[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

De huisheer.

Er waren omstreeks vijf dagen verloopen sedert den dag, waarop John Raffles, alias Lord William Aberdeen met zijn onafscheidelijken vriend Charly Brand de kleine sombere zittingzaal in de Shafterbury Avenue hadden bezocht.

De Gentleman-Inbreker had zijn belofte gestand gedaan en hij had tot tweemaal toe een bezoek gebracht aan de oude mevrouw Stefenson en haar bevallige dochter. Zoo discreet mogelijk, zonder zich in het minst op te dringen, had hij de oude dame er eindelijk toe kunnen brengen geldelijke hulp te aanvaarden, maar alleen op die voorwaarde, dat haar zoon hem het bedrag met rente zou terug betalen. Wat de jonge Richard betreft, Raffles had door zijn tallooze connecties als Lord William Aberdeen gedaan weten te krijgen, dat de jeugdige booswicht zooveel boeken kon lezen, als hijzelf maar verkoos.

Het was omstreeks drie uur in den middag en het kleine vertrek onder de hanenbalken in de Burrellstreet was keurig aan kant. De kleine gordijntjes waren extra gestreken, de grond was geboend, de kleine withouten tafel in de keuken was geschuurd tot er geen smetje op te bespeuren viel en het weinige koperwerk blonk als een spiegel.

Op het midden van de tafel prijkte een blauw aarden vaas, met een ruiker veldbloemen, dienzelfden morgen door Dora geplukt.

Mevrouw Stefenson zat op haar oude plaatsje bij het raam. Zij had een kanten mutsje op het witte haar gezet, dat eveneens scheen te moeten bijdragen tot de blijde plechtigheid van het oogenblik. Over een half uur ongeveer verwachtte men den verloren zoon terug.

Op het vermagerde gelaat van de oude vrouw was een trek van innige vreugde te bespeuren, want de toekomst scheen zich eindelijk een weinig gunstiger te laten aanzien.

Van Lord Aberdeen had zij menigmaal hooren spreken in de buurt en zij wist dat hij een machtige beschermer was, die nooit zijn woord brak.

Nu hij eenmaal de hand naar Richard had uitgestoken, zou alles met den driftigen, lichtzinnigen knaap weer in orde komen, daarvan was zij overtuigd.

Dora was in het aangrenzende kleine keukentje, niet veel grooter dan een ruime kast, druk bezig met het bereiden van het lievelingskostje van haar broeder.

Daar kraakten de treden van de bovenste trap.

„Moeder, moeder, daar is Dick.”

„Maar dat is bijna onmogelijk, kind,” riep de oude dame uit, terwijl haar oogen begonnen te schitteren, nadat zij een blik op het kleine goedkoope wekkerklokje had geworpen.

Intusschen naderden de schreden en toen werd op de deur geklopt.

Als bij ingeving keken de beide vrouwen elkander zwijgend aan.

Toen haalde het jonge meisje de schouders op en zeide op verachtelijken toon:

„Nu, hij kan komen, wij kunnen hem nu tenminste ontvangen.”

En met deze woorden wendde zij zich af.

De deur werd geopend en op den drempel verscheen een man van omstreeks vijftig jaar, met een breed opgezet gezicht, en geheel kale kruin en kleine half dichtgeknepen groengrijze oogen. [12]

Er lag een valsche glimlach om zijn lippen, toen hij een stap vooruit deed en de deur behoedzaam achter zich sloot.

Hij legde zijn hoed op den stoel die het dichtst bij de deur stond, wreef zich in de handen, en keek beurtelings van de moeder naar de dochter.

„Wel, lieve dames, hoe staat het leven,” begon hij op zoetsappigen toon. „Nog altijd een beetje sukkelend, mevrouw Stefenson? Ja, ja, dat is de oude dag. Maar gij Miss Dora, ziet er nog steeds uit als een lentebloempje. Ik geloof, dat gij met den dag schooner wordt.”

„Gij kunt uw complimenten wel voor u houden, mijnheer Blackpool en terzake komen,” zeide Dora koel.

„Wel, wel, mijn hartje, wat is dat nu?” hernam de bezoeker, steeds zijn handen wrijvend, en met denzelfden hatelijken glimlach om zijn lippen. „Dien toon ben ik niet van je gewend. Maar als je er op staat, laten wij dan maar eerst de zaken af doen. Je staat zeker wel toe, dat ik er bij ga zitten?”

„U is wel de huisheer en wij zijn maar uw huurders, maar ik geloof niet dat het noodig zal zijn,” antwoordde Dora koeltjes. „Wat wij te bespreken hebben, kan in minder dan een paar minuten zijn afgeloopen.”

De huisheer staarde het jonge meisje een oogenblik verwonderd en achterdochtig aan en vroeg toen zoetsappig:

„Gelooft gij dat werkelijk? Nu, dat zal mij verbazen. Maar laat ik geen tijd verspillen. Gij zijt op heden zes maanden met de huur ten achter, en de hemel hoort het mij getuigen, dat ik nooit met eenigen huurder zooveel geduld heb gehad als met u. Vraagt u er de benedenburen maar naar. Ik vraag u dus kort en goed, kunt gij mij nu het bedrag betalen, of niet.”

Dora keek den huisheer een oogenblik minachtend aan, draaide zich toen op haar hielen om, liep snel op de kleine penantkast toe, opende de lade, nam er iets uit, en keerde weder naar Blackpool terug.

„De kwitanties, als ik u verzoeken mag,” beval zij kortaf.

De huisheer deed een stap achteruit en scheen van verbazing niet te weten wat hij zeggen moest.

Hij werd vaal bleek en stotterde:

„De kwitanties, wat wilt gij daarmee zeggen?”

„Niets anders dan dat ik betaal,” antwoordde Dora met een kort lachje. „Dat verwondert u zeker? Kom, de kwitanties. Hier zijn de negen pond sterling.”

Er kwam een giftige uitdrukking in de kleine begeerige oogen van den huisheer.

Hij liet een gemeen lachje hooren en riep op schellen toon:

„Wel, wel, waait de wind uit dien hoek? Hebben we geld? Kunnen wij maar zoo negen pond sterling betalen? Zes maanden huishuur? Wel, het schijnt ons voor den wind te gaan.”

„De kwitanties,” herhaalde Dora bevelend en met ongeduldig gebaar.

Blackpool stak de hand in den zak en haalde er met trillende vingers een vette beduimelde portefeuille uit, waaruit hij een zestal kwitanties nam.

Hij was bleek van woede en teleurstelling geworden. Het begeerde wild dreigde hem ter elfder ure te ontgaan.

Hij stak het jonge meisje de kwitanties aarzelend toe.

Dora trok ze hem uit de hand, keek ze vluchtig door en wierp toen negen gouden ponden op de tafel.

Als met tegenzin streek Blackpool het geld op en toen klonk hetzelfde hatelijke lachje van zooeven.

„Goudstukken nog wel,” riep hij uit. „Het gaat ons voor den wind? Nu, als men zoo jong en schoon is als gij zijt, dan wordt het geld heel gemakkelijk verdiend.”

Het jonge meisje slaakte een luiden kreet en deinsde doodsbleek achteruit en op hetzelfde oogenblik vloog de deur open.

Richard Stefenson stond op den drempel.

Blackpool had zich op het gerucht haastig omgewend en keek nu in een gelaat, vertrokken van haat en woede.

Hij wilde zich haastig wegpakken, maar de jonge man trad hem in den weg, en beval op doffen toon, terwijl hij den rechterarm ophief.

„Blijf daar, herhaal nog eens, wat gij daareven gezegd hebt.”

Blackpool had onwillekeurig een stap achteruit gedaan, maar nu scheen hij zijn verwaandheid en zelfbeheersching reeds weder te hebben terug gekregen.

Hij nam Richard van het hoofd tot de voeten op en zeide op schamperen toon: [13]

„Kijk, kijk, daar hebben we den zoon des huizes. Komt mijnheer nog eens boven water? Je moeder beleeft veel plezier van jou, jongmensch. Ik heb mooie dingen van jou gehoord. Je hebt in de gevangenis gezeten. Jij bent.…”

Met een paar stappen was Richard bij den huisheer.

Hij was tot in zijn lippen bleek geworden en hij scheen zich slechts met de grootste moeite te kunnen beheerschen.

Zijn stem had een heeschen klank toen hij zeide:

„Op het oogenblik spreken wij niet over mij. U hebt zooeven over mijn zuster gesproken, herhaal wat je zeide, of moet ik je de woorden met geweld uit je strot knijpen?”

Het gelaat van den jongen man had op dit oogenblik zulk een dreigende uitdrukking, dat Blackpool verschrikt achteruit week en een schuwen blik wierp naar de deur.

Toch beefde hij van woede, toen hij uitriep:

„Ik ben jou geen verklaring verschuldigd, brutale vlegel. En nu zal ik je een ding zeggen. Ik heb genoeg van jullie gehad, betaald of niet betaald, je maakt, dat je uit het huis komt. Ik kan zulke huurders als jullie niet gebruiken.”

„Wat, u stuurt ons weg terwijl de huur betaald is, en u heel goed weet dat wij nergens anders onderdak kunnen krijgen?” riep mevrouw Stefenson op smeekenden toon. „Dat kunt niet meenen, mijnheer Blackpool. Dat zou onze ondergang zijn. Waar moeten wij heen?”

„Dat is jullie zaak,” antwoordde Blackpool barsch. „Ik geef je nog een week en dan maak je dat je weg komt.”

De oude vrouw wilde nog wat zeggen, maar Richard legde zijn moeder met een gebaar het zwijgen op en zeide:

„Laat den ouden schurk praten, moeder. Hij kan het niet doen. Er zijn toch zeker nog rechters hier in Londen? Hij kan u volstrekt niet dwingen om te verhuizen.”

„Zou jij dat denken, jongetje?” hernam de huisheer met een gluiperigen blik in zijn oogen. „Dat zal ik je dan toch anders toonen.”

Weer stak hij de hand in zijn zak, haalde er de portefeuille uit en zocht er een oogenblik zenuwachtig in en nam er toen een aantal kleine papiertjes uit, die hij zegevierend in de hoogte hield, en daarna met schelle stem zeide:

„Hier heb ik nog eenige papiertjes, waarvan jullie misschien niets weet. Nu heb ik alleen met je moeder te doen. Als jullie mij het vuur zoo na aan de schenen legt, dan bijt ik van mij af.”

De oude vrouw trad wankelend op hem toe, met een smeekende houding en een uitdrukking in haar oogen, die een steen zou hebben vermurwd.

Maar Richard wilde zekerheid hebben.

Hij hield zijn moeder tegen en zeide kortaf:

„Geen smeekbeden tot dien ellendeling, wat zijn dat voor papieren?”

„Schuldbekentenissen, vriendje!” riep Blackpool zegevierend uit. „Ja, daar schrik je van, nietwaar? Ik heb je moeder in den loop van het laatste jaar telkens kleine bedragen geleend—als jij beter had opgepast, was dat niet noodig geweest, knoop dat in je ooren! Het waren telkens kleine bedragen, maar je moeder heeft mij nooit een penny terugbetaald—en nu is het opgeloopen tot.… laat eens even zien, tot bijna vijf en dertig pond sterling! Kunt U dat terugbetalen? Ik wil nu eindelijk eens de kleur van uw geld zien!”

Mevrouw Stefenson wilde iets zeggen, maar weer hief Richard de hand op.

„Zeg mij eens, jij schobbejak—met welk doel heb je mijn moeder geld geleend, terwijl je toch heel goed wist, dat zij het je nooit zou kunnen terug betalen, en dat er ook op ons niets te verhalen viel—er staat hier voor geen twee pond aan meubelen, geef je mij antwoord, schavuit?”

„Waarom ik haar geld geleend heb?” vroeg Blackpool, die worstelde om zich van den ijzeren greep te bevrijden, „natuurlijk om haar uit den brand te helpen. Laat mij los! Laat mij los, zeg ik je!”

„Ik zal je los laten wanneer ik dat verkies!” schreeuwde Richard nu, wit van woede. „Ik begrijp wat je hier altijd had te zoeken, wat het beteekende als je hier met je zuurzoet lachje complimentjes kwam maken! Dat was om mijn zuster, niet waar?”

Met onweerstaanbaar geweld trok Richard den tegenspartelenden huisheer naar de deur, en stootte die met den voet open.

Hij wierp Blackpool met geweld op het portaal, zoodat hij te land kwam tusschen eenige nieuwsgierige buurvrouwen, die op het geluid van de twistende stemmen onhoorbaar naderbij waren gekomen, en schreeuwde hem toe:

„Waag het nu nog eens, een voet in onze woning [14]te zetten! Waag het eens, den naam van mijn zuster nog eens uit te spreken in mijn aanwezigheid—dan schiet ik je neer als een hond! En daar zou ik goed aan doen, ik zou de aarde verlossen van een ondier! Wat—je bent nog niet weg?”

Hij liep op Blackpool toe, maar deze nam haastig de vlucht, verschrikt door de woeste uitdrukking op het gelaat van den jongen man, en snelde de trap af.

Maar op het portaal gekomen stond hij stil, en schreeuwde dreigend naar boven:

„Je zult van mij hooren, gevangenisaas! Nog van avond maak ik werk van betalen, en over een paar dagen, zoowaar als ik Blackpool heet—ik laat jullie armzalig boeltje voor je neus verkoopen, en ik werp je de woning af!”

En na deze woorden zette Blackpool zijn vlucht haastig voort.