In eens schrikten ze op, toen de deur open ging.
„Stoor ik jullie?” vroeg een der meisjes Uhlstra met plagerigen spot.
„We moeten even naar binnen gaan,” zei Lena. „Henri is er.”
Hij volgde haar en het nichtje, en hij zag de familie om de tafel zitten in groote verslagenheid, Henri met een verwezen gezicht, in de opgetrokken wenkbrauwen en de neêrtrekkende mondhoeken de domme uitdrukking van een gewonen dronkaard, nog wel niet ver genoeg om ’n beest te heeten, maar toch vast bestemd zóóver te komen. Men antwoordde haast niet op Eddy’s groet, verdiept in eigen nare gedachten; mevrouw Uhlstra de handen op een knie saamgevouwen, ’n beeld der wanhoop. Henri draaide ’t hoofd naar de jongelui en keek hen aan met zijn waterige oogen; er gleed een flauw lachje langs zijn mond.
„Het belet niet,” zei hij, de hand naar Eddy uitstekend, „dat ik jullie feliciteer. En jou ook, Leentje,” ging hij voort, alsof zij eerst niet in het „jullie” was begrepen en het een soort oud-mormoonsch engagement betrof, „jou ook.… je bent ’n best meisje.… altijd geweest.… Als allen waren zooals jij.… God zegen je, kind!… Je bent braaf en goed …!”
Zijn woorden hadden hem zenuwachtig gemaakt; met den rug van zijn bruine hand veegde hij de tranen uit zijn ooghoeken, en daarna onverschillig z’n hand af aan zijn witte pantalon, die nu boven elke knie twee natstreepjes kreeg, wat zijn jongere zusters aan ’t gichelen bracht, zoodat ze elkaar met volle handen in het dikke dijvleesch knepen, stikkend van den bij Henri’s aandoenlijkheid opgekomen en onderdrukten lach.
„Wat is er eigenlijk aan de hand?” vroeg Eddy. [257]
„Ja, wat zal ik je zeggen, beste jongen? Het is weêr ’n beroerd geval.” En Henri keek zijn moeder aan, alsof hij permissie noodig had om het te vertellen.
„O God!” barstte nu de oude vrouw los, in een harer vlagen van woede, de handen omhoog boven haar hoofd. „Het zijn die dieven.… die dieven! Het zijn die bloedzuigers, die ons bestelen! En jullie bent allemaal lamme kerels.… lamme, beroerde kerels.… die jezelven en ons laat uitplunderen door de geldschieters, terwijl je maar brendy-soda zit te zwelgen tot je bezopen bent en er maar lekker van leeft.… O God! ik wou, dat ik eens ’n moord mocht doen!”
„Maar wat is er dan toch?” herhaalde Eddy, die nu wel iets begon te begrijpen.
„Nou, ze hebben mijn broer eraf gegooid, en ze zullen hem executeeren,” zei Henri.
„En wij,” jammerde zijn moeder, „zijn onze arme duiten kwijt.”
„Wacht maar,” troostte Henri goedig. „Als ik maar eens ’n slagje sla met ’n goeden oogst en mooie prijzen.”
Maar zij keek hem aan met minachting, zij gaf wat om die „slagjes”, die altijd werden voorgespiegeld, maar nooit geslagen.
„En waar is Piet?” vroeg Lena.
Mevrouw Uhlstra viel haar huilend om den hals.
„Och kind,” zei ze, „jij bent de eenige, die om den armen jongen denkt! Ja, waar is hij, waar is hij? Dat weet geen mensch.…. dat weet God daarboven!… Misschien drijft zijn lijk in de kali.… of ligt het verpletterd in een ravijn.…”
„Maar lieve tante, dat bedoelde ik niet.”
Met koppigheid vasthoudend aan haar eigen gedachten, lette mevrouw Uhlstra niet op de tegenspraak; zij had zich opgericht, en keek wild in ’t rond, voortgaande met praten, luid, maar toch als tegen een derde niet aanwezige.
„Ja, ik voel het aan mijn hart.… hij is dood.… Als hij zich niet heeft doodgeschoten, dan heeft hij zich vergiftigd.… Wat kan het hun schelen!.… Zijn eigen bloedbroers en zusters.… Zij was weêr de eenige.…! Ik zie zijn lijk voor mijn oogen.…”
Henri begon te lachen, heel schor en valsch; er was gloed en leven gekomen in z’n gezicht; het leven en de gloed van den haat; het schemerde roodachtig in zijn zwarte oogen; zijn goedigheid was weg, en de meisjes, eerst aan het huilen om mama, keken hem nu verschrikt aan, terwijl hij met z’n vuist op de tafel sloeg.
„Zanik niet, ma.…. „Lijk” zal hij wel wezen, maar in de kroeg. Hij [258]is een veel te laffe vent om zich voor z’n kop te schieten, zanik dus niet, asjeblieft.”
„Kom,” zei Lena, „maak geen twist; de zaken loopen waarlijk al ongelukkig genoeg. Ze zullen er met ruzie maken niet beter op worden.”
Zijn boosheid viel ineen als bomijs.
„Soedah la!” antwoordde hij. „Je hebt nog gelijk. Er is niks aan te veranderen. Maak je dus niet zenuwachtig, ma.”
Mevrouw Uhlstra had wel gezwegen op de uitbarsting van haar oudsten zoon, maar ze was niet van haar idee af, en in gedachten neêrzittend, in stille droefheid over iets dat niet gebeurd was, gaf ze onbewust lucht aan haar verdriet over het wel gebeurde. „Ik zie zijn lijk,” herhaalde ze telkens hoofdschuddend, „ik zie zijn lijk!”
Eddy en Henri gingen naar de voorgalerij; de zoo met gebeurtenissen volle avond had hun het eten doen vergeten; ze liepen al pratend op en neêr.
„Hoe moet het nu?” vroeg Eddy.
„Ik zal hem maar bij mij nemen. Dan blijft hij op Tji-Ori en ik ga op Koeningan zitten.”
Het was een moeilijk onderwerp; men kan iemand toch niet zeggen.…
„Zou er iets anders op te vinden zijn? Was het misschien niet beter hem elders als opziener te laten werken?”
„Waarom?”
Henri Uhlstra was blijven stilstaan en keek lodderig glimlachend naar Eddy’s gezicht op.
„Och, zoo maar!”
„Neen, Ed. Ik weet heel goed, wat je meent. Het kan me gewoon niet schelen, weet je? Dan heb ik ten minste rust en kan op tijd mijn bittertje drinken zonder onaangenaamheden.”
„Ik zou het niet doen, en ik zou niet drinken ook.”
„Je hebt mooi praten, mannetje! Trouwen is een loterij, en jij trekt een prijsje.… jij bent goed af.… Enfin, het is ’t beste zooals ik zeg.… Laat maar loopen: wat ervan komt, dat komt ervan!”
Nog een oogenblik liepen ze, zwijgend nu, elk zijn eigen gedachten volgend, op en neêr, tot Lena kwam vragen of ze niets wilden eten.
Henri bedankte; hij zou maar liever nog een „paitje pakken”; Eddy volgde Lena naar achter, waar mama en de meisjes stil haar rijst aten, de eerste nu van den vooronderstelden zelfmoord teruggebracht tot de werkelijkheid, telkens bij haarzelf vragend, wat zij na dezen slag moesten beginnen. Lena sneed Eddy ’n boterham, terwijl de meisjes plagend hem zachtjes ’n totok noemden. [259]
Ineens hoorden ze stemmen in de voorgalerij, de ongelijke stap van Henri kwam daarop naar achter en, onverschillig, hard lachend, riep hij—de deur ruw opentrekkend, naar achter:
„Ma, het lijk is present, hoor!.… Het ligt in ’t ravijn achter het paitje.”
Zij stonden allen op, en zagen onder het naar voren gaan het dikke lichaam van Piet als tusschen de zijleuningen van ’n wipstoel gewrongen; de grove handen op den knop van den stok; den kleinen, gelen, ronden kop rustend op de handen, kijkend, doelloos voor hem naar de tafel, als verdiept in een bestudeeren van het bitterglaasje, dat erop stond; met een cachet van domme onverschilligheid over zijn heele wezen; een menschelijke karbouw.
„Dag ma,” zei hij opstaand, groetend en zijn moeder kussend, alsof er niets was gebeurd.
Mevrouw Uhlstra mocht dan blij zijn, dat hij niet dood was, zij toonde geringe blijdschap over zijn levende tegenwoordigheid.
„’t Is ’n mooi ding!” zei ze ernstig.
„Ja; ik kan er niets aan doen, ma; het is de djamoer oepas, ma; doe daar maar eens wat tegen! Nou, ik feliciteer hen! Laten zij den boel maar zelf doen. Je zult eens zien, ma, er komt niets van terecht.”
„Wat is dat?” vroeg Eddy.
„Da’s ’n ziekte,” verklaarde Piet. „’n Ziekte in de koffie. Je heele oogst gaat weg.”
„Niks aan te doen,” gaf Henri toe.
Ze keken elkaar aan. Men kon toch een plantenziekte niemand tot een persoonlijk verwijt maken! Wat wisten ze bovendien met hun allen van djamoer oepas?
„Weet Roos het al?” vroeg mevrouw Uhlstra.
„Ik ben het even wezen zeggen.”
„En?”
„Ja, ze waren niet lekker, natuurlijk.… Wat wil je er tegen doen? God, ik ben nog even naar Soerabaya geweest, en daar heb ik ’n pleizier gehad.…! Er was ’n bal costumé.… Ik ben er natuurlijk heengegaan.…”
„Als wat?” vroegen zijn zusters vol belangstelling bijschuivend met haar stoelen.
„Als ’n Indiaan!”
„Loh!” riepen ze, lachend; en mevrouw Uhlstra en Henri lachten ook.
„Veeren op je kop, ja?” vroeg een der zusjes, nieuwsgierig.
„Natuurlijk! ’n Beste boel daar!”
En hij vertelde van het bal en de costumes, en de familie Uhlstra [260]luisterde met gespannen aandacht en vroolijk lachende gezichten, naar wat Piet, de Indiaan, zei,—het land en het verloren geld verder overlatend aan de djamoer oepas.
De belangstelling nam toe naarmate Piet over dat bal costumé meer onbeduidende nonsens uitkraamde en de gruwelijkste flauwiteiten ten beste gaf over de dames en haar costumes. Het jonge paar was er niet bij gebleven, maar ’n eindje den weg opgewandeld. Eddy had zich geërgerd, maar hij wilde het niet zeggen: den eersten avond van z’n engagement had hij in ’t geheel geen lust tot denken over anderen en anderer belangen; naar zijn zin had hij het al veel te veel moeten doen dien avond. Zij liepen voort over ’t voetpad samen, in het duister der boomkruinen, zwart bij het witte maanschijnsel op den weg; ze spraken zachtjes, zij, in de volle overgave aan haar jonge maagdelijke liefde, met een gevoel van heerlijk door niets te storen geluk, dat haar het leven zoo licht, de wereld zoo mooi deed vinden; hij, den arm om haar heen, als in een roes van een hem heelemaal vreemd genot, met vlagen van dichterlijkheid, waarin hijzelf schik had, zoo vreemd vond hij ze; voortpratend zachtjes over alles wat hij zoolang al voor haar had gevoeld en over haar had gedacht; van de toekomst voor hun beidjes ’n helder zonnig schilderijtje makend, een schets van het met weinig gelukkig zijn en tevreden; van het stellig vertrouwen, genoeg te hebben en eigenlijk de wereld verder te kunnen ontberen; de oude jeugdige poëzie van de stroohut.—
Geen oogenblik dacht hij eraan, dat dit alles wel wat vreemd was, voor iemand als hij, met een eerste jeugd achter den rug als de zijne; voor een gewezen pierewaaier eerste klas, die reeds van alles brutaal meêdeed, toen hij eigenlijk nog een kind was; voor wien, toen hij als schooljongen uit Indië ging, het materieel verkeer met vrouwen niets bijzonders meer had; die daarna in Holland als student ’n leventje had geleid van het eene bacchanaal op het andere.
Maar ’s avonds laat, toen hij niet slapen kon van geluk en opgewondenheid, toen hij buiten lag te pikiren, achterover in een luierstoel, de beenen uitgestrekt op de uitslaande leuningen, en toen een inlandsche meid stilstond voor de pagger en begon te neuriën ’n maleisch deuntje, er zachtjes bij kuchend en hemmend,—toen overviel hem een groote walging van zichzelf. Ajakkes, hoe was het toch mogelijk.…? Dat begreep hij nu heelemaal niet. ’t Was net of dat frissche mooie meisje, zoo rein naar lichaam en ziel, een stroom van kieschheid en fijngevoeligheid in hem had doen varen! Als hij nu dacht aan al die Jan-en-allemans vrouwen, waarmeê hij zich had opgehouden in z’n leven, [261]dan dégouteerde ’t hem. Nu ja, of ze chic waren en elegant, als in de groote europeesche steden, of maar ’n sarong en ’n baadje droegen als hier,—’t was toch ten slotte alles even smerig en vuil: innig vuil. Bah!
Met een ruk wierp hij zich om. Hij moest er niet aan denken! Het hielp hem niet: hij dacht er toch aan. En het was alles nu zoo goed, zoo heerlijk, zoo gelukkig! Maar, als ze eens getrouwd waren ’n jaar of wat.…. zou de natuur de door hem vroeger getrokken wissels dan niet ter betaling aanbieden? Eddy Markens werd bang. Met zijn verleden had hij reeds lang gebroken. Hij was nu al jaren een werkelijk voorbeeldig levende jonge man; aan zijn soliditeit twijfelde geen mensch; hij was krachtiger en gezonder dan ooit; zijn tot rust en regel gekomen gestel, goed en gezond van nature, had zich geredresseerd; de vermoeide trek van halve verloopenheid, die vroeger aan zijn fijn gezicht iets gemeens gaf, was verdwenen; hij had ’t goede uiterlijk van een physiek normaal mensch.
Dat alles had hem verheugd. Hij vertrouwde op zichzelf; zijn werk was nu erkend goed; zijn maatschappelijke positie voldoende; alles bijeen, was hij al lang tevreden over en ingenomen met zijn persoon.
En nu daagde daar ineens voor hem op het beeld der verknoeide jongelingsjaren, met een dreigend: „Wacht maar, vrindje? Ik zal je wel vinden.” Hij rilde ervan! Dáártegen was nu niets hoegenaamd te doen, en die ééne overweging moest hem troosten!
Alleen in haar huis, bleef mevrouw Lugtens achter, toen haar aanstaande schoonzoon was weggegaan; in haar kamer had ze zitten huilen. Ze wist niet precies waarom; het waren enkel maar de feiten. Haar jongens waren het binnenland in, één als klerk, de andere als opzichter en zoo. Dat ging haar weinig aan; gelukkig, dat ze weg waren, die rakkers! Maar Lena, het kind van haar eenige groote genegenheid, en.… den oude Markens, dien ze vermoord had; zij zag nog in gedachten den kwaden grijzen kop en zij hoorde zijn woedend: „Mensch, ga uit mijn weg!”.… en nu die nette, mooie jongen, de zoon van Markens, die Lena wou trouwen en met den bruidsschat haar speelschulden betalen.… ’t Was of die feiten haar hard in het gezicht sloegen, en een afkeer bij haar wekten tegen haarzelf en haar leven; zij kreeg uit een laatje van haar spiegelkast een marokijnen doosje met rood pluche van binnen en onder een glas in het midden ’t miniatuurportret van Geber; ze had het in geen jaren open gehad; nu wreef ze zachtjes, voorzichtig het dunne stoflaagje van het glas en ze keek in zijn knap, intelligent gezicht met den cynischen glimlach, [262]die hem zoo typisch stond; het heele verleden doemde daarbij op, kwam haar voor den geest in lang vergeten bijzonderheden; ze verdiepte zich er heelemaal in; zij zag het met zijn eigen omgeving van rijkdom en pracht; in zijn lijst van grootheid, van blinkende equipages, kostbare europeesche ameublementen, reusachtige spiegels, marmeren vloeren.…
„Njonja!.… njonja!.…” riep zacht aan de deur haar baboe.
Mevrouw Lugtens schrikte er zoo van op, dat haar hart bonsde.
„.… Ada,” vervolgde de meid op denzelfden zachten toon.
Neen, dat kon niet, daar moest een eind aan komen! Van schaamte over en voor haarzelve steeg haar het bloed naar het hoofd.
„Ik kan niemand spreken,” zei ze. „Morgen.”
Een oogenblik later kwam de meid terug: „Minta Oewang.”
Mevrouw Lugtens werd daar niet prettiger door gestemd; zij hechtte niet aan het geld, en, als ze het had, gaf ze het zonder zich te bedenken; nu echter droeg die brutale vraag bij tot haar vernedering, tot het besef van den toestand, waarin zij was geraakt. Met een diepen zucht stond zij op en zocht in haar secretaire; zij vond niets dan wat pasgeld; zij had geen rijksdaalder kunnen geven. En zij zond de boodschap: Oewang soeda habis. Maar dat was voor doove ooren gesproken! Daar was de liefhebber niet meê af te schepen. Als zij niet zoo neêrslachtig, niet zoo bedroefd was geweest, met een overweldigende neiging om tot inkeer te komen en zich te beteren, zou zij boos zijn geworden en het brutaal individu met een overweldigend standje hebben weggejaagd. Nu bleef ze zitten, in stille moedeloosheid. Zij zond alleen de meid weg met last het huis te sluiten en zelf draaide zij hare kamerdeur op slot.
Wat en hoe zij doen moest, stond haar niet voor oogen; naar haar familie wilde zij niet gaan, zij zou nog liever haar zedeloos leven voortzetten, dan zich aansluiten bij een zoo lastig mensch als haar zuster Lena, een zoo inhaligen kerel als Freddy Markens, een feeks als Lize, met een dronkaard als Henri.… dat nooit.
Als zij eens.… naar de oude mevrouw Markens ging.
Eerst schrikte ze van haar eigen idee terug, en vond het al te gek. Langzamerhand scheen het haar minder buitensporig. Zij hoorde wel, dat er met steentjes werd gegooid tegen haar stores, maar zij deed als hoorde zij het niet. Wel zeker, het kwam haar ten slotte voor als de eenige oplossing. Zij zou mevrouw Markens raad gaan vragen; door het huwelijk van Lena en Eddy werden zij nu toch aanverwanten, dat was meteen ’n geschikte aanleiding.
En de oude mevrouw Markens kreeg wel haast ’n beroerte van ontsteltenis, [263]toen zij ’n bezoek ontving van „die” vrouw, maar dat ging voorbij; zij hoorde alles rustig aan verder, als zat zij de andere de biecht af te nemen; en Clara viel het meê; dat verhaal van het bezoek van Markens luchtte haar gemoed op; zij had op alles gerekend, op toorn en verontwaardiging; zij had geen woord van verwijt gezegd, indien zij als een hond de deur was uitgejaagd. Het tegendeel was waar! Mevrouw Markens op haar beurt was zeer tevreden. Haar man was dus niet zoo zondig gestorven als zij altijd had gedacht; hij had zich enkel maar kwaad gemaakt en daardoor ’n beroerte gekregen; aan overspel had hij zich niet bezondigd …
Nu deze persoonlijke aangelegenheid zulk een gunstig verloop had, ging de rest veel gemakkelijker; mevrouw Lugtens was, dat stond vast, een zondares, en in zoover dus een zeer belangwekkend sujet; het was ongetwijfeld een welgevallig werk haar op te heffen uit den poel enz. enz. Een kolfje, eigenlijk, naar de hand van mevrouw Markens. Zij bleven samen den heelen dag; Clara werkelijk met een gevoel van gerustheid en vertrouwen, dat ze in geen jaren had gekend.
En het waren geen halve maatregelen, die ze namen! Den volgenden Zondagochtend reed mevrouw Lugtens met haar nieuwe vriendin naar de kerk; zij ook in een zwart luster japon, zoo eenvoudig mogelijk gemaakt.