Er verdrongen zich eenige nieuwsgierige, druk fluisterende buren voor het huis, dat echter niet bewaakt was.
Raffles en Charly konden dus ongehinderd naar binnen gaan, maar het kostte hen toch eenige moeite zich een doortocht tusschen de nieuwsgierigen te banen.
Zij beklommen haastig de trap en waren op de bovenste verdieping bijna tegen een heer aangeloopen, die juist werd uitgelaten door een jongen, eenvoudig gekleeden man van omstreeks zes en twintig jaar met een intelligent, maar zeer bleek gelaat, donkere oogen en scherp geteekende, koolzwarte wenkbrauwen.
Daar de oudste der beide heeren een hoogen hoed droeg en juist een gouden vulpen weg borg, meende Raffles reden te hebben voor de veronderstelling, dat hij met een geneesheer te doen had.
Hij nam zijn hoed af en zeide:
„Neem mij niet kwalijk, als ik u even ophoud. Ik ben Lord Aberdeen en ik stel groot belang in het ongelukkig gezin, hetwelk gij zoo juist verlaat, mijnheer. Heb ik het droevige voorrecht met den geneesheer te spreken?”
„Die ben ik, Mylord. Mijn naam is Dr. Dunlop. Ik heb den echtgenoot van de arme vrouw Stefenson goed gekend, maar nu kwam ik voor haar dochter, de arme Dora is er zeer leelijk aan toe, dat mag ik niet verhelen.”
De geneesheer had dit laatste op gedempten toon gezegd, met een schuwen blik op den jongen man, die bij de deur was blijven staan.
Hij voegde er nu nog zachter aan toe:
„Dat is haar verloofde, Harry Burton.”
„Wat scheelt haar?” vroeg Raffles even zacht, na een vluggen blik op het witte gelaat van den jongen man te hebben geworpen.
„Zij heeft ijlende koorts, ik heb al ijs moeten toepassen.”
„Komt gij nu voor de eerste maal?”
„Neen, ik ben er ook gisteravond geweest. Ik ben gekomen, zoodra de oude vrouw mij liet roepen, want ik heb altijd een zwak voor Dora gehad.”
„Is er onmiddellijk gevaar, dokter?” vroeg Raffles op zachten toon.
De geneesheer wierp opnieuw een snellen blik op den jongen man, die nog altijd bij de deur stond en antwoordde toen:
„Ik denk dat het vandaag beslist wordt, Mylord. Het is een kwestie van leven of dood. Ik moet u zeggen, dat ik den toestand zeer ernstig inzie. Komt Dora echter den dag van heden te boven, dan bestaat er veel kans, dat wij haar in het leven behouden. Maar in ieder geval zal zij dan toch nog wekenlang in een toestand van halve bewusteloosheid blijven. De slag, die haar broeder zoo eensklaps getroffen heeft, schijnt haar geheel te hebben versuft.”
„Zou het misschien niet beter zijn dokter, wanneer zij elders verpleegd werd?”
„Later zal dat zelfs noodzakelijk zijn, Mylord, maar op dit oogenblik mag zij volstrekt niet vervoerd worden. Volmaakte rust, dat is alles wat haar redden kan, behalve natuurlijk dat mijn voorschriften met de grootste zorgvuldigheid moeten worden opgevolgd. Wanneer een geneesmiddel een half uur te laat wordt ingegeven, zou dat haar dood kunnen beteekenen, en nu wilt gij mij wel verontschuldigen, Mylord—ik heb vandaag zeer veel te doen, maar in den loop van den middag kom ik in ieder geval nog eens naar mijn klein vriendinnetje kijken.”
De beide heeren drukten elkander de hand, en daarop traden Raffles en Charly naar de deur, waar Harry Burton hen scheen op te wachten. [20]
Raffles keek een oogenblik in het witte strakke gezicht, en zei toen:
„Mijnheer Burton, wij zijn vrienden van de familie, en goede vrienden, durf ik wel zeggen. Ik hoop van harte, dat gij ons niet als indringers zult beschouwen, die hier louter uit nieuwsgierigheid komen.”
„Ik weet wel beter, Mylord!” zeide de jonge man op doffen toon. „Dora’s moeder heeft mij reeds alles verteld. Ik heb deze week buiten Londen moeten werken—ik werd door mijn fabriek naar Leeds gezonden—ik ben maar een eenvoudig monteur, en daardoor komt het dat ik hier al dien tijd niet geweest ben, en dat ik nog niet het genoegen had u te ontmoeten.”
„Zijt gij reeds lang uit Leeds terug?” vroeg Raffles, terwijl hij Burton de hand toestak.
„Gisteravond om half twaalf aangekomen, Mylord!” antwoordde de jonge man. Maar eensklaps scheen hij zich te bezinnen, en voegde er haastig aan toe:
„Ik vergis mij—ik was om zeven uur al weder in Londen! Maar blijf daar niet op het portaal staan, mijne heeren—wees zoo goed mij te volgen. Maar ik verzoek u, zacht te loopen, want op het oogenblik slaapt zij gelukkig.”
De drie mannen traden binnen, en Burton bracht hen naar een klein zijvertrekje, dat voor het grootste gedeelte werd ingenomen door het bed, waarop het ongelukkige meisje in diepe sluimering lag.
Maar Raffles zag onmiddellijk, met het oog van den deskundige, dat het een onrustige, onnatuurlijke sluimering was.
De oogen waren niet geheel gesloten, de wenkbrauwen hadden nu en dan een krampachtige trekking, en van tijd tot tijd scheen er een huivering over het strakgetrokken vel te loopen.
Raffles bleef geruimen tijd zwijgend naar het jonge meisje kijken, en zeide toen op zachten toon tot Charly Brand:
„Dokter Dunlop had wel gelijk—het is een ernstig geval! Ik denk dat de hersens zijn aangedaan! Het is een groot geluk voor haar, dat zij zoo liefderijk verpleegd wordt!”
Zijn blik dwaalde naar Harry Burton, die met doodsbleek gelaat, de handen tot vuisten gebald, als een toonbeeld van woeste smart naar het jonge meisje keek, gisteren nog bloeiend in haar schoonheid, en nu aan den rand van het graf.
Maar nu opende hij een zijdeur, en verzocht de beide bezoekers op denzelfden gedempten toon, het gemeenschappelijk vertrek binnen te gaan waar zij mevrouw Stefenson aantroffen, die met gebogen hoofd, de handen in den schoot gevouwen, roerloos voor zich uitstaarde.
Zij scheen het zelfs nauwelijks te merken, dat er andere personen in de kamer waren, en Raffles moest zijn hand op haar schouder leggen, om haar als het ware met een schok weder tot bewustzijn te doen komen.
„Wij komen u onder droeve omstandigheden weder opzoeken, mevrouw Stefenson,” begon Raffles met zijn diepe stem, die menigmaal zulk een warmen klank kon verkrijgen, „maar ik bid u geef toch niet zonder weerstand te bieden toe aan uw smart, hoezeer die ook begrijpelijk is! Bedenk dat gij nu alleen zijt en dat alles op uw schouders rust!”
De oude vrouw schudde het hoofd, en terwijl de tranen overvloedig over haar wangen stroomden, zeide zij op zachten toon:
„Gij doet Harry onrecht, Mylord! Hij is mij een groote steun in deze verschrikkelijke omstandigheden. Hij kwam gisteravond nog hier, nadat hij om half twaalf uit Leeds was teruggekeerd, en het was wel een droevige ontvangst! Dora lag toen reeds in ijlende koorts neer, en hij is bij haar blijven waken, terwijl ik zelf onzen goeden dokter Dunlop ben gaan halen.”
Toen de oude vrouw het uur noemde, waarop Harry Burton was aangekomen, had Raffles snel het hoofd opgeheven, en keek verrast naar den jongen man.
Deze stond op dat oogenblik voor het raam met de handen op den rug gevouwen.
Ook hij had vlug omgekeken, maar nu scheen zijn aandacht weer uitsluitend bepaald te zijn bij hetgeen er op straat voorviel.
Raffles had een opmerking willen maken, maar hij bedacht zich en zeide half bestraffend:
„Was er dan niemand anders om voor u naar den dokter te gaan? Gij zijt toch niet goed ter been?”
„Ik heb een huurauto genomen, Mylord! Ik wilde niemand anders zenden, het was al zoo laat!”
„Is de dokter toen dadelijk met u meegekomen?”
„Niet dadelijk! Hij sliep reeds, en ik heb toen moeten wachten, totdat men hem gewekt had en hij zich had aangekleed!” [21]
Een oogenblik heerschte er zwijgen.
En eensklaps viel de oude vrouw met het bovenlijf op de tafel en begon hartstochtelijk te snikken.
„Mijn jongen! Mijn arme jongen! Dat het daartoe komen moest! Had ik hem toch maar niet het huis laten uitgaan!”
„Gij moogt u niet toegeven aan die gedachten!” zeide Raffles, terwijl hij zachtjes over het witte haar streelde. „Wie weet—wie weet is.… een ander wel de schuldige!”
De oude dame hief snel het hoofd op om Raffles met haar betraande oogen aan te zien en tegelijkertijd wendde Harry Burton zich vlug om, en staarde Raffles met groote oogen aan.
„Zeg mij eens, Mylord—gelooft gij dat werkelijk?” vroeg hij langzaam, en zijn woorden schenen zich met moeite een weg te banen door zijn opeengeklemde tanden.
„Waarom zou dat onmogelijk wezen, waarde Burton?” was de wedervraag van Raffles.
„Maar Mylord—hoe vreeselijk het ook is, dat zijn eigen moeder het moet zeggen—alles pleit toch immers tegen hem!” riep de ongelukkige vrouw uit. „Hij is hier woedend weg gegaan, met de bedreiging op de lippen—en in de bladen staat het immers te lezen, dat niemand voor hem het huis is binnen gegaan!”
„Tenminste niemand die het gezien heeft!” zeide Raffles rustig.
„Maar mijn God, Mylord—wie zou het dan hebben kunnen doen?” riep de oude vrouw bevend uit. „Wie kan denken aan zulk een noodlottigen samenloop van omstandigheden? Speelt het toeval dan zulk een groote rol in ons leven?”
„Ja, mevrouw, dat doet het vaker dan wij denken!” antwoordde Raffles. „Ik wil u echter volstrekt niet paaien met hoopvolle verwachtingen. Wel beloof ik u plechtig, dat ik volstrekt niet zal rusten, voor ik den waren schuldige heb ontdekt!”
Weer bleef het eenige oogenblikken stil.
Harry Burton had zijn plaats bij het raam weder ingenomen.
Men zag niets van hem dan zijn rug, en daarop de gevouwen handen, waarvan de vingers krampachtig in elkaar waren geklemd.
Hij scheen recht voor zich uit te staren over het dak heen van het tegenoverliggende huis.
Raffles scheen een oogenblik verzonken te blijven in den aanblik van de twee sterke, zenuwachtig trillende handen en vroeg toen eensklaps:
„Neem mij niet kwalijk, dat ik u de vraag stel, mijnheer Burton, kendet gij Miss Dora reeds lang?”
„Sedert twee jaar, mijnheer,” antwoordde de jonge man, zonder zich om te wenden.
„Gij—hebt haar zeer lief?”
„Ik heb haar liever dan mijn leven, Mylord. En ik zweer u, dat dit geen gemeenplaats is. Ik zou, als het moest den vuurdood voor haar trotseeren.”
Weer zag men niets dan den breeden, eenigszins gebogen rug.
„Dat pleit voor u, mijnheer Burton,” hernam Raffles. „Zeg mij eens, hebt gij dien Blackpool ook gekend?”
Een hoofdknik, dat was alles.
„Persoonlijk?”
Weer een hoofdknik.
„Gij moet het mij niet kwalijk nemen, mijnheer Burton, als ik onbescheiden lijk, maar in deze zaak kunnen schijnbaar onbeteekenende voorvallen van groot gewicht blijken te zijn. Was het u bekend, dat die schurk uw meisje achtervolgde met zijn liefdesverklaringen?”
Nu wendde Burton zich eensklaps om en riep uit:
„Ik hoorde het gisternacht voor het eerst, Mylord. Ja, als ik het vroeger had geweten.… dan.…”
Hij hield eensklaps op, streek zich met de hand over het hoofd, mompelde iets binnensmonds en hernam toen met een wrang lachje:
„Ik geloof dat ik wartaal begin te spreken, Mylord! Hoe kon ik dat zeggen? Ik wist het al zeker maanden, dat die Blackpool het Dora lastig maakte.”
Nu was het de beurt van de oude vrouw, om verrast op te zien.
„Wat zeg je daar, Harry?” vroeg ze. „Waarom heb je ons dat dan nooit verteld? Daar wisten wij niets van. Hoe kwam je er toe, om dat voor ons te verbergen?”
Het gelaat van den jongen man was krampachtig vertrokken, toen hij stamelend antwoordde:
„Ik heb.… ik wilde.… het lag niet in mijn bedoeling om het te verzwijgen, moeder, maar ik wilde Dora alles besparen, wat haar hartje zou kunnen kwetsen. Ik verzeker u.…”
Hij brak den zin plotseling af, haalde zijn zakdoek te voorschijn, veegde er zijn voorhoofd mee af [22]en draaide zich vlug weer om, teneinde uit het raam te zien.
Raffles trommelde zachtjes met zijn vingers op het tafelblad en er lag een zonderlinge glimlach op zijn gelaat, waarvan Charly zich den oorsprong volstrekt niet kon begrijpen.
Eensklaps stond de Groote Onbekende weder op en zeide:
„Luister eens, mevrouw Stefenson. Deze zaak moet tot klaarheid worden gebracht, op welke wijze dan ook. Heeft uw zoon de misdaad inderdaad gepleegd, het is vreeselijk om het te moeten zeggen, dan zal hij ook zijn straf moeten dragen, maar ik zeg u, dat ik daar niet zeker van ben en daarom begin ik van dit oogenblik af mijn onderzoek. Ik zal u van alle vorderingen nauwkeurig op de hoogte houden. Wat Dora betreft, ik smeek u mij toe te staan om de twee uren naar haar welzijn te laten informeeren. Over de kosten der verpleging behoeft u zich natuurlijk niet te bekommeren. Wij zullen dat wel regelen.”
Voordat de oude vrouw haar dankbaarheid kon uiten wendde Raffles zich tot Burton en vroeg op vriendelijken toon:
„Zoudt ge mij uw adres niet willen geven, mijnheer Burton?”
„Mijn adres, Mylord?” vroeg Burton toonloos.
„Ja, het mocht eens noodzakelijk zijn, dat ik u eenige inlichtingen heb te vragen of te geven.”
De jonge man scheen een oogenblik te aarzelen en antwoordde toen:
„Ik woon in de Sloanstreet 107, vierde verdieping. Maar ik wil u wel waarschuwen, dat gij mij in de eerste dagen waarschijnlijk weinig of niet thuis zult vinden,—ik blijf hier. Ik blijf bij haar, die mij meer waard is dan het leven, en als zij sterft, dan wil ik met haar sterven.”
Hij had dit laatste op een toon van woeste wanhoop uitgeroepen, sloeg zich met de beide gebalde vuisten voor het hoofd en viel kermend op een stoel neer.
Droge snikken deden het krachtige lichaam schokken.
Raffles legde hem troostend de hand op den schouder en zeide op ernstigen toon:
„Gij zijt een man, mijnheer Burton en als een man zult gij alles moeten dragen, wat het ook zij.” [23]