De auto stond nog steeds te wachten en Henderson, de reusachtige chauffeur, zat onbewegelijk achter het stuurwiel, zonder zich te storen aan de veertig of vijftig buurkinderen die hem en zijn auto met de grootste verbazing aanstaarden.
Met de hand aan de kruk van het portier vroeg Raffles zijn trouwen chauffeur:
„Weet jij waar de Sloanstreet is, Henderson?”
„Zeker, Mylord.”
„Is het ver hier vandaan?”
„Een kwartier rijden.”
„Breng ons daar dan heen en houd stil voor het huis dat het nummer 107 draagt.”
Zoodra de auto zich in beweging had gesteld, vroeg Charly verwonderd:
„Wat wil je in dat huis uitvoeren, waar de jonge monteur woont?”
„Ik wil eens informeeren, waarom hij gelogen heeft!”
„Gelogen?” herhaalde Charly verwonderd.
„O, onze vriend Burton liegt heel slecht! Maar heb je dan zelf niet opgemerkt, mijn waarde, dat hij zich tweemaal zoogenaamd versproken heeft?”
„Om je de waarheid te zeggen.…” stotterde Charly.
Raffles haalde een weinig ongeduldig de schouders op en hernam toen:
„Dat gebrek aan opmerkingsgave is toch wel wat sterk! De eerste maal dat hij zich op zulk een eigenaardige wijze vergiste, was, toen hij eerst verklaarde, om halftwaalf uit Leeds te zijn teruggekeerd en dit naderhand verbeterde, door te verklaren dat hij alweer om zeven uur in Londen was. De tweede keer was, toen hij eerst beslist verklaarde, niets te hebben geweten van de achtervolgingen, waaraan Dora van den kant van dien Blackpool bloot stond, hetgeen dan ook het waarschijnlijkste is, want een jong meisje als Dora vertelt zulke dingen niet—en dit naderhand weder herriep.”
„Je hebt gelijk, Edward!” riep Charly opgewonden uit. „Ik had daar in het eerst geen acht opgeslagen! Dat is eigenlijk wel vreemd!”
„Dat meen ik ook!” zeide Raffles droogjes. „En wij gaan nu naar de Sloanstreet om eens te hooren, of men ons daar niet kan mededeelen, hoe dat zit met het uur van aankomst; of Burton om half twaalf of reeds om zeven uur terug was. Ik denk dat het half twaalf was.”
„Waarom denk je dat?” vroeg Charly verwonderd.
„Ik kan er geen bepaalde reden voor opnoemen—het is een ingeving.”
„Maar dan zou Harry Burton met opzet gelogen hebben?”
„Dat heeft hij dan ook waarschijnlijk.”
„Met welk doel dan toch?”
„Dat weet ik nu nog niet, maar zeker voor een doel van het grootste gewicht.”
„Maar die jongen heeft toch met de heele zaak volstrekt niets te maken?” riep nu Charly uit.
„Slechts in zooverre, dat hij de verloofde is van de zuster van den gevangene, van den man, die op dit oogenblik van moord beticht wordt. Maar ik geloof, dat Henderson, die natuurlijk weer veel te hard gereden heeft, de plaats van bestemming reeds bereikt heeft.”
Inderdaad, de groote auto verminderde haar vaart en stond nu stil voor een eenvoudig huis, een soort huur-kazerne, waarvan de breede voordeur wagenwijd open stond.
„Blijf maar even op mij wachten, ik zal aanstonds wel terug zijn,” zeide Raffles, terwijl hij het portier opende. [24]
De jonge man zag hoe Raffles een paar woorden wisselde met Henderson en daarop in het huis verdween.
Er waren nog geen drie minuten verloopen of Raffles keerde weder terug.
Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking toen hij het portier weder opende, na Henderson een kort bevel te hebben gegeven.
„Welnu?” vroeg Charly, nadat Raffles weder naast hem had plaats genomen.
„Hij is om half twaalf terug gekeerd. Het was zelfs nog iets later. Hij heeft zijn handvaliesje, dat hij bij zich had, aan den portier afgegeven met verzoek het naar zijn kamer te laten brengen en daarop is hij dadelijk weer in de auto gestapt, die hem waarschijnlijk regelrecht naar het huis van zijn meisje heeft gereden.”
„Dus dan zal hij toch hebben gelogen?” riep Charly verrast uit. „Maar wat kan hij daar toch mee hebben voor gehad?”
„Dat moeten wij nu juist onderzoeken, Charly. Er schuilt achter dat alles iets geheimzinnigs, dat ik zal trachten te doorgronden.”
„Waar gaan we nu heen?”
„Naar Scotland Yard. Ik wil den hoofdinspecteur van politie, mijn besten braven vijand Baxter, verlof vragen om onderzoek te mogen doen in het huis, waar Blackpool den dood had gevonden.”
Er werd slechts weinig meer gesproken gedurende den rit en toen de auto eindelijk weer stil hield voor het sombere gebouw in de Downingstreet, hadden de beide vrienden ternauwernood eenige woorden met elkander gewisseld.
Ook nu bleef Charly weder wachten, terwijl Raffles, die als amateur-detective, natuurlijk onder den naam van Lord Aberdeen, een grooten roep had verworven, aan den hoofdinspecteur van politie Baxter, denzelfden man, die Raffles reeds jaren lang zoo meedoogenloos, maar zonder vrucht achtervolgde, verlof ging vragen op eigen gezag een onderzoek te mogen instellen inzake den moord in het huis in Short Gardens.
Baxter, maar al te verheugd, dat hij den vice-president van de Windsor-club, waartoe hij zelf ook behoorde, een dienst kon doen, vulde aanstonds een formulier in, hetwelk den Lord toegang zou verschaffen tot het huis waar de misdaad was gepleegd.
Voorzien van dit kostbare document, dat alle deuren voor hem moest openen, begaven de beide vrienden zich weer op weg en een half uur later, het was toen juist twaalf uur, hield de auto weder stil voor het tragische huis.
Er stond een agent voor de deur en een paar dozijn leegloopers en nieuwsgierigen gaapten het huis aan.
Raffles en Charly hadden niet de minste moeite, te worden toegelaten, zoodra zij het formulier vertoonden, en een paar oogenblikken later stonden zij tegenover den portier, wiens getuigenis van zoo’n groot belang was geweest bij de arrestatie van Richard Stefenson.
Raffles keek den man een oogenblik onderzoekend aan, haalde toen een goudstuk te voorschijn, hield het even tusschen duim en wijsvinger in de hoogte en zeide toen glimlachend:
„Ik ben wel een detective, mijn vriend, maar niet van de officieele politie en daarom heb ik ook wel eens de gewoonte, deze aardige ronde schijfjes te schenken aan lieden, die zich in een of ander opzicht verdienstelijk hebben gemaakt. Gij lijkt mij een zeer schrander man te zijn. Uw antwoorden kunnen mij van nut zijn. Zoudt gij geen lust hebben, dit goudstuk te verdienen?”
„Dat zal niemand afslaan, mijnheer,” antwoordde de portier met glinsterende oogen. „Wat ik weet zal ik u gaarne zeggen. Ik vrees echter, dat ik niet veel toe te voegen heb aan mijn verklaringen, zooals gij die reeds in de bladen hebt kunnen lezen.”
„Ik kan dus aannemen, dat uw opgaven volkomen juist zijn?”
„Volkomen.”
„Misschien valt mij toch wel iets in, waarvan ik nog niets in de bladen aantrof, bijvoorbeeld, weet gij zeker dat gij uw post in de vestibule niet verlaten hebt, vanaf het oogenblik dat Blackpool van zijn diner terugkeerde?”
„Dat weet ik heel zeker, mijnheer.”
„Gij denkt dus, dat niemand tusschen negen uur en half tien uw loge voorbij kan zijn gegaan, of ge hadt hem moeten zien?”
„Dat denk ik, mijnheer. En ik denk het niet alleen, maar ik ben er ook vast van overtuigd. Ik wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat er ook niemand gepasseerd is, maar dat waren een paar bewoners van het huis, die op de bovenste verdieping wonen.” [25]
„Goed zoo. Waren het er veel?”
„Hoogstens twee of drie. Laat eens zien, toen mijnheer Blackpool terugkeerde, stond ik een oogenblik met hem te spreken, en juist toen ging juffrouw Brown van vijf hoog voorbij. Een kwartier later verscheen die dikke rentenier van twee hoog, die wel een half uur noodig heeft om de trap op te komen en dan heelemaal uitgeput is en om half tien ging de onderwijzeres van het dakkamertje voorbij, die mij nog toeknikte en dat is alles.”
„Zeide ik het niet, dat gij een bijzonder scherp opmerkingsvermogen hebt,” riep Raffles uit, terwijl hij den portier het goudstuk in de hand drukte, „maar gij zijt nog niet van mij af.”
„Vraag maar gerust, mijnheer.”
„Kan men nog op een andere wijze naar boven komen, dan langs dezen weg?”
„Welzeker, langs de achtertrap, die weg is ook korter. Mijnheer Blackpool ging meestal de achtertrap op, want hij was nog al lui uitgevallen. Maar in ieder geval moet men dan toch mijn loge passeeren.”
„Ei, ei, dat kan van belang zijn,” zeide Raffles, half binnensmonds.
Daarop vervolgde hij luid:
„Het is dus volstrekt niet onmogelijk dat men de woning van Blackpool binnen gaat, zonder aan de gangdeur op het groote portaal aan te bellen?”
„Het is niet geheel onmogelijk, maar dan moet men toch een sleutel van de achterdeur hebben, de deur, die op een smalle brandgang uitkomt.”
„Natuurlijk, tenzij men met mijnheer Blackpool tegelijk zou binnengaan,” voegde Raffles er aan toe.
De portier zette groote oogen op en zeide verbaasd:
„Ja, dan zouden noch de huishoudster, noch de oude bediende het behoeven te merken? Maar wie zou die bezoeker dan wel geweest zijn? Ik zeg u immers dat mijnheer Blackpool alleen terug kwam.”
„Zeker, dat heb ik heel goed gehoord. Maar iemand zou hem bijvoorbeeld bij de achtertrap hebben kunnen opwachten.”
De portier krabde zich met een bedenkelijk gezicht achter het oor en antwoordde:
„Hoor eens hier, mijnheer. Aan dergelijke mogelijkheden heb ik natuurlijk niet gedacht. Ik wil er u alleen maar op wijzen, dat dan toch die geheimzinnige persoon had moeten terugkomen, die kan toch niet in de lucht zijn opgelost. Het is waar, een aantal bewoners heeft het huis verlaten tusschen negen uur en half tien en ik moet bekennen, dat ik daar minder op gelet heb.”
„Nu, men kan ook niet van u verlangen, dat gij uw oogen op uw rug hebt,” zeide Raffles vriendelijk. „Hier is nog een goudstuk. Misschien wilt gij ons wel even den weg wijzen naar de woning van den heer Blackpool.”
„Gaarne tot uw dienst, mijnheer.”
„Maar ik zou het liefste eveneens de diensttrap gebruiken.”
„Dat kan gebeuren, mijnheer.”
De drie mannen liepen de koetspoort ten einde, gingen de hoofdtrap voorbij en bereikten zoo den tweeden ingang, die met een smalle deur kon worden afgesloten.
Hier begon de trap, die steeds door de bedienden en door slagersknechts, melkboeren en boodschaploopers gebruikt werd.
En het werd al spoedig duidelijk, waarom mijnheer Blackpool dezen weg bij voorkeur gebruikte, want de trap liep rechtdoor en eindigde in een portaal, dat juist achter zijn woning liep.
„Waartoe behoort die deur?” vroeg Raffles, toen zij op het portaal stonden.
„Tot de werkkamer van mijnheer Blackpool.”
„Dezelfde kamer, waar de misdaad plaats vond?”
„Ja, mijnheer.”
„Is zij geopend?”
„Neen.”
„Maar ge hebt misschien den sleutel bij u?”
„Dien heeft de politie. Wij kunnen echter wel door de keuken de voorgang bereiken en vandaar de kamer.”
„Vooruit dan maar.”
De drie mannen zetten hun weg voort en bereikten nu de keuken, waar zij een oude dame vonden, gekleed met hoed en mantel en met een behuild gezicht, die bezig was in een klein valies eenige voorwerpen te pakken.
Het was Miss Dayton, de oude huishoudster van het slachtoffer.
Raffles zeide eenige woorden van sympathie tot haar en vervolgde toen:
„Zoud ge mij eens willen zeggen, Miss, of ge hier gisteren den geheelen avond geweest zijt?” [26]
„Neen, mijnheer,” antwoordde de huishoudster. „Ik ben zoowat een kwartier weg geweest om een boodschap te doen.”
„Voor uzelf?”
„Neen, mijnheer zond mij uit.”
Raffles wisselde een snellen blik met Charly, die er echter tamelijk onbeholpen bij stond, daar hij er de betekenis volstrekt niet van begreep en vroeg toen verder:
„Hoe laat was dat?”
„Dat weet ik niet precies, maar in ieder geval was mijnheer pas een paar minuten thuis.”
„Wat moest ge doen?”
„O, het was een onbenullige boodschap. Het had niets om het lijf. Ik had het evengoed den volgenden dag kunnen doen, maar mijnheer stond er op, dat ik aanstonds ging.”
„Waar gaf hij u de opdracht voor die boodschap?”
„Hij kwam er voor in mijn kamertje, dat vlak naast de keuken is.”
„Had hij zijn hoed en jas nog aan?”
„Neen, die had hij afgelegd.”
„Vroeg of zeide uw meester nog iets anders?”
„Hij vroeg, waar Blunt was, dat is de bediende.”
„En waar was die?”
„Het was zijn uitgaansdag. Hij was bezig zich op zijn kamer te verkleeden.”
„Waar is dat kamertje?”
„Onder de hanebalken.”
„Zijt gij toen dadelijk de deur uitgegaan?”
„Dadelijk.”
„Hoe lang zijt ge ongeveer weg gebleven?”
„Omstreeks twintig minuten.”
„Zijt ge aan uw meester gaan zeggen, dat de boodschap gedaan was?”
„Neen, het was van volstrekt geen beteekenis.”
„Waar zijt ge toen heen gegaan?”
„Naar mijn kamertje.”
„Kunt gij het daar hooren als er in de werkkamer gesproken wordt?”
„Als men tamelijk luid spreekt wel.”
„Hebt ge iets gehoord?”
„Volstrekt niets.”
„Tien minuten later verscheen een bezoeker, Richard Stefenson, nietwaar?”
„Het kan hoogstens tien minuten geweest zijn.”
„Volgens de bladen moeten er vijf minuten of minder zijn verloopen, van het tijdstip af, dat gij den bezoeker de deur van de werkkamer aanwees en dat, waarop gij den kreet hoorde. Is dat zoo?”
De huishoudster schudde ontkennend het hoofd en antwoordde:
„Ik geloof, dat ik wel wat ruim ben geweest in die opgave, mijnheer, het kan bijna niet langer dan een volle minuut zijn geweest. Misschien nog wel minder.”
„Waarom denkt ge dat?”
„Wel, ik leid het uit den afstand af, dien ik had afgelegd.”
„Zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn, ons het eens voor te doen? Wij zouden dat zeer op prijs stellen.”
„Ja zeker, mijnheer! Wilt gij mij even volgen?”
De huishoudster, gevolgd door de drie mannen, begaf zich naar de deur die op de hoofdgang uitkwam, of liever op het portaal, waarmede de hoofdtrap eindigde.
Hier stond zij stil en zeide:
„Ik was voornemens eens te gaan zien, waar Blunt bleef. Ik liet de deur op een kier staan en ik erken, dat dat wel wat onvoorzichtig was.”
„Weet gij precies, hoever gij gekomen zijt?”
„O ja, Heel precies. Ik had juist mijn voet op de onderste trede van de trap van de vierde verdieping gezet. Gij kunt van hier het portaal van de derde gedeeltelijk zien.”
„Mooi zoo. Gij stond dus bij de deur en wees den bezoeker met een hoofdknik op welke deur hij moest aankloppen. Hebt gij toen nog gewacht om te zien, of hij zich niet zou vergissen?”
„Daarop behoefde ik niet te wachten. Overtuig u maar zelf, dat een vergissing onmogelijk is. Er is aan dien kant van de gang maar een deur.”
„Ge hebt gelijk. Ga dan eens bij die deur staan, zoodra ik zeg „nu” begint ge te loopen en keert dan even snel terug als gij het gisteravond deed.”
Miss Dayton ging voor de deur staan, Raffles haalde zijn horloge te voorschijn en hield den blik op den secondenwijzer gevestigd.
Na eenige oogenblikken hief hij de hand op en zeide op korten toon:
„Nu.”
De huishoudster begon de trap te beklimmen. Het was een trap van achttien breede treden.
Zij bereikte het portaal van de derde verdieping en zette daarop den voet op de onderste trede van de trap die naar de vierde voerde. [27]
Op dat oogenblik gaf Raffles een luiden schreeuw, zonder evenwel van zijn horloge op te zien.
Verschrikt kwam de huishoudster terug loopen.
„Wat is er, mijnheer, Waarom schreeuwt u zoo?” vroeg ze. „Ik krijg er zoowaar een hartklopping van.”
„Neem me niet kwalijk, als ik u aan het schrikken gemaakt heb,” zeide Raffles glimlachend. „Het was maar om uw haast wat natuurlijker te maken. Gij denkt dus, Miss, dat gij een minuut gedaan hebt van hier tot de onderste trede van de trap?”
„Het zal wel korter zijn geweest,” hernam de huishoudster aarzelend.
„Het was juist een en twintig seconden, Miss,” antwoordde Raffles bedaard. „Over het terug loopen hebt gij maar twaalf gedaan.”
Hij wendde zich tot Charly, die vol belangstelling het kleine tooneeltje had gade geslagen en vroeg:
„Wat dunkt u, mijnheer Brand. Zou de moordenaar werkelijk den tijd hebben gevonden in die een en twintig seconden eerst van de woningdeur naar de deur van de werkkamer te loopen, daar naar een wapen te zoeken en vervolgens zijn slachtoffer neer te stooten?”
Charly twijfelde even voor hij antwoordde:
„De tijd lijkt wel wat heel kort, vooral wanneer men nagaat dat het vertrek in duisternis gedompeld was.”
„Dat meende ik ook,” hernam Raffles droogjes. „Over die duisternis gesproken, Miss Dayton, was het de gewoonte van uw meester, in donker in zijn werkkamer te zitten?”
„Dat deed hij nooit, mijnheer.”
„Nu, misschien vinden wij er later de oplossing wel van. Ik wil u niet langer ophouden, Miss. Ik begrijp dat gij zoo vlug mogelijk het huis wilt verlaten.”
„Dat moogt ge wel zeggen, mijnheer. Ik tel de minuten. Het is verschrikkelijk om hier te zijn. Het lichaam van mijnheer.… ligt nog altijd daar binnen. De politie laat het pas vanmiddag weg halen. Er zijn al een paar detectives geweest.”
„Dan is de deur misschien gesloten?” vroeg Raffles en zijn voorhoofd fronste zich.
„Ja, mijnheer, de politie heeft de deur afgesloten en den sleutel meegenomen.”
„Nu, dan moeten wij maar eens zien of een van mijn sleutels past,” zeide Raffles luchtig.
Hij haalde zijn sleutelbos te voorschijn en trad snel de gang in.
En de anderen hadden zich nauwelijks bij hem gevoegd, of hij had de deur geopend.… al was het dan niet met een van zijn sleutels, dan toch met een looper.
Zoodra hij binnentrad viel zijn oog op het lichaam van den verslagene.
De politie had het zeker juist zoo laten liggen als zij het gevonden had.
De spitse Japansche dolk was uit de wonde getrokken en lag op de schrijftafel. Klaarblijkelijk wachtte men op het bezoek van een beroemd detective.
Raffles was binnen getreden en onderzocht allereerst het wapen.
De kling was ongeveer twee decimeter lang en zeer scherp.
Over een lengte van hoogstens een paar duim was het lemmet met bloed bespat.
Raffles balanceerde het wapen een oogenblik op zijn vinger en zeide toen half tot Charly gewend:
„Ik zou eigenlijk gedacht hebben, dat Richard Stefenson over meer spierkracht beschikte.”
„Hoe zoo?”
„Wel, een sterk man in dolle drift zou dit wapen zeker tot aan de stootplaat in de borst van zijn vijand kunnen steken.”
Hij wendde zich tot den portier die mede naar binnen was getreden, ofschoon wel wat bleek om den neus en vroeg hem:
„De politie heeft dit vertrek natuurlijk reeds onderzocht?”
„Van doorzocht kan men eigenlijk niet spreken, mijnheer. Ze hebben even rond gekeken. Ze waren van oordeel dat hier niets te zoeken viel.”
„Wel, het is een standpunt als ieder ander,” hernam Raffles droogjes. „Maar wij zullen een weinig grondiger te werk gaan en de kamer duchtig onderzoeken. Mijnheer Brand, wees gij zoo goed en begin aan gindschen hoek en sla niets over wat ik u verzoeken mag. Ik zal de schrijftafel, deze sofa en het vloerkleed wel voor mijn rekening nemen.”
En zonder zich aan de anderen te storen begon Raffles aanstonds met zijn onderzoek.
Er was nog geen minuut verhopen of Charly hoorde hem een gedempten kreet slaken.
Raffles stond op dat oogenblik gebukt over een [28]kleine tafel, waarover een zwart loopertje was gespreid van zwarte imitatie kant.
„Wat is er?” vroeg de jonge man nieuwsgierig.
„Hebt gij iets gevonden?”
„Neen—ik dacht.… ik meende … ik heb mij vergist! Hoe staat het daar ginds?”
„Ik heb volstrekt niets ontdekt.”
„Nu, dan zullen wij het voorloopig maar opgeven, mijnheer Brand,” hernam Raffles, terwijl hij zich oprichtte, en het vergrootglas weder in zijn zak stak, dat hij dien morgen als wijze voorzorgsmaatregel had meegenomen.
Charly keek hem even vragend aan, en zag op zijn gelaat iets, hetwelk hem duidelijker dan woorden zeide, dat Raffles reeds op een spoor was—ja, dat hij de waarheid waarschijnlijk reeds had ontdekt.
Raffles wendde zich weder naar de deur om heen te gaan, maar op den drempel keerde hij zich nog eens om en vroeg, zich tot de huishoudster wendende:
„Hoe vaak werd de werkkamer van mijnheer Blackpool schoongemaakt.”
„Iederen dag werd er stof af genomen, en tweemaal in de week kwam de schoonmaakster.”
„Werd bij het stof afnemen ook dat zwarte loopertje op de tafel uitgeklopt.”
„Zonder mankeeren, mijnheer,” hernam de huishoudster verwonderd.
„Dat was gisteren natuurlijk reeds gebeurd voor mijnheer Blackpool van het diner terugkeerde?”
„Dat spreekt vanzelf.”
„Natuurlijk. Het was een domme vraag van mij. Nu Miss, dan kunnen wij niets anders doen dan u dank zeggen voor de ons verschafte inlichtingen—en als contrabeleefdheid wil ik u wel zeggen, dat Richard Stefenson heel stellig uw meester niet heeft vermoord.” [29]