Er waren drie dagen verloopen sedert Raffles onderzoek had gedaan in de woning van Bernard Blackpool.
Het was elf uur in den morgen.
Raffles was juist teruggekeerd van een morgenrit op zijn pas gekochte schimmel en zat nu in de werkkamer, na zich te hebben verfrischt, toen zijn oude, grijze kamerbediende, Gaston, het bezoek aankondigde van Harry Burton.
Raffles legde langzaam de „Times” weg die hij juist had ingezien en bromde zachtjes voor zich heen:
„Eindelijk. Ik had hem reeds eerder verwacht.”
En luid vervolgde hij tot den bediende:
„Verzoek mijnheer Burton hier te komen.”
Gaston verwijderde zich en een oogenblik later liet hij den jongen monteur binnen treden.
Burton was zoo mogelijk nog bleeker dan de laatste maal, dat Raffles hem gezien had, en er lag een uitdrukking als van een opgejaagd dier in zijn oogen, toen hij binnentrad en schuw omkeek, totdat Gaston zachtjes de deur achter hem gesloten had en zijn schreden waren weg gestorven.
Raffles was opgestaan en trad zijn bezoeker een paar passen tegemoet.
Hij wees hem met een uitnoodigend gebaar een stoel aan, maar Burton schudde het hoofd en zeide op schorren toon:
„Ik zal niet gaan zitten, Mylord. Wat ik u te zeggen heb, kan ik staande doen—ik zal weinig van uw kostbaren tijd in beslag nemen.”
„Zooals gij wilt, mijnheer Burton,” zeide Raffles op zachten toon, en hij wierp den jongen man tersluiks een blik van warme sympathie toe. „Zeg mij nu, wat u tot mij voert.”
Burton slikte een paar malen, alsof hij een brok in de keel had en begon toen:
„Ik weet Mylord, dat gij groot belang stelt in.… de familie van mijn meisje! Ik weet ook, dat gij een onderzoek hebt ingesteld in zake.… den moord op Blackpool. Ik kom u nu verzoeken, geen verdere moeite te doen.… ik ben de dader.”
Raffles, die weer had plaats genomen en geen oog van den bezoeker had afgewend, verroerde zich niet, en bleef Burton onbewegelijk aanstaren.
Toen klonk zijn warme diepe stem:
„Miss Dora is dus buiten gevaar?”
Burton hief met een ruk het hoofd op en vroeg, terwijl hij wit werd tot in de lippen:
„Wat bedoelt gij daarmede, Mylord. Wat wilt gij zeggen?”
„Antwoord mij eerst op de vraag die ik u stelde. Is uw verloofde buiten gevaar? Heeft dokter Dunlop den waarborg gegeven, dat zij er het leven zal afbrengen.”
„Ja, Goddank, Mylord. Zij zal niet sterven,” riep Burton hartstochtelijk uit en nu klonk er jubelende blijdschap in zijn stem. „Het zou ook te vreeselijk geweest zijn! Maar ik smeek u—zeg mij waarom u dat vraagt.”
„Omdat gij u wilt voordoen als de moordenaar, Harry Burton,” zeide Raffles rustig.
„Mij wil voordoen, Mylord?” herhaalde Burton stamelend, terwijl hij een paar schreden achteruit deed. „Maar ik verzeker u, dat ik de moordenaar ben, dat ik Blackpool gedood heb.”
„Gij liegt, Burton,” hernam Raffles steeds op denzelfden toon. „Gij doet het om bestwil—ik meen te weten, waarom gij het doet, maar gij liegt. Gij zijt de moordenaar van Blackpool niet.” [30]
„Hoe kunt gij dat weten, Mylord?” vroeg Burton heesch.
„O, dat is al heel eenvoudig. Wanneer men om half tien in den avond een man wil vermoorden, dan moet men, wanneer die man te Londen woont, niet op datzelfde uur Leeds verlaten.”
„Wat.… wat bedoelt gij?” stamelde Burton en hij was nu werkelijk jammerlijk om aan te zien, met zijn trillende lippen, zijn flakkerenden blik, en zijn vaalbleek gelaat.
Raffles was opgestaan en op Burton toegetreden. Hij legde hem de hand op den schouder, keek hem diep in de oogen en zeide:
„Gij kunt het immers niet ontkennen! Ik heb de zaak onderzocht. De trein uit Leeds vertrok om vijf minuten over half tien—en met dien trein hebt gij gereisd. Gij hebt bij Charing Cross station dadelijk een huurauto genomen en uw valies afgegeven aan den portier van uw huis. Daarop zijt gij aanstonds doorgereden naar het huis van uw meisje, en daar hebt gij de vreeselijke tijding vernomen, dat haar broeder zooeven gearresteerd was.
Een oogenblik bleef het doodstil in het vertrek.
Men hoorde er niets anders dan de gejaagde ademhaling van Harry Burton.
Hij keek met een verwilderden blik om zich heen en vestigde toen zijn donkere oogen met een smeekende uitdrukking op het gelaat van Raffles.
En alsof die aanblik hem de kracht geheel ontroofde, wankelde hij naar een stoel en barstte in een hartverscheurend snikken uit, dat zijn geheele krachtige lichaam deed trillen.
Raffles liet hem rustig uithuilen en had weder achter zijn schrijftafel plaats genomen. Maar eensklaps met een woeste beweging hief Burton het hoofd op en staarde Raffles aan.
„Gij zegt, dat ik den moord onmogelijk kan hebben begaan. Gij hebt de zaak onderzocht! Hebt gij.… vermoedens, wie de dader kan zijn?”
„Ik heb geen vermoedens, ik heb zekerheid, Harry Burton!” antwoordde Raffles op zachten toon.
Burton verhief zich langzaam van zijn stoel en keek Raffles aan als zag hij een spookverschijning.
En toen vielen, als steenen in een vijver, in de stilte der kamer de weinige woorden:
„Dora deed het.”
Geruimen tijd was alleen het tikken van de pendule hoorbaar.
Burton was onbewegelijk blijven staan.
Het scheen of hij volstrekt niet verstaan had, wat Raffles zeide.
Maar eensklaps begon hij te wankelen en tastte met gesloten oogen naar een steun.
In een oogwenk was Raffles overeind en op hem toegeijld. Hij vatte hem met zijn krachtige armen om het lichaam en droeg hem naar een gemakkelijken leunstoel, waarin hij hem liet zinken.
Hij schonk haastig een glas water in, voegde er een paar druppels bij uit een klein flaconnetje van groen bergkristal, dat hij uit zijn vestzakje haalde en liet het den jongen man drinken, wiens tanden tegen het glas klapperden.
Toen leunde Burton zwijgend achterover, den nek op den rand van den stoel, met gesloten oogen, bleeker dan de dood.
Na geruimen tijd kwam het fluisterend over zijn lippen:
„Dus alles vruchteloos. Alles om niets. Zij zal gevonnist.. zij zal misschien ter dood gebracht worden.”
„Neen, Burton, neen. Daar is in ieder geval geen sprake van,” riep Raffles uit, terwijl hij de hand van Burton greep. „De eerste de beste advocaat, een beginneling zelfs, zal tal van verzachtende omstandigheden weten te pleiten. Er is geen sprake van of Dora heeft gehandeld in staat van wettige zelfverdediging. Van voorbedachte rade is geen sprake. Ik weet zeker—ik zou het u wel bijna durven toezeggen, dat men haar ten hoogste tot een jaar of een paar jaar zal kunnen veroordeelen.”
„Denkt gij dat werkelijk, Mylord?” riep Burton met trillende lippen. „Mijn God, ik vreesde.… dat misschien.… de galg.”
Hij voleindigde den zin niet, maar bedekte huiverend het gelaat met de beide handen.
Toen liet hij ze weer zakken en vroeg met toonlooze stem:
„Het is alles zoo onbelangrijk, Mylord, nu gij toch alles weet—maar hoe hebt gij dit vreeselijke toch kunnen ontdekken?”
In plaats van aanstonds te antwoorden trad Raffles op zijn schrijfbureau toe, trok een lade open, nam er een klein voorwerp uit, en hield het in de hoogte.
Het was een haarspeld.
„Dit kleine voorwerp,” begon Raffles, „was de voornaamste aanklager. Ik vond deze haarspeld in [31]een zwarten tafellooper in de werkkamer van Blackpool. Toen ik die vond, wist ik echter reeds heel wat meer. Ik wist dat de doodelijke stoot moest zijn toegebracht door iemand, die over zeer weinig lichaamskracht beschikte of anders door een tengere vrouw. Ik wist dat Dora reeds den eersten nacht, terwijl haar arme moeder den dokter haalde, zwaar geijld had en dat gij de eenige waart, die had gehoord wat zij toen in haar ijlkoorts riep. Ik had de opmerking gemaakt, dat gij tot tweemaal toe een zonderlinge vergissing hadt begaan en dat beide keeren die vergissing in verband stond met de misdaad. Gij zaagt wel in, dat gij het uur van uw aankomst, wildet gij naderhand de schuld van uw verloofde op u nemen, een paar uren zou moeten vervroegen, en dat gij het ook moest doen voorkomen, alsof gij zeer goed wist dat Blackpool uw aanstaande met eerlooze voorstellen achtervolgde—want er moest immers een motief zijn voor de daad! Verder wist ik, dat het werkvertrek van Blackpool in duisternis was gehuld, de ellendeling had waarschijnlijk zelf het licht uitgedraaid, toen hij tezamen met Dora zijn woning aan de achterzijde betrad, en tenslotte wist ik, dat hij zijn huishoudster met een onbenullige boodschap de straat had opgezonden en zich had overtuigd, dat zijn bediende hem het eerste kwartier niet zou kunnen storen.”
Raffles wachtte even en keek neer op het gebogen hoofd met het glanzende zwarte haar, om daarop te vervolgen.
„De rest heb ik pas later ontdekt. Onder andere vond ik uit, dat juffrouw Brown op den avond van de misdaad haar woning in het geheel niet verlaten had en dat dus de portier van het huis in Short Gardens, die haar slechts op den rug had gezien, Dora Stefenson voor haar had gehouden. De rest was natuurlijk slechts kinderspel. Dora kwam natuurlijk bij dien ellendeling om hem te smeeken, medelijden met haar arme moeder te hebben en het toeval wilde, dat zij hem juist aantrof onder aan de diensttrap. Zij zijn toen tezamen naar boven gegaan, Blackpool heeft den weg vrij gemaakt—en toen is het onvermijdelijke gevolgd. De ellendeling heeft met geweld willen verkrijgen wat hem door bedreigingen en vleierijen niet gelukt was, het doodelijk verschrikte meisje heeft zich willen verdedigen.… haar wild rondtastende hand heeft in de duisternis den Japanschen dolk ontmoet en zij heeft hem het wapen in de borst gestooten, zeker niet beseffend, dat zij het hart zou treffen.”
Bijna onhoorbaar kwam het over de lippen van den jongen man:
„Zoo is het alles inderdaad in zijn werk gegaan, Mylord! En—wat zult gij nu doen?”
„Gij moet dat mij niet vragen, Burton—vraag uzelf af wat uw plicht is. Moogt gij den broeder van Dora onschuldig in de gevangenis laten zuchten?”
„Maar Dora is nog zoo ziek, Mylord,” riep Burton wanhopig.
„Wacht dan tot zij volkomen hersteld is. En wees er dan van overtuigd, dat zij de eerste zal zijn, om zich bij de politie aan te geven! Ik herhaal u nogmaals—wanneer zij al gestraft wordt, zal zij er met een betrekkelijk korte gevangenisstraf afkomen. Uw liefde is toch zeker wel sterk genoeg om dat te kunnen doorstaan?”
„Al zou men haar veroordeelen tot tien jaar dwangarbeid, Mylord, ik zou op haar wachten,” barstte Burton uit, „Zij is alles voor mij op deze wereld.—Ik kan mij het bestaan zonder haar niet indenken.”
„Nu, laat dan het recht zijn loop hebben,” zeide Raffles op zachten toon. „Ik verzeker u, dat is voor alles het beste. En laat mij u mogen zeggen, welk een diepe bewondering ik koester voor uw edele inborst, die u dit krankzinnige plan ingaf, om u tegen alle waarschijnlijkheid in voor den moordenaar van Blackpool uit te geven.”
„O, zeg dat niet, Mylord,” riep Burton uit. „Ik wilde, dat gij niets ontdekt had, dat ook de politie niets had uitgevonden.”
Maar Raffles schudde het hoofd en zeide op zachten toon:
„Dat alles zou u niets gebaat hebben. Gij vergeet Dora! Denkt gij soms, dat zij zou hebben toegelaten, dat gij voor haar gevangenisstraf zou ondergaan.”
„Misschien niet, Mylord,” hernam Burton, en zijn oogen schitterden.
„Welnu dan, wacht nog een maand—wacht twee weken, tot zij geheel hersteld is! Ik zal zorgen voor den besten advocaat die er voor geld te krijgen is. Ik zal haar arme moeder en Richard ver van hier brengen, waar zij vergetelheid kunnen zoeken, en waar ik den knaap, die het zeker verdient, werk zal verschaffen, dat hem aanstaat. Ik zal alle getuigen [32]a décharge oproepen, die er maar te krijgen zijn, en ik zelf zal een van de eersten zijn.”
Burton was opgesprongen en drukte de hand van Raffles, alsof hij ze wilde verbrijzelen. Met een stem, die beefde van ontroering zeide hij:
„God moge u loonen, Mylord, wat gij daar voor ons allen doet. Ik weet nu den weg dien ik gaan moet.”
„Volg dien dan, Burton. Wat Dora aangaat—ik weet heel zeker, dat ook zij haar weg kent! Aan dezen donkeren tijd zal eenmaal, spoediger dan je denkt, een einde komen. En dan zult gij beiden vereenigd worden door een liefde, die in het heiligste vuur gelouterd is—het vuur van de zelfopoffering, die voor niets terugdeinst, en het eigen ik achter stelt bij het welzijn van den geliefde—”