Op hetzelfde oogenblik klonk buiten het doordringend geluid van een auto claxon.
Een verbazend groote automobiel, niet veel kleiner dan een verhuiswagen van behoorlijke afmeting, en kanariegeel gelakt, kwam aanstuiven en hield voor den kunsthandel stil.
De palfrenier, die naast den chauffeur was gezeten klom van zijn zetel en rukte het portier van den enormen wagen open.
Daaruit steeg een zeer zwaarlijvig man, in een lichtgrijs geruit pak en een groote panama op het hoofd, een wit vest, en witte slobkousen.
Hij had een gezond rood gelaat, en kleine, bruine oogen, die eenige moeite hadden over de dikke wangen heen te kijken.
Zoodra hij op het trotoir stond, stak hij de hand toe aan een bevallig jong meisje, geheel in het wit gekleed, en met een grooten wit filten hoed op, die haar voortreffelijk kleedde.
Juist had de volijverige winkelbediende de deur opengerukt, en nu verschafte hij buigend toegang aan den zwaarlijvigen man, die een oogenblik later in den winkel stond.
Darragos had zijn versmade schilderijen, het pakpapier en het touw opgenomen en was achter in de zaal bezig zijn doeken in te pakken, zonder acht te geven op de nieuwe klanten.
Zelfbewust stevende de man in het grijs op Drebbel toe, die dadelijk een en al ijver was, en zeide met een stem, die uit den kelder scheen te komen:
„Mijn naam is Hannibal Jellybird, u zult wel van me gehoord hebben.”
„Jellybird—misschien van de beroemde Jellybird-Ale?” kwam de kunsthandelaar wiens kleine oogjes begonnen te schitteren.
„Dezelfde, meneer! Ik ben bierbrouwer—en daar schaam ik mij niet voor.”
„Dat zou ook zeer dwaas zijn, mijnheer Jellybird,” meende Drebbel te moeten opmerken. „Terecht zegt een Fransche spreuk: „Er zijn geen zotte beroepen, er zijn alleen maar zotte menschen.””
„Zoo is het mijnheer!” bevestigde de bierbrouwer goedmoedig. „Ik weet wel niet wat het beteekent, maar zoo is het! En nu kom ik eens hier om een paar mooie schilderijen te koopen, vooral niet te klein. Ze mogen gerust een paar meter lang zijn—het is voor de vestibule, begrijpt u? Het geld komt er niet op aan.”
Het jonge meisje in ’t wit was snel op den corpulenten man toegetreden en trok hem nu aan zijn jas en fluisterde hem op bestraffenden toon toe:
„Maar papa!”
„Wat is er kind?” zoo wendde hij zich tot zijn dochter. „Heb ik weer iets miszegd? Ik begrijp die meisjes van tegenwoordig niet. Het is toch geen schande als je de pitten hebt?”
„Integendeel, mijnheer Jellybird,” haastte Drebbel zich, den nieuwen klant gerust te stellen. „De logica gebiedt ons, veel eerder het tegendeel aan te nemen.”
„Zie je wel!” riep Jellybird met daverenden lach uit. „Ik wist wel dat ik het bij het goede eind had. Ik zei dus mijnheer Drebbel, dat het er heelemaal niets op aan komt wat het kost. Als je me maar geen kleine prulletjes in mijn handen duwt, want daar maal ik niets om. Als ik een schilderij in mijn huis ophang, dan wil ik er ook niet naar behoeven te zoeken, maar dan moet je meteen kunnen zeggen: „Daar hangt een schilderij.”
„Er is veel voor uw opvatting te zeggen, mijnheer [6]Jellybird!” riep mijnheer Drebbel vol geestdrift uit, die precies hetzelfde zou hebben gezegd, als zijn klant de voorkeur mocht gegeven hebben aan miniatuurtjes.
Reeds had Jellybird zich naar een van de wanden gewend, zonder in het minst acht te slaan op Lord Aberdeen, die glimlachend had toegeluisterd, en begon nu de daar opgehangen schilderijen aan een inspectie te onderwerpen.
Er scheen echter niet veel bij te zijn, dat hem beviel.
Telkens schudde hij afkeurend het hoofd en bromde:
„Daar snap ik geen jota van. Wat moet dat voorstellen? Wat een ongelukkig klein prentje, wat een leelijke lijst, wat glimt dat ding.”
Maar tenslotte had hij toch iets ontdekt, dat hem scheen te bevallen—het was een groot stilleven en daarop vormde een geweldige ham het hoofdmotief.
Met de handen in de zakken bleef Jellybird er een geruimen tijd voor stil staan, terwijl hij goedkeurend knikte.
Toen barstte hij uit:
„Dat ding moet ik hebben! Laat me dat thuis bezorgen, zie je, daar zit nou tenminste wat in!”
„U heeft gelijk, mijnheer Jellybird. Die ham is prachtig geteekend,” kwam Drebbel haastig, die den hemel dankte, dat hij eindelijk was afgeraakt van een schilderij, hetwelk hij reeds jarenlang onverkoopbaar had geacht.
Maar de bierbrouwer riep minachtend uit:
„Die ham? Naar die ham had ik nog niet eens gekeken. Wat kan mij die ham schelen. Maar kijk eens naar dat glas bier daarnaast—zie je—dat bier leeft, dat is best, belegen inlandsch bier. Zie je dat schuim wel? Neen, let nu eens op dat schuim. Je zoudt het er zoo van af scheppen. En daarnaast staat nog een volle flesch ale. Jammer dat je het merk niet kunt lezen.”
Hij wendde zich tot Drebbel, en vroeg:
„Heb je daar nog misschien een pendant van? Net zoo groot bedoel ik en dan met een biervat er op of zoo? Nee? Jammer! Nu, misschien weet je den naam nog wel van den knul, die dit geschilderd heeft. Dan moet hij er nog maar een tweede bij maken. Ik zie niet op een paar lapjes van honderd. Maar nu moet ik nog iets anders hebben, iets dat dadelijk inslaat, begrijp je? Ik zie hier niet veel, om de waarheid te zeggen. Allemaal landschappen met koeien of van die rare tierlantijntjes, die ik niet snap. Van die funisten, of hoe noem je die lui. Heb je dan niets, niets in den winkel, dat ik gebruiken kan?”
Voordat Drebbel iets kon antwoordden, was Lord Aberdeen naderbij getreden, en zeide nu met een heldere, welluidende stem:
„Als ik ongevraagd mijn diensten mag aanbieden, dan zou ik mijnheer Jellybird wel willen aanraden een van die doeken te koopen, welke die heer daar ginds aan het inpakken is.”
Jellybird wendde zich eenigszins verrast tot den spreker en riep toen eensklaps uit:
„Maar wat drommel, dat is Lord Aberdeen, de vice-voorzitter van de Windsor-Club, waarvan ik dezer dagen pas lid ben geworden. Neem mij niet kwalijk, dat ik u niet eerder heb opgemerkt.”
„Het heeft niets te beduiden, mijnheer,” hernam Lord Aberdeen met een fijn glimlachje.
„Maar wat zeidet gij zooeven, wie is die heer dan?”
„Een veelbelovend schilder, mijnheer Jellybird.”
„Gij hebt zijn doeken dus gezien en gij vindt ze goed?”
„Ik vind ze schitterend, mijnheer Jellybird.”
Hij wendde zich tot den schilder, die zich juist gereed maakte het pak weder dicht te snoeren, en riep:
„Zoudt gij eens hier willen komen, mijnheer Darragos.”
De jonge man wendde zich om en kwam naar de kleine groep toe.
Maar nauwelijks had het jonge meisje in het wit hem gezien, of zij slaakte een blijden kreet van verrassing en riep uit:
„Maar ik ken mijnheer heel goed.”
„Wat is dat nu Dolly? Ken je mijnheer.”
„Natuurlijk papa. Denkt u soms dat ik zoo spoedig het gezicht zal vergeten van een man, die mij het leven heeft gered?”
„Wat? Is dat dat jonge mensch, dat verleden Zondag— — —?” begon de bierbrouwer, terwijl hij Darragos aandachtig opnam.
„Ja, papa. Dit is de heer, die op de stoomboot was, waarmee onze wherry in aanvaring kwam, zoodat ons bootje omsloeg en wij allen in het water lagen. [7]En die toen niet geaarzeld heeft, dadelijk over boord te springen, en drie van de meisjes te redden.”
„Drie? Ik dacht dat jij het alleen was,” hernam haar vader.
Dolly bloosde en stotterde:
„Dat van de twee anderen heb ik zeker vergeten te vertellen. Die gingen mij ook eigenlijk niet aan, nietwaar?”
Hannibal Jellybird keek zijn dochter een oogenblik vragend aan, en barstte in daverend lachen uit.
„Hoor die grappenmaakster,” riep hij. „De twee anderen gingen haar niet aan. Nu je hebt ook gelijk, alles welbeschouwd. Iedereen is zichzelf de naaste, en van het oogenblik af dat die jonge man jou het leven heeft gered, doet de rest er ook niet toe.”
De bierbrouwer wendde zich nu voor de eerste maal tot den jongen schilder, die tamelijk bedremmeld zich een weinig op den achtergrond had gehouden, en eveneens een hooge kleur had gekregen.
Hij nam hem van het hoofd tot de voeten op en zijn onderzoek scheen hem nog al te bevredigen, want hij bromde iets in zich zelf en zeide toen:
„Kom eens voor het front, jonge man.”
Darragos gehoorzaamde.
De bierbrouwer monsterde hem even nieuwsgierig en zeide toen goedkeurend:
„Dat is een kranig stuk werk van je geweest, jonge vriend. Maar hoe komt het, dat mijn dochter mij niet eerder verteld heeft, dat je haar uit het water van de Theems hebt opgehaald?”
„Maar hoe kon ik dat doen, papa?” riep Dolly pruilend uit. „Mijnheer maakte dadelijk dat hij weg kwam en hij heeft ons niet eens zijn naam willen opgeven. Hij zeide, dat dat er heelemaal niet op aankwam.”
Jellybird fronste een oogenblik de lichtrose wenkbrauwen.
Toen zeide hij op brommenden toon:
„Ik geloof toch wel, dat het er een weinig op aan komt, of er een meisje verdrinkt, dat een bruidschat van een millioen pond sterling mee krijgt. Wat drommel, jonge man, het is toch geen bagatel, zou ik meenen. Hoe denk je daar zelf over?”
De jonge schilder had zich dienaangaande zeker nog geen meening gevormd. Want hij bleef zwijgend staan, met den blik naar den vloer gericht.
Lord Aberdeen, die hem aandachtig had aangekeken, zag dat hij een weinig verbleekt was.
Wat Dolly betreft, zij scheen de opmerking van haar vader maar half goed te keuren, en zeide bestraffend:
„Maar papa, hoe kunt u daar nu over spreken? Zoo iets zegt men toch niet?”
Weer barstte de bierbrouwer in een luiden lach uit.
„Maar als ik daar nog niet eens over spreken mag, kind, waarover mag ik het dan wel doen? Het is zeker geen schande, als er goed geld verdiend is. Hoe denkt Lord Aberdeen er over?”
Een flauwe glimlach plooide de lippen van den gevraagde, toen hij ten antwoord gaf:
„Ik geloof niet, dat geld verdienen op zichzelf een bepaalde doodzonde is, mijnheer Jellybird. Wel echter heb ik vaak hooren verluiden, dat het niet tot den goeden toon behoort, als men te veel uitweidt over de wijze, waarop men zijn fortuin verworven heeft.”
„Een zonderlinge opvatting,” bromde Jellybird half binnensmonds. „Wat drommel ik heb er hard voor gewerkt. Ik heb toch per slot van rekening den oorlog niet gemaakt, die mij het geld letterlijk in den schoot wierp? Ik zeg u Mylord, er is nog nooit zooveel bier gedronken, als juist tijdens den oorlog. En er gingen duizenden en nog eens duizenden glazen naar het terrein van den strijd in Noord Frankrijk. Maar als je nu werkelijk gelooft, dat het niet tot den goeden toon behoort.…”
„Dat geloof ik inderdaad niet, mijnheer Jellybird,” hernam Lord Aberdeen glimlachend.
„Dan zal ik mijn best doen en niet meer er over spreken, doch iedereen mag weten, dat mijn dochter een millioen pond sterling mee krijgt. En laat ons nu eens over iets anders spreken. Gij zeidet mij zooeven, Mylord, dat dit jonge mensch iets moois bij zich had.”
„Iets voortreffelijks, mijnheer,” bevestigde zijne Lordschap.
„Kom er dan maar eens mee voor den dag, mijnheer.… mijnheer.… hoe is uw naam?”
„Ik heet José Darragos, mijnheer,” antwoordde de jonge schilder, op wiens gelaat nu weder een blos van opwinding was te zien en van hoopvolle verwachting.
„U is zeker geen Engelschman?” vroeg de bierbrouwer, terwijl hij even keek naar de zwarte lokken en den zuidelijken gloed in de oogen van den jongen man. [8]
„Ik ben een Portugees, mijnheer. Ik heb aan de zijde van uw landgenooten meegestreden in den oorlog en ik ben in Engeland gebleven, omdat niets mij meer naar mijn eigen land trok, waar mijn beide ouders omstreeks tien jaren geleden kort na elkaar gestorven zijn.”
„Erg belangwekkend,” zeide Jellybird, ofschoon het hem in den grond volstrekt niet kon schelen. Hij kwam hier om schilderijen te koopen, en het liet hem tamelijk onverschillig van wien hij ze kocht.
Darragos had intusschen zijn doeken gehaald en begon het pak opnieuw los te maken.
Dolly keek vol aandacht en met groote belangstelling toe, terwijl zij nu en dan een schuwen blik wierp op den jongen Portugeeschen kunstschilder.
Darragos had de doeken ontrold, waarop de vrouwenfiguur stond afgebeeld, en hield dat op eenigen afstand aan Jellybird voor.
Deze keek er door zijn half dichtgeknepen oogen naar, sperde ze toen plotseling zoover hij kon open, en barstte uit:
„Wilt u dat ik dat in mijn salon hang, mijnheer, dat kunt u toch niet meenen.”
„Dat heb ik dadelijk gezegd,” merkte Jozua Drebbel op, die naderbij was gekomen, en er niet bijzonder op gesteld was, dat zijn nieuwe klant, een man die zijn dochter een bruidschat van een millioen meegaf, zijn schilderijen niet bij hem, maar bij den pasbeginnenden jongen man kocht en nog wel een vreemdeling.
Maar nu liet de heldere stem van Lord Aberdeen zich hooren, die sprak:
„Ik verzeker u, mijnheer Jellybird, dat de vrouwenfiguur geniaal geschilderd is.”
„Luister eens, Mylord,” begon de bierbrouwer op gewichtigen toon. „Ik gevoel bijzonder veel voor uw kennis, voor uw gezicht op het gebied van kunst, maar per slot van rekening moet ik zelf in mijn huis wonen en niet u. Al mijn kennissen zijn fatsoenlijke lui en wat zouden zij er wel niet van zeggen, als zij in mijn salon zoo een.… zoo een.… hoe zal ik het noemen, zoo’n rare juffrouw aantroffen. Neen werkelijk, dat gaat niet.”
Hij wendde zich plotseling tot Darragos en vroeg op half gedempten toon:
„Hoor eens hier, jonge man. Kun je dat meisje, of wat het is, niet behoorlijk aankleeden. Ik heb er met plezier een paar pond extra voor over. Zoo duur zal de verf toch wel niet zijn.”
De jonge Portugees had moeite het minachtend lachje te verbergen, dat om zijn lippen was verschenen, maar hij antwoordde toch op hoffelijken toon:
„Het spijt mij, mijnheer Jellybird, het meisje, of wat het dan is, blijft zooals ik haar geschilderd heb.”
Dolly wilde haastig tusschenbeide komen, misschien den jongen man wel verzoeken op zijn besluit terug te komen, maar een blik op zijn vastberaden gelaat deed haar zwijgen.
Haar vader echter riep met luide stem:
„Dan kan ik het niet nemen, jonge vriend, het spijt mij waarachtig voor je, maar dan kan ik het niet nemen. Laat de rest maar eens kijken.”
Darragos nam het landschap uit het pak, ontrolde het en hield het zwijgend op eenigen afstand van Jellybird vast.
De bierbrouwer keek er eenigen tijd naar, met zijn dikke roode vuisten in de zijde gesteund en begon toen zwijgend het hoofd te schudden.
„Bevalt het u niet, mijnheer Jellybird?” vroeg Lord Aberdeen glimlachend.
„Ik zou beter kunnen zeggen, of het mij bevalt of niet, Mylord, als ik wist wat het eigenlijk moest voorstellen,” antwoordde de bierbrouwer, nog altijd met het hoofd schuddend.
Zonder een enkel woord te zeggen, rolde de jonge Portugees het doek weder op en begon het pak dicht te maken.
In een oogwenk was Dolly aan zijn zijde en fluisterde hem haastig eenige woorden toe, die blijkbaar van zeer aangenamen aard waren want er verscheen een blos van vreugde op de wangen van den jongen man.
Maar Jellybird scheen toch te gevoelen, dat hij wel iets goed te maken had aan den man, die zijn eenig kind het leven had gered, een kind, terwaarde van een millioen pond sterling.
Hij trad dus weder op Darragos toe, legde zijn zware hand op zijn schouder en zeide op jovialen toon:
„Wat je mij daar hebt laten zien, wel ik geloof, dat het niet zoo kwaad was, zie je, maar— — —het was een beetje— — —hoe zal ik zeggen, een beetje petiterig. Heb je niets grooters bij je, iets dat een [9]beetje in het oog springt, dat wat vult? Ik houd nu eenmaal niet van de lapjes linnen en als ik er voor betaal, dan wil ik ook een flink stuk in mijn kamer hebben. Wat denkt u er van Mylord?” zoo wendde hij zich weder tot den filantroop, die zich een weinig had terug getrokken en zwijgend het kleine groepje gade sloeg.
„Als u aan mijn meening iets gelegen is, mijnheer Jellybird, dan wil ik u wel zeggen, dat volgens de meest gangbare meening, de kunstwaarde van een schilderij niet wordt afgemeten naar de oppervlakte in centimeters, die het beslaat en, terecht zou ik zeggen.”
De bierbrouwer krabde zich achter het oor en deed blijkbaar de grootste moeite om deze nieuwe, en voor hem geheel vreemde stelling, te verwerken.
Hij scheen daar echter niet in te slagen en daarom wendde hij zich weder tot den jongen schilder en zeide:
„Wat Mylord daar zegt, zal wel waar zijn. Want ik heb al eens beweerd, dat ik hem zeer hoog acht. Hij is een knappe en geleerde bol—maar ieder zijn meug, ik houd het nu eenmaal meer met de flink groote stukken. Hebt u niets van dien aard?”
De jonge Portugees scheen even te aarzelen, maar een blik op het gelaat van het jonge meisje scheen hem reden te geven om te antwoorden:
„In mijn atelier heb ik nog een paar doeken van ongeveer anderhalve vierkante meter, mijnheer. Is u dat voldoende?”
„Dat lijkt er tenminste al wat op, als er nog een flinke vergulde lijst omheen komt. Wat stellen ze voor?”
„Het afscheid van Hector en Andromache en de strijd tusschen Achilles en Perycles onder de muren van Troje.”
„Nooit van de lui gehoord,” bromde de bierbrouwer voor zich uit. „Zeker beroepsboksers.”
„Pardon, mijnheer Jellybird, zij streden wel met elkaar maar niet met lederen handschoenen. Ze zijn trouwens al vierduizend jaar dood.”
„Sakkerloot, wat een tijd,” riep Jellybird.
Hij scheen nog een oogenblik in twijfel te staan, maar toen riep hij uit op denzelfden beschermenden toon:
„Breng die dingetjes dan maar eens bij mij, dan kan ik zien wat het is. Kun je morgen komen?”
„Tot mij spijt niet voor over een week, mijnheer.”
„O, ik begrijp het al, de verf is zeker nog niet droog, nietwaar? Dus laten wij dat dan maar voor afgesproken houden.”
Hij wendde zich weder tot Lord Aberdeen om afscheid van hem te nemen, toen hem plotseling iets scheen in te vallen.
Hij nam Darragos bij den arm en vroeg op gedempten toon:
„Ziet u kans om een portret van iemand te schilderen?”
„Dat zou ik wel denken, mijnheer,” antwoordde de jonge schilder.
„Luister dan eens. Over een paar weken is mijn dochter jarig en ik wilde haar een portret van mij cadeaux geven. Ziet u kans om mij uit te schilderen?”
„Dan zal ik heel hard moeten werken, mijnheer,” antwoordde de jonge man met een peinzende uitdrukking op zijn gelaat.
„Het zou desnoods bij mij thuis kunnen gebeuren, maar als het vlugger gaat wanneer het in uw atelier gebeurt, dan ben ik tot uw dienst. Natuurlijk mag mijn dochter er niets van weten. Komt u dus bij mij thuis werken? Dan heet het dat u een of andere reparatie komt doen aan een stuk werk. Ik wil u niet verbergen dat ik de opdracht oorspronkelijk aan een schilder van naam had willen geven, maar het valt toch niet weg te cijferen, dat u mijn dochter uit het water hebt gehaald. Ik zeg maar, voor wat hoort wat en u zult zien, dat u niet met een ondankbare te doen hebt. Kunt u morgen al komen?”
„Ik ben geheel tot uw dienst, mijnheer,” antwoordde Darragos met een lichte buiging. Een buiging, zonder eenige pluimstrijkerij, of laffe onderdanigheid, die Lord Aberdeen nog meer voor dien jongen talentvollen maar nog miskenden schilder innam.
Een paar minuten later was de bierbrouwer met zijn bevallige dochter verdwenen, en de laatste had afscheid van Darragos genomen met een handdrukje, dat hem klaarblijkelijk voor vele onaangenaamheden schadeloos stelde, welke hij in den kunsthandel van den heer Jozua Drebbel had ondervonden.
Toen echter de jonge schilder op zijn beurt den winkel had willen verlaten, hield Lord Aberdeen hem staande en vroeg hem op zachten toon:
„Wat vraagt gij voor het landschap met de boomen?” [10]
„Mylord— — —ik— — —ik, weet waarlijk niet— — —” stamelde Darragos. „Om u de gulle waarheid te zeggen, had ik er geen bepaalde som voor vastgesteld. Ik heb reeds zooveel teleurstellingen gekend. Ik heb reeds die doeken bij verschillende kunsthandels laten zien en overal zei men mij ongeveer hetzelfde als die kaalhoofdige ezel van zooeven.”
„Vindt gij twee honderd pond voldoende?”
„Twee honderd pond?” herhaalde de jonge Portugees, terwijl hij van blijdschap en ontroering verbleekte. „Wilt gij zeggen dat gij voor dien prijs het doek wilt koopen?”
„Dat wil ik. Ik vind het een zeer opmerkelijk doek. Hier hebt ge mijn adres. Over twee uren ben ik thuis. Ik hoop, dat gij mij dan het verkochte doek persoonlijk wilt komen brengen, wanneer het niet te veel moeite is, en breng dan tevens eenige van uw laatste schetsen mee. Uw werk verdient wel, dat men er zich mee bezig houdt.”