[Inhoud]
DE MOORD IN SHORT GARDENS.

DE MOORD IN SHORT GARDENS.

HOOFDSTUK I.

Een onverbeterlijke langvinger.

In de Shafterbury Avenue bevindt zich, ongeveer in het midden van dezen breeden verkeersweg, een tamelijk oud en grijs, somber gebouw, hetwelk sedert eenigen tijd gebruikt werd als rechtzaal.

Daar was ondergebracht, hetgeen de Engelschen „Police Court” noemen.

Van dergelijke rechtbanken vindt men tegenwoordig een groot aantal in de Engelsche hoofdstad en ze hebben tot taak, kleine delicten, zooals straatschenderij, buurtgetwist, kleine diefstallen en andere zaken op staanden voet te berechten.

Naast de „Kinder Rechtbanken” die ook nog niet lang bestaan, dragen deze politie-rechthoven er veel toe bij, den stroeven gang van het gerecht te vergemakkelijken.

Het werk van de justitie is hierdoor aanzienlijk verlicht en de voorzitters van deze rechtbanken, hoogstens uit drie leden bestaande, hebben machtiging deze kleine zaken onmiddellijk te berechten.

Advocaten komen bij deze zaken meestal niet te pas, of in ieder geval worden zij van ambstwege aan de beklaagden toegevoegd.

Op drukke tijden komt het menigmaal voor, dat een politierechter op een enkelen middag van dertig tot veertig gevallen te behandelen krijgt.

Deze rechters moeten beschikken over een eindeloos geduld, veel zachtmoedigheid en een zeer sterke gezondheid, want het komt menigmaal voor, dat de beklaagden hen vergasten op een ellenlange uiteenzetting hunner nooden en de beweegredenen, welke hen tot het misdrijf gebracht hadden.

Het was op een morgen in het begin van den herfst, toen twee deftig gekleede heeren, die klaarblijkelijk op dat oogenblik niets beters te doen hadden, door Shafterbury Avenue drentelden.

De grootste der beide heeren kon ongeveer veertig jaar zijn en aan de slapen begon zijn hoofdhaar een weinig te grijzen.

De grijze oogen fonkelden evenwel nog levendig, en de scherp geteekende trekken getuigden van een ontembare wilskracht, en van een grenzelooze stoutmoedigheid, geleid en bestuurd door een opmerkelijke schranderheid.

Het voorhoofd was hoog gewelfd, de neus krachtig [2]en recht, de mond leek als met een mes in het karakteristieke gelaat gesneden te zijn.

De geheele houding van dezen man, de wijze, waarop hij zijn voeten neerzette en het hoofd droeg, legden de bewijzen af, dat hij een groot liefhebber was van sport en daarin uitblonk.

Zijn metgezel was zeker minstens tien jaar jonger.

Hij had helder blauwe oogen, zijn wangen waren rond en blozend; hetgeen aan zijn gelaat iets meisjes-achtigs gaf, hoewel zijn krachtige gespierde gestalte er op wees, dat hij een ijverig beoefenaar was van vele takken van sport.

Nu en dan wendde een voorbijganger het hoofd om, teneinde de beide mannen na te zien, en dat was niet te verwonderen, want zeer vele Londenaren kenden Lord William Aberdeen, den filantroop, met zijn secretaris en schijnbaar onafscheidelijken metgezel, althans van uiterlijk.

Lord Aberdeen en zijn jeugdige vriend waren juist het sombere rechtsgebouw genaderd, toen er van den anderen kant met vlugge schreden twee agenten naderden, die tusschen hen in, stevig in den kraag gevat, een jongen man vasthielden, niet veel meer dan een kind nog, maar met een scherp geteekend bleek gelaat, dat aan een volwassen man scheen toe te behooren.

Hij was tenger en mager en stak in armoedige kleeren.

Op zijn gezicht was op dit oogenblik niet anders te lezen dan woede over het feit, dat men hem op deze wijze ten aanschouwe van de voorbijgangers ten toon stelde, en wilde trots, die uit zijn zwarte oogen schitterde.

Nu en dan scheen hij zich te willen verzetten, maar hij had evengoed kunnen trachten de zware muren van den Tower omver te loopen, als een van de herculisch gebouwde agenten, die naast hem voortschreden.

Wat zou zulk een ondervoed, schriel kereltje hebben kunnen ondernemen tegen deze twee mannen met hun krachtige spieren, hun breede borst en hun welgevoed lichaam.

Zoodra Lord Aberdeen de kleine groep in het oog had gekregen stond hij stil en legde de hand op den arm van zijn jongen secretaris, Charly Brand geheeten.

Zij stonden slechts een paar passen van de breede deur, welke toegang gaf tot het gerechtshof, en juist werd de jeugdige arrestant voorbij geleid.

Hij hief het hoofd op en scheen hen uitdagend aan te zien.

Het volgende oogenblik was hij in de breede duisternis der koetspoort verdwenen, die toegang gaf tot de binnenplaats, waarom het huis was heengebouwd.

Charly Brand wilde reeds verder gaan, maar Lord Aberdeen hield hem terug en zeide op zachten toon:

„Hebben wij ergens een afspraak, Charly?”

„Nergens voor zoover ik weet,” antwoordde de jonge man.

„Dan zou ik je willen voorstellen, eens naar binnen te gaan.”

„Waarom?”

„Om ons te vergewissen van den aard van het misdrijf door den jongen, want meer is het niet, gepleegd.”

Charly Brand haalde even de schouders op en zeide:

„Ik heb er volstrekt niets op tegen, maar ik vrees dat je teleurgesteld zult worden, als je iets belangwekkends verwacht hebt. Het zal wel een kloppartij, of een kleinen diefstal betreffen.”

„Om het even, zelfs de kleinste diefstal kan van het grootste belang zijn in het leven van een mensch.”

Hij was reeds de koetspoort binnen getreden en Charly volgde hem.

In het midden van den doorgang bevond zich een deur, die eveneens open stond en waarvoor een agent van politie post hield.

Dit was de toegang naar de rechtzaal, waar iedereen die er lust in had vrij mocht binnen treden, want de zittingen van de politierechtbank waren openbaar.

Lord Aberdeen en Charly Brand gingen de deur binnen, volgden een tamelijk breede gang, liepen deze ten einde, sloegen een tweede gang in en stonden nu voor een dubbele deur, die toegang gaf tot de rechtzaal en waar eveneens een politieagent op wacht stond.

De man opende de deur voor hen, na even tegen zijn helm te hebben getikt en nu bevonden de beide heeren zich in een niet al te groote zaal, waar plaats was voor een honderdtal nieuwsgierigen.

Op dit oogenblik echter bestond het publiek slechts uit een ouden man, een weinig onder den invloed van Bacchus verkeerenden schippersgast, die [3]telkens in slaap viel en dan zoo luid snurkte, dat hij door een politieagent tamelijk hardhandig moest worden wakker geschud, een ouden heer, die in een nummer van de „Daily Mail” las en een vrijend paartje, dat zich misschien wel verbeeldde in een. bioscoop te zijn.

Lord Aberdeen en Charly Brand liepen door het smalle gangpad en zochten een plaats op in een der donkerste hoekjes van de zittingzaal, die toch al niet te licht was, daar zij slechts twee vensters had met door ouderdom verweerde ruiten, die bovendien op een paar meter afstand van den vloer waren aangebracht.

Op een soort estrade was een tafel geplaatst met een groen laken bedekt en daarachter zat de rechter, geholpen door zijn griffier en een inspecteur van politie, die hij telkens raadpleegde, wanneer hij een ouden bekende voor zich meende te zien.

De rechter was een man met een tamelijk barsch voorkomen, die zijn witte pruik op slordige wijze had opgezet, zoodat zijn grijs haar er aan alle kanten uitstak, en hij scheen dezen morgen niet al te goed gehumeurd te zijn.

De griffier was een oud mannetje met vuurrood haar, dat schrikkelijk verkouden was, en telkens een stukje zoute drop uit een zakje nam om het in zijn breeden mond te laten verdwijnen.

Wat de inspecteur van politie betreft, hij scheen zich op gruwelijke wijze te vervelen en onderdrukte nu en dan een geeuw.

Op het oogenblik dat de beide heeren waren binnen getreden had de rechter het juist aan den stok met een oud rimpelig wijfje, dat er uit zag als de heks uit een sprookje, en dat ervan beschuldigd werd, een gehate juffrouw met opzet te hebben laten struikelen over een emmer, die zij tot dit doel op een donkere trap had neergezet. De vrouw in kwestie was als getuige opgeroepen, en zat op een laag bankje achter een hek, terwijl zij zich alle moeite gaf, door luid kreunen en wiegen met het hoofd aan te toonen, hoe zwaar zij wel mishandeld was.

Het oude wijfje was midden in een verdedigings-redevoering, met een rapheid van tong, die de bewondering zou hebben afgedwongen van ieder ander, dan van zijn hoogedelgestrenge, die slechts vurig hoopte op het einde en nu en dan met een barsch woord de beklaagde tot kortheid aanmaande, ofschoon hij zeer wel wist dat dit onbegonnen werk was.

Het oude wijfje betoogde, dat de emmer met het vuile sop alleen maar bestaan had in de verbeelding van de buurvrouw, „een venijnig kreng,” zooals zij zeide. Dat er misschien wel een emmer gestaan had, maar dat zij daar niets van af wist, en dat de buurvrouw beter uit haar oogen had moeten zien, dat het volstrekt niet zoo donker was op de trap, dat men wel eens per ongeluk wat kon laten staan, dat een beetje schoon water niemand den dood zou aandoen en dat zij, de buurvrouw, haar, beklaagde reeds enkele malen had gedreigd, met een speld te bewerken, welke bedreiging zij twee malen in daden had omgezet.

De woorden van de beklaagde rolden met de eentonigheid van een waterval door de stille zaal.

Men hoorde niet anders dan deze woorden, op denzelfden toon uitgesproken met een onvergelijkelijke radheid, met eindelooze herhalingen, slechts nu en dan afgewisseld met een schellere uithaal, als de beklaagde zich met een ruk van het spichtige vogelkopje tot de aanklaagster wendde.

De rechter, half verdoofd en in slaap gewiegd als door het neerplassen van een eindeloozen regen, schrikte als het ware op, toen de beklaagde eindelijk gereed was en riep de getuige op.

De getuige zeide, wat zij te zeggen had en daarop klonk de barsche stem van den rechter:

„Vijf dagen, of tien shilling.”

„Wat? Vijf dagen brommen? Omdat het valsche beest niet uit haar oogen kan zien,” krijschte het oude vrouwtje, „dat is meer dan schandelijk. Maar ik zal het hoogerop zoeken. Waarachtig, ik zoek het hooger op.”

„Doe dat, maar betaal nu je tien shilling,” hernam de rechter onverstoorbaar, „of wil je liever zitten?”

„Liever een jaar zitten, dan een penning te betalen voor die helleveeg,” riep de beklaagde op schellen toon. „Zij zal aan mij geen duit verdienen, dat ontbrak er nog maar aan.”

„Uitstekend,” riep de rechter uit, alsof zij hem een persoonlijk genoegen had gedaan, de zaak op deze wijze op te lossen. „Volgende zaak.”

De volgende zaak bleek een dronkaard te zijn, die een dag gevangenisstraf tegen zich hoorde eischen, omdat het pas de eerste maal was.

Daarop kwam een jonge dame aan de beurt, [4]zwaar gepoederd en met zwart aangestreepte oogen, die een mededingster naar de gunsten van een kellner in een nachtkroeg, met haar tot dit doel uitgetrokken schoentje had bewerkt, zoodat de concurrente in kwestie gedurende een volle week haar niet nader te noemen beroep niet had kunnen uitoefenen.

En toen de deur achter de groene tafel, door twee agenten bewaakt, opnieuw geopend werd, was het om doorgang te verleenen aan den jongen overtreder, dien Lord Aberdeen en Charly Brand zooeven hadden zien binnen brengen.

Nog altijd werd hij door de twee agenten stevig vast gehouden en zoo naar de bank der beklaagden gevoerd, dat eigenlijk in het geheel geen bank was, maar niets anders dan een houten hekje met een kleine verhooging er voor, waarop de beklaagde moest plaats nemen.

Nauwelijks echter had de rechter hem gezien of hij riep toornig uit:

„Ik ken dat gezicht, ben je nu al weer hier, kwade rekel. Verbeter je dan nooit? Je naam.”

„U herinnert u, dat ik hier meermalen ben geweest. En u herinnert u niet mijn naam?” riep de jonge man brutaal uit. „Waarom heeft men u dan als rechter benoemd.”

„Zwijg deugniet,” riep de rechter uit, terwijl hij den beklaagde woedend aankeek. „Denk je dat ik niets anders te doen heb dan de namen te onthouden van zulke schobbejakken. Hoe heet je?”

„Richard Douglas Stefenson.”

„Hoe oud ben je?”

„Een maand geleden juist achttien geworden mijnheer. Ik heb mijn verjaardag in de gevangenis gevierd.”

„Houd je opmerking maar voor je. Je hebt dus al eens gevangenisstraf gehad.”

„Eenmaal, mijnheer, dat was juist op mijn verjaardag.”

De rechter keek den beklaagde een oogenblik hoofdschuddend aan en hernam toen:

„Achttien jaren. Maar wat drommel, dan ben je toch geen kind meer. Denk jij wel eens na over je daden, Stefenson?”

„Hoogst zelden, mijnheer,” antwoordde de jongen.

„Maar waarom dan toch niet?”

„Omdat dat tijd en moeite verloren zou zijn, mijnheer.”

„Heb je het al eens geprobeerd?”

„Ja zeker, maar dan had ik een half uur later er altijd weer spijt van.”

„Dan moet ik vreezen, dat je onverbeterlijk bent,” zeide de rechter zuchtend.

„Ik ben er zelf wel wat bang voor, mijnheer.”

Op dit oogenblik riep de griffier hem nijdig toe:

„Kun je den rechter niet met edelachtbare aanspreken, jij vlegel?”

„Hoe weet ik, dat mijnheer achtbaar is?” vroeg Stefenson op onnoozelen toon. „Dat kan ik toch niet aan zijn neus zien?”

„Een rechter is altijd achtbaar en edel,” snauwde de griffier. „Knoop dat in je oor, spitsboef.”

„Als ik mijnheer een genoegen ermee kan doen,” hernam Stefenson spottend.

„Wat heeft hij nu weer uitgehaald, agent,” zoo wendde de rechter zich tot een van de beide ordebewaarders, die den beklaagde hadden binnen gebracht.

„Een boek gestolen van een stalletje,” antwoordde de agent.

„Op heeterdaad betrapt?”

„De boekverkooper kon hem juist vast grijpen, Sir. Hij probeerde zich nog los te worstelen, maar ik was er juist bijtijds bij.”

„Waarom heb je dat boek gestolen?” vroeg de rechter, Stefenson met gefronste wenkbrauwen aankijkend.

„Om het te hebben, edelachtbare.”

„Maar weet je dan niet dat je niets weg mag nemen, wat je niet toekomt?”

„Waarom kwam mij dat boek niet evengoed toe, als ieder ander? Was het dan speciaal voor iemand geschreven, alleen niet voor mij?”

„Dat zijn spitsvondigheden, bespaar mij die,” riep de rechter boos uit. „Het boek was een andermans eigendom en daarom mocht jij het niet aanraken, begrijp je dat niet eens?”

Stefenson schudde ontkennend het hoofd en antwoordde op boetvaardigen toon:

„Neen, edelachtbare. Het zal wel aan mij liggen, maar ik begrijp het niet.

Ik wilde dat boek bijzonder graag lezen, ik had geen geld om het te koopen en dus was ik wel genoodzaakt om het te nemen.”

„Wat was het voor een boek, agent,” vroeg de rechter terwijl hij zich opnieuw tot den ordebewaarder wendde. [5]

De agent antwoordde niet dadelijk, maar haalde een opschrijfboekje te voorschijn, begon er in te snuffelen en mompelde half luid:

„Het was een rare naam, Sir, ik wist wel, dat ik dat niet zou onthouden en daarom heb ik het maar opgeschreven. Wacht daar heb ik het al. Het heet „De Metamorphose” en de schrijver is een zekere Ovidius.”

De rechter zette groote oogen op en riep uit:

„Wat is dat? Had jij de „Metamorphose” van Ovidius willen lezen, beklaagde?”

Stefenson knikte, zonder te antwoorden.

„In het origineel. In het Latijn?” vervolgde de rechter op hoogen toon.

„Dat helaas niet, edelachtbare. Ik had mij tevreden willen stellen met een goede Engelsche vertaling,” antwoordde de jonge man.

„Zeg eens agent?” kwam de rechter weder. „Was het een open etalage?”

„Het was een stalletje, Sir. Het was op de boekenmarkt.”

„Stond het boek geprijsd?”

„Het lag bij een hoop andere, Sir. En die kostten allemaal vijf pence. Het waren allen oude boeken.”

De rechter trommelde eenige oogenblikken met zijn dik blauw potlood op het wetboek, dat open geslagen voor hem lag, begroef zijn spitse kin in zijn hand en wendde zich eensklaps tot den inspecteur van politie met de vraag:

„Wat zijn de omstandigheden van den beklaagde?”

De inspecteur haalde even de schouders op en begon toen als een lesje op te dreunen:

„Van tamelijk goede familie, vader vijf jaar geleden in den oorlog gevallen als gewoon soldaat, moeder in zorgelijke omstandigheden achter gebleven, zuster een zeer braaf meisje, waarop volstrekt niets te zeggen valt.…”

Hier werd hij in de rede gevallen door Stefenson, die zijn vuisten gebald had, terwijl zijn oogen vlamden en nu op doffen, geheel veranderden toon zei:

„Ik zou ook wel eens den man willen zien, die het zou wagen ook maar het minste ten nadeele van mijn zuster te doen of te zeggen, ik zou hem dooden, als een hond.”

Maar de inspecteur scheen dezen uitroep niet eens te hebben gehoord en ging onverstoorbaar voort:

„De knaap na het sneuvelen van zijn vader totaal verwilderd, vurige inborst, wel wat al te veel fantasie, zwakke moeder, die hem niet in bedwang weet te houden, kennis gemaakt met slechte kameraden, aangetast door het kwaad van dezen tijd,—vermindering van het zedelijk bewustzijn en van het verantwoordelijkheidsgevoel, gaande tot volmaakte inzinking van het moreel. Hij heeft reeds tallooze kleine diefstallen begaan, meerendeels echter zonder bepaald geldelijke winst te beoogen. Verstokt en een spotter, zonder eerbied voor wat dan ook, zonder bepaald misdadig te zijn. Verdient echter mijns inziens een flinke straf die hem wellicht zou verbeteren.”

„Dank u, mijnheer,” zeide de rechter.

Hij dacht even na en toen sprak hij het vonnis uit: „Vijf dagen.” [6]