[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

De moord in Short Gardens.

Raffles en Charly zaten den morgen, volgend op deze gebeurtenis, in de kleine eetkamer van het heerenhuis, hetwelk de Groote Onbekende sedert eenige jaren in de Regentstreet bewoonde, aan het ontbijt, en lazen hun krant, toen Charly plotseling een kreet van schrik slaakte, en Raffles over het nummer van de „Daily Mail”, welke hij juist bezig was te lezen, sprakeloos aanzag.

„Wat is er?” vroeg Raffles, die zelf in de „Times” verdiept was, en nu Charly vragend aankeek.

„Je stelde veel belang in den jongen Stefenson, niet waar?” vroeg Charly met moeite zijn ontroering beheerschend.

„Dat deed ik, en dat doe ik nog! Hij is gisteren juist vrij gekomen, en ik ben van plan om aanstonds na het ontbijt naar de Burrellstreet te gaan, en die goede lieden een bezoek te brengen.”

„Dan zal je althans Richard niet meer vinden, Edward!” zeide Charly op ernstigen toon.

„Hoe zoo?” kwam Raffles langzaam. „Wat is er dan met den jongen man gebeurd?”

„Hij is gisteravond omstreeks half tien gearresteerd!”

„Wat alweer?” riep Raffles op ongelooflijken toon uit. „En hij zou om drie uur worden vrijgelaten. Maar is die jongen dan dol? Wat heeft hij dan nu weer gestolen?”

„Hij heeft niet gestolen, Edward!” zeide Charly, „hij is gearresteerd op beschuldiging van een moord!”

Raffles die anders zijn bewegingen zoo goed meester was, zette zijn fijn Chineesch theekopje, dat hij juist aan den mond wilde brengen, met zulk een harden slag neer, dat hij alleen het oortje in de hand hield, en riep toen uit:

„Mijn God, hoe is dat mogelijk! Wat is er dan gebeurd? Wie is het slachtoffer?”

„Een zekere Blackpool!”

„Maar dat is als ik mij niet vergis, de naam van hun huisheer,” riep Raffles. „Ik vrees dat ik het reeds begin te doorzien! Die schurk trachtte Dora in zijn macht te krijgen! Maar wat kan er dan toch wel gebeurd zijn tusschen drie uur, het oogenblik waarop hij de gevangenis verliet, en halftien? Lees het mij aanstonds voor!”

Charly vouwde de „Daily Mail” zoo, dat hij het [15]blad gemakkelijk kon vasthouden terwijl hij las, en begon toen:

„MOORD OP EEN HUISHEER.

De vrouw in het spel!

Short Gardens is gisterenavond het tooneel geweest van een afschuwelijke misdaad, zooals er in deze rustige straat gelukkig slechts weinig gepleegd wordt.

De heer Bernard Blackpool, eigenaar van verschillende huizen in onze volksbuurten, is het slachtoffer van een laaghartigen moordaanslag!

Laten wij onze lezers dadelijk gerust stellen met de mededeeling, dat de dader zich reeds in handen van de politie bevindt.

Het is een zekere Richard Stefenson, geen onbekende voor de Justitie, en de eenige zoon van één van Blackpool’s huursters.

Wel is waar ontkent de jonge man, niet veel meer dan een knaap, hartstochtelijk iedere schuld, maar de bewijzen tegen hem zijn zoo overstelpend, dat hieraan haast niet getwijfeld kan worden.

Maar laten wij het verloop van dit gruwelijke voorval naar het vervolg mededeelen.

Het was omstreeks kwart over negenen in den avond toen de portier van het huis in Short Gardens, waarvan Blackpool de tweede verdieping bewoont, een jongen man zag naderen, tamelijk sjofel gekleed, en die hem vroeg of mijnheer Blackpool thuis was.

De portier antwoordde bevestigend, want hij had juist een half uur geleden Bernard Blackpool zien thuiskomen van een vriendendiner.

Daarop vroeg de jonge man waar zich de woning van Bernard Blackpool bevond, en toen de portier hem dit had medegedeeld, besteeg hij de trappen en belde aan de gangdeur van de tweede verdieping.

De deur werd opengedaan door de oude huishoudster van Bernard Blackpool, Miss Aurélie Dayton, een dame van ongeveer zestigjarigen leeftijd, die, met een bijna even ouden bediende, het personeel van den vermoorde vormde.

De jonge man noemde zijn naam, en verzocht, den heer Blackpool te mogen spreken. Hij verzekerde dat Bernard Blackpool van zijn komst wist, en hem zeker wel zou verwachten.

De oude dame die het juist nogal volhandig had wees den jongen man eenvoudig met een beweging van het hoofd de deur van de werkkamer van haar meester, en ging haars weegs, blijkbaar had zij iets te zoeken in een ander gedeelte van de tamelijk uitgestrekte woning.

Zij verzekert dat zij nauwelijks vijf minuten kan zijn weg geweest, en waarschijnlijk nog veel korter of zij hoorde een woest geschreeuw, dat uit de richting van de werkkamer kwam.

Zij keerde aanstonds terug, en reeds toen zij de gangdeur geopend had, zag zij dat de deur van de werkkamer openstond, en dat het daarbinnen duister was.

Bijna op hetzelfde oogenblik kwam de huisknecht, Thomas Blunt geheeten, haastig aanloopen, en ongeveer tegelijk bereikten zij de kamerdeur.

De oude bediende behoefde de hand slechts even om de deurpost te steken om den schakelaar van het electrische licht te vinden.

Hij draaide dien om en de kamer was toen helder verlicht.

Met een luiden gil van afschuw deinsden de beide oude menschen terug—want in het midden van het vertrek, niet ver van het schrijfbureau, lag onbewegelijk, op den rug, het lichaam van hun meester uitgestrekt.

Het wit van zijn overhemd verdween bijna geheel onder het rood van het bloed, dat nog altijd te voorschijn kwam uit een wonde, waaruit een vlijmscherp mes stak, hetwelk zij beiden aanstonds herkenden.

Het was de Japansche dolk, welken Bernard Blackpool steeds placht te gebruiken bij wijze van vouwbeen en die altijd op zijn schrijfbureau lag.

Over het lijk heengebogen—want men kon er helaas niet meer aan twijfelen, of het slachtoffer had reeds den laatsten adem uitgeblazen, stond de bezoeker, met doodsbleek gelaat, bebloede handen, en starende oogen.

Hij scheen volstrekt het besef te hebben verloren van hetgeen hij gedaan had, en scheen zelfs niets te merken van het binnentreden der bedienden.

Gillend vluchtte Miss Dayton weder weg, en binnen enkele oogenblikken had zij eenige buren [16]te hulp geroepen, terwijl de portier aanstonds gewaarschuwd de politie opbelde.

Pas toen deze verscheen, in de gedaante van een inspecteur en twee agenten, scheen Richard Stefenson weder tot besef te komen, en hij verzette zich tegen zijn arrestatie, en bezwoer dat hij onschuldig was. Toch valt er aan zijn schuld niet te twijfelen, want de portier is zeer pertinent in zijn verklaringen dat hij Bernard Blackpool om negen uur geheel alleen heeft zien terugkeeren en dat er volstrekt geen bezoeker voor hem is geweest, behalve juist Richard Stefenson.

Men begaf zich naar zijn huis, in de verwachting dat men daar wellicht nadere bijzonderheden zou kunnen vernemen omtrent het motief van den moord, en daar bleek het uit verhoor van eenige buurvrouwen al spoedig, dat Bernard Blackpool op dienzelfden dag een hevigen twist had gehad met Richard Stefenson, die toen juist uit de gevangenis teruggekeerd was, en hem zelfs met den dood had bedreigd, omdat Bernard Blackpool, naar hij beweerde, zijn zuster met oneerbare bedoelingen vervolgde.

Toen men dit jonge meisje in kennis stelde van de arrestatie van haar broer, viel zij in zwijm, en men vreest, dat deze nieuwe misdaad van haar broeder haar gezondheid ernstig kan benadeelen.

Tot dusverre heeft men het jonge meisje niet kunnen ondervragen.

Wij zullen natuurlijk niet nalaten, onze lezers aanstonds op de hoogte te brengen, zoodra in deze afschuwelijke zaak nadere bijzonderheden bekend mochten worden.”

Charly liet het blad zakken, en geruimen tijd bleven de beide vrienden zwijgend tegenover elkander zitten.

Raffles had de oogen met de hand bedekt, zijn geliefkoosde houding als hij ingespannen ergens over nadacht.

Er waren bijna volle tien minuten verloopen, toen hij eindelijk het hoofd ophief, en op zachten toon vroeg:

„De kamer was immers donker, volgens de verklaring van Miss Dayton en van den bediende Thomas Blunt?”

„Ja!”

„Begrijp jij dat?”

„Niet al te best! Het eenige is natuurlijk, dat Richard het licht heeft uitgedraaid nadat hij.… dat verschrikkelijke gedaan had!”

„O! Ja, dat is zeker mogelijk!”

„Wat, twijfel je er aan?” riep Charly verwonderd uit. „Is het dan mogelijk om te twijfelen?”

„O! Ja, dat is zeer mogelijk!” antwoordde Raffles op ernstigen toon. „Ik wil echter erkennen, dat er veel is dat hem zeer zwaar belast! Maar goed—wij nemen aan dat hij de daad bedreef, noem mij dan een motief, dat hem bewoog vervolgens het licht uit te draaien.”

„Misschien hoopte hij in de duisternis te ontvluchten!”

„Dat zou al een zeer zonderlinge redeneering zijn geweest! Hij moest toch heel goed weten, dat hij buiten de kamer gekomen dadelijk in een helder verlichte gang zou komen.”

„Dat is hem misschien in de vreeselijke ontroering zeker ontgaan!”

„Ei! Welke moordenaar, die zich in zulken vreeselijken gemoedstoestand bevindt, zal op het denkbeeld komen, het licht uit te draaien. Bovendien—de huishoudster zoowel als de bediende verklaren dat hij onbeweeglijk over het lijk gebogen stond. Hoe rijm je dat dan met zijn voornemen te vluchten!”

„Maar zijn handen waren vol bloed!”

„Luister eens, mijn waarde! Denk je er eens even in, dat jij van avond laat een wandeling gaat maken. Op de Theemskade vindt je een man onbeweeglijk uitgestrekt. Je denkt dat hij bewusteloos is, of ziek, of misschien dood is, je bukt, zooals ieder ander zou doen, om je te overtuigen. De man is echter vermoord, en het bloed stroomt nog altijd uit zijn borst. Jij krijgt dat aan de handen.… op dat oogenblik nadert er politie!”

„Je behoeft niet verder te gaan, Edward!” viel Charly hem in de rede. „De politie arresteert mij natuurlijk, eenvoudig omdat zij niet anders kan.”

„Juist! Overdag zou je er niet zoo spoedig toe komen om die beweging, die ons als het ware ingeboren is, te volbrengen—je zou dan natuurlijk dadelijk het bloed zien, en den armen man aan de armen, aan het hoofd, waar je wilt vastgrijpen, maar zeker niet aan de wonde! En let wel op dat de kamer donker was—in ieder geval in vergelijking met de lichte gang. Het is dus zeer wel mogelijk, dat Richard, nadat hij geklopt heeft en naar binnen was gegaan, [17]verbaasd door de duisternis in het vertrek een paar stappen heeft gedaan, en toen over het lichaam van den verslagene is gestruikeld. Natuurlijk heeft hij toen zijn handen in het bloed besmeurd—natuurlijk heeft hij toen dien woesten kreet geslaakt, dien de bediende en de huishoudster hebben gehoord.”

„Ho! ho! Nu loop je toch wel wat al te hard van stal!” riep Charly uit.

„Waarom?”

„Vraag je dat nog? Als het zich zoo heeft toegedragen, zooals jij het daar voorstelt, dan moet die schurk van een Blackpool natuurlijk van te voren door een ander zijn gedood—en wel door iemand die na negenen is gekomen! Welnu de portier verklaart, dat er niemand geweest is!”

„Je zegt nu dat op zegevierenden toon, Charly, en je denkt nu bij jezelf dat je mij schaakmat hebt gezet! Maar ik geef mij zoo spoedig niet gewonnen. Wij kennen het huis van Blackpool niet, maar ik acht het volstrekt niet onmogelijk, dat de dader zich reeds geruimen tijd van te voren in een ander gedeelte van het huis schuil heeft gehouden.”

„Ik moet je nogmaals excuus vragen, Edward, maar ik geloof nu toch werkelijk dat je de waarschijnlijkheid forceert, omdat het een beschermeling van je betreft!” riep Charly uit. „Jijzelf verklaart altijd, en ik stem dat volmondig toe, dat iedere misdaad het spoedigst wordt opgelost, wanneer men slechts het motief kent, welnu hier is het motief bekend! Richard Stefenson had Blackpool bedreigd, hij droeg hem een fellen haat toe, hij heeft zijn zuster innig lief, en hij wilde haar eer wreken!”

„Goed zoo! En daarom begaf hij zich naar het huis van Blackpool, met het opzet om hem te dooden, nietwaar?”

„Welzeker!”

„Natuurlijk heeft hij een wapen mede genomen—is het niet zoo?”

Charly keek een oogenblik bedremmeld voor zich, en zeide toen:

„Nu wil je mij zeker vangen door mij voor oogen te houden, dat Blackpool vermoord is met zijn eigen Japanschen dolk!”

„Dat was ik inderdaad van plan! Denk je eens even in den toestand van een broeder, die de eer van zijn zuster gaat wreken. Laat ik je nu om te beginnen er even aan herinneren, dat er volstrekt niets te wreken viel! Dora is rein en eerbaar gebleven! Maar goed, wij nemen aan, dat de driftige Richard zich desniettemin voldoening wilde verschaffen! Maar dan had hij immers een wapen moeten mee nemen.”

„Wie zegt dat hij er inderdaad geen een bij zich had?” mompelde Charly.

„Maar dat zegt de „Daily Mail”, Charly,” riep Raffles uit.

„Dat blad zegt er niets van, Edward.”

„Juist en door er niets van te zeggen geeft ze te kennen, dat er geen wapens bij Richard gevonden zijn! Mijn hemel, Charly, denk je dat een blad als de „Daily-Mail”, dat er altijd op uitgaat zijn lezers tot in de minste bijzonderheden voor te lichten, waar het zulke sensationeele gebeurtenissen betreft, dat belangwekkende feit vergeten zou hebben? Neen, neen—als de „Daily-Mail” er niets van zegt, dan is dat voor mij het bewijs, dat men ook volstrekt geen wapens in de zakken van den jongen man heeft gevonden. Maar er is nog meer!”

„Wat dan wel?”

„Richard heeft eenvoudig zijn naam opgegeven aan den portier en later waarschijnlijk nog eens aan de huishoudster. Geloof jij dat dat de gewoonte is van moordenaars?”

Gewoonte is het misschien niet,” antwoordde Charly met een flauwen glimlach, „maar ik zou het mij zoo voor kunnen stellen. Richard is daar gekomen om van Blackpool verantwoording te vragen. Er is een hevige twist ontstaan. In zijn dolle drift heeft hij den Japanschen dolk op tafel zien liggen en dien Blackpool in de borst gestoken.”

„En Blackpool ontving hem in het donker?” vroeg Raffles bedaard.

„Ja, dat is en blijft natuurlijk een vreemde zaak,” antwoordde Charly, terwijl hij zich achter het oor krabde. „Ik moet je bekennen, dat ik daar geen oplossing voor weet. Ik wil ook wel verder gaan en verklaren dat het al heel wonderlijk zou zijn, als Richard in die donkere kamer dien dolk had ontdekt.”

„Dat is ook mijn meening. Dan praat je van een twist. Zelfs de hevigste woordenwisseling tusschen twee doodsvijanden heeft tijd noodig om tot het hoogtepunt te stijgen. En dan gaat het maar niet in enkele minuten! Maar wat blijven wij hier als oude vrouwen theoretiseeren,” riep Raffles eensklaps uit, terwijl hij opstond. „Wij moeten er dadelijk op uit naar de ongelukkige vrouw en naar Dora, [18]die zich wel in een verschrikkelijken toestand zullen bevinden. Laten wij ons haasten en zeg aan Henderson dat hij dadelijk met de auto moet voorkomen.”

Er waren nog geen vijf minuten verloopen, of Henderson, de reusachtige chauffeur van den Grooten Onbekende, reed met een der snelste wagens voor en een oogenblik later waren de beide vrienden onderweg naar de Burrellstreet.

Onderweg spraken zij zeer weinig, want ieder was in zijn eigen gedachten verdiept.

Wat Charly betreft, ofschoon hij innig hoopte, dat hij zich zou vergissen, leken de bewijzen tegen Richard Stefenson hem zoo overstelpend, dat hij zich niet kon losmaken van de gedachte dat de jonge man in een oogenblik van vreeselijke drift inderdaad de misdaad had gepleegd.

Het leek hem geheel onmogelijk en onaannemelijk toe, dat een ander het huis was binnen gekomen, zonder dat de portier of iemand anders in het huis het zou hebben gezien.

Raffles wikte het voor en het tegen en zijn vaardige geest scheen alle mogelijkheden, alle kansen, alle waarschijnlijkheden na te gaan.

Zijns ondanks moest hij wel toegeven, dat bijna alles tegen den jongen heethoofd pleitte, en toch scheen er een geheime stem in hem te spreken, die hem waarschuwde, dat hij er goed aan zou doen, niet op den schijn af te gaan.

Het was bijna half elf in den morgen, toen de prachtige auto van Lord Aberdeen voor het kleine smalle huis in de Burrellstreet stil stond. [19]