Er waren drie dagen verloopen, sedert dit gesprek in de werkkamer van Jellybird had plaats gehad.
Het schilderij was gereed gekomen en reeds hadden tal van vrienden en bekenden van den bierbrouwer er een blik op mogen slaan.
Het gerucht scheen zelfs tot de pers te zijn doorgedrongen, want reeds had zich een criticus van de „Times” vertoond, een man met een eerwaardigen witten baard en groote knevels, die lang naar het doek had gestaard, en weder was vertrokken met de mededeeling dat hij te zijner tijd eenige woorden aan dit gewrocht wenschte te wijden.
Maar de stemming in het groote huis was intusschen allesbehalve aangenaam te noemen.
Dolly had een brief van den jongen schilder ontvangen, waarin hij haar het treurig resultaat van zijn onderhoud met den schatrijken bierbrouwer mededeelt en sedert dien was het jonge meisje neerslachtig en stil.
Haar vader had dit zeer goed opgemerkt, maar met de verblinding, vaders eigen in zulke zaken, meende hij, dat het wel zeer spoedig zou overgaan, en dat als eenmaal de ware Jozef zich kwam aanmelden in den vorm van een graaf of een baron, zijn dochter wel weder zou „bijtrekken”.
Wat Darragos betreft—hij had, nadat het schilderij gereed was, geen reden meer gevonden het huis te bezoeken, waar hij zijn geluk gevonden meende te hebben.
Jellybird had hem het hooge honorarium uitbetaald, zwijgend en stroef, en daarop had de jonge schilder even stilzwijgend de kamer verlaten, waar hij zulke aangename uren had doorgebracht.
Het was in den morgen van den vierden dag, toen er op de deur werd geklopt van de slaapkamer van Dolly, en het kamermeisje binnentrad, met een blad waarop een kop chocolade en wat beschuitjes en de post.
Zij trok de gordijnen open, zoodat het zonlicht ongehinderd het groote vertrek kon binnen stroomen en plaatste het blad op een kleine tafel dicht bij het bed, na haar jonge meesteres goeden morgen te hebben gewenscht.
Dolly wreef zich de oogen uit, richtte zich in de kussens op, keek even op het kleine gouden polshorloge, dat op een standaard op het tafeltje stond en rekte zich uit.
„Hoe laat is het Kate?” vroeg zij. „Ik geloof dat mijn horloge stil staat.”
„Het is half negen, Miss!” antwoordde het meisje.
„Wat breng je me daar?”
„Niet veel bijzonders, Miss! Maar één brief—en die is niet van mijnheer Darragos!”
„O! Jij brutaaltje!” riep Dolly, terwijl zij dreigend den vinger ophief. „Wat is er nog meer?”
„Een paar tijdschriften, Miss, en de „Times”.”
„De „Times”?” herhaalde het jonge meisje verbaasd. „Wat moet ik met de „Times” doen?”
Zij strekte de hand uit naar het befaamde City-blad en vervolgde.
„Onder kruisband! Wat beteekent dat? Papa leest immers de „Times”?”
„Welneen, Miss!” riep het kamermeisje uit. „Hoe komt u daarbij? Mijnheer leest de „Daily Telegraph”!”
Met een mechanisch gebaar en tamelijk onverschillig maakte Dolly den kruisband los, en ontvouwde het blad. [26]
Zij sloeg twee, drie pagina’s om, en eindelijk bleef haar blik rusten op een met blauw aangestreept artikel, onder de rubriek „Kunst en Letteren”.
En nauwelijks had zij een paar regels gelezen, of zij gaf zulk een luiden schreeuw, dat het kamermeisje verschrikt achteruit vloog, meende dat haar jonge meesteres plotseling waanzinnig was geworden.
Dolly vloog uit het bed, sprong, de krant boven haar hoofd zwaaiende, als uitgelaten rond en riep:
„Mijn peignoir, Kate! Vlug wat! Meisje, wat treuzel je! Is papa al op?”
„Ik geloof, dat mijnheer juist in de badkamer is, Miss!” antwoordde Kate, die niets begreep van de plotselinge opgewondenheid van het jonge meisje, dat zij de laatste dagen zoo neerslachtig gekend had.
„Ga dan dadelijk eens vragen! Laat papa dadelijk uit het water komen! Ik moet hem spreken dadelijk, onmiddellijk, op staande voet, subiet, zonder een seconde te wachten! O, ik wist het immers wel! Ik wist wel, dat het zoo zou uitkomen. Mijn José! Mijn held! Mijn genie! Ben je hier nog, Kate? Waarom stuif je niet weg? Wat sta je hier nog? Wat wacht je? Wat doe je? Gauw! Gauw! Maak dat je wegkomt!”
Zeer verbaasd door dit optreden van Dolly ijlde het meisje weg, terwijl Dolly een ware krijgsdans uitvoerde, het blad wild boven het hoofd zwaaiend.
Een paar minuten later keerde Kate terug.
„Mijnheer wacht u in zijn kamer, Miss! Ik moet u echter zeggen, dat hij niet erg in zijn humeur is!”
„Dat hindert niets! Ik zal hem er wel spoedig in brengen,” riep het meisje overmoedig uit.
En met deze woorden snelde het jonge meisje de kamer uit, ijlde een paar gangen door en bereikte eindelijk de kamer, waar haar vader haar wachtte, inderdaad niet al te zeer in zijn humeur.
„Wat heb je meisje?” vroeg hij aanstonds. „Waarom laat je mij voor dag en dauw halen? Ik heb mij zelf den tijd niet kunnen geven, om behoorlijk te baden. Wat is er?”
„Lees maar eens, papa!” was alles wat het jonge meisje kon uitbrengen, terwijl zij haar vader de „Times” toestak.
„Je ziet er zoo opgewekt uit—staat er iets in het blad te lezen dat je zoo vroolijk maakt? Ik heb niet veel trek om te lezen—lees het mij maar even voor.”
„Zoo als u wilt, papa!”
Dolly huppelde naar een sofa, wierp zich er met een lenigen sprong op, en las het volgende bericht voor:
„Een nieuw talent ontdekt!
Het was ons reeds eenigen tijd geleden ter oore gekomen, dat onze welbekende stadgenoot, de heer Hannibald Jellybird, een jongen Portugees, die sedert eenigen tijd in Londen verblijf houdt, en aan den wereldoorlog heeft deelgenomen, namelijk José Darragos, zijn portret liet schilderen.
Wij waren dezer dagen in de gelegenheid het schilderij eens te zien, en wij moeten getuigen, dat wij zelden een kunstwerk zagen, hetwelk reeds op den eersten blik zoo zeer getuigde van het merkwaardige talent van zijn maker!
De jeugdige schilder heeft de karakteristieke trekken van zijn lastgever met een merkwaardige gelijkenis weergegeven, en met een techniek, een meesterschap over de stof, welke men gemeenlijk slechts pleegt aan te treffen bij in de kunst vergrijsde schilders.
Wij moeten er op aandringen, dat José Darragos zoo spoedig mogelijk een tentoonstelling arrangeert van schilderwerken, want wij zijn er van overtuigd, dat hij in zijn portefeuille nog een groot aantal doeken heeft, die het overwaard zijn te worden tentoongesteld.
Zijn schitterende penseelvoering, zijn kleurenmenging, zijn wijze van componeeren—alles bestemt hem als het ware voor, een van onze grootste schilders te worden en wij zijn er vast van overtuigd, dat deze nog zoo jonge man binnen weinige jaren onder de meest beroemde schilders zal worden genoemd.
Men kan het van den heer Jellybird slechts op prijs stellen dat hij dezen jongen veelbelovenden schilder in de gelegenheid heeft gesteld te toonen wat hij kon.
Wij zijn niet onbescheiden geweest, naar den prijs te vragen, dien onze welbekende stadgenoot voor het prachtstuk heeft moeten betalen, maar wel kunnen wij onze overtuiging uitspreken, dat de rijksten in onze stad als het ware om José Darragos vechten, en dat men zonder aarzelen duizend pond sterling voor een portret zal betalen.
Wij wenschen er den heer Jellybird geluk mee, dat hij, naar wij vernemen, de eerste is geweest, [27]om de groote talenten te erkennen van een jongen schilder, die, zijn wij wel ingelicht, binnenkort door nauwere banden aan hem zal worden verbonden, dan die er bestaan tusschen den opdrachtgever en den uitvoerder.
Den heer José Darragos vragen wij slechts, zijn tweede vaderland niet te vergeten, nu roem en rijkdom hem wenken!
Schilders van zijn groot talent kunnen wij noode missen!”
Dolly had onder het voorlezen van dit bericht een bloedroode kleur gekregen en toen zij het blad had neergeworpen op de canapé, keken vader en dochter elkander geruimen tijd met open mond aan.
„Wat beteekent dat laatste?” stootte mijnheer Jellybird uit. „Hoe komen die menschen van de „Times” er bij?”
„Hoe kan ik dat weten, papaatje?” vroeg Dolly beschaamd. „U gelooft toch niet dat ik het den verslaggever heb verteld?”
„Dat zou waarachtig de spuigaten uitloopen!” riep mijnheer Jellybird uit.
Dolly keek haar vader eens goed aan.
En op zijn bol gezicht kon zij zoo duidelijk lezen als in een boek, dat hij volstrekt niet zoo verontwaardigd was, als hij het wel wilde laten voorkomen.…
Zij kende de ijdelheid van haar vader, en zij begreep aanstonds, dat dit bericht in een blad als de „Times” met zijn deftigen lezerskring hem in den grond van zijn hart zeer aangenaam had gestreeld.
Te worden genoemd in het wereldberoemde City-blad dat was steeds zijn ideaal geweest, en alleen had hij daarom reeds enkele malen een groote gift geschonken aan een Tehuis voor Invaliden, een Sanatorium, of een andere instelling, daarom had hij ook een gouden voetbal-beker gegeven, ter waarde van bijna duizend pond sterling, en daarom richtte hij ook een paar keer per jaar een groot en zeer kostbaar feest aan in zijn vorstelijk ingericht huis.
En telkens gaf het hem een schok van genoegen, als hij zijn naam slechts vermeld vond in een enkel kort zinnetje.
Maar dit was geheel iets anders!
Ditmaal werd hij verheven tot niets meer of minder dan Maecenas, een kunstbeschermer, die jonge, veel belovende schilders de hand boven het hoofd hield!
En onmiddellijk nadat Dolly dit bespeurd had, besloot zij, als een echte vrouw, partij te trekken van deze gunstige gelegenheid.
Zij sprong op, snelde op haar vader toe, sloeg haar armen om zijn hals en vlijde haar hoofdje aan zijn borst, misschien wel om een blos te verbergen, die haar wangen overtoog.
Toen vroeg zij vleiend:
„Nu denkt u toch zeker heel anders over José, papa? Nu zult u hem toch zeker niet meer afwijzen, wanneer hij aanzoek om mijn hand deed? Mag ik nu dadelijk een briefje schrijven en met de luchtdrukpost sturen, dat hij hier vanmiddag moet komen dineeren, en dan inviteeren wij een paar vrienden, en dan maakt u onze verloving bekend?”
„Hé, hé! Wacht een beetje! Je loopt wel wat al te hard van stapel!” riep Jellybird uit, maar het was hem duidelijk aan te zien, dat dat stukje in de „Times” een algeheele verandering had teweeg gebracht in zijn gemoedsstemming en dat hij zelfs den jongen schilder reeds met andere oogen aanzag.
Want—niet waar, als een blad als de „Times” met zulk een reputatie van onkreukbaarheid en bekwaamheid van zijn medewerkers van Darragos getuigde, dat hij binnen enkele jaren beroemd en rijk zou zijn, dan kon er ook niet langer aan worden getwijfeld.
Het hof zou op hem opmerkzaam worden gemaakt, misschien liet de kroonprins of zelfs de koning zich wel eens door hem schilderen, dan zou hij zeker in den adelstand verheven worden—ook zijn vrouw zou een titel dragen—en wie weet schoot er voor hem, die als het ware hem „ontdekt” had, wel een ridderorde over!
En zoozeer werd de bierbrouwer door deze heerlijke vooruitzichten meegesleept, dat zijn gemoed week werd als was.
Hij trok zijn dochter aan zijn borst, streelde haar over haar blonde haar en zeide half gekscherend, half ernstig:
„Moet ik je je zin dan maar geven?”
Het jonge meisje slaakte een kreet van vreugde, drukte haar vader een kus op iedere wang, danste het vertrek rond, terwijl zij in de handen klapte, en riep juichend: [28]
„Wat heerlijk! Wat heerlijk! Ik ga dadelijk den brief schrijven, dan is hij van middag er nog! Ik heb immers wel altijd gezegd, dat mijn José een genie was! Dank u, papaatje, dank u duizend maal!”
Nogmaals stormde zij op haar vader toe, en vloog met zulk een onstuimigheid om zijn hals, dat hij bijna het evenwicht had verloren, om vervolgens naar haar kamer te snellen, en daar het briefje te gaan schrijven, dat haar geheele geluk inhield.
Maar zij keerde nogmaals terug naar het vertrek van haar vader, om hem te verzoeken, een paar regels aan den jongen man te schrijven, waarin hij hem mededeelde, dat hij van meening veranderd was, en dat het hem een eer en een genoegen zou zijn, den man die zijn dochter het leven had gered, als schoonzoon te mogen begroeten.
Dit schrijven werd bij den brief van het jonge meisje ingesloten, en vervolgens met de pneumatische post verzonden, zoodat José Darragos het reeds anderhalf uur later in handen had. [29]