Er was ongeveer een week voorbij gegaan, sedert het eerste bezoek van den jongen schilder in het prachtige huis van mijnheer Jellybird.
Hem was reeds tweemaal de hooge eer te beurt gevallen aan de tafel van den millionair te mogen aanzitten, heel intiem, alsof hij de gelijke was van dien geldvorst.
Hij had kennis gemaakt met mevrouw Jellybird en had haar leeren kennen als een merkwaardig schrale en platte dame, het levende tegendeel van haar corpulenten man, en die het bijna onbegrijpelijk maakte, dat de lieve Dolly werkelijk haar dochter was.
Het schilderij begon al goed op te schieten.
Het was levensgroot, en voorloopig prijkte het in een breede eikenhouten lijst.
In het midden van de werkkamer van den heer des huizes stond nu de zware ezel, waarop het doek geplaatst was.
Zooals Dolly wel voorspeld had, was het geheim van haar verjaardag reeds op den tweeden dag geen geheim meer, want mijnheer Jellybird had onmogelijk zijn mond kunnen houden.
Het lieve meisje was dan ook reeds eenige malen stil het vertrek binnengekomen en op haar teenen naar den schilder toegeslopen, om toe te zien, hoe hij met vaardige hand het portret van haar vader op het doek wist te werken.
Zoo kon zij geruimen tijd naast Darragos staan en soms liet de jonge schilder het penseel zakken, hief zijn gelaat naar haar op, vatte haar kleine hand, en drukte er een geluidlooze kus op, welke kunstbewerking ongestraft kon plaats grijpen, daar de beide jongelieden als het ware verscholen zaten achter het groote schilderij, dat hen voor den heer Jellybird onzichtbaar maakte.
Snel en onweerstaanbaar was tusschen den jongen schilder en de dochter van den bierbrouwer een teedere band ontstaan, die iederen dag sterker werd.
Het was niet meer de dankbaarheid van het meisje jegens den man, die haar het leven had gered, het was een machtiger gevoel.
De heer Jellybird liet zich meestal bijzonder veel voorstaan op zijn gezond verstand en helder doorzicht, maar hij zou zeker eerder geloofd hebben, dat het einde van de wereld aanstaande was, dan ook maar een seconde iets te vermoeden van de kleine intrige die zich zoo vlak in zijn nabijheid afspon en waarvan hij alleen onkundig was, wegens het groote schilderij, dat hem de kern van de zaak verborg. Het was op den negenden dag, sedert Darragos voor het eerst zijn opwachting maakte en de bierbrouwer zooals gewoonlijk voor zijn schrijftafel zat met een trotsche houding en een verwaten uitdrukking op zijn bol gelaat.
Darragos was zooeven gekomen en schilderde zwijgend door.
Hij deed al zijn best, zijn fantasie te doen werken, en een weinig uitdrukking te brengen op het bolle, roode gelaat, dat zoo bijzonder veel gelijkenis vertoonde met een reusachtige tomaat. De deur werd zachtjes geopend, en Dolly trad binnen.
Voor de leus had zij een borduurwerkje bij zich, ofschoon zij beter dan iemand wist, dat zij er in de letterlijke beteekenis van het woord geen steek aan zou doen.
Terwijl haar vader strak en majestueus voor zich uitkeek, en haar niet eens scheen op te merken, liep zij op de punten van haar teenen naar José, overtuigde zich even, dat haar vader in zijn gewone Napoleon-houding ernstig en statig voor zich uitstaarde en hield toen met een vleiend gebaar den [22]jongen schilder haar wang toe, die er, het palet ver van zich afhoudend, een kus op drukte.
„Wat was dat?” liet eensklaps de barsche stem van Jellybird zich hooren, zonder dat hij evenwel het hoofd durfde omwenden.
„Wat pa?” vroeg Dolly onschuldig.
„Het was alsof ik daareven.… maar ik zal me wel vergist hebben.”
„Natuurlijk hebt u zich vergist papaatje,” hernam Dolly bestraffend.
„Wat is dat nu? Je weet nog niet eens wat ik zeggen wilde,” kwam de bierbrouwer, die zich een weinig begon op te winden.
„O, dat hoeft niet,” riep Dolly vroolijk. „U vergist zich wel eens meer in den laatsten tijd. Blijf nu maar liever stil zitten, José.… ik bedoel mijnheer Darragos is hard aan het werk.”
Dit laatste strookte nu niet precies met de waarheid, zeker niet in de beteekenis, welke mijnheer Jellybird er aan hechtte, want de jonge schilder was op dit oogenblik druk doende, de kleine hand, die in de zijne rustte, met kussen te bedekken.
Het jonge meisje boog zich over den schilder heen en fluisterde hem toe:
„Wanneer is het nu?”
„Na deze zitting. Over een uur spreek ik met je vader.”
Het meisje kreeg een kleur als vuur, en slaakte onwillekeurig een kreet van verrukking.
„Wat is dat nu weer?” riep Jellybird ongeduldig uit.
„Niets papa. Ik prik mij in mijn vinger,” antwoordde Dolly haastig.
„Merkwaardig. Vind je dat dan zoo plezierig? Je schreeuwde heelemaal niet als iemand die zich pijn doet. Wat ik je verzoeken mag, laat mijnheer Darragos nu rustig werken.”
„Maar papa, ik val hem heelemaal niet lastig.”
„Dat doe je wel. Ga achter den ezel vandaan.”
„O pa, hoe durft u dat van mijnheer Darragos zeggen,” riep Dolly verontwaardigd.
„Je weet heel goed, dat ik den houten ezel bedoel, meid,” riep de bierbrouwer boos. „Als je hinderlijk wordt moet je de kamer uit.”
„He neen pa, ik beloof u dat ik rustig zal zijn,” hernam het jonge meisje, en zij zette zich neer op een tabouret, keek naar den schilder, na met een kushand afscheid genomen te hebben.
Een half uur verstreek, zonder dat er een woord gewisseld werd.
Toen stond het meisje onhoorbaar op, trad op Darragos toe, reikte hem de hand en fluisterde:
„Ik moet nu boodschappen doen met mama. Schrijf mij dadelijk hoe het gegaan is, ingeval wij over een uur nog niet terug zijn.”
„Dat beloof ik je kleintje,” antwoordde Darragos, en eensklaps vergat hij het portret, zijn werkgever, zijn palet vol verf, drukte het jonge meisje tegen zich aan en kuste haar op de lippen.
Dolly slaakte een lichten kreet en tegelijkertijd klonk de bevelende stem van haar vader, die riep:
„Dolly kom eens hier. Ga daar zitten! Maar wat drommel is dat nu—hoe kom je aan die verf op je japon? Je ziet er uit als een wandelende regenboog.”
Dolly werd bloedrood, wierp een verschrikten blik op haar witte blouse, die inderdaad alle kleuren van het spectrum vertoonde en stamelde toen:
„He, dat is zonderling. Hoe komt die verf daar.”
„Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten,” riep haar vader op dreigenden toon.
„Naar buiten zien; als ik u verzoeken mag,” riep José, die aldus den toestand wilde redden.
„En ik moet dadelijk met mama boodschappen doen,” riep Dolly uit, die gretig die gelegenheid aangreep.
En voor haar vader nog iets had kunnen zeggen snelde zij in de grootste verwarring haastig het vertrek uit.
Nog een uur verstreek, en mijnheer Jellybird begon teekenen van vermoeidheid te geven.
José, die het zag, legde het palet en de penseelen weg, stond op, rekte zich eens uit en zeide:
„Voor vandaag zullen wij het maar voor genoeg houden, mijnheer Jellybird, nog drie zittingen en het schilderij is gereed.”
Langzaam begon hij zijn schilderdoos op te ruimen, telkens het gevreesde oogenblik verschuivend, waarop hij met kloppend hart de vraag aan den millionair zou stellen, die over zijn toekomst moest beslissen.
Maar eindelijk kon hij dat tijdstip onmogelijk uitstellen en reeds had de heer Jellybird een paar malen met een verstolen blik zijn horloge geraadpleegd.
De jonge Portugees vatte moed, schraapte zijn keel, trad eensklaps van achter den ezel te voorschijn, [23]en begon met een stem, een weinig heesch van ontroering:
„Meneer Jellybird, de zittingen zijn nu welhaast ten einde—en het oogenblik is nu gekomen, om u een voor mij zeer gewichtige vraag te doen.”
„O, ik begrijp het. U wilt het honorarium zeker graag vooruit hebben!” riep de heer Jellybird, die zich volstrekt niet kon begrijpen, dat er nog een gewichtiger vraag kon zijn, dan die betreffende geld.
Maar de jonge Portugees schudde driftig het hoofd en zeide:
„Het heeft met geld niets te maken, meneer Jellybird! Het heeft alleen iets met het hart te doen! Hebt gij dan niets gemerkt?”
„Wel, wat zou ik gemerkt hebben?” vroeg Jellybird onnoozel. „Ik weet volstrekt niet wat u bedoelt!”
„Daardoor maakt gij mijn taak des te lastiger, mijnheer!” riep de jonge schilder uit. „Welnu, ik wil er niet langer omheen draaien! Het weegt als een centenaarslast op mijn gemoed: ik heb uw dochter lief, en ik vraag u, mij haar tot vrouw te geven!”
Als de jonge schilder den bierbrouwer verzocht had, de maan voor hem van den hemel te halen, dan had hij onmogelijk een meer ongeloovig en verbluft gezicht kunnen zetten.
Hij staarde den jongen man met hoog opgetrokken wenkbrauwen en open mond aan, bewoog even zijn lippen zonder te spreken, en zeide toen half gefluisterd:
„Ik heb u zeker niet goed verstaan? Zoudt u het nu nog eens willen zeggen?”
„Ik heb uw dochter Dolly lief, mijnheer Jellybird, en ik vraag u mij haar tot vrouw te geven.”
Weer keek de bierbrouwer den jongen schilder een oogenblik zwijgend aan, alsof hij aan zijn verstand twijfelde en toen barstte hij uit:
„Ik had dus wel goed verstaan! Nu, ik moet zeggen, dat ik al heel wat heb zien gebeuren—maar dit is wel het toppunt! Zeg eens jonge man, gij hebt ze toch alle vijf goed bij elkaar, nietwaar?”
„Dat hoop ik tenminste, mijnheer Jellybird!” antwoordde José, de vuisten ballend, en bleek van ontroering.
„Dat zou men toch niet zeggen!” viel Jellybird uit. „Weet gij wel hoeveel mijn dochter meekrijgt? Je haalt de schouders op? Je weet het misschien niet? Een millioen pond krijgt ze mee!”
„Maar dat is volstrekt geen bezwaar, mijnheer Jellybird,” stotterde José, die niet wist wat hij zeggen moest.
„Geen bezwaar zegt gij!” schreeuwde de verbolgen vader. „Geen bezwaar! Neen dat dank je de drommel! Ik kan mij voorstellen dat het geen bezwaar is een millioen pond in den schoot geworpen te krijgen!”
Darragos verbleekte, deed een paar stappen achteruit, en riep toen heftig verontwaardigd:
„Dwing mij niet om dingen te zeggen, mijnheer, die mij later stellig zouden berouwen! Wat raakt het mij, hoeveel en of uw dochter iets meekrijgt. Ik wil uw geld niet! Ik trouw haar ook niet om haar geld, maar omdat ik haar meer lief heb dan mijn leven! Behoudt gerust die millioenen, en geef mij daarvoor inplaats toestemming, dat is mij meer dan voldoende!”
„Die toestemming weiger ik, jonge man!” riep Jellybird, rood van drift. „Ik weiger!”
„Maar waarom? Waarom mijnheer,” drong José aan. „Ik ben een fatsoenlijk man, ik weet zeker dat ik een goede toekomst heb, mijn naam zal eenmaal met eer genoemd worden! En als gij dan eenmaal zoo aan geld hecht—ik ben er van overtuigd, dat men over weinige jaren mijn doeken met goudstukken zal beleggen!”
„Ik trek geen wissels op de toekomst, jonge vriend!” bromde Jellybird. „Mijn dochter is voor iets beters bestemd dan voor een schilder! Denkt gij soms dat ik morgen aan den dag niet een baronet, een graaf, ja desnoods een hertog kan krijgen? Wel mijn goede man—één aan iederen vinger! Ik begrijp eigenlijk niet waar u de onbeschaamdheid vandaan hebt gehaald mij met zoo’n verzoek aan boord te komen! U praat van beroemdheid! Maar u is nog niet beroemd! Dat kan misschien nog heel veel jaren duren—en in dien tijd zou mijn dochter een vaatje zuur bier geworden zijn! Waar zoudt gij de middelen vandaan willen halen om haar te onderhouden, als ik haar niets meegaf?”
„Ik zou hard werken, mijnheer!” zei José op zachten toon.
„Gij zoudt hard werken en honger lijden!” kwam de bierbrouwer schamper. „Neen, mijnheer Darragos, ik heb mij een andere toekomst voor mijn dochter gedroomd. Als u er op staat wil ik u zeggen, dat ik u persoonlijk wel gezind ben, en dat er ook geloof ik niets op u aan te merken is. Ik ga verder en ik zeg, dat gij wel talent kunt hebben! Maar dat alles is [24]niet voldoende om in aanmerking te komen als de echtgenoot van Dolly Jellybird! Daar komt meer bij kijken!”
„Gij wilt dus met geweld een adellijken zoon hebben,” riep de jonge schilder op bitteren toon.
„Als hij dan niet van adel is, dan moet hij tenminste in andere opzichten uitblinken! Hij moet een naam hebben, hij moet beroemd zijn! Noem het zooals gij wilt, maar ik wil voor mijn dochter een man met een klinkenden naam!
„Als gij slechts Hawker heette, en voor het eerst den Oceaan waart overgevlogen. Als gij slechts Edison waart, of Marconi, of Paderewski, of Roentgen, of generaal Foch, al was het voor mijn part maar Lord George! Maar gij zijt niemendal, gij zijt een aankomend schilder, van wien het volstrekt niet zeker is of gij het wel ooit tot iets zal brengen—en de kans van niet is altijd grooter dan de kans van wel.”
„Dus gij weigert mij de hand van Dolly?”
„Die weiger ik u—tenzij uw naam als die van een beroemdheid genoemd wordt in de „Times”.”
José was zeer bleek geworden en had de lippen opeengeklemd.
Hij zuchtte diep, tastte naar zijn hoed, keek Jellybird nog eens schuw aan en zeide toen:
„Gij wenscht zeker niet, dat ik nu nog terugkom?”
„Waarom niet? Het schilderij is toch nog niet gereed? Ik verwacht u morgen op denzelfden tijd.”
De schilder boog en verliet zwijgend het vertrek. [25]