hem moeilijk met een lepeltje voor de laatste maal zijn medicijn had ingegeven, leefde hij nog, en zij zag bij het schijnsel van de nachtlamp, dat hij haar bedankte door zachtjes te knippen met zijn oogleden en z’n vingers te bewegen. Toen was ze rustig ingeslapen op haar bed tegenover het zijne, en ze dacht, ontwakend, dat hij sliep, zoo stil lag hij, de oogen gesloten. Maar hij was dood en koud! En de tranen welden nu volop in haar groote zwarte oogen. Ze was bedroefd om het sterven van dat overschotje van een ouden heer, van een egoïstischen man, die haar vrouwenleven had bedorven.

Het stond haar nog zoo goed voor, dat hij haar letterlijk kocht van [232]haar ouders, en welk een haat en afkeer zij tegen en van hem voelde.

Zij had zich verzet tegen zijn eerste pogingen; doch toen men haar letterlijk aan hem had „geleverd”, voor veel geld, gaf zij, als plichtmatig, toe, en eenmaal over ’n zekere grens heen en uit gewoonte, was het zoo voortgegaan; ’t had haar hoe langer hoe minder gehinderd. En dan: hij was goed en royaal geweest; ook, wat zijn leven buiten zaken aanging, met weinig tevreden; meestal gelijkmatig van humeur.

Het jammerlijke was, dat zij nooit liefde had gekend; dat de groote levensvreugd van eerlijk en met wederzijdsche neiging gedeeld genot haar vreemd was gebleven; dat haar geen maatschappelijke positie was ten deel gevallen; zij was geen wettige vrouw geweest en had geen moeder van onwettige kinderen willen zijn;—maar een goed leven had zij bij hem gehad, in den gewonen zin; en het was zijn schuld zoozeer niet geweest, ten minste zij rekende het hem niet aan als zoodanig, wanneer hij niet meer had kunnen geven dan dat.

Neen, zij was hem toch dankbaar! Hij had haar niet verstooten toen ze niet jong meer was, niet frisch en niet mooi meer; hij had haar nooit vernederd of mishandeld, gelijk er zooveel doen; hij had haar zelfs nooit verborgen voor de oogen van andere menschen, zooals men zijn schande verbergt. Met zijn eigenaardige onverschilligheid voor het oordeel van anderen over hem, wortelend in zijn vreemdsoortig karakter en in de macht van zijn positie en zijn vermogen, had hij zich harer niet geschaamd toen alle hoeden nog voor hem werden gelicht waar hij zich ook vertoonde, en er op de plaats niemand was of hij had Twissels voor dit of dat noodig.

Aan dat alles dacht Louisa, kijkend naar het kleine oude hoofd, stijf en strak op het kussen, en ze huilde, haar gezicht in de donker getinte handen, lang en bedroefd.

De enkele Europeanen, die in de kampong woonden, kwamen mampir uit nieuwsgierigheid. Was dat nu die voorname meneer, die „bankroet” was gegaan? Wel, wel! Maar als ze het lijk hadden gezien, trokken zij stilletjes af. Waarmee zou men zich bemoeien? Louisa had enkel maar hulp van het inlandsche kamponghoofd; dat zag wel, met de opmerkzaamheid inlanders eigen, dat hij te doen had met gevallen grootheid, en ’t lag in zijn volksaard daarvoor sympathie te voelen en kasian. Men had haar aangeraden te telegrafeeren, maar dat wou ze niet. De mooiste lijkkoets, die men had op ’t plaatsje, kwam voor de kampong weg en ’n fraaie djati-houten kist, meer dan twee meter lang, met blinkend beslag, werd erin gezet. De heele kampong liep uit om te kijken naar die eerste klasse begrafenis. Mannen, vrouwen, kinderen, Europeanen, [233]inlanders,—ze stonden in een dichte groep erom heen, vooral bij de paarden met de pluimen.

Langzaam ging de wagen voort, over den grooten weg, in het over de lengte wegschietend licht der opkomende zon; de gehuurde dragers erachter; anders niemand. Enkel ’n heel eind verder aan den kant van den weg, in een huurkarretje en in sarong en kabaai, volgde Louisa; op haar schoot had ze een presenteerblad met bloemen en rozeblaadjes, die ze strooien zou op het graf, en haar gezicht droeg de vaste, besliste naar voren trekkende uitdrukking van iemand die zich heeft voorgenomen een plicht te vervullen tot in zijn laatste consequenties.

Het gaf een oogenblik van algemeene ontroering toen men het overlijden las van Twissels; het ging door de huizen en de kantoren als een schrik, met „och!” en meêlijdende hoofdbewegingen; met ’n zucht en ’n „wel, wel!” Maar het duurde niet lang.

De tijden waren slecht, en werden er niet beter op. Iedereen had genoeg aan zijn eigen moeiten en zorgen. Wat kon men zich nog inlaten met dooden, die hun tijd hadden gehad!

Er was tegenwoordig ook altijd en overal iets in het familieleven. Nu waren de andere kinderen van Lugtens uit Europa gekomen, en wat moest men daarmeê aanvangen? Ook twee jongens en totaal mislukt. Dolle, opgewonden geëuropeaniseerde oosterlingen waren het, met groote drukte en beweging, enkel tuk op pret maken, en die van niets wisten, wat de zaken en den meer en meer nijpenden toestand betrof. Zij meenden, dat ze rijk waren. En mevrouw Lugtens moedigde dat aan; gaf de jongens geld als water, of zij het had voor ’t opscheppen. Het hield mevrouw Uhlstra, die het verdriet zag van Lena,—nu wel degelijk heelemaal op de hoogte—in een staat van voortdurende opgewondenheid.

„Er moeten maatregelen genomen worden,” zei ze tegen haar petekind. „Dat gaat zoo langer niet.”

„Toch niets ergs tegen Mama?”

„Dat weet ik niet. Ik zal naar een advocaat gaan.”

„Zou er niet buiten vreemden om iets te doen zijn?”

Eigenlijk vond mevrouw Uhlstra dat ook verkieslijk.

„Och,” zei ze, „iedereen weet er toch alles van. Maar je hebt gelijk. Schendt men zijn neus.….”

„Als er ten minste iets anders op is te vinden.….”

„Weet je wat. Ik zal den ouden Markens raadplegen. Hij kan die dingen net zoo goed als iemand anders. Hij moet me helpen.” [234]

„Zou hij willen?”

„Wat!” riep mevrouw Uhlstra. „Of hij zou willen? Hij? Heeft hij zijn duiten niet te danken aan mijn zaligen man en aan jouw vader en aan Geber? Als hij ons niet had gehad, zat hij nou nog, net als vroeger, tot over z’n ooren in de beren.”

Nu, Markens dacht niet aan het weigeren van zijn tusschenkomst. Hij was er integendeel meê gevleid, en verheugd zooals iemand, die den heelen dag niets te doen heeft, over een opdracht van werk. Hij hoorde het relaas aan met een boven zijn witte, hooge das vooruitgestoken gezicht, de lippen samengetrokken, met korte knikjes van goed begrijpen onder den zenuwachtigen rammelslag van mevrouw Uhlstra, die het zondenregister las van haar zuster Clara, doorspekt met scheldwoorden aan het adres der gezonkene, de namen noemend van een heel troepje te kwader faam bekend staande europeesche jonge mannen die met haar en op haar kosten hadden geleefd; het een zoo ruw als het andere.

Met zijn onverstoorbare kalmte keek Markens in zijn wetboek. Hij kende de bepaling wel, maar het stond goed, en ’t was een bezigheid.

„Zij moet onder curateele gesteld worden,” zei hij na eenige minuten langzaam zoeken, terwijl mevrouw Uhlstra, in spanning, ongeduldig met haar waaier tikte.

„Dat heb ik ook gedacht.”

„Het verzoek moet ingediend worden bij den rechter. Wil u het onderteekenen?”

„Wat moet erin staan?”

„Alles.”

Mevrouw Uhlstra zuchtte diep; tranen stonden haar in de oogen. God, het was zoo hard! Het te zeggen, boos, kwaad, nijdig, dat was niemendal. Maar het te zien geschreven staan op een gezegeld papier en zijn naam eronder te zetten,—’t was of een koude rilling haar langs den rug liep!

„Het is zeer treurig,” zei Markens deftig, „treurig inderdaad. Er is echter niets aan te veranderen. Het moet!”

„In Godsnaam dan, en dank-je voor de hulp.”

„Ik zal de stukken in orde maken, en haar gaan waarschuwen.”

Daar begreep mevrouw Uhlstra niets van.

„Het is billijk,” betoogde hij. „Zij moet toch gehoord worden. Welnu, laat zij zeggen, wat zij wil, maar waarschuw haar.…. of, laat het maar aan mij over.”

Wantrouwend keek mevrouw Uhlstra hem aan. Waarom wou hij dat „waarschuwen” zoo bepaald zelf doen? Doch Markens zag er zoo oud, [235]zoo achtbaar en zoo weinig begeerig uit, dat zij om haar eigen dwaas idee moest lachen.

De oude heer had niet kunnen zeggen wat hem dreef tot het aanbod zich zoo ver met deze onaangename zaak in te laten. Hij was er zelf verwonderd over, toen mevrouw Uhlstra weg was. Zij hadden al zooveel vuil linnen onder elkaar gewasschen,—hij had het hun ditmaal ook wel kunnen laten doen!

Nu hij het eenmaal had beloofd, zelfs aangeboden, zou hij het doen, en wetend hoe uitstel het lastige nog lastiger maakt, besloot hij de stukken dadelijk op te stellen en den volgenden dag zijn bezoek af te leggen bij de weduwe van zijn ouden sobat.

Toen hij stijf in zwarte jas met wijde slobberpanden in de achtergalerij kwam, waar zijn vrouw haar hoofdstuk las uit den bijbel, zei hij op een toon van gewicht:

„Ik moet even uit.”

„Waar ga je heen?” vroeg zij, opkijkend.

„Een zeer kiesche en vooralsnog geheime zaak. Ik ga de weduwe Lugtens bezoeken.”

„Wat zeg-je? Die vrouw?”

„Het is op verzoek harer familie. Haar levenswijze is van dien aard, dat er aanleiding bestaat haar onder curateele te stellen.”

„Moet jij haar daarom een bezoek brengen in haar huis?”

„Het is billijker en beter; het bekort het verloop der zaak. Tot straks!”

„Ik hoop,” zei mevrouw Markens met grooten nadruk, „dat de Heer over je zal waken en je schreden zal begeleiden.”

Verrast stond hij stil, omkijkend, de witte wenkbrauwen omhoog getrokken met kluchtige verwondering, en toen zij, ook met groote oogen en lange hoofdknikken, ernstig hem aanzag, liep hij, „Maar.…! Maar …!” zeggend en lachend bij zichzelven, naar buiten. Zoo iemand, dan moest zij toch weten, dat hij in dit geval den Heer ontberen kon!

Met zijne zachte, bescheiden stem riep hij bij mevrouw Lugtens in de voorgalerij herhaaldelijk „Sapada,” maar er kwam niemand.

’t Was niet meer het paleis van vroeger, maar toch nog ’n heel net huis, en het zag er alles, merkte hij den boel eens opnemend, fatsoenlijk en comfortabel uit. Hij had in ’t minst geen lust onverrichterzake heen te gaan. Zachtjes draaide hij aan den porseleinen knop van een der deuren en trad in de binnengalerij, waar het er ook net burgerlijk uitzag, met meubelen van goed djati-hout, staalgravures aan den wand. Op z’n gemak nam Markens dat alles waar, langzaam voortschrijdend, voetje voor voetje, bij zichzelf berekenend hoeveel er nog van het groot vermogen [236]door Lugtens nagelaten wel over kon zijn. Al pikerend en rondkijkend was hij, vóór dat hij het wist, in de achtergalerij, en daar stond hij ineens stil als in een onbeweegbare figuur veranderd van schrik. Tegen de kruislatten van het groene buitenhek zat op den grond een jonge inlander, den hoofddoek glad en zorgvuldig om het hoofd, het vrouwelijk gezicht zonder spoor van baard, fijngeel van kleur, met den gebogen neus der Javanen van goede geboorte, zonder verdere kleedij dan de door een gouden gewerkten band om de lenden opgehouden sarong. En naast hem op de mooie palembangsche mat vol kleurige figuren in een crêmekleurige kabaja over haar zijden sarong zat de weduwe Lugtens, lachend en pratend, onder een zorgvuldig aangewende laag blanketsel en rood, met kindermaniertjes kleine stukjes manisan snoepend uit een stopflesch. De flesch viel uit haar hand, zoo schrikte zij ook, toen het heele verleden daar voor haar stond als belichaamd in den deftigen Markens met zijn witte das om en in zijn lange zwarte jas. De inlander, klerk van een ambtenaar, was al verdwenen voor men een woord gesproken had. Hij kende zoo goed als ieder ander den gepensionneerden toean besar; hij greep zijn baadje en slipte als een aal door het hek heen achter hem.

„Men komt anders hier niet zóó maar naar achteren loopen,” zei Clara snibbig, inwendig kokend van woede.

Markens had zijn bedaardheid terug en ging zitten op een stoel tegen den muur.

„Ik kom u spreken over zaken.”

„Dan had u wel behoorlijk kunnen roepen.”

„Dat heb ik gedaan. Doch laat dat zijn. Wat ik u kom meêdeelen is, dat door uw familie, met het oog op uw verkwistende levenswijze, een verzoek is gedaan om u onder curateele te stellen.”

Wezenloos keek zij hem aan, stamelend, geheel uit het veld geslagen.

„Curateele.…? mij.….?”

„Ja. U zult wel niet ontkennen, dat daarvoor reden is. Het had reeds vroeger moeten gebeuren.”

Zij barstte in tranen los, onbekommerd om het lot van bedag en rouge, jammerend, tusschen haar snikken; haar familie scheldend voor dieven en afzetters; zich erop beroepend, dat zij niemand iets vroeg; dat zij kon doen en laten wat zij wilde; zich op de borst en voor het hoofd slaande, en, met loshangend haar nu, waartusschenuit blaadjes melati op den grond vielen, eindelijk in een luid huilen ineenzinkend op een divan. Onbewogen zat Markens op den stoel tegen den muur, de kin op den gouden knop van zijn dikken rotting. Scènes deden hem niet aan. Zijn eigen vrouw [237]had hem er op zooveel onthaald vóór zij, oud geworden, haar troost zocht in het overdreven religieuse, dat hij daartegen volkomen bestand was.

„Er is niets tegen te doen,” zei hij, toen het begon te luwen, „met kalmte komt men het verst.”

De weduwe Lugtens antwoordde niet. Met haar zakdoek voor den mond, liep zij haar kamer in en liet hem zitten. Het duurde vijf minuten, alles bleef stil in huis en op het achtererf. Markens, besluiteloos nu, stak een sigaar op, van plan dan maar heen te gaan en de zaak verder op haar beloop te laten. Maar zij kwam terug, wel met het stempel van tranen en aandoening nog in haar oogen en gezicht, maar toch weer netjes opgeknapt.

„Ga nog een oogenblik zitten.… Dus ze zullen me onder curateele zetten.… En dat moet u voor hen in orde maken.”

„Juist.”

„En zult u dat doen?”

„Ja,” knikte hij. „Ongetwijfeld! Zeker zal ik dat doen. Daaraan is niets te veranderen. Ik zal het doen voor uzelf, voor uw kinderen, en uit achting voor de nagedachtenis van uw man.”

Beslist schudde zij het hoofd, de lippen vast opeengeklemd.

„Ik zal het me niet laten welgevallen.”

„Dat is uw zaak.”

„Ik zal me niet laten ringelooren. Markens! Mijn man heeft het me zooveel jaren gedaan, zoo bar als hij wezen kon; van jou en de anderen verdraag ik het niet.… nooit.… in der eeuwigheid niet!”

Zij was uit den vormelijken toon gesprongen, jijjend en jouwend tegen hem, en hij voelde zich daar zeer beleedigd door. Wie gaf deze vrouw het recht zoo brutaal en familiaar te zijn tegen hem, Markens?

„Wind u niet op,” zei hij bedarend, „daar komt men niet verder mee. Ik heb er overigens niets mee te maken; ik handel slechts op verzoek.”

„Maar ik wil niet! Waarom bemoeit men zich met mij? Wat gaat het hun aan! Ik acht mijzelve honderdmaal beter dan een van de heele famielje.”

Dat was Markens, met een schoondochter uit die famielje wel wat kras, en, boos wordend op zijn beurt, zette hij zich schrap en keek haar strak aan:

„Dan verschillen wij van meening, mevrouw Lugtens. Ik zal het woord niet uitspreken, waarmeê vrouwen als u aangeduid moeten worden, en ik zou in een soort huis als het uwe ook niet binnentreden, als het niet was voor uw famielje.”

Het ging haar als emmers water langs den rug; zij had een daad [238]van geweld willen doen; die oude smeerlap, gelijk zij Markens bij zichzelve noemde, dorst haar dat zeggen, in haar eigen huis en met een mal vertoon van deftigheid, als was hijzelf de ongereptste persoon op Gods aardbodem.… Het was of het woei in haar hoofd, zoo kwaad werd ze, en Markens schrikte van haar gezicht, bang nu, omdat hij haar in zijn toorn zoo kras had aangepakt. Maar zij ging niet tot een daad over, zich bedwingend om geen schandaal te maken, dat haar misschien voor den rechter kon brengen.

„Het komt zeker uw fatsoen te na, meneer Markens,” zei ze ineens vervallend in een valschen spottoon. „Wees anders maar niet bang; dieven worden er hier niet slechter op.”

En toen hij, bleek als een doek, zich omkeerde, heen willende gaan, versperde zij hem den weg met de armen uitgestrekt, de handen tegen de deurposten, als bij een spelletje.

„’n Dief ben je!” schold ze hem, hardop, zoodat de bedienden achter het konden hooren. „Jij en de heele troep hebt jarenlang gekonkeld en geknoeid om het gouvernement te bestelen en af te zetten. ’n Deftige dieventroep, anders niet! En de duiten van jou zullen gaan zooals die van de rest.”

„Mensch!” riep Markens met bevende stem, den dikken rotting hoog opgeheven boven zijn grijs hoofd, dreigend haar te slaan. „Ga uit mijn weg, of ik ransel je eruit.”

Zij liet de armen zakken en ging opzij.

„Asjeblieft! De uitgang is vrij. Meneer kan heengaan, en ik zal de galerij laten luchten en opdweilen. Het is vies als in mijn huis zulke nette menschen komen.”