[Inhoud]
AMOR EN MERCURIUS.

AMOR EN MERCURIUS.

HOOFDSTUK I.

Bij den kunsthandelaar.

In de Cromwellstreet, een der voornaamste zijstraten van de Oxfordstreet, bevindt zich, niet ver van laatstgenoemde straat verwijderd, een vrij groote winkel, niet lang geleden gebouwd, en volgens de laatste eischen ingericht.

Het is de kunstzaak van den heer Jozua Drebbel.

Het scheen hem naar den vleeze te gaan, want hij had zich sedert eenigen tijd een prachtige, groote auto aan kunnen schaffen en zijn klantental had hij voortdurend zien toenemen.

De booze wereld zeide weliswaar, dat hij zijn begunstigers vooral zocht en ook vond, onder de zoogenaamde nieuwe rijken, maar van deze betichting trok de heer Drebbel zich al bitter weinig aan.

Hij was een man, die met zijn tijd medeging en hij verkocht, waarom het publiek vroeg, en voor de rest basta.

Hij had zich nimmer opgehouden met de bezwaarlijke en ondankbare taak, leiding te geven aan den smaak van het publiek en hij had daarentegen een open oog voor de verandering der mode, op het gebied der schilderkunst, en voor de kansen, aan deze kunstrichting meer te verdienen dan aan gene.

Achtereenvolgens had de heer Drebbel zijn aandacht geschonken aan de naturalisten, aan de impressionisten, aan de realisten, aan de luministen, aan de futuristen en de cubisten en zelfs de romantisten, die toendertijd juist weder op den voorgrond traden.

Geen kunstrichting kon zoo buitensporig zijn, of de heer Drebbel had er zijn specimen van in voorraad, teneinde den komenden en den gaanden man te gerieven, die lust mocht gevoelen en karaktersterkte genoeg bezat, om de wanden van zijn kamer te vullen met de afschuwelijke producten van gedegenereerde verfknoeiers.

Het was op een morgen van een prachtigen herfstdag, toen er voor de deur van het fraaie winkelhuis, dat slechts een betrekkelijk klein raam aan de straat had, een groote blauw gelakte limousine stil hield.

Nauwelijks had een van de bedienden dit voertuig [2]gezien of hij snelde naar de deur om deze open te houden.

Want dit veel belovende jongemensch had de auto herkend, hij wist dat zij toebehoorde aan een van de rijkste en zonderlingste mannen van Londen, Lord William Aberdeen, die bij duizenden bekend was wegens zijn uitgestrekte bezittingen, en zijn menschlievendheid, die hem ieder jaar honderdduizenden kostte.

Zijn Lordschap kwam nog al vaak den winkel van den heer Drebbel binnen, teneinde zich persoonlijk te vergewissen, of zich daar iets van zijn gading bevond.

En de kunsthandelaar kon er dan zijn gemak van nemen, en behoefde zich volstrekt geen moeite te geven, zijn waar aan te prijzen, want Lord Aberdeen schoof hem telkenmale met een flauw glimlachje ter zijde en vertrouwde liever op zijn eigen oordeel.

Menigmaal ging hij weder heen zooals hij gekomen was, maar toch kocht hij ook wel eens een of ander doek en betaalde den gevraagden prijs zonder ook maar een penny af te dingen.

De winkelbediende was reeds weer op het portier toegesneld en opende het buigend, zonder den reusachtigen chauffeur, die achter het stuurwiel zat, gelegenheid te geven, dit gebaar te verrichten.

Uit de auto stapte een man, eenvoudig en toch met verfijnden smaak gekleed en wiens leeftijd niet nauwkeurig was aan te geven.

Zijn haar was aan de slapen lichtelijk begonnen te grijzen maar daarentegen was zijn gang zoo veerkrachtig als van een jongeling, en zijn grijze oogen hadden een helderen glans.

Het gelaat toonde krachtige, scherpbesneden trekken die op groote wilskracht en ondernemingsgeest wezen, maar soms gleed er een uitdrukking van diepe zwaarmoedigheid over dat gelaat.

Lord Aberdeen knikte den winkelbediende even toe, sprak toen eenige woorden tot den reus achter het stuurwiel, en trad den kunsthandel binnen terwijl de auto weder wegreed.

Dadelijk kwam de heer Drebbel in persoon toeloopen.

Hij was een klein mannetje van omstreeks 60 jaar, smal en gebogen van rug met een glimmenden kalen schedel, en het gezicht van een bejaarden Duitscher, waarin de zwarte oogjes slim fonkelden.

Handenwrijvend stond hij stil voor den voordeeligen klant, die over hem heen keek naar de schilderijen, die aan de wanden waren opgehangen, of op den grond tegen den muur waren aangezet.

De groote, lange zaal werd uitstekend verlicht door een paar groote ramen, die op den tuin uitzagen, en door een lantaarn in het dak.

Lord Aberdeen wist echter, dat er zich nog meer tentoonstellingzalen in het huis bevonden, waar behalve schilderijen ook marmeren en bronzen beelden te zien waren.

Een gedeelte van een der wanden van de benedenzaal werd ingenomen door een monumentale kast met breede planken, waar de etsen zorgvuldig in groote portefeuilles werden bewaard.

Een breede en zeer lange tafel in het midden van het vertrek, waarvan het blad glimmend geboend was, diende om deze portefeuilles op te kunnen leggen.

Lord Aberdeen was langzaam op een der wanden toe getreden en begon de schilderijen die daar hingen met aandacht te beschouwen.

Drebbel begon ouder gewoonte hem op den voet te volgen, en hem verschillende doeken aan te prijzen.

Maar Lord Aberdeen wendde zich al om met de opmerking:

„Ik zou het mij zelf nooit vergeven hebben, waarde Drebbel, indien ik u al ware het slechts een seconde van uw kostbaren tijd afnam! Wat ik u bidden mag bemoei u niet met mij—wanneer ik iets goeds vind, zal ik u wel even laten roepen.”

Drebbel, hoewel een weinig in zijn wiek geschoten, wendde zich buigend af, onverdroten in zijn handen wrijvend.

Bijna op hetzelfde oogenblik werd de winkeldeur langzaam geopend, en heel bescheiden trad er een jongmensch binnen met een zwaar pak onder den arm.

Hij kon ongeveer 25 jaar zijn en hij had een intelligent gelaat, waarin twee donkere oogen schitterden, maar dat zeker wel gevulder had kunnen zijn, de wangen waren ingevallen en bleek.

In dichte krullen hing zijn blauwzwart haar over het hooge voorhoofd.

De jonge man was uiterst eenvoudig gekleed, en toch maakte hij dadelijk een zeer goeden indruk, door zijn vrijmoedigen oogopslag en zijn slanke gestalte, door zijn geheele wijze van optreden, en [3]vooral door den warmen diepen klank van zijn stem, toen hij op beleefden toon vroeg:

„Zou ik een oogenblik met meneer Drebbel kunnen spreken?”

Lord Aberdeen wendde op het hooren van de stem nieuwsgierig het hoofd om, om den jongen man op te nemen.

Zijn Engelsch had een licht, maar volstrekt niet onaangenaam accent.

De winkelbediende nam den jongen man even vluchtig op en vroeg toen: „Wilt u meneer over zaken spreken?”

„Ja, ik wil hem een paar doeken toonen.”

„Uw naam, als ik verzoeken mag?”

„José Darragos.”

De winkelbediende begaf zich naar zijn patroon, die zich blijkbaar juist gereed had gemaakt, de expositiezaal te verlaten en wisselde eenige woorden met hem.

Onmiddellijk nam de heer Drebbel de houding aan van een man, wien men een dienst vraagt—en richtte zich zoo hoog mogelijk op, trok zijn wenkbrauwen in de hoogte en deed zijn best er zoo onverschillig mogelijk uit te zien, terwijl hij zich naar den jongen man begaf, die het zware pak reeds op de lange tafel had gelegd en bezig was het touw te ontknoopen, waarmede het was dichtgebonden.

Toen Drebbel vlak voor zijn bezoeker stond, klemde hij een enorme hoornen lorgnet op zijn neus en vroeg toen met een weinig wantrouwen in zijn stem:

„Is u schilder?”

„Ja meneer Drebbel.”

„Ik heb uw naam nog nooit gehoord!”

„Dat is niet zoo verwonderlijk mijnheer Drebbel,” hernam Darragos met een flauwen glimlach. „Ik heb nog nimmer geëxposeerd—wat natuurlijk niet wil zeggen dat ik er geen pogingen toe gedaan heb.”

„En nu komt u— — —?”

„Ik kom u een paar van mijn schilderijen toonen mijnheer, en ik hoop dat u ze in uw kunsthandel wilt exposeeren.”

De heer Drebbel trok een gezicht, alsof men hem een of ander schandelijk voorstel kwam doen, en hij poogde zijn wenkbrauwen nog hooger op te trekken.

Toen hij bemerkte, dat dit onmogelijk ging, liet hij ze als het ware met een plof weder zakken en wierp Darragos een blik toe, alsof hij hem als zijn persoonlijken vijand beschouwde.

Toen bromde hij half binnensmonds:

„Ik heb het eigenlijk niet voorzien op nieuwelingen. Gij lijkt mij nog wel heel jong toe meneer, Darra— — —Flarra— — —Garra— — —hoe was het ook weer?”

„Darragos, mijnheer!” antwoordde de jonge schilder onverstoorbaar, terwijl hij het grauwe papier behoedzaam opvouwde, waarin drie doeken gewikkeld waren geweest.

„Juist Darragos! Welnu meneer, ik moet u zeggen, dat ik een weinig huiverig ben om als bemiddelaar voor zulke jonge schilders op te treden. Ik wil u niet verhelen, dat gij, jonge schilders, den smaak van het hedendaagsche publiek slecht schijnt te kennen.

Men verlangt thans actie—begrijpt gij wel, levendige acties! Er moet iets gebeuren op de schilderijen. Een bokspartij—een gevecht tusschen matrozen—het uitgaan van een fabriek— —weet ik wat? Men heeft genoeg van stillevens, van portretten, en van al die flauwe, levenlooze rommel van voor den oorlog. Maar laat mij toch maar eens zien, wat gij daar bij u hebt, ik heb nog wel een paar minuten tijd.”

Lord Aberdeen was naderbij getreden, en keek belangstellend toe, toen Darragos het eerste doek uitrolde.

Het was een eenvoudige vrouwenfiguur, een zeer schoone naaktstudie, geschilderd door een man, die als weinig anderen de anatomie van het menschelijk lichaam kende.

De vrouw lag op een divan, waarop een wijnrood kleed was uitgespreid, half afgewend van den beschouwer, rustend op een elleboog, en scheen over den schouder heen te zien, met een half lachende, half verbaasde uitdrukking op het gelaat, alsof zij zooeven in die houding verrast was.

Drebbel plaatste zich op een paar meter afstands van het doek, hetwelk Darragos met uitgestrekte hand vasthield, en het had weinig gescheeld of hij had een schreeuw van verontwaardiging gegeven.

„Wat is dat? Een naaktstudie?” riep hij uit, alsof hij zijn oogen niet kon gelooven. „Maar zijt gij dan waanzinnig, mijnheer? Durft gij in dezen tijd daar nog mee aankomen? Goede hemel dat schilderden Itiaan, Velasquez, Rubens, van Dijk, en [4]andere al lang doode schilders. Maar wie krijgt het nu in zijn hoofd om vrouwen op het doek te brengen, die niets aan hebben, letterlijk niets. Het is een schandaal—het is erger—het is een domheid! Bedenk toch dat gij met een Engelsch publiek te doen hebt, mijnheer! Geef die dame een behoorlijke japon aan, misschien kan ik het voor u verkoopen. Misschien zeg ik—want—hm—men kan uit uw werk altijd weer den beginneling proeven. Dat oor—die voet—de linkerhand, die op de heup rust—die is—hm—hoe zal ik het zeggen—een weinig misteekend nietwaar?”

„Misteekend?” herhaalde Darragos langzaam. „Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat hoor ik voor het eerst! Tal van mijn vrienden hebben het doek al gezien en zij maakten verschillende opmerkingen, maar zeker niet die welke ik zooeven uit uw mond moest vernemen.”

„Nu, pak dat maar weer in,” hernam Drebbel koeltjes. „Laat de rest maar eens zien.” Met een bitteren glimlach om de lippen rolde Darragos het doek weder op en toonde zijn tweede schilderij, een landschap.

Het was een geniaal geschilderd fantastisch landschap, onder jagende wolken een stuk van een rotsachtige kust waartegen de golven te pletter sloegen—een paar spichtige, door den storm neer gezwiepte boomen,—dat was alles.

Drebbel bekeek het doek als een geleerde, die zijn uiterste best doet een ingewikkeld Spijkerschrift te ontcijferen, en barstte toen eensklaps in een bulderend gelach uit, waarbij zijn hoornen lorgnet op den grond viel, die dadelijk door den gedienstigen winkelbediende werd opgeraapt.

„Dat koopt niemand,” riep Drebbel, bulderlachend alsof hij de grootste grap verkondigde. „Dat koopt niemand die een grijntje hersens heeft. Heelemaal uit den tijd, mijnheer! Zee, wolken, een paar boomen, een paar schepjes zand; stop het spoedig weg! En nog fantasie op den koop toe. Laat ik u zeggen mijnheer, dat we op dit oogenblik niets van fantasie willen weten! Realiteit mijnheer, fatsoenlijke realiteit, dat is je ware, daar zit geld aan.”

„Dan vrees ik, mijnheer, dat ik u den aanblik van mijn derde doek maar liever moet besparen,” hernam Darragos kortaf, terwijl hij zijn schilderij neerlegde, en maakte zich gereed de doeken weder in te pakken.

„Wat stelt het dan voor?” vroeg Drebbel.

„O! het is zeer fantastisch mijnheer,—een strijd tusschen Sytauren en Amazones.”

Deze mededeeling scheen den heer Drebbel zoodanig aan te grijpen, dat hij zich op een stoel moest laten vallen, vanwaar hij den jongen schilder verschrikt aanstaarde.

„Sytauren? Amazones? In het jaar 1920 onzes Heeren? Mijnheer, stel u dadelijk onder behandeling van een psychiater. Als u op dezen weg voortgaat zult u geen droog brood verdienen.”

„Laat eens zien,” liet de stem van Lord Aberdeen zich hooren, die de beide andere doeken met de grootste aandacht beschouwd had.

Lord Aberdeen bekeek het met de grootste belangstelling.

Zijn kennersoog had dadelijk gezien, dat de techniek van den jongen schilder nog eenige verbetering behoefde, maar de geheele opvatting van het doek, en vooral de heerlijke kleuren, troffen hem aanstonds.

Drebbel was naast hem komen staan, maar haalde dadelijk de schouders op en wendde zich af, alsof hij hiermede te kennen gaf, dat hij de onderhandeling als geëindigd beschouwde. [5]