Stefenson liet het hoofd hangen, toen hij dit vonnis hoorde.
De spot was eensklaps uit zijn zwarte oogen verdwenen en op zijn schrander gelaat was iets van angst te lezen, geen gewetenswroeging, alleen maar angst.
Nu hief hij het hoofd plotseling op en vroeg op een toon, die bijna smeekend klonk: „Zou het niet wat minder gaan, mijnheer. Zou het niet met een boete afgedaan gunnen worden, in gedeelten te betalen?”
„Neen,” antwoordde de rechter streng. „Ditmaal geen boete. Wij moeten jou eens krachtig aanpakken, jonge man.”
„Maar mijn arme moeder, mijnheer.…”, begon Stefenson weder en nu beefde zijn stem.
„Je had aan die ongelukkige vrouw moeten denken, toen je het misdrijf pleegde. Nu is het te laat,” hernam de rechter op barschen toon.
„Maar zij zal in doodelijke ongerustheid zitten,” riep de jongen uit. „Toen ik de vorige maal een dag heb moeten brommen, heb ik haar naderhand wijs gemaakt, dat ik met kameraden een voetreisje had gemaakt, maar als ik nu vijf dagen onder water blijf,—zij zal het besterven.”
De rechter was ongetwijfeld een streng man, maar hij was volstrekt niet ongevoelig.
En daarom zeide hij na eenig nadenken:
„Wij zullen je moeder waarschuwen, ofschoon je het niet verdient. Griffier, zijn adres.”
De man met het roode haar dook als het ware weg in een reusachtig register, sloeg de groote bladzijden om en riep eindelijk door zijn neus:
„Richard Douglas Stefenson, Burrellstreet 17.”
„Heb je het onthouden, agent?” zoo wendde de rechter zich tot een der reuzen, die Stefenson gevankelijk had binnen gebracht.
„Jawel, Sir, Burrellstreet 17.”
„Je gaat zoodra je dienst je vrij laat naar de moeder van dezen onverbeterlijken deugniet, en je zegt haar hoe de zaken staan. Doe het een beetje voorzichtig.”
„Laat u dat maar aan mij over, Sir,” bromde de agent. „Ik zal haar zeggen dat haar hondsvot van een zoon voor de zooveelste maal weer eens gestolen heeft en dat hij voor vijf dagen achter slot en grendel zit, en dat zij zich dus niet ongerust over hem behoeft te maken.”
„Nu, je kunt het haar wel een beetje minder op den man af zeggen en met andere woorden,” hernam de rechter met een kwalijk verholen glimlach.
Daarop wendde hij zich opnieuw tot Stefenson en hernam:
„Ik hoop, dat dit je een les zal zijn, Stefenson. Het gaat zoo niet langer. Je wordt op den duur een groot gevaar voor de maatschappij. Hoe is het mogelijk dat een jongen zooals jij, die volgens de papieren op school altijd heeft uitgeblonken door je ijver en je aanleg, zoo diep hebt kunnen zinken.”
„Vraagt gij, hoe dat mogelijk is?” barstte Stefenson eensklaps op schorren toon uit. „Hoe is het mogelijk geweest met duizenden andere jongens, het is alles de schuld van den oorlog, van den vervloekten oorlog, die opruiming heeft gehouden onder onze vaders, die heeft ons doen verwilderen, die heeft ons begrip van recht en onrecht afgestompt.”
„Breng hem maar weg,” beval de rechter kortaf. „Als hij gaat theoretiseeren komt er geen eind aan.”
Stefenson werd weder vastgegrepen en weg geleid, maar op den drempel van de deur keerde hij zich nog eens om en zeide op smeekenden toon:
„Spaar mijn moeder, mijnheer. Spaar haar in Godsnaam. Zij weet nog niets van.… van alles [7]wat ik deed. Laat het haar toch zoo voorzichtig mogelijk worden meegedeeld.”
„Daarvoor zal ik zorgen, Richard Stefenson,” klonk eensklaps een heldere stem uit een donker hoekje van de zaal.
Iedereen keek verbaasd op, en zelfs de halfbeschonken schippersgast werd wakker, en keek met verschrikte oogen om zich heen.
Het was Lord Aberdeen, die deze woorden had uitgesproken.
„Wie praat daar zonder dat het hem gevraagd wordt?” vroeg de rechter op strengen toon.
„Ik heb mij die vrijheid veroorloofd, Sir, ik, Lord Aberdeen,” klonk het weder.
„Dan vraag ik u verschooning, Mylord,” hernam de rechter haastig. „Het is zeer edelmoedig van u, dat gij u het lot van dien jongen, onverbeterlijken rekel wilt aantrekken.”
„Zijn lot en dat van zijn moeder, Sir,” antwoordde Lord Aberdeen.
Op dit oogenblik viel de deur achter den arrestant dicht, maar deze ging nu tenminste naar de gevangenis met de blijde zekerheid, dat er althans een mensch in het reusachtige Londen belang stelde in zijn lot en zijn arme, oude moeder zou beschermen.
Lord Aberdeen noteerde snel het adres van de moeder van den jongen man en daarop verliet hij met zijn secretaris haastig het gerechtsgebouw.
Toen zij uit de donkere koetspoort weder de straat bereikten, waar de gouden zon alles in gloed zette, bleef Lord Aberdeen een oogenblik staan en zeide op zachten toon:
„Hoe vreeselijk dat die knaap, wien men het kan aanzien, dat hij zon en licht noodig heeft als een visch het water, vijf dagen in een half duistere nauwe cel moet doorbrengen, terwijl hier buiten de zon schijnt, zooals zij het den geheelen zomer nog niet heeft gedaan.”
„Ja, voor zulk een jongen man, bijna nog een kind en met zulk een opgewonden natuur moet de eenzame opsluiting verschrikkelijk zijn,” bevestigde Charly Brand.
„En als men daarmede nu nog maar verbetering bereikte,” hernam Lord Aberdeen schouderophalend, „maar dat acht ik buitengesloten. Het is onzinnig, wanneer men ook maar een oogenblik veronderstelt, dat een misdadiger zijn tijd, dien hij in de gevangenis doorbrengt, besteed aan boetvaardige overpeinzingen. Het is mogelijk dat hij ergens berouw over heeft, maar dan is dat alleen over zijn ezelachtigheid, dat hij zich heeft laten vangen, voor de rest telt hij de dagen, die hem nog van de vrijheid scheiden, met het vaste voornemen, die dadelijk weder op de hem vertrouwde wijze te besteden. Ik ben er zeker van, dat men reeds binnen vijftig jaar met medelijdend schouderophalen zal terug zien op den tijd, dat men een misdadiger om hem te verbeteren, geheel alleen in een donker hok opsloot, dat wil zeggen, in het noodlottigste gezelschap, dat men een mensch kan mede geven. Maar kom, laten wij nu spoedig naar die ongelukkige vrouw gaan en dien reusachtigen agent voor zijn, die geloof ik, nu juist niet de aangewezen persoon was om een boodschap als deze over te brengen.”
„Waar is die Burrellstreet ergens.”
„Naar ik meen aan de overzijde van de Theems. Wij zullen een taxi nemen, de chauffeur zal wel beter op de hoogte zijn.”
Het duurde nog eenige minuten voor de beide heeren zich meester hadden kunnen maken van een huurauto en toen moesten zij nog eenigen tijd onderhandelen met den weerspannigen chauffeur, die verschrikt had opgezien bij het hooren noemen van de Burrellstreet, die volgens hem aan het andere eind van de wereld lag.
Slechts het vooruitzicht op een goede fooi kon hem bewegen de beide passagiers op te nemen en naar het opgegeven adres te brengen.
De chauffeur bleek een weinig te hebben overdreven, want de rit duurde ternauwernood een half uur.
De Burrellstreet bleek een zijstraat te zijn van de Black Friars road, niet ver van de Theems, en aan de overzijde van de rivier gelegen, temidden van een zeer volkrijke buurt.
Het huis, dat nummer 17 droeg, was een van de oudste van de straat en deze moest zelven minstens twee eeuwen bestaan.
Het was een smal, eenigszins voorover hangend huis, in welks benedenverdieping een „zaak in oudheden” gevestigd was, zooals de eigenaar haar wel wat wijdsch noemde, terwijl het niets anders was dan een uitdragerij.
Daar het op deze plek niet zoo gemakkelijk zou wezen opnieuw een auto te vinden, wist Lord Aberdeen den chauffeur te bewegen, op hem te wachten [8]maar niet dan tegen de belofte van een fooi, waarvan de hoogte zijn secretaris het bloed naar de wangen dreef van verontwaardiging.
In den kleinen winkel vroeg Lord Aberdeen naar de juiste verdieping en een oud gebogen mannetje met rood omrande spleetoogjes en een tot den draad versleten calotje op het kale hoofd, deelde hen mede, dat het onder de dakpannen moest zijn.
De bestijging van de smalle steile trappen begon en de beide heeren maakten bij zichzelf de opmerking, dat dit huis zeer geschikt was voor kippen en ander pluimvee, maar dat het voor redelijke wezens op twee beenen bepaald gevaar opleverde.
De portalen waren smal en pikdonker. De traptreden uitgesleten, de leuning hield hier en daar plotseling op en men moest zich dan vasthouden aan een rafelig eind touw, waarschijnlijk aangebracht door een van de huurders, die reeds op onzachte wijze het gemis van de leuning aan den lijve gevoeld had door van de trap te tuimelen.
De twee vrienden bereikten echter heelhuids de bovenverdieping en hier bleek het portaal eenig licht te ontvangen door een klein rond tuimelraam, dat in den buitenmuur was aangebracht.
Er bevonden zich twee deuren en Lord Aberdeen stond in beraad, welke hij zou kiezen toen een der deuren geopend werd en er een jong meisje naar buiten trad, dat met een lichten kreet van schrik bleef staan, toen zij daar zoo eensklaps de beide vreemde, deftig gekleede heeren zag staan, en hen met groote oogen aanstaarde.
Het meisje kon ongeveer negentien jaar zijn en met den eersten oogopslag ontwaarden de beide bezoekers, dat haar lief gelaat een groote gelijkenis met de trekken van Richard Stefenson vertoonde.
Zij behoefden er geen oogenblik aan te twijfelen. Zij stonden hier tegenover zijn zuster.
Het waren dezelfde groote zwarte oogen, het was hetzelfde hooge voorhoofd, het was dezelfde fijn gevormde neus.
„Gij zijt hier zeker verdwaald, heeren?” vroeg het jonge meisje op heeschen toon.
„Dat geloof ik haast niet, Miss,” antwoordde Lord Aberdeen glimlachend, „tenminste, wanneer gij Miss Stefenson zijt.”
„Die ben ik, mijnheer, maar gij komt toch zeker niet voor mij?” hernam het jonge meisje verwonderd.
„Slechts ten deele, Miss. Ik had gaarne met uw moeder willen spreken. Is zij thuis?”
„Mijn moeder gaat heel weinig uit, mijnheer, want zij is gebrekkig en het valt haar moeilijk al die trappen op en af te klimmen. Wees zoo goed binnen te treden, al moet ik u eerlijk verklaren, dat ik volstrekt niet kan begrijpen wat twee zulke heeren, zooals gij zijt wel van mij arme oude moeder willen.”
„Gij wildet juist uitgaan?” vroeg Lord Aberdeen. „Laten wij u vooral niet ophouden.”
„O, ik kan mijn boodschap wel uitstellen.… het had niet veel om het lijf,” antwoordde het meisje, maar Lord Aberdeen zag daarbij tot zijn verwondering, dat zij beurtelings rood en bleek werd en dat haar wenkbrauwen zich samentrokken.
Het meisje hield de deur voor de bezoekers open en dezen bevonden zich nu in een klein, armoedig gemeubeld vertrek, waar echter alles er op wees, van de withouten tafel tot de matten stoelen en de helderwitte gordijntjes voor de ramen, dat hier zorgzame handen het weinigje dat zich hier bevond, althans met liefde onderhielden.
Dicht bij het raam zat een oude vrouw.
Men zou haar tenminste oud moeten noemen want haar haar was sneeuwwit, en toch kon zij onmogelijk ouder zijn dan vijftig jaar. Zij had verschrikt opgekeken bij het vernemen van voetstappen en verborg haastig haar zakdoek, dien zij tegen de oogen had gedrukt.
Maar Lord Aberdeen had scherpe oogen, en hij had dadelijk gezien, dat de vrouw geweend had. Haar oogen waren nog rood.
Voor haar, op een kleine tafel, die dicht bij het raam geschoven was, lag een briefje, dat zij haastig weg moffelde.
„Moeder, deze twee heeren wenschen u te spreken,” begon het jonge meisje.
„Mij, Dora?” vroeg de oude vrouw verbaasd. „Dat moet zeker een vergissing zijn.”
„Het is geen vergissing, mevrouw,” antwoordde Lord Aberdeen ernstig. „Miss Dora heeft u goed ingelicht. Wij komen spreken over den jongen Richard, uw zoon.”
Bij het hooren van deze woorden drukte de oude vrouw de hand op het hart en werd zeer bleek.
„Over Richard,” herhaalde zij toonloos. „Er is toch niets met hem gebeurd.”
„Wat er met hem gebeurd is, heeft in ieder geval [9]niet veel te beteekenen, maar toch wilde ik het u mededeelen, voor gij het zoudt hooren uit den mond van een ander, die minder reden heeft dan ik, het u een weinig voorzichtig mede te deelen.”
„Voorzichtig, mijnheer,” kwam de oude vrouw weder. „Mijn God, wat is er dan toch gebeurd. Er is hem toch geen ongeluk overkomen. Hij is veel bij de straat. Hij is zoo onvoorzichtig en volgt altijd zijn eigen wil. Ja, als zijn vader maar niet gevallen was in dien vervloekten oorlog.”
„Ik weet het, mevrouw,” hernam Lord Aberdeen zacht. „Ik heb dat alles vernomen in de rechtzaal. Neen, gij behoeft werkelijk niet zoo te schrikken, wat Richard gedaan heeft is in ieder geval afkeurenswaardig en ik wil hem dan ook geenszins verdedigen, maar ik neem in aanmerking dat hij de laatste jaren om zoo te zeggen tot een vrijbuiter is opgegroeid.”
En nu deelde Lord Aberdeen zoo behoedzaam mogelijk aan de moeder van den knaap mede, wat hem wedervaren was en hij trachtte, diep bewogen met de arme vrouw, het misdrijf zooveel mogelijk te verontschuldigen.
De vrouw had zwijgend geluisterd, zonder den spreker een enkele maal in de rede te vallen.
Zij zat daar met gebogen hoofd en langzaam druppelden tranen over haar vermagerde wangen en vielen in haar schoot, zonder dat zij het blijkbaar merkte.
Toen Lord Aberdeen zijn mededeeling geëindigd had, zweeg de oude vrouw nog geruimen tijd en zeide toen met een bevende stem:
„Het is edel van u, mijnheer, dat u dit hebt gedaan voor een u onbekende vrouw, wij hebben niet veel vrienden,” voegde zij er op bitteren toon aan toe. „Ik dank u, zeg mij uw naam, opdat ik mij dien steeds kan herinneren.”
„Ik ben Lord Aberdeen, mevrouw, maar gij vergist u, als gij denkt, dat gij nu al van mij af zijt,” zeide de filantroop glimlachend. „Ik wil u niet verzwijgen dat ik groot belang stel in uw zoon. Ik geloof niet dat hij een slecht hart heeft, of booze inborst, want daar ziet hij in het geheel niet naar uit. Wanneer de jongen andere kameraden had gehad, zou hij hiertoe zeker nooit vervallen zijn.”
Op dit oogenblik viel mevrouw Stefenson met het hoofd voorover op tafel en barstte in hartstochtelijk snikken los.
„Het is mijn schuld, het is alles mijn schuld. Ik had strenger moeten zijn. Ik heb hem altijd verwend en hem in alles zijn zin gegeven. Reeds bij het leven van zijn goeden vader en nu pluk ik er de vruchten van. Hij heeft een goed hart Mylord, dat bezweer ik u, maar is altijd een wildebras geweest en in den laatsten tijd had hij omgang met kornuiten, die zijn vader zeker de deur zou hebben gewezen.”
„De knaap hield toch zeker van u?” vroeg Lord Aberdeen op ernstigen toon.
„O, daar durf ik wel op zweren,” riep de arme moeder uit, terwijl zij haastig het betraande gelaat ophief.
„Welnu, dan is er ook nog niets verloren. Een hart waarin de kinderliefde nog niet gestorven is, kan steeds behouden worden. Ik blijf er bij, ik wil mij met den knaap bezig houden, want ik geloof dat hij beter verdient, dan voor galg en rad op te groeien. Zeg mij eens, had hij in het geheel geen vak geleerd?”
„Toen zijn vader sneuvelde, mijnheer, bezocht hij nog een school. Hij wilde letterkundige worden, of journalist. Hij had een verbazend goed hoofd en hij leerde alles, wat hij wilde, maar een handwerk heeft hij helaas nooit gekend, en dat is heel jammer Mylord, want naar het schijnt betaalt men tegenwoordig een loodgieter beter dan een reporter en een timmerman beter dan een advocaat.”
„Er is veel waars in wat u zegt,” hernam Lord Aberdeen glimlachend. „Wat gebeurde er, nadat uw man op het slagveld zijn leven verloor?”
„Wat zou er gebeurd zijn, Mylord,” kwam de oude vrouw op bitteren toon. „Er gebeurde wat onvermijdelijk gebeuren moest. Ik was gedwongen hem van die dure school af te nemen, die hij bezocht en die ons al heel wat hoofdbrekens had gekost, toen zijn vader nog leefde en hij moest naar een werkkring omzien, wij moesten toch eten nietwaar?”
„Maar het pensioen.”
„Het pensioen? Zijn vader sneuvelde als soldaat en het pensioen is nauwelijks voldoende voor een oude vrouw als ik, zelfs al zou zij haar eischen aan het leven nog veel lager stellen dan ik, maar mijn twee kinderen, moeten die honger lijden?”
„Maar Richard had toch een baas kunnen zoeken. Hij is toch jong en sterk?”
„Hij heeft wel zes bazen gehad, Mylord. Nergens hield hij het uit. Zijn onrustige geest dreef hem van den eenen patroon haar den anderen. Zijn handen [10]stonden niet naar den arbeid. Hij schreef en las boeken, die hij, de hemel weet waar vandaan haalde, terwijl hij eigenlijk moest werken en gij zult wel begrijpen, dat de patroons dit niet konden dulden.”
„Misschien zou ik, als ik timmermansbaas was, ook niet goed vinden, dat mijn personeel onder het werk de „Metamorphose” van Ovidius las,” hernam Lord Aberdeen glimlachend. „Ik geloof nu wel, dat ik uw zoon langzamerhand leer doorgronden, mevrouw. Een avontuurlijke geest, onrustig, en die in de laatste jaren eenvoudig een vaste hand heeft gemist, die hem zou kunnen leiden. Wilt gij mij toestaan, dat ik mij eens met den jongen man bemoei?”
„Als gij dat deed Mylord, dan zou ik u ten eeuwige dage dankbaar zijn,” riep mevrouw Stefenson uit. „Ik ben een oude vrouw, ik ben niet zoo vlug ter been en … ik heb hem te lief. Ook nu kan ik hem niet hard vallen, dat weet God.”
„Dat pleit voor uw moederhart, maar het is toch niet de goede weg,” hernam Lord Aberdeen op ernstigen toon. „Nu moet ik u een vraag stellen, die gij mij moet vergeven. Wanneer het pensioen niet toereikend is voor u drieën om van te leven, hoe gaat het dan?”
De oude vrouw boog opnieuw het hoofd en fluisterde bijna onhoorbaar:
„Het gaat heel moeilijk, mijnheer, mijn dochter Dora verdient nu en dan een kleinigheid als hulp in de huishouding. Nu hier, dan daar, maar daar kunnen wij nooit op rekenen.”
Zij wilde nog iets zeggen, maar eensklaps werden de tranen haar weer te machtig en barstte zij in snikken uit.
Charly was zwijgend op haar toegetreden met een glas water dat hij haastig had gevuld uit een kleine karaf, welke hij op een kastje had zien staan en Dora trad met een paar stappen op Lord Aberdeen toe en zeide haastig op gedempten toon, terwijl zij zenuwachtig de vingers wrong:
„Gij zijt een goed mensch, Mylord. Waarom zouden wij er een geheim van maken? Wij zijn reeds een paar maanden met de huur ten achter. Bijna een half jaar en de huisheer heeft gedreigd, dat hij ons binnen een week van de woning zal afzetten, als wij niet willen betalen. Hij weet heel goed, dat wij dat niet kunnen, de schurk. Maar hij zou tevreden zijn, als ik.… als ik.…”
Maar Dora Stefenson kon haar zin niet beëindigen.
Zij werd zeer bleek en viel op een stoel neer, de kleine hand op het hart gedrukt.
Lord Aberdeen nam Charly Brand snel terzijde en voegde hem op fluisterende toon toe, zoodat alleen de jonge man het kon verstaan:
„Ik geloof, dat hier een adder onder het gras schuilt, Charly, of mijn naam is geen John Raffles en als ik hier niet duchtig opruiming houd, dan wil ik er een eed op doen, mijn geheele leven geen brandkast meer aan te raken.” [11]