[Inhoud]

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Verschillende bezoeken.

Buiten, voor haar wagentje, stonden ze even stil samen en in het afschijnend lamplicht keken ze elkaar aan met komieke verwondering.

„Ik kan me haast niet voorstellen, Ed,” zei Lena half lachend, „dat wij nu betoel geëngageerd zijn.”

Hij zag naar het mooie matblanke van haar hals, en op naar haar gezicht in slagschaduw, waarin haar heldere oogen zacht glansden.

„Het is, Goddank, waar,” antwoordde hij ontroerd.

„’t Is nog vroeg, niet waar?”

Het was pas halfzeven.

„We moesten even naar nicht Roos gaan.”

„Nu, het eerst?” vroeg hij verwonderd; haast verschrikt.

„Ja. Het is zoo’n onaangenaam bezoek, Ed; zoo vreeselijk onaangenaam.”

„Precies, lieve. En moeten we nu dezen eersten heerlijken avond daardoor bederven?”

„Het is maar ’n oogenblik! Wij kunnen immers dadelijk weêr weggaan.”

„Maar waarom ben je er zoo op gesteld?”

„Om het achter den rug te hebben, Ed. Ik moet heelemaal heen zijn over het verhaal, dat je me toen hebt gedaan. Als we niet nu gaan, nu dadelijk, dan vrees ik, dat er nooit iets komen zal van een bezoek aan.… je broer en Roos. Dat zou toch niet goed wezen. Laat ons dus in ’s hemelsnaam maar dadelijk gaan. Dan zijn we eraf.”

Eddy zweeg, hij erkende dat het volkomen juist was, en zij gelijk had, als meest altijd. En tegelijk kwam nu een gevoel van groote oude bekendheid met haar over hem; net of ze al heel lang geëngageerd waren.

„Als ik zoo naast je zit,” zei hij, de ponies, die hij nu mende, omsturend naar den weg waar Freddy woonde, „is het me of het altijd zoo behoord heeft.”

„Wel.… ’t Hoort ook zoo.”

Ze zei het zoo aardig beslist, dat hij zich terzij boog en haar ’n zoen gaf; de ponies, toch al zenuwachtig in vreemde hand, deden een zijwending; het wagentje, met het eene wiel door een hoop grind terzij van den weg, liep scheef, op omslaan af; en de paardjes, tegen de strengen dringend, hard trappelend, trokken niet. De inlandsche groom, in een achterbakje beneden de kap, schrok wakker, sprong eraf, was [251]dadelijk voor de paardenhoofden en trok ze voort, dwars maar door den grindhoop. Allebei schaamden ze zich ’n beetje, zachtjes lachend vol levenslust en geluk om hun dwaasheid.

„Ik neem de teugels weêr, hoor! Jij bent van avond veel te absent.”

En toen hij wilde protesteeren, zei ze meer ernstig:

„Toch niet, Ed. De ponies zijn nu niet te vertrouwen; als ze ’n vreemde hand blijven voelen, gaan ze door en krijgen wij de grootste soesah.”

Toen Freddy en Roos het bekende rijtuigje hun erf op zagen rijden, keken ze elkaar over de tafel aan in groote verwondering.

„Daar begrijp ik niets van,” zei hij; en zij:

„Wat komt die doen?”

Eddy’s gezicht ziende opdoemen uit het duister, naast Lena, terwijl ze beiden opgestaan, vóór bij de bloempotten in hun galerij waren gaan zitten, begrepen zij ineens alles.

Het was geen hartelijke ontvangst; het was er een met ’n flauw schijntje van weerskanten.

„We hoeven niet te vragen,” zei Roos op haar rustige ’n beetje temende manier en met haar klein airtje van indisch geaffecteerd zijn, „we hoeven niet te vragen wat jullie komt doen.”

„Heb je het al geraden?” vroeg Eddy met ’n gemaakten lach.

Maar Freddy was niets in zijn schik.

„Als je mijn raad had gevolgd, waren jullie al lang getrouwd. Dan was alles tienmaal beter geweest dan nu. Verbeeld je dat Ed.… enfin je zult het nou wel weten, al verliefd op je was, toen we pas uit Europa kwamen. Toen heeft hij je niet willen vragen. Ik had ’t hem aangeraden, we hebben er haast twist om gehad, maar hij wou niet, en nu.…”

„Nu,” zei Lena, „is het zooveel te beter, hij voelde toen zeker, dat hij nog niet genoeg van me hield.”

„O neen,” zei Eddy, „’t was voor eens en voor goed, zonder meer of min.”

„Ja, maar alle gekheid daargelaten,” meende Roos, „het is niet ernstig gehandeld geweest. Mijn man heeft gelijk; er had dan veel kunnen voorkomen worden.”

„Schei uit!” riep Freddy met een handbeweging voor zijn oogen als verjoeg hij een nachtgezicht. Het is zoo eeuwig jammer! Zij had een magnifique erfdeel.… waren jullie getrouwd geweest.”

„Je weet het, Fred, ik prefereer haar zonder erfdeel.”

„Het is niet heelemaal weg.”

„Jawel,” verzekerde Lena. „Het is weg.”

„Neen, laat hem toch uitpraten,” zei Roos ertusschen. „Jullie weet [252]er niets van, en Freddy heeft gelijk. Het is niet weg en je moet er van redden wat je kunt.”

„Wel waarachtig! Ik heb,” vulde haar man aan, „er al een advocaat over gesproken. Het is een eenvoudige zaak.”

„Ik weet het wel, Fred!” antwoordde Eddy, „maar al is het ook nog zoo eenvoudig, Lena en ik zullen van het middel geen gebruik maken.”

„Maar kerel, dan is ze haar geld kwijt.”

„Juist. Het is jammer, dat geef ik toe; maar het is niet anders. Wij willen liever samen eerlijk zijn dan samen rijk.”

Het woord sneed erin, en er was ’n oogenblik dat niemand sprak. Lena met ’n blij en gelukkig gezicht, kijkende naar Eddy, die daar zoo eenvoudig, maar zoo precies de heele geschiedenis had geformuleerd; Roos ’n beetje verlegen met haar oogen neergeslagen; Freddy in wanhoop, trekkend omhoog met oogen en schouders, als trachtend in zijn heele figuur gelijk in elken trek van zijn gezicht de uitdrukking te leggen dat z’n broer in een gekkenhuis moest zitten.

Hij beproefde het nog eens met gemoedelijkheid en gedwongen kalmte, feitelijk zonder hoop. Er was niets aan te vangen met Eddy en Lena!

„Och,” zei Roos, heel koel en effen. „Het beste is, dat wij er ons niet meê bemoeien. Als de menschen niet voor redeneering vatbaar zijn, moet men ze maar laten begaan, dat is het beste.”

Die stemming hing nu over alle vier. Eddy had willen redeneeren, maar Lena, de oogen even dicht, schudde zachtjes van neen met haar hoofd, en hij had zich er toen maar toe bepaald, eenvoudig te zeggen, dat zij vast van plan waren alles te betalen.

Onder den druk der stemming gingen ze heen, van beide zijden met een gevoel van weerzin elkaar groetend, in volslagen onvereenigbaarheid van levensopvatting.

„Het baatte niet,” zei Lena toen ze naar tante Uhlstra reden, „tegen hen te redeneeren. Wat jij en ik bedoelen, zullen zij toch nooit begrijpen.”

„Zij niet.… en de anderen?”

„Ik geloof het niet.”

„Ik ook niet; zij kunnen daar niet in komen.”

Tante en de meisjes waren niet verwonderd; dat hadden zij onder elkaar al lang voorspeld; dat hadden zij al jaar en dag zien aankomen; zij begrepen alleen niet, dat het zich zoolang had laten wachten; voor hun gedachten was het een oud uitgemaakte toekomst. En toen dat alles nu gezegd en tot vervelens op allerlei manier herhaald was, kwam dezelfde quaestie op het tapijt, die van het geld van Lena. En schoon de meisjes het gek vonden, zwegen zij met eenig begrip, wellicht, van [253]het goede of met wat jeugdig gevoel daarvoor; maar mevrouw Uhlstra was woedend en wond zich op, in één en al beweging, met oogen schitterend van drift in een vloed van scheldwoorden tegen de dieven, die haar zuster geplunderd en haar petekind straatarm hadden gemaakt.

Dáár zou men nu genereus tegen zijn; het was te erg! Doch toen ze zag, dat er niets aan te doen was, zette zij zich met haar hoe langer hoe wisselvalliger wordend humeur erover heen; ze moesten het ten slotte maar zelf weten; men zou er niet minder goede vrienden om zijn.

„Ik wou nu even alleen naar mevrouw Lugtens gaan,” zei Eddy.

Ze zwegen er eerst allen op, begrijpend, dat het een moeielijke gang was. En mevrouw Uhlstra, bang dat ook de huwelijkscandidaat een der koopjes zou snappen, die een onverwacht bezoeker allicht bij haar zuster te wachten stond, gaf den raad eerst belet te vragen. ’t Was al wel dicht bij achten en haast etenstijd, maar men vond, dat dit er zoo erg niet op aankwam. De europeesche gewoonte werd tegenwoordig zoo nauwgezet niet meer gevolgd. In de periode van achteruitgang, na den dood van de hoofden der gezinnen, was er nog slechts ’n schijntje van die gewoonte overgebleven; men at ’s avonds wat rijst op ongeregelde uren, soms zoo maar van de warong uit een pisangblad op den schoot.

Het antwoord op het boodschappenleitje kwam dadelijk: Wel zeker, mevrouw Lugtens zou hem ontvangen; met heel veel genoegen. Maar het was alles behalve voor zijn pleizier dat Eddy ging. Hij vreesde geen weigering; hij kon alleen zijn afkeer van die vrouw niet overwinnen. Bij zijn groote vereering van Lena met haar goeden, onbesproken en onbaatzuchtigen aard, haar ongerepte kuischheid en lief, edel karakter, haatte en verfoeide hij de moeder, die door haar gedrag den naam der familie zoo schromelijk op straat had gebracht.

En toch, toen zij hem in de voorgalerij ontving, kreeg hij ondanks alles den indruk, dat hij niet stond tegenover een gewoon vulgair schepsel.

Haar overviel een gevoel van angst. Wat moest dat bezoek beteekenen van den jongen man, wiens vaders dood zij op haar geweten had? Toen zij had gehoord, dat de oude Markens een beroerte had gekregen op den weg na de hevige scène bij haar aan huis, waren schrikkelijke angsten over haar gekomen. Dagen achtereen vreesde zij een bezoek der justitie; het was toen of haar hart stilstond, als zij iemand met ’n zwarte jas aan op den weg zag aankomen, min of meer in de richting van haar huis. Het was overgegaan; zij had het thans vergeten; maar het kwam weer op, toen Eddy Markens daar zoo koel en deftig voor haar stond.

Hij hield zich zeer teruggetrokken en officieel, als kwam hij bij een [254]wildvreemde; zij met geweld kalm, heel ongerust over die houding.

„Ga zitten,” zei ze, „wat is er van uw dienst.”

„Ik kwam uw toestemming vragen voor een huwelijk.”

Zij keek hem aan, nu, met de grootste verwondering, als viel hij uit de lucht, en ze herhaalde het:

„Mijn toestemming voor een huwelijk?”

Ineens echter werd ’t haar duidelijk; zij zuchtte diep, ontheven van een groot benauwend gevoel van vrees.

„Met Leentje?”

„Ja, mevrouw.”

Hoe gek toch! dacht ze nu; de heele geschiedenis, de vreemde verhouding, de geldquaestie,—het maalde haar alles door het hoofd, terwijl ze een oogenblik stilzat met neêrgeslagen oogen, werktuigelijk op haar knie de zwarte kant harer over-kabaja glad strijkend.

„Ken-je onze omstandigheden?”

„Ja, mevrouw.”

„Ik bedoel: heelemaal. Ook dat Leentje voor mij.…”

„Ook dàt.”

Zij hield weêr een oogenblik op, bevend van ontroering, met een ouden trek om haar mond; een afgeleefde vrouw van gezicht met een onverwoestbaar fijn en slank figuur.

„Mijn toestemming geef ik. Als Lena van je houdt, sta ik niet in den weg. Het moest er nog bij komen, dat ik jullie dwarsboomde!”

„Ik dank-u.”

„Die.… papieren zullen zeker niet erkend worden?”

„Dat zullen ze wel.”

Haar ijskoude handen wrong ze zenuwachtig in doodsangst, snikkend; de woorden met moeite uitstootend, ging zij voort:

„Dan … is ze … arm, Eddy. Weet je dat?.… Heb je er over nagedacht?”

„Om haar geld vraag ik haar niet; alleen om haar zelf.”

Nu stond zij voor hem zoo bleek en vertrokken van gezicht, dat hij er bang van werd; ze beproefde te spreken, slikkend als zat haar iets in de keel, dat eerst weg moest en niet wilde.

„Ga dan,” zei ze eindelijk zoo zacht dat hij ’t haast niet kon hooren. „Het is goed.”

Eddy was door de samenkomst heel onaangenaam gestemd; hij had zich goed gehouden in zijn fatsoenlijke teruggetrokkenheid, in zijne behoorlijke verontwaardiging, in zijn laag neêrzien op een schepsel, dat men eigenlijk nooit iets moest behoeven te verzoeken, maar dat men als [255]het vragen onvermijdelijk is, de woorden toeweegt op een goudschaaltje. En als hij ’t nu zich zelven eerlijk bekende, dan voelde hij voor die vrouw nog meer sympathie dan voor een der andere familieleden; zij mocht dan in dien éénen zin ’n gemeene vrouw zijn,—het scheen hem toe, dat ze in andere opzichten beter was dan de rest. Lang hield ’t hem niet bezig; een oogenblik slechts. Dan dacht hij weêr aan zijn mooie, lieve Lena, die te midden van al de grofheid en gemeenheid dier vele levens was opgegroeid, schoon, rein en onberispelijk, als ’n blanke lelie op ’n mestvaalt; al het vuil, dat door de groote familie liep, ging rakelings langs haar heen, haar bespattend, zonder haar ook maar in ’t minst te besmetten. De gedachte, dat zij nu zijn vrouw zou worden en dat hij haar had verdiend, ontroerde hem, hij had nu ook respect voor zich zelven, en in het eigenaardig dualisme van z’n eigen beoordeelaar zijn, was hij over zich zelven tevreden met de voldoening van iemand, die, na een langen weg, den bergtop nadert, en z’n vermoeienis al kwijt is bij het zien nu en dan, door het hout, van een stuk verre, diepe vallei, blauwig wegschemerend naar den horizon.

Hij liep voort met haastige stappen, in een groote drift om gauw bij haar te zijn. ’t Leek een droom, zooveel was er gebeurd dien avond! ’n Uur of wat geleden wist hij nog niets, nu was ’t voornaamste, dat hem naar z’n idee in zijn leven kon overkomen, reeds achter den rug. En zij hield van hem zooveel en al zoolang.…! Dat wist hij nu.

„Het is in orde,” zei hij met een sprongetje de galerij op, waar Lena hem stond te wachten.

„Wat zei ze?”

Hij vertelde ’t haar in weinig woorden, en ze zuchtte ervan.

„’t Is zoo ongelukkig, Ed. En ik vrees, dat ik alles zoo goed begrijp.”

En toen hij daarop zweeg, een antwoord moeilijk vindend, ging ze voort:

„Ik geloof, dat pa en ma niet gelukkig waren met elkaâr; zij ten minste niet; voor zoover ik over pa kan oordeelen, was ’t hem onverschillig.… Enfin, het is alles voorbij.”

„Zeker. We moeten er niet meer over spreken. We zullen wel gelukkig zijn. Dáárvan ben ik overtuigd.”

In die gedeelde overtuiging stonden ze in het duister der galerij te vrijen, al maar door, zonder te spreken, soms met een drift alsof verloren jaren ingehaald moesten worden; in een totaal vergeten van tijd en gelegenheid; de gedachten, het leven, geconcentreerd op elkaars persoon; de armen om elkaar, met die heerlijke stille sensatie die doet zuchten van een genot en geluk nog in zijn eerste stadium van ontwikkeling en vatbaar voor veel uitbreiding in een vaste toekomst. [256]

Zij had hem wel dadelijk kunnen zeggen, dat er weêr iets onaangenaams was, doch haar hoofd stond er niet naar; eigenlijk kon het haar, nu op dit moment, maar weinig schelen; wel had ze altijd lief en leed met tante Uhlstra gedeeld, maar er was toch ook ’n grens voor alles, en zij voelde het: zij kon nu geen belang stellen in dat eeuwige gezanik over het geld.