Zoodra Lord Aberdeen de huisdeur achter zich had gesloten van het fraaie heerenhuis in de Regentstreet, trad hem een jonge man tegemoet met een rond, blozend gelaat, dikke blonde lokken en de mooiste blauwe oogen, die men zich kan voorstellen.
„Blij dat je er bent, Edward!” zeide hij op zachten toon, terwijl hij den ander de hand toestak. „Ik heb een paar moeilijkheden met een sleutel, het slot is zeer ingewikkeld, en het namaken is niet zoo gemakkelijk gegaan, als ik het mij aanvankelijk voorstelde. Je bent laat, nietwaar?”
„Het is waar, Charly, dat ik mij opgehouden heb, maar ik heb er geen spijt van! Laten wij naar de rookkamer gaan, dan kan ik het je op mijn gemak vertellen.”
„Maar de sleutel dan?” vroeg de jonge man.
„Laat den sleutel voorloopig maar rusten, dat heeft geen haast! De bank van Thomson loopt niet weg! Ik heb nu eerst een andere daad op het oog, die nog heel wat meer kan opbrengen!”
De man, die deze zonderlinge woorden gesproken had, die inderdaad wel eigenaardig klonken uit den mond van dezen Lord, was John Raffles, en hij die ze aanhoorde was zijn trouwe en onafscheidelijke vriend Charly Brand, die het meerendeel zijner gevaarlijke avonturen had medebeleefd, wellicht de eenige man, die een blik had kunnen slaan in het ware karakter van den Gentleman-Inbreker, die dit fraaie huis bewoonde onder den naam van Lord Aberdeen. [11]
Ja, het was de man geweest, die de Londensche politie handen vol werk gaf, op wiens aanhouding reeds jaren een premie was uitgeloofd van duizend pond sterling, die den jongen José Darragos bij zich had ontboden! Raffles had de beide armen om de schouders van zijn jongen vriend geslagen toen zij beiden door de vestibule gingen, die naar de eerste verdieping leidde, waar zich de rookkamer bevond, een in Arabischen stijl gemeubeld vertrek, met een ruime erker, die uitzicht gaf op den tuin, welke op dit oogenblik in gouden herfstdos praalde.
Zoodra de twee vrienden hadden plaats genomen in een gemakkelijken met zijden kussens bekleeden stoel en een cigaret hadden opgestoken begon Raffles Charly mede te deelen, wie hij zooeven ontmoet had.
Toen hij gereed was, vroeg Charly, die aandachtig toe geluisterd had:
„En schildert die jonge Portugees werkelijk zoo verdienstelijk?”
„Luister eens, mijn waarde! Ik steun menigmaal jonge kunstenaars, maar ik overdrijf het niet! Ik ben niet zoo dwaas om geld te verspillen aan lieden die het nooit verder zullen brengen dan het verven van een tafel of op zijn best het schilderen van letters op een winkelpui en ik geloof dat ik daar heel goed aan doe, want anders zou ik knoeiers maar stijven in het kwaad! Zeker, wat Darragos schildert dat is vreemd, het is fantastisch, het is zeker nog nooit zoo gezien—het doet een weinig denken aan Van Gogh—in ieder geval vertoont het de kiemen van ware genialiteit en daarom heb ik een van zijn doeken gekocht, waarmee ik twee vliegen in een klap sla. Ik verrijk mijn verzameling met een schoon stuk, en ik geef den jongen man moed om verder te gaan op den ingeslagen weg!”
„Het is wel eigenaardig, dat je in den kunsthandel van onzen vriend Drebbel dien verschrikkelijken Jellybird ontmoette!”
„Ken je hem?”
„Maar mijn beste Edward—heel Londen kent hem immers! Het is onmogelijk om hem niet te kennen! Zijn reusachtige kanariegele auto, zeker een tachtig paards wagen, als het ten minste geen honderd zijn, is in de heele stad bekend, zonder overdrijving. Hij heeft een loge in bijna alle operagebouwen, ofschoon hij evenveel verstand heeft van muziek als een koe van het koorddansen, en hij houdt er twee racejachten op na, hij heeft een stal met renpaarden, die de koning hem zou kunnen benijden, en waaruit twee paarden hem reeds hooge prijzen hebben laten verdienen, hij slaat geen enkel Derby over noch een Grand Prix, noch een wedstrijd in de Hoppegarten, hij strooit met zijn geld op iedere fancy-fair en er is maar een ding dat hem ontbreekt!”
„En dat is?”
„Hij zou zoo dolgraag in aanraking komen met den adel!”
„O! Wat dat betreft zal er misschien spoediger aan zijn hartewensch worden voldaan, dan hij verwacht, al is het dan misschien op eenigszins andere wijze dan hij zich had voorgesteld!” zeide Raffles op eigenaardigen toon.
„Wat meen je?” vroeg Charly, terwijl hij Raffles onderzoekend aankeek.
„Wel—met mij zal hij in aanraking komen! Met John Raffles—met Lord Edward Lister! Je zult toch onmogelijk kunnen ontkennen, dat geen man zich zoo goed leent als hij, om als object te dienen bij de kunstbewerking, welke de politie, die altijd leelijke woorden gebruikt, met den naam van inbraak bestempeld heeft!”
Charly liet een zacht gefluit hooren, en zeide, na even te hebben nagedacht:
„Ik zeg niet dat het wild de moeite niet loont, maar ik vraag mij zelf af of het wel zoo gemakkelijk zal zijn, in zijn huis binnen te dringen.”
„Ken je zijn huis?”
„Ja, ik weet wel waar het is! Ik ben er eenige malen langs gereden met mijn motorrijwiel.”
„Heelemaal toevallig?” vroeg Raffles met een tinteling in zijn staalgrijze oogen.
„Ik verzeker je dat het louter toeval was,” antwoordde Charly haastig. „Maar ik heb toch niet nagelaten, instinctmatig de plek eens op te nemen, waar het huis van dien rijkaard zich bevindt.”
„Je gebruikt daar een woordkeuze, die in de verte aan vestingbouw herinnert,” kwam Raffles glimlachend. „Zoo erg zal het wel niet zijn.”
„Nu zijn huis heeft toch wel een weinig van een vesting weg, het is uit hardsteen opgetrokken en uit graniet. Marmer en andere edele steensoorten zijn er niet aan gespaard. Het ligt in Cromwell Street, dicht bij Soho Square, het is splinternieuw opzettelijk voor hem gebouwd, het moet bijna een millioen [12]pond sterling gekost hebben en het is ingericht met een weelde, die iemand het hart in het lichaam doet omdraaien!”
Raffles wendde Charly haastig zijn scherpgeteekend gelaat toe.
„Hoe weet je dat?” vroeg hij. „Ben je er geweest?”
„Neen, ik ben er zelf niet geweest!” antwoordde de jonge man. „Ik heb het gehoord van een van de leden van de Windsor-Club, van den jonge Brain, hij heeft er een paar maal een bezoek gebracht en hij raakte niet uitgepraat over de barbaarsche weelde, zooals hij dat noemde, die er in het huishouden van den bierbrouwer heerschte. De man schijnt geen grijntje smaak te hebben en ik heb mij laten vertellen—ik durf echter niet instaan voor de waarheid, dat men de grootste moeite van de wereld heeft gehad om hem te beletten om de prachtige copieën van marmeren beelden, uit het Louvre afkomstig, te laten vergulden, omdat hij het wit van het marmer zoo doodsche kleur vond!”
„Dat verwondert mij niets van dien man!” hernam Raffles schouderophalend. „Reeds in den kunsthandel van den heer Drebbel heb ik de opmerking kunnen maken, dat onze vriend Jellybird zeer rijk is, maar dat zijn kunstzin helaas geen gelijken tred heeft gehouden met de toename van zijn vermogen. Hij heeft namelijk den jongen Darragos, van wien ik je zooeven verhaalde, verzocht om met een paar doeken bij hem te komen—maar zij moesten vooral flink groot zijn.”
Charly barstte in lachen uit en vroeg toen:
„Is zijn dochter van hetzelfde kaliber?”
„Neen gelukkig! Vermoedelijk heeft hij het jonge meisje naar een kostschool gezonden, en daar zal zij wel gehoord hebben, de schilderijen anders te beoordeelen dan naar de grootte. Ik kreeg den indruk dat zij alles behalve gesticht was over de opmerking die haar vader ten beste gaf. Ik kan mij natuurlijk vergissen, maar ik meen te hebben gezien, dat de bevallige Dolly voor den jongen man, die haar het leven redde, zelfs nog meer belangstelling koestert dan hij rechtens zou kunnen eischen!”
„En hij?”
„Wel ik geloof, dat hij dat lieve kind zeer graag mag lijden—maar hij is een trotsch sinjeur en het zou mij volstrekt niet verwonderen als haar rijkdom hem afschrikte, trouwens—als ik het karakter van onzen vriend den bierbrouwer in dien korten tijd goed doorzien heb, dan geloof ik wel te mogen zeggen, dat hij er geen oogenblik aan zou denken zijn dochter te geven aan iemand, die nog pas op den ondersten trap van de ladder naar den roem staat, en die het volgens hem wel nooit verder zal brengen dan een talentvol huisschilder!”
„Dan loopen wij dus kans, nog een soort van familiedrama bij te wonen,” zeide Charly lachend. „Ik ken het jonge meisje vluchtig, door haar wel eens op het tennisveld te hebben ontmoet, en ik meen te kunnen verzekeren, dat zij zich niet zonder verzet zal neerleggen bij een besluit van haar vader, dat niet met haar eigen wenschen strookt.”
„En de vader lijkt mij een koppige oude ezel toe!” hernam Raffles overtuigd. „Een man die zoo trotsch is op zijn geld, als een pas geridderde op zijn linten en die vast overtuigd is dat hij zich persoonlijk jegens zijn land verdienstelijk heeft gemaakt, door tijdens den oorlog eenige millioenen te verdienen. Ik weet niet wat het is, Charly, maar een zeker voorgevoel zegt me, dat mijn rol in deze geschiedenis nog niet is uitgespeeld.”
De beide vrienden bleven nog eenigen tijd over het onderwerp doorpraten en vervolgens begaf Charly zich weder aan zijn werk, hetwelk voor het oogenblik hierin bestond, dat hij in een geweldig dik register knipsels uit verschillende voorname bladen uit de meeste Europeesche hoofdsteden plakte en dan achter in dat dikke boek in het kort den inhoud vermeldde.
Het was een lastig werkje, dat veel aandacht vereischte en vooral veel geduld. Maar Charly mocht zich gelukkig achten, dat beide eigenschappen in ruime mate zijn deel waren.
Ongeveer anderhalf uur later kondigde de grijze dienaar van Lord Aberdeen, de oude Gaston, het bezoek aan van José Darragos.
De jonge man had zich ditmaal de weelde van een huurauto veroorloofd, en dat mocht ook wel, want behalve het door Raffles gekochte doek, had hij nog een lijvige en zeer zware portefeuille bij zich.
Hij werd in de met verfijnden smaak gemeubelde ontvangkamer gelaten, waar Raffles hem een oogenblik later begroette.
„Het doet mij genoegen, mijnheer Darragos, dat gij aan mijn verzoek gevolg hebt gegeven en hier gekomen zijt, om mij persoonlijk uw werk te komen [13]brengen,” begon Raffles. „En wees nu zoo goed en toon mij eens wat van den inhoud van uw portefeuille.”
De jonge Portugees maakte de banden los, waarmede de portefeuille was toegebonden en begon Raffles zijn schetsen te toonen.
Deze met zijn geoefenden smaak zag aanstonds dat er vrij wat bij was, hetwelk den beginner verried, die zich zijn weg nog zocht, maar daarnevens waren er eenige schijnbaar onbeteekenende krabbels, die onmiskenbaar van een talent getuigden, dat bezig is zich uit de windsels los te maken en de vleugels uit te slaan, om misschien de hoogste trappen van den roem te bereiken.
Raffles legde eenige van de schetsen terzijde en toen hij de geheele portefeuille had doorgezien, vouwde hij de witte gespierde handen om de knieën, keek Darragos een oogenblik onderzoekend aan en begon toen:
„Ik geloof, mijnheer, dat gij er niet de man naar zijt, om u spoedig te laten beïnvloeden en dat is maar heel goed ook. Als gij uw eigen weg volgt, en u daarvan niet laat afleiden door zoogenaamd welwillende critici, dan zult gij het ver brengen. Ik ben overtuigd, dat gij de waarheid kunt vernemen, en daarom voeg ik er aan toe, dat uw techniek nog geenszins volmaakt is, en dat gij ernstig zult moeten blijven door studeeren. Ik zeg u dit niet om u te ontmoedigen, en ik geloof ook niet dat gij spoedig het hoofd laat zakken. Ik zeg het slechts om u aan te sporen, den ingeslagen weg met moed te blijven volgen, dan ben ik er zeker van, dat gij over eenige jaren met den grootsten lof genoemd zult worden onder de eerste schilders van het land, tenminste wanneer gij dan nog niet naar uw eigen land terug gekeerd zijt.”
„Ik dank u voor uw welwillende woorden, Mylord,” zeide Darragos, op wiens fijn besneden gelaat een donkere blos van genoegen was verschenen. „Wat uw laatste opmerking betreft, ik heb voorloopig volstrekt geen reden om naar mijn land terug te keeren. Integendeel, ik wil niets liever dan te Londen blijven, om hier te studeeren en te werken. De Engelsche hoofdstad heeft altijd een zeer groote aantrekkingskracht op mij uitgeoefend. Er zijn hier zooveel onvergelijkelijke motieven. Ik denk hierbij aan de Tower bridge, aan de haven, aan de schoone plekjes aan de Theems, aan de prachtige parlementsgebouwen, aan den Westminster Abdij, en aan zooveel andere prachtige onderwerpen.”
„En zijn dat de eenige redenen die u hier houden, mijnheer Darragos?” vroeg Raffles, terwijl hij den jongen man een weinig spottend aankeek.
Darragos antwoordde niet, maar hij werd nog rooder in het gelaat en begon met een door niets gemotiveerde haast zijn schetsen weder in te pakken.
Maar dit zwijgen was welsprekend genoeg en Raffles vroeg dan ook niet verder.
Maar toen Darragos de hand uitstrekte naar de schetsen welke hij terzijde had gelegd, riep Raffles uit:
„Wacht wat, die schetsen behoud ik, tenminste, wanneer gij er niet bepaald op gesteld zijt, ze om de een of andere reden te behouden. Deze eene stelt namelijk een jonge dame voor, wier gelaat ik mij meen te herinneren. Ik moet haar nog niet lang geleden hebben gezien. Wacht eens, nu valt het mij al te binnen, het is miss Dolly Jellybird, nietwaar?”
José Darragos stond half afgewend en in die houding knikte hij bevestigend zonder op te zien.
„Dat hebt ge zeker uit het hoofd geteekend?” vroeg Raffles glimlachend, zonder schijnbaar acht te geven op de verwarring van den jongen schilder.
„Ja, Mylord.”
„Dan moet ik u mijn compliment maken. Het is niet alleen buitengewoon gelijkend, zoo gelijkend alsof het origineel verscheidene malen voor model had gezeten, maar er zit leven in, en dat kan men van een groot aantal portretten helaas niet zeggen. Wilt ge mij dit portret verkoopen?”
Nu wendde de jonge schilder zich eindelijk om en zeide stotterend:
„Verschoon mij Mylord—gij zijt zeer goed voor mij geweest, ik weet maar al te wel, hoeveel ik u te danken heb, maar ik zou liever geen afstand doen van dit portret, ik heb er nog een, van iemand anders, en dat is geloof ik beter dan dit.”
„Zoudt gij denken?” kwam Raffles glimlachend. „Maar als ik nu speciaal dit portret wilde hebben, als ik u vijfhonderd pond bood voor deze eenvoudige potloodkrabbel.”
„Het doet mij leed, Mylord. Maar wezenlijk ik zou dit portret liever niet afstaan!”
Met een snel gebaar stak Raffles hem de schets toe, en klopte Darragos op den schouder, terwijl hij zeide:
„Onder deze omstandigheden is er natuurlijk [14]geen sprake van dat ik deze schets zou willen houden, mijn waarde Darragos. Hier hebt ge haar. Gij zult mij echter de opmerking ten goede moeten houden, dat gij er wel zeer op gesteld moet zijn, om een bedrag te weigeren, dat ongeveer tien maal te hoog is, maar wij zullen nu niet verder over de zaak spreken. Neem nu plaats als ik u verzoeken mag, dan zal ik even een cheque voor u uitschrijven.”
Raffles haalde zijn chequeboekje te voorschijn en vulde snel een cheque in, welke hij den jongen man toestak.
Terwijl hij zijn vulpenhouder weg borg, begon hij weder.
„Zeg mij eens, heb ik u in den kunsthandel van Drebbel niet hooren zeggen, dat gij de volgende week met een paar doeken ten huize van Jellybird zoudt komen?”
„Zoo is het, Mylord.”
„Mag ik die doeken niet eens komen zien in uw atelier?”
„Uw komst zal mij zeer aangenaam en een groote eer voor me zijn, Mylord,” antwoordde Darragos met een kleur van blijdschap. „Maar tot mijn spijt kan ik u die twee schilderijen niet laten zien.”
„Waarom niet, als ik vragen mag?”
„Omdat ze nog niet geschilderd zijn, Mylord.”
Raffles liet een kort lachje hooren, en antwoordde:
„Gij zoudt dus in een week tijd twee zulke moeilijke onderwerpen moeten schilderen?”
„O, dat is zoo moeilijk niet van het oogenblik af, dat zij bestemd zijn voor den heer Hannibal Jellybird,” antwoordde de jonge Portugees met een minachtend schouderophalen, maar terwijl zijn oogen ondeugend glansden. „Hij vroeg om groote schilderijen, ik wilde hem gaarne voldoen, en daarom heb ik hem die twee schilderijen toegezegd.”
„Maar als hij ze nu weigert? Als hij ze niet naar zijn zin vindt?”
„Dan is er nog niet veel aan verloren, Mylord. Ik kan ze makkelijk in eenige uren gereed krijgen. Ik geloof dat mijnheer Jellybird niets anders verlangt dan een zoo dik mogelijke laag verf, veel vermiljoen, veel kanariegeel en als het kan ook nog een beetje bladgoud. Denk eens aan wat ik kan maken van den helm, het schild en het zwaard van Hector, van de strijdwagens en van de roode tunique van Andromache! Het eene prachtig verguld, het laatste bessensaprood. Ik verzeker u dat hij ervan zal smullen, maar hij behoeft er niet meer voor te betalen, dan tien pond per stuk.”
Maar Raffles keek nu Darragos hoofdschuddend aan, en zeide half lachend, half ernstig:
„Het is een goede grap, maar hebt ge wel eens aan de gevolgen gedacht? Zoo niet, dan zal ik die wel eens voor u uitdenken. Jellybird is zeer trots op zijn schilderijen. Wie hem bezoekt wordt het eerst naar zijn wapenverzameling en vervolgens naar zijn schilderijenzaal gebracht. Daar zullen ook uw twee oleogravures hangen en hij zal aan iedereen die het hooren wil, verklaaren, dat die geschilderd zijn door José Darragos. Dat is een. Voor menschen die geen verstand hebben van schilderijen, beteekent dat absoluut niets, maar de kenners zullen natuurlijk meesmuilend naar uw ineen geflanste schilderijen kijken, en bij zichzelf de opmerking maken dat gij een zekere beteekenis zoudt kunnen krijgen als leverancier van opwindende tafreelen op den buitenkant van een kermishypodrome, of een stoomcaroussel. Maar er is nog meer. Die mijnheer Jellybird namelijk is niet de eenige van zijn naam. Hij heeft een dochter, een zeer bevallige dochter, die u wellicht niet heelemaal onverschillig is. Zij weet meer van schilderijen af dan haar vader, en zal dadelijk zien, dat gij hem een paar volstrekt waardelooze „croutes” in de handen hebt gestopt. En ik zou niet graag gedwongen worden van te voren te moeten zeggen, hoe zij die spotternij zou opnemen. Misschien zou zij het heel grappig vinden, maar misschien zou zij zich beleedigd gevoelen, zelfs tegenwoordig vindt men van die jonge meisjes, die er desnoods in zouden toestemmen er met u van door te gaan, maar die het niet zouden vergeven, als gij haar vader een raar figuur liet slaan, en nu moet gij zelf maar eens uitmaken wat het beste is volgens u.”
De jonge schilder had aandachtig toegeluisterd en gedurende het laatste gedeelte van Raffles’ toespraak had hij het hoofd gebogen, terwijl hij nu en dan een schuwen blik op den spreker wierp.
Nog eenigen tijd nadat Raffles gezwegen had, bleef de jonge schilder onbewegelijk voor zich uitstaren en toen hief hij met een ruk het hoofd op en zeide:
„Ik geloof, dat gij gelijk hebt, Mylord. Ik wil van mijn hart geen moordkuil maken. Gij schijnt al te veel geraden te hebben, wat ik goed verborgen waande en daarom mag ik het u wel toevertrouwen, [15]dat alleen uw laatste bezwaar voor mij kan gelden.”
De zwarte oogen van den Portugees schitterden guitig, toen hij vervolgde:
„Het is wel jammer, dat ik het moet laten, want ik had er mij veel van voorgesteld. Wat uw eerste tegenwerping betreft, ik zal de kenners wel spoedig verplichten tot de erkentenis te komen, dat ik wel beter kon schilderen, dan de beide schilderijen, die in de zaal van mijnheer Jellybird prijkten, maar intusschen zit ik er nu danig mee in, want ik heb hem die twee doeken beloofd.”
„Hebt gij niets anders van eenigen omvang?” vroeg Raffles. „Gij weet immers wel, dat onze man in de eerste plaats op de afmeting let?”
Darragos dacht even na en riep toen eensklaps uit:
„Wacht eens, ja zeker, ik moet nog een heel groot doek hebben, bijna twee meter hoog. Het dateert uit mijn eerste jaren en stelt geloof ik voor het binnenste van een Portugeesch wijnhuis.”
„Komen er vaten op voor?” vroeg Raffles haastig.
„Die zullen zeker niet ontbreken.”
„Dan is de zaak in orde. Breng hem dat doek, en hij zal er meer prijs op stellen, dan het afscheid van Hector en Andromache, al ware het ook door een Michael Angelo geschilderd.”
De beide mannen waren opgestaan en de jonge schilder maakte zich gereed om afscheid te nemen.
Maar Raffles hield hem nog even terug en zeide:
„Gij gaat immers het portret van den heer Jellybird schilderen?”
„Ja Mylord.”
„Wanneer begint gij daarmee?”
„Morgen, denk ik.”
„Nu, ik wensch u veel succes,” zeide Raffles glimlachend, terwijl hij den jongen schilder de hand drukte.
Darragos wendde zich op den drempel nog eens om en zeide op een toon van innige dankbaarheid:
„En ik ben u zeer dankbaar Mylord, omdat gij de eerste zijt geweest, die mijn werk heeft gewaardeerd. Ik weet zeker, dat mij dat geluk zal aanbrengen. Ik kan nu tenminste voor den eersten tijd onbezorgd leven en ik zal de wereld toonen, dat zij zich vergiste, toen zij meende dat zij mij kon minachten.”
En met deze woorden verdween de jonge Portugees, terwijl Raffles glimlachend achterbleef. [16]