Charly Brand had Raffles niet te veel gezegd van het huis, waarin de millionair-bierbrouwer verblijf hield.
Het was inderdaad weinig minder dan een vesting, het scheen wel gebouwd te zijn om de eeuwen te kunnen trotseeren.
Het huis lag aan het eind van de straat en was daarvan gescheiden door een tuin met fraai opgaand geboomte en vol kostelijke bloemperken.
Alles welbeschouwd was het huis veel te groot voor het kleine huishouden van den bierbrouwer, dat slechts bestond uit den heer des huizes, zijn echtgenoote en zijn dochter.
En toch was het maar nauwelijks groot genoeg om alles te kunnen bevatten wat de millionair er in den loop der jaren had ingebracht.
Daar was om te beginnen de wapenverzameling van Jellybird, die terecht doorging voor een der meest volledige particuliere collecties in geheel Londen en die zeker verscheidene duizenden ponden waard was.
Een geheele zaal op de tweede verdieping met vijf ramen aan de straat was noodig geweest om die kostbare verzameling te kunnen bevatten.
Daar hingen langs de wanden, of daar lagen in kostbare vitrines van mahoniehout, allerhande moordtuigen, welke de mensch in den loop der eeuwen had uitgedacht om zijn naaste het leven te berooven.
Daar lagen werpspiesen en assagaaien van de Zoeloe’s en Boschjesmannen, blaaspijpen, zooals ze gebruikt worden door de Dajaks, die er met een bewonderenswaardige behendigheid zeer kleine vergiftigde pijltjes mee weg blazen en wel op zeer verren afstand, en die met deze soms tot vijftien voet lange blaaspijpen van bamboe een vogel op een afstand van veertig meter onfeilbaar wisten te treffen, tomahawks van de Siouks en de Commanchen, boomerangs van de Australische boschnegers, bogen van ivoor, zooals ze vele eeuwen geleden door de Chineesche krijgslieden gebruikt werden, strijdbijlen van jaspis, van de Maori afkomstig en andere bewoners der Zuidzee-eilanden, vuursteen-geweren, prachtige ruiterpistolen, ingelegd met goud, ivoor en perl d’amour, Arabische geweren met een loop van bijna twee meter lengte, en waarvan de ebbenhouten kolf rijk met zilver was beslagen. Circassische dolken, met gevesten van goud, en waarvan de kling van geblauwd staal eveneens was ingelegd met fijne gouden aderen, Spaansche degens met rijk bewerkt gevest, dateerend uit de 16e eeuw en afkomstig uit Toledo, dat steeds beroemd is geweest om de kunst van zijn zwaardvegers, kromme zwaarden der Turken, zoo zwaar dat slechts een krachtig man ze kon hanteeren, goedendags, morgensterren, strijdbijlen, zooals de geharnaste ridders in de middeleeuwen ze gebruikten, Japansche beulzwaarden met de snede zoo vlijmscherp, dat een hoofdhaar, hetwelk men er van een hoogte van een paar centimeters liet opvallen, door midden werd gesneden. Moderne jachtgeweren, revolvers met twaalf schoten van de beroemde fabriek van Smith & Wesson, kortom, alle wapens van de geheele aarde waren daar vertegenwoordigd.
Had de heer Jellybird verstand van deze wapens?
Geenszins, maar het was mode, het was vooral kostbaar om er een wapenverzameling op na te houden en daarom bezat de bierbrouwer deze wonderschoone collectie, die zelfs eenige historische stukken bevatte, zooals de bijl, waarmee de beklagenswaardige Anna Boulein haar jeugdig leven op het schavot eindigde.
Dan was er een muziekzaal, een niet veel kleiner vertrek, waarin twee groote Bechstein-vleugels [17]stonden, een harp, eenige mandolines, en voorts een tiental gemakkelijke stoelen. Het was in een woord een kleine concertzaal.
Vervolgens was er een gymnastiekzaal.
Het behoeft zeker niet te worden gezegd, dat de heer Jellybird zelf hier maar hoogstzelden een voet zette, want zijn buitensporige zwaarlijvigheid maakte het hem ten eenemale onmogelijk, een andere sport te beoefenen dan auto rijden.
Maar een des te drukker gebruik van deze zaal werd gemaakt door zijn bevallige dochter, die verzot was op schermen, en met haar vriendinnetjes uren in dit vertrek kon doorbrengen, om er aan de Romeinsche ringen, de dubbele barn, den rekstok, het paard en andere turninstrumenten te werken.
Maar hiermede was de reeks vertrekken in het groote huis nog bij lange na niet uitgeput.
Er was een kolossale badkamer, grooten deels in fraai Cararisch marmer uitgevoerd, met een bassin dat niet misstaan zou hebben in een openbare zweminrichting, en waarvan de inrichting een burgervermogen vertegenwoordigde. Er was een serre, vol uitheemsche planten, er was een bibliotheek, met ongeveer tienduizend boeken, waarvan er misschien tien of twintig opengesneden waren. Er was een ontvangsalon even groot als een plein, er was een danszaal, die nog grooter was, met een afzonderlijke loge voor het orkest, er was een eetzaal, drukkend door haar buitensporige weelde, de droom van een schatrijk geworden poffertjeskraambezitter, en dan was er nog een biljardkamer, een rookkamer, een werkkamer voor den heer des huizes, welk vertrek hij echter nooit anders placht te bezoeken dan om er zijn middagslaapje te doen, twee boudoirs, een voor mevrouw en een voor de jonge juffrouw, en een groot aantal slaapkamers, gedeeltelijk bestemd voor de logeergasten en allen ingericht met een weelde, die den bezoeker een groot denkbeeld moest geven van de rijkdommen, waarover de bezitter van dit huis beschikte.
Niet alleen aan de voorzijde, maar ook aan de beide zijkanten en de achterzijde was het huis omgeven door een volslagen park, met prachtige eeuwenoude kastanjeboomen en breede lanen.
Het was op den dag, volgende op het bezoek, hetwelk de jonge Portugeesche schilder aan Raffles had gebracht, toen een deftig gekleede huisknecht met een gladgeschoren gezicht, met afgemeten schreden op de huisdeur toetrad, waaraan zooeven was gebeld.
Het was toen omstreeks half elf in den morgen.
De huisknecht trok de zware voordeur naar zich toe en keek in het gelaat van José Darragos, die hij blijkbaar nooit had gezien.
Toen gleed zijn blik naar de schilderdoos, welke de jonge man in de hand hield, om tenslotte te blijven rusten op diens gladden vilten hoed, die de sporen droeg van langdurige en trouwe knechtschap.
„U wenscht?” vroeg de deftige bediende tamelijk afgemeten.
„Ik wensch bij mijnheer Jellybird te worden toegelaten,” antwoordde Darragos.
„Op dit uur?” vroeg de bediende, op een toon, zoo verontwaardigd, alsof men hem had voorgesteld, majesteitschennis te plegen. „Gij meent toch zeker niet in ernst dat gij mijnheer nu wilt spreken?”
„Ik kom niet om hem te spreken, goede vriend, ik kom om hem te schilderen,” antwoordde Darragos bedaard. „Hier is mijn kaart, ga dat maar aan uw meester brengen, hij verwacht mij.”
De bediende wierp nog een besluiteloozen blik op het kleine stukje carton en wees den jongen schilder zwijgend een plaats aan op een der zware eikenhouten banken, welke langs een der muren der groote hal geplaatst waren.
Daarop sloot hij de huisdeur weder en beklom de breede trap aan het einde van de vestibule, die naar de gaanderij voerde, over welker leuning eenige zeer schoone wandtapijten waren gehangen.
Het volgend oogenblik was hij uit het gezicht verdwenen.
Maar in zijn plaats verscheen er iemand anders in het gezichtsveld van den jongen kunstenaar, die in zijn oogen heel wat aantrekkelijker moest zijn.
Het was Dolly, de bevallige dochter van den bierbrouwer.
Zij moest bepaald op wacht hebben gestaan, anders was het onverklaarbaar, hoe zij zoo eensklaps te voorschijn kon komen, juist op het oogenblik, waarop de knecht verdwenen was.
Haar lief gezichtje had een hoogroode kleur, toen zij zich tot Darragos wendde en hem de hand toestak.
„Sta mij toe, dat ik het ben, die u eerst verwelkomt, mijnheer Darragos,” zeide zij. „Gij hebt [18]mij het leven gered, en al hebt gij u destijds onttrokken aan mijn dankbetuigingen, zoo zult gij er nu niet meer in slagen, mij te ontkomen.”
De jonge schilder had de kleine hand nu lachend aangenomen, die hem was toegestoken en zeide nu, terwijl hij Dolly met zijn groote zwarte oogen doordringend aanzag:
„Ik hoop, Miss, dat wij goede vrienden zullen worden. Nu het toeval u weder op mijn weg heeft gebracht, nadat ik het groote voorrecht heb mogen smaken, u uit het water der Theems te redden, zou ik het bitter betreuren, indien onze kennismaking nu weder moest eindigen. Maar daar valt mij iets in,” voegde hij er op verschrikten toon aan toe.
„Wat dan?” vroeg het jonge meisje schalks.
„Gij moogt eigenlijk volstrekt niet weten, dat ik hier ben.”
„O stel u maar gerust, dat behoeft immers niemand te ontdekken.”
„Weet gij wat ik hier kom doen?”
„Natuurlijk weet ik het. Dacht u soms met een gansje te doen te hebben? Gij komt om het portret van mijn pa te schilderen.”
„Hoe weet gij dat? Heeft uw vader het u dan verteld?”
„Niet recht op den man af, maar langs een omweg, ziet ge. Hij heeft willen weten, of ik het aardig zou vinden een levensgroot portret van hem te hebben en daarna heeft hij er nog verscheidene malen over gesproken. Gisteren heeft hij het u gevraagd in den winkel van Drebbel, en zich misschien verbeeld, dat ik niet hoorde wat hij zeide. Maar ik heb goede ooren en het is mij niet ontgaan. Ik zie u nu hier komen met een schilderdoos en ik zou al heel dom moeten zijn, als ik tusschen dat alles geen verband legde.”
„Maar zorg in ieder geval, dat uw papa niet te weten komt, dat het kostbare geheim is uitgelekt,” hernam de jonge schilder.
„Maar dat weet hij morgen, mijnheer Darragos,” riep Dolly uit, en haar oogen glansden spottend. „Hij kan er om te beginnen toch niet over zwijgen, en dan een menigte bedienden, denkt ge soms, dat die hun mond zullen houden? Ik durf er wat onder verwedden, dat papa er al vanmiddag onder tafel over spreekt.”
Het jonge meisje zweeg, keek Darragos schuchter aan en vroeg toen:
„Vindt gij het ongepast als ik u zeg, dat ik het heel prettig vind, dat u hier komt?”
„Ik weet niet of ik het ongepast moet vinden, maar in ieder geval vind ik het heel aangenaam,” antwoordde Darragos, en hij greep opnieuw het kleine handje en drukte er een kus op.
Op hetzelfde oogenblik werden de schreden van den bediende opnieuw gehoord.
Dolly trok snel haar hand terug, legde haar vinger op de lippen, en was zoo vlug als een hinde door de openstaande deur verdwenen.
Darragos keek haar na, en toen hij zich weer omwendde zag hij in het gelaat van den bediende, die hem kwam zeggen, dat mijnheer Jellybird hem verwachtte.
Darragos volgde den huisknecht die hem den weg zou wijzen en besteeg de breede trap, om vervolgens door een breede hal tot voor een fraai gebeeldhouwde deur te worden gebracht.
De huisknecht opende deze deur, noemde zijn naam, liet Darragos binnen en trok zich weder terug.
De jonge Portugees bevond zich in het gezelschap van zijn lastgever.
De heer Jellybird zat voor een geweldig groote schrijftafel en had zich voor de plechtige gelegenheid extra deftig gekleed in lange zwarte jas, met een hagelwitte boord en het haar keurig gefriseerd.
Hij stond op, trad op Darragos toe en zeide op zijn gewonen luidruchtigen toon: „Blij dat je op tijd gekomen bent, jongmensch. Heb je daar je schildersrommel bij je? Goed zoo. Maar wat is dat? Ik zie geen ezel. Waar heb je den ezel gelaten.”
„De ezel is hier, mijnheer Jellybird,” antwoordde Darragos, terwijl hij van terzijde een veelbeteekenenden blik op den bierbrouwer wierp.
„Ik heb hem reeds vroeg in den morgen door een kruier laten bezorgen, ofschoon ik hem op de eerste zitting waarschijnlijk wel niet noodig zal hebben, want ik moet eerst een schets in houtskool van u maken.”
„Houtskool?” herhaalde Jellybird op wantrouwenden toon. „Je bent toch niet van plan een houtskool-teekening van me te maken. Ik moet verf hebben, beste prima olieverf. De prijs komt er niets op aan, zeg ik je.”
„Het wordt ook een olieverfschilderij, mijnheer Jellybird,” hernam Darragos geduldig, „maar eerst moet men altijd beginnen met een schets in krijt [19]of houtskool. Pas later begint men te schilderen, begrijpt u wel, mijnheer.”
„Ja, ja, het zal wel zoo zijn. En zeg mij nu eens, hoe hadt gij u het portret eigenlijk voorgesteld?”
De jonge schilder monsterde den bierbrouwer van top tot teen, keek hoofdschuddend naar het doffe zwart van de jas, naar den monumentalen boord, die den hals van zijn lastgever als in een ijzeren halsband gevangen hield, naar den monsterachtig dikken gouden horlogeketting, naar de fonkelende diamanten dasspeld, en tenslotte naar het gefriseerde haar en antwoordde toen:
„Om u de waarheid te zeggen, had ik er mij nog geen goede voorstelling van gemaakt, mijnheer Jellybird. Hebt gij zelf geen idee?”
„Luister eens, jonge man. Ik ben met en door het bierbrouwen rijk geworden, en daar schaam ik mij volstrekt niet voor. Ik doe er zelf niet veel meer aan en laat bijna alles over aan mijn procuratiehouder. Maar toch zou ik het wel aardig hebben gevonden, bijvoorbeeld in een van de brouwkelders te worden geschilderd, of leunend tegen een brouwketel, of zittend op een vat met gist, of zoo. Maar alles welbeschouwd heb ik dat plan toch maar laten varen, omdat ik niet weet of het bij Dolly wel in goede aarde valt. Wat zoudt gij er van zeggen, als ik zoo ging staan.”
Met deze woorden stapte Jellybird op zijn schrijftafel toe, leunde er met de gesloten rechtervuist op, stak de uitgespreide vingers van zijn linkerhand tusschen den eersten en den tweeden knoop van zijn dichtgemaakte jas, sloeg het eene been over het andere, zette een hooge borst en keek Darragos uitdagend aan.
De jonge schilder zag een oogenblik zwijgend naar het schouwspel en zeide toen:
„Kolossaal mijnheer Jellybird, een fiere, echt koninklijke houding. Ik ben echter bevreesd, dat gij dat niet lang zult volhouden, en daarom zou ik u wel willen voorstellen, eenvoudig aan uw bureau ministre plaats te nemen. Het licht valt daar voortreffelijk op uw gelaat en handen. Gij behoeft u dan volstrekt niet te vermoeien en gij kunt een ongedwongen houding aannemen.”
„Dat is nog zoo kwaad niet,” riep de bierbrouwer uit. „Zeg dan maar hoe ik moet gaan zitten.”
Darragos duwde hem in zijn stoel neer, verzette deze eenige malen, verplaatste eens een paar keer zijn eigen standpunt, verschoof herhaaldelijk de dikke roode handen van zijn sujet, haalde zonder medelijden zijn hand door het prachtig opgemaakte haar en was eindelijk met zijn werk tevreden, zoo tevreden als hij in de gegeven omstandigheden maar kon zijn.
Daarop opende hij de groote schilderdoos, nam er een groote blocknote uit, greep naar een pijpje houtskool en begon in vlugge, rake lijnen de figuur van den heer Jellybird op te zetten, die als een standbeeld bleef zitten en blijkbaar nauwelijks adem durfde halen.
„Gij moogt u gerust bewegen, mijnheer,” zeide Darragos na eenige oogenblikken glimlachend.
„Ik dacht dat dat volstrekt niet mocht.”
„Later pas, later. Ik ben nu nog maar aan het schetsen en wanneer gij uw hoofd niet te veel beweegt, dan ben ik ruimschoots tevreden. Gij moogt gerust spreken, als u dat belieft.”
Dit nu was een groote opluchting voor den heer Jellybird, want hij was een praatgraag en het zou hem de grootste moeite gekost hebben, een half uur achtereen zijn mond te houden.
En zoo begon hij aanstonds uit te weiden over alles, wat hem na aan het hart lag. Dat wil zeggen, zijn groote rijkdommen.
Hij gaf den jongen schilder een volledige beschrijving van het geheele huis en bovendien van zijn villa in Torquay, van zijn landhuis in het zuiden van Schotland en van zijn bezittingen in het zuiden van Norfolk.
Hij beschreef hem verder tot in de minste bijzonderheden zijn racejachten, de stallen van zijn renpaarden, zijn vier of vijf auto’s en zijn wapenverzameling, waarvan hij alle nummers zonder haperen achter elkander opzegde.
Een half uur later was er in het heele reusachtige huis geen theekopje, geen zilveren taartschep, geen suikerstrooier, of de jonge Portugees had er een zeer nauwkeurige omschrijving van kunnen geven.
Hij wist hoeveel kleedgeld Dolly kreeg, hij wist waar mevrouw Jellybird haar hoeden kocht, hij wist dat de familie den volgenden zomer in het zuiden van Frankrijk zou doorbrengen en hij kende zelfs den prijs van het gouden potlood, waarmede de millionair op dat oogenblik speelde.
En toen hij dat alles wist was de eerste schets ook gereed. Darragos stond op van zijn kruk, waarop [20]hij gezeten had, trad met zijn schets naar het licht en bromde goedkeurend.
„Mag ik het al zien?” vroeg Jellybird nieuwsgierig.
„Welzeker, mijnheer,” antwoordde de jonge schilder.
Jellybird kwam naast hem staan en keek geruimen tijd naar de schets.
Toen zeide hij een weinig aarzelend:
„Is die neus niet wat dik en groot?”
Darragos keek beurtelings naar het origineel van dit lichaamsdeel en naar zijn schets, en antwoordde toen op ernstigen toon:
„Dat is hij inderdaad, mijnheer Jellybird.”
„Maar—ik bedoel.… is mijn neus werkelijk zoo groot.”
„Ik weet niet hoe gij mijn antwoord zult opvatten, mijnheer, maar ik moet u zeggen, dat het werkelijk zoo is.”
„Alles goed en wel—maar ik vrees dat gij misschien een weinig overdreven heb. Misschien kwam het door het licht. Om kort te gaan, ik zou den neus wat kleiner willen hebben.”
De wenkbrauwen van den jongen schilder trokken zich samen en een bits antwoord lag op zijn lippen.
Maar toen kwam hem plotseling het lieve gezichtje van Dolly voor den geest en hij antwoordde kortaf:
„Als gij wilt mijnheer, kan ik hem ook heelemaal weg laten.”
„Dat is ook weer niet noodig, jonge man,” hernam de bierbrouwer kwaad. „Ik verlang alleen, dat ik niet te pronk word gezet met zoo’n komkommer, zoo’n knots, zoo’n neus van niemendal.”
Zonder een woord te spreken, nam Darragos zijn houtskool weer ter hand, veegde den neus weg, die het misnoegen van den eigenaar had opgewekt en teekende met een paar halen een nieuwe, die heel in de verte wel een weinig geleek op het reukorgaan van mijnheer Jellybird, en die dus zijn kunstenaarsgeweten niet al te zeer geweld aan deed.
Weder kwam de bierbrouwer naast Darragos staan, en nu riep hij verheugd uit:
„Zoo mag ik het zien. Dat is tenminste een menschelijke neus en geen automobielhoorn. En zeg mij nu eens, wanneer gij weder terug kunt komen.”
„Morgen, als gij wilt.”
„Uitstekend. Ik reken er op.” [21]