[Inhoud]

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De Verloving.

Terwijl hij erover zat te pikeren, elken dag, tot hij er hoofdpijn van had, beraamde Eddy andere plannen. In het leven, zooals hij ’t zich had voorgeschreven, voegde hij zich met toenemend gemak; het was stil en eentonig, maar dat was zijn eigen verkiezing; hij had kunnen uitgaan, naar de sociëteit en elders; hij had zich vrienden kunnen maken, heel gemakkelijk, want hij was altijd, zelfs in ’n eenvoudig wit jasje, even elegant en net, en wanneer hij ’t wilde een aardig prater, zijn gezelschap waard; maar hij had zijn ééne idee, en dat hield hem en hij hield het vast. Dáárom leefde hij eenzelvig en zuinig; onthield zich op ’t kantoor van familiaren omgang met zijn confraters.—Geleefd, in den zin van „Wijntje en Trijntje”, had hij; nu onthield hij zich van alles, met een ernst en vastheid van wil, die als het ware op zijn heelen persoon, op zijn houding en bewegingen overgingen. Men vond hem op ’t kantoor een voorbeeldig employé, wiens werk voortdurend in hoedanigheid beter werd; dien men vertrouwen kon, en die bijzonder vlug en pinter was, met een assimilatievermogen en een koopmansgeschiktheid, die bewonderd werden. Hij kon aan Chineezen verkoopen als niemand op ’t kantoor, en zijn chefs hadden geen grooter pleizier dan als zij den anders zoo netten Eddy Markens met singkehs hoorden marchandeeren over een of andere partij import-goederen in een met chineesche getalwoorden doorspekt brabbel-maleisch, waaruit geen sterveling [244]kon wijs worden, dan hij en deze soort afnemers, die graag met hem te doen hadden.

Als hij nu in gedachten alles naging, zittend voor ’t paviljoentje, dat hij na den dood zijns vaders bij vreemden had betrokken, vond hij zijn toestand niet onbevredigend. Zijn tractement was verhoogd, en met zijn erfdeel, hoezeer dat ook was tegengevallen, meende hij toch iets te zijn, al was er dan ook geen sprake van de grootheid in het ouderlijk huis toen hij nog een kind was.

Hij had gehoord, dat mevrouw Lugtens inderdaad onder curateele was gesteld; op de hoogte harer omstandigheden was hij niet; hij zag of sprak haar nooit, zich altijd ergerend om wat hij van terzijde hoorde. Zoo langzamerhand was hij heelemaal uit wat er van de oude relaties nog overig was, geraakt.

Eens in de week ging hij vast naar de muziekuitvoering in de open lucht, ontmoette er Lena, sprak vijf minuten met haar, meer, veel meer, zonder dan met woorden, en daar teerde hij dan de heele week op, zonder eene poging andere gelegenheden te zoeken; vast in zijn nadrukkelijken wil, haar naam niet in opspraak te brengen; reageerend zóó met alle macht tegen het vele andere, dat op zijn en haar familie noodlottig drukte.

„Scheelt er iets aan?” vroeg hij haar, toen hij haar weêr op ’n Zondagmiddag ontmoette.

Zij zag er bleek en ontdaan uit; de vriendelijke onbezorgde lach zweefde niet om haar mooien, frisschen mond; lusteloos en verstrooid keek ze rond uit haar rijtuigje, als opschrikkend uit haar gedachten toen zij hem zag aankomen.

Een oogenblik bedacht zij zich, toen zei ze openhartig:

„Ja, er is heel veel, dat me vreeselijk hindert.”

„Kan ik je van dienst zijn?”

En toen zij zweeg, blijkbaar het met haarzelve niet eens over het antwoord, zei hij zonder aanstellerij, maar op een zeer beslisten mannentoon, haar recht in de oogen ziende:

„Er is niets of ik wil het voor je doen. Graag; met vreugde.”

Lena was bleek geworden; haar onderlip trilde en ze beet erop, met een trekken in haar heele gezicht, alsof ze zich bedwong om niet te huilen.

„Ik ben hier gekomen om je iets te vragen, Eddy, zonder een van de anderen meê te nemen. Ik moet je spreken, maar waar en hoe?”

„Waar en hoe je wilt.”

Zij dacht na, haar bedroefde oogen starend in de verte, en met een melankoliek glimlachje zei ze: [245]

„Het lijkt zoo gemakkelijk en toch is het zoo moeilijk.”

„Kom, laat ons eens zien.… Het is wel heel ernstig, dat zie ik. We moeten iets bedenken, en over een kleinigheid heenstappen. Je vertrouwt me misschien niet.”

„Zeker, dat doe ik wel.”

„Nou, dan is het ook zoo moeilijk niet. Ik ben voor de variatie weer eens in onmin met m’n broer en m’n schoonzuster, maar als ik nog van avond naar hem toega.…”

„Neen,” viel Lena in de rede. „In geen geval bij nicht Roos.… Kan het bij je ma aan huis?”

Hij stond ook na de erfenisquaestie niet op den besten voet met zijn moeder, die als gewoonlijk in den laatsten tijd de partij koos van Freddy, niet uit eigen voorkeur, maar omdat hij haar letterlijk beheerschte, en zij geen kracht had zich daartegen te verzetten.

„Het is goed,” zei hij. „Wanneer?”

„Zoo gauw mogelijk. Vandaag nog als het kan.”

„Welnu, rijd er heen. Ik volg dadelijk.”

Dan, het was Zondagmiddag, en zij hadden er niet aan gedacht, dat mevrouw Markens naar de kerk ging. „Mevrouw,” zei een bediende, „was er niet,” en de man vond het heel vreemd, dat de jongejuffrouw, toen hij dat had gezegd, niet dadelijk heenging, maar besluiteloos en ’n beetje verlegen eerst heen en weer drentelde, en eindelijk zonder iets te zeggen op ’n wipstoel ging zitten in de voorgalerij. De inlander wachtte stil, er niets van begrijpend, tot van den weg een huurdogcart het erf indraaide en hij „den jongen heer” zag, die erin zat; toen met ’n stil lachje in zijn oogen, meenend het afspraakje te begrijpen, ging hij heen naar achteren.

„Je ma is er niet,” zei Lena zenuwachtig opstaande.

„Dat is niets. Ga zitten. We kunnen hier heel gerust en vrij spreken. Zeg maar gauw het ergste: hoe gauwer hoe beter.”

Hij zelf was zenuwachtiger dan zij, al drong hij zich tot kalmte; hij vreesde het ergste voor hem. Onderweg was hij ineens op de gedachte gekomen, zij zou hem meêdeelen, dat ze ging trouwen met een ander; het kon, meende hij nu zeker, niet anders zijn dan dàt. Het sloeg elke illusie zijner toekomst te pletter; het was in zekeren zin zijn doodvonnis; maar hij zou zich ’n man toonen, en als ’t hem treffen moest, dan ook maar ineens.

„Het is.…,” zei ze, en een vuurroode gloed steeg op naar haar hoofd, haar hals overdekkend tot onder de haren.…. „Ik moet over mijn moeder spreken.….” [246]

Eddy voelde wat dat was, voor een meisje als Lena, en meêlijdend hielp hij haar.

„Zeg er niet meer van dan het onvermijdelijke; de rest weet ik.”

„Zij heeft al lang telkens in geldverlegenheid verkeerd.”

„Dat laat zich wel begrijpen.”

„Dan schreef ze me, zonder dat tante Uhlstra het wist. Soms wachtte ze me op …”

„Nu, dan heb je het haar gegeven.”

„Neen, dat is het niet. Zóóveel heb ik immers nooit in handen.”

„Waren het zulke sommen?”

„Zij speelde; ze verloor dikwijls veel; ze bad en smeekte me om haar te helpen.”

„Ik begrijp het niet.…. Hoe kon je haar daaraan helpen.”

„Zij liet me papieren teekenen, verklaringen, dat ik het geld zou betalen uit het erfdeel van papa, als ik trouwde of meerderjarig werd.”

„’t Is wel! En.…?”

„Nu ze onder curateele is gesteld, schijnt dat bekend te zijn geraakt. Er is soesah over, ze zeggen allemaal, Freddy en Roos ook, dat die papieren niet geldig zijn.”

„Dat zijn ze ook niet.”

Lena had zichzelf weêr gevat, haar zenuwachtigheid was geweken; zij keek Eddy vast in ’t gezicht, uitvorschend, als wou ze doordringen tot in z’n gedachten.

„En ze moeten toch betaald worden,” zei ze op den Lugtenstoon, die geen repliek duldde.

„Zeker, dat moeten ze ook,” verklaarde hij eenvoudig, blij in z’n hart, als had hij een lot uit de loterij getrokken; volkomen bedaard nu; verlost van een doodelijke vrees, die hem, toen hij tegenover haar was gaan zitten, had verlamd en neêrgedrukt in een diep gevoel van ellendigheid. De blos kwam weêr terug op haar gezicht; niet helrood van schaamte over schande, maar zacht en liefelijk als lentezonnegloed na een onweêr.

„Is het erg veel, Lena?” vroeg hij vriendelijk met zachte belangstelling.

Zij sloeg de oogen neer.

„Het is,” zeggen ze, „zoo goed als alles wat ik te wachten heb. Ik heb het nooit nagerekend. Het was om haar te helpen.”

„Wil je even met me meêgaan in de binnengalerij?”

Zonder antwoord, stond ze op en volgde hem in het door de gordijnen sterk getemperd licht, en achter hem sloot hij de deur; niemand kon hen zien. Toen nam hij haar handen in de zijne en met zijn gezicht [247]dicht bij het hare, zijne oogen vochtig van eigen groote aandoening, zei hij zacht:

„Je weet, Lena, wat ik zeggen wil.… Hoe lief ik je heb.… Nu meer dan ooit.… Ik zal altijd mijn best doen je waard te zijn.… Wil je?”

Zij maakte haar handen los uit de zijne, en de armen om zijn hals slaande, ’t fijne hoofdje tegen hem aan, snikte ze haar geluk en haar verdriet vrijuit nu:

„O God, Ed, ik ben zoo ongelukkig geweest de laatste dagen!”

Wat hem overkwam, wist hij niet; het was alles mooi en licht om en in hem; ze waren op een bank gaan zitten en hij hield haar in zijn armen, terwijl ze ineens haar heele hart uitstortte, gelukkig nu boven alles, en er niet op lettend, dat de duisternis viel met indische snelheid, praatte zij en luisterde hij, haar telkens kussend, naar het eeuwig schoone verhaal van wat haar meisjeshart voor hem had gevoeld, zoo lang, zoo lang al, van dat ze hem, toen hij terug was uit Europa, voor de eerste maal had gezien.

Ineens stonden zij rechtop. In de schemering, waar, buiten in de verte, al lichtjes melankoliek doorheen keken, trad mevrouw Markens binnen, zachtjes den deurknop draaiend, onhoorbaar op de teenen, als wilde zij hen betrappen.

„Ma,” zei Eddy dadelijk en in ’n paar groote stappen vlak voor haar, „’t is niet noodig zoo stilletjes binnen te komen. Er gebeurt hier niets dat niet iedereen mag zien.”

„Ik kom niet stilletjes binnen; niet gelijk een dief in den nacht.”

„Wij hebben buiten op u zitten wachten.”

„Dat zag ik.… aan de stoelen.”

„Toen had ik Lena iets te vragen; ze heeft, Goddank, daarop geen neen gezegd, en ik twijfel niet of u zult daarop uw toestemming geven.”

Een oogenblik zweeg mevrouw Markens. Het was toch te gek dit zóó te laten afloopen! Zij reikte Lena de hand, sloeg den anderen arm om haar schouders en nu ineens, als viel het gaan haar moeilijk, zei ze:

„Kom meê naar achter, kinderen.… De Heer zal ons kracht geven naar kruis.”

Eddy, mopperend bij zichzelf, dat dit nu weêr niet zonder aanstellerij en comediespel kon afloopen, volgde, zich verstappend telkens van ongeduld, achter den sleep aan zijn moeders japon, telkens met gevaar dien af te trappen.

De lichten werden aangestoken en ze gingen rond de tafel zitten; Lena met iets komieks in haar gezicht, dat Eddy zou hebben opgemerkt, als hij niet zoo bezig was geweest zich te ergeren. Als hij dat liet begaan, [248]zou het „gekwebbel”, zooals hij het noemde, nog wel ’n half uur duren; hij zou er een eind aan maken, als het te erg werd.

„Och, lief kind,” begon mevrouw Markens op den onderworpen toon van iemand, die berust in een zwaar te dragen last, „hij is altijd mijn Benjamin geweest.”

En daar Lena even knikte, om toch een teeken van leven te geven, ging de oude vrouw voort in haar tegenwoordig lievelingsgenre, alsof ze examen deed in de toepassing van bijbelcitaten, al maar pratend tegen Lena, die, zich nog maar weinig herinnerend van wat ze geleerd had voor haar belijdenis, niet wist wat op zulk een buiten-issig gepraat te antwoorden; tot ze eindelijk in het vol-aapachtige dezer vormelijkheid, het meisje, met zalving, Magdalena noemde. Toen stond Eddy op en zei, minder barsch dan hij ’t zou gedaan hebben als Lena er niet bij was geweest:

„Nou ma, het is nu wel, hè! Zij heet Lena, en wil dus asjeblieft zoo vriendelijk zijn haar nooit anders te noemen. We gaan nu even naar haar moeder.”

„Haar moe.…”

Zij kon het woord niet uitspreken. Dàt was waar ook! Lena, altijd bij en door mevrouw Uhlstra opgevoed, nooit door iemand samengezien met mevrouw Lugtens, werd reeds als schoolmeisje door velen Lena Uhlstra genoemd; en ze sprak het nooit tegen; zelfs nu kende men in toko’s en daarbuiten haar zoo goed onder dien naam, als onder haar eigen, en nu wist mevrouw Markens er wel alles van, maar ze had er ook zoo gauw niet aan gedacht; zij leefde voor haarzelf altijd in andere sferen; zij bemoeide zich weinig met al die menschen, die naar haar oordeel zoo ver beneden haar stonden. Maar het was waar! Het meisje was de dochter van die vrouw, die zondares! En de oude Markens, die zijn wettige wederhelft nooit lastig viel in de laatste jaren, had een beroerte gekregen en was plotseling uit dit leven weggerukt, in een zondigen staat en toen hij.…

Mevrouw Markens werd er bleek van. Het was verschrikkelijk!

„Ik.… ik kan mij nu niet uitspreken,” zei ze. „Ik moet tot mijzelve inkeeren en.… bidden.…”

Bij Eddy kwam ’n oogenblik een der in het ouderlijk huis en bandelooze vrijheid gedresseerde „jongens Markens” boven.

„Als dat gezanik nu.…”

Maar met een enkelen blik lei Lena hem het zwijgen op.

„Het is heel goed van u, mevrouw.… Ik begrijp, wat u meent. Als ik daaraan had gedacht, zou veel anders zijn geweest. Maar ik voel dat u in den grond gelijk hebt.… Dag mevrouw!” [249]

Tot haar lippen toe zagen wit, en haar gezicht zoo erg, dat het indruk maakte op mevrouw Markens, die zich er anders nooit om bekommerde hoe iemand eruit zag als ’t niet een van haar zoons was.

„Wij zullen wachten, Eddy, tot je mama heeft nagedacht.”

Zulk een onzinnig idee deed den jongen man versteld staan.

„Denk-je dat ik iets geef,” riep hij kwaad, „om het nadenken van mama, die nooit eigenlijk over iets heeft nagedacht? Waarachtig niet. Zij zal hier niemand beleedigen. Dat mankeert er maar aan!”

„Ik wil niet beleedigen,” viel zijn moeder bang in de rede.

„Stil, Eddy, je ma heeft wezenlijk gelijk.”

„Dat heeft ze niet. Ik ben meerderjarig en als ik haar toestemming vraag.…”

„Ik zou zonder die toestemming geen engagement openbaar gemaakt willen zien,” zei Lena trotsch en beslist, in haar ziel nu opkomend tegen de vernedering.

„Welnu, zij zal die dadelijk geven en daarmeê uit. En ik vraag u mama, kort en goed: ja of neen?”

Het was de oude dwingelandij van haar jongens, de toon, de manier en het gezicht vooral; het biologeerde haar uit de gewoonte zich door haar kinderen te laten beheerschen.

„Maar Eddy,” zei ze haast smeekend en handenwringend, „ik heb immers niets gezegd. Je moet geen verkeerde uitlegging geven aan mijn woorden. Ik zeg immers: ja; dat weet je wel!”

Nog altijd kokend inwendig van woede, om de beleediging, die hij vond, dat zijn moeder Lena had aangedaan, ging hij met kregelige beslistheid voort:

„Nu, dan ook geen gezanik langer.” En in een heel lieven minnaarstoon voegde hij er tot Lena bij: „Willen we maar niet dadelijk gaan?”

Zij wist niet hoe ze het had, niets begrijpend van zulk een verhouding. Wel had ze nu en dan iets gehoord van het vreemde der oude mevrouw Markens en het meesterschap harer zoons, maar dat dit zóó toeging, kon zij zich niet voorstellen.

Mevrouw Markens zoende haar goeden dag en wenschte haar voor haar verder leven alles wat, zeide zij, haar voor een eeuwige gelukzaligheid kon voorbereiden; Eddy vloekte in zichzelf van ergernis, en Lena vond het wel ongewoon, maar toch ver verkieslijk boven de vlagen van boosheid en opgewondenheid harer tante, of de eindelooze praat harer moeder over de mannen en het dobbelspel. [250]