We hebben nu een stuk wortelstok. De beide uiteinden zien er wat gescheurd en gehavend uit; snij die met een [177]scherp mes glad af—natuurlijk zoo zuinig mogelijk, opdat wij een groot brok overhouden. Ook bevinden zich aan onzen wortelstok al worteltjes; merkt ge er daar een bij, die gescheurd is, dan moet hij netjes afgesneden worden, ook weer zoo dicht mogelijk bij de verminkte plek. Dit glad afsnijden doen we, om de wonden gemakkelijker te doen helen; gij weet bij ondervinding dat een wond, met een scherp mes toegebracht, betrekkelijk vlug geneest.

Nu onze buit ingepakt in vochtig mos en dan naar huis! Het planten is heel eenvoudig. We vullen een gewone bloempot met klei, niet met bloemaarde of tuinaarde, maar met klei tot een paar cM. beneden den rand. Daarin planten we den wortelstok op een diepte van 5 cM. en zetten dan het heele boeltje vierentwintig uren in een emmer vol water. Dan heeft de klei zooveel water opgenomen, als zij maar kan—en klei kàn veel water opnemen.

Nu zetten we de pot in een schoteltje voor ’t raam—liefst buiten: en als we nu alleen maar zorgen, dat we voortdurend een halve cM. water boven de klei houden—iets, waarvoor gemakkelijk te zorgen valt, vooral als de klei wat ineengestampt is—dan hebben we binnen een week of vijf een prachtige sierplant, en een overblijver op den koop toe. Want iederen zomer komt de plant weer rijkelijker op, totdat uw pot bedekt is met de ronde rijksdaalder-bladen, die elkander omhoog dringen en waaruit tien, twintig prachtige gele sterrebloemen zich verheffen.

De menschen, die je bezoeken, hebben natuurlijk nooit zoo iets gezien en als het ergens goed voor was, zou je ze kunnen wijsmaken, dat je daar Oost Indische kers van de Sierra Leona hadt, of iets dergelijks.

In een gewoon aquarium wil de Watergentiaan ook wel bloeien, als hij goed licht krijgt en niet alleen maar in zuiver zand wortelt. [178]

Nu zijn er honderd redenen, om den bodem van ’t aquarium met zuiver zand bedekt te hebben—liefst zelfs gezuiverd zand—gewasschen in helder water, tot het geen troebeling meer opleverde en nagespoeld met kokend water. Ook de kiezelsteenen en schelpen, die tot opvroolijking van den bodem en tot schuilplaats voor de dieren dienen, moeten eerst behoorlijk gewasschen en gereinigd worden.

Willen we nu toch planten in ons aquarium kweeken, die kleigrond of veengrond noodig hebben, dan moeten we die in afzonderlijke potjes planten, welke in den zandbodem worden vastgezet. Leege vleeschextract potjes zijn hiervoor uitstekend geschikt. Om nu te voorkomen, dat de aarde uit deze potjes het water van het aquarium verontreinigt, is het wenschelijk, ze niet geheel met klei of veen te vullen, maar er een bovenste laag van 1 cM. dik, bestaande uit gewasschen grof zand of fijne kiezel in aan te brengen.

De zandbodem in het aquarium zelve behoeft niet dikker te zijn dan 3 cM.; de potjes, waarin we onze bloeiers telen zijn al gauw 6 cM. hoog of hooger. Ze moeten daarom liefst in de hoeken geplaatst worden en omgeven met stukken kiezel of schelpen; dat staat keurig.

Witte en gele plompen kunnen op dezelfde wijze gekweekt worden, maar hebben veel meer ruimte noodig.

Probeer het maar eens—een vensterbank met zes potten vol rijkbloeiende witte waterrozen is de moeite en inspanning, die er voor vereischt worden, wel waard. Het spreekt van zelf, dat Waterpest en de andere waterplanten, die gewoonlijk in den slijkbodem wortelen, maar welke gij gerust in het zuiver zand van uw aquariumbodem kunt plaatsen, ook wel een hapje klei willen. Onthaal de waterpest er eens op in goed licht, dan blijft er in uw heele aquarium geen plaatsje voor een andere plant over! [179]

Naast en tusschen de plompen, maar ook in smalle slootjes, waar de groote planten geen ruimte genoeg vinden, drijft en groeit het kikkerbeet.—Dat is weer een mooi plantje voor het aquarium—want het drijft vrij in het water, 2, 3, 4 rozetten van verkleinde plompblaadjes aan een langen dunnen liggenden stengel. Uit ’t midden der rozetten verheffen zich de witte bloemen, bestaande uit 3 groote, witte blaadjes met drie kleine groene er buiten. Ze staan op stengeltjes, die ongeveer 1 cM. boven het water uitsteken. In sommige rozetten hebben de bloemen alleen meeldraden met gele helmknoppen, in andere alleen 6 stijlen met gele stempels. Vliegen zorgen voor de overbrenging van het stuifmeel. De bloemen staan in groepjes van drie of meer bij elkander en zijn vóór hun ontluiken geborgen tusschen twee holgebogen blaadjes.

De wetenschappelijke naam van kikkerbeet is Hydrocharis morsus ranae, hetgeen overgezet zijnde luidt: iemand, wien het water dierbaar is en die tegelijk een lekker hapje oplevert voor de kikkers.

De vleeschetende kikkers worden er wel meer en ten onrechte op aangezien, dat ze nog in meer planten of bloemen happen; aan die omstandigheid heeft de geheele familie der Ranonkels haar naam te danken, want Ranunculus beteekent alweer kikkertje, en Batrachium, de Grieksche wetenschappelijke naam der waterranonkels, beteekent hetzelfde.

Tegen de Batrachiums heb ik verschillende grieven, gelukkig niet van zoo ernstigen aard, of ik kan nog met genoegen denken aan de witte bloemen-kussen, waarmede ze in Mei en Juni en Juli onze slooten bedekken. Maar vooreerst weten ze nog maar weinig van kruis-bestuiving; bijna altijd komt stuifmeel van dezelfde bloem op de stempels, ja, bij hoogen waterstand getroosten vele Batrachiums zich niet eens de moeite, hun bloemen boven water te verheffen [180]om ze daar te ontplooien. Ze houden de koppen stilletjes onder water, daar gaan dan de helmknoppen open en het stuifmeel valt zoo maar op de stempels. Dat getuigt van weinig liefhebberij.

Dan nog hebben de geleerden verscheidene soorten van Batrachium onderscheiden, die op papier ook nog al tamelijk uit elkander te houden zijn, maar er zijn in de natuur zooveel tusschenvormen, die met twee of drie beschrijvingen tegelijk overeenkomen, dat ge met uw „Flora’s” er bij, hoe langer hoe meer in onzekerheid en twijfel verzinkt. Eindelijk besluit ge er toe, uw exemplaar dan toch maar voor uw herbarium te drogen en er Batr. Peteveri met een vraagteeken of een dergelijke wanhoopskreet op te plakken, maar als ge na eenige dagen uw pers opent, is de geheele kwelgeest een zwart monster geworden.

Eigenlijk ligt dat alles aan de inrichting der bladeren. De Batrachiums toch, hebben vaak drijvende en tevens ondergedoken bladeren, de drijvende vertoonen vormen, wisselend van den klimopvorm tot die van de bladeren van de gewone boterbloem; de ondergedoken zijn à la Hoornblad of à la Blaasjeskruid fijn haarachtig verdeeld. Maar de bloempjes zijn mooi wit en ze hebben gele hartjes en—zooals ik reeds gezegd heb—ze vormen in de zomermaanden op slooten en plassen een dicht, schitterend wit, sneeuwen dekkleed.

Ook willen ze in het aquarium altijd heel goed voort; ’t zijn eigenlijk de eenige waterplanten, die in een gewoon aquarium echt welig willen bloeien, die ik ken. Vooral de soort met fijnverdeelde, stijve blaadjes (B. divaricatum) kan ik aanbevelen, die is in alle veenslooten te vinden, maar neem de voorzorg, uw planten terdege af te wasschen in schoon water, voor gij ze in uw aquarium introduceert, want zoo’n veensloot zit vol ongerechtigheid!

Scheeren- of Krabbeschaar. Stratiotes aloïdes.

Scheeren- of Krabbeschaar. Stratiotes aloïdes.

Nu hebben we nog een waterplant, ook met witte bloemen; [183]daar zullen we nog even naar omzien, dan hebben we voor dezen zomer genoeg gedaan. Kroosbloempjes schijnen we maar niet te kunnen vinden, daar zullen we het volgend jaar nog eens naar uitzien, als we de bloemen van den waterkant onderhanden zullen nemen. Gij kunt ook niet alles ineens vinden. Doch ter zake.

Die plant dan, welke ons nog rest, is alweer geen zeldzaamheid, maar toch een allermerkwaardigst gewas. Millioenen en millioenen groeien er in ons veenachtig vaderland en ze hebben niet weinig tot de vorming ervan bijgedragen. Van verscheidene onzer vaarten bedekken ze den bodem geheel—neen, niet de afgestorvene, maar de levende planten—want ze leven bijna altijd geheel onder water. Bijna altijd—slechts tweemaal in het jaar komen ze boven, ééns, om te bloeien en eenmaal om hun zaden uit te strooien. Het overige van hun leven brengen ze op den bodem door, wortelend in den slijkbodem en zich vertakkend naar alle kanten. Gij hebt ze dikwijls genoeg gezien, dichte rosetten van lange, spitse bladeren, die aan hun randen voorzien zijn van stekelige punten, daarnaar heeten ze water-aloë. (Stratiotes aloïdes: de weerbare krijgsman, die wel wat heeft van een aloë).

Het volk noemt ze scheeren- of krabbeschaar. En dat bewijst weer, dat „het volk”, als het er maar eenmaal aardigheid aan heeft, danig goed weet op te merken, en voor een treffende waarneming altijd direct een passenden naam bij de hand heeft. Een goede volksnaam is een schat voor de wetenschap. De krabbeschaar in kwestie, waar onze plant zijn naam aan ontleent, is te vinden aan den bloemsteel een paar cM. onder de bloem zelf. Daar zitten een paar blaadjes, die zoo gevormd en vergroeid zijn, dat ze zeer veel gelijken op de scharen van een krab of kreeft.

Van Mei tot Augustus vindt ge de bloemen. Die hebben het [184]voor bloemen nog niet heel erg ver gebracht; ze mochten wel wat meer moeite doen, om tusschen de bladeren te voorschijn te komen, want dat hebben ze hard noodig. Ze lijken veel op die van kikkerbeet (Hydrocharis morsus ranae—dit latijn zet ik erbij om verwarring met Batrachium te voorkomen). Maar ze zijn grooter en voller. Vielen ze maar wat meer in ’t oog, want zonder de hulp van insecten kunnen ze ook weer onmogelijk zaden voortbrengen. Dat komt, doordat—evenals bij hydrocharis—op de eene plant weer niet anders dan bloemen met meeldraden voorkomen, terwijl die op een andere plant niet anders bevatten dan stampers.

Het stuifmeel is kleverig en niet overvloedig, de stempels zijn klein, de bloemen steken in ’t geheel niet in de hoogte, zoodat de wind niet voor de overbrenging van het stuifmeel kan zorgen, insecten moeten dat doen. Nu doet de bloem wel eenige moeite, om insecten te lokken—ze biedt ze honing aan—en nog al veel ook, want in iedere bloem zitten 24 honingmachines.

Gij kunt ze gemakkelijk vinden: gij hebt ze misschien al voor meeldraden aangezien, een verklaarbare vergissing, waarvoor ge u niet behoeft te schamen: de groote Linnaeus heeft ze ook begaan. Als gij de 3 groene kelkblaadjes en de 3 witte kroonblaadjes wegsnijdt, dan vindt ge in een kring rondom de meeldraden of de stampers 24 gele tongetjes 2 cM. lang en 3 mM. breed. Ieder tongetje heeft aan zijn voet een wit rond plekje en daar glinstert een droppel honing. Of zijn we aan den avond van een heeten zomerdag en ziet ge de droppeltjes niet, zet dan een paar van die ontbladerde bloemen in een glas water en de volgende morgen vindt ge uw gouden kroontje voorzien van een kring van diamantjes!

Scheeren- of Krabbenschaar.

Scheeren- of Krabbenschaar.

Jammer maar, dat de insecten de bloem toch in den steek [187]laten, zoodat ze bijna nooit rijpe zaden oplevert. Over het algemeen brengen de waterplanten het maar zelden zoover. Elodea kan geen zaden vormen, doordat er in ons werelddeel geen stuifmeelbloemen van voorkomen; de zaden van Hoornblad en Duizendblad van Kikkerbeet en Scheeren worden maar zelden rijp, van het kroos hebben wij nog altijd geen bloempjes gevonden, zaden nog minder, met de Fonteinkruiden is het ook al zoo schitterend niet gesteld. De plompen evenwel brengen flinke zaden voort en de watergentiaan en waterboterbloem ook wel.

Het heeft er anders niet veel van, dat die planten, welke geen of maar weinig zaad voortbrengen, zouden uitsterven—integendeel. Ze vermenigvuldigen zich zoodanig, dat ze geheele watervlakten bedekken. Sloten groeien dicht, de vaart in sommige binnenwateren wordt bemoeilijkt en soms ernstig belemmerd, alles door de wonderlijke groeikracht dezer waterbewoners. Heeft een verlept stukje stengel waterpest in een kleine dertig jaar ons heele land en een goed stuk van Duitschland veroverd, een enkele plant van Kikkerbeet of wateraloë is voldoende, om in een jaar een vijver van 100 M2. oppervlakte te bedekken.

Als ge een enkel plantje Kikkerbeet goed beziet, dan bemerkt ge, dat de 5 of 6 drijvende stelen der blaadjes niet op eenzelfde punt bij elkander komen, maar dat ze op verschillende hoogte uit een zeer kort stammetje ontspringen—ieder blad afzonderlijk. Nu—waar zulk een blad uit het stammetje ontspringt, juist in den scherpen hoek tusschen de opstijgende bladsteel en het stammetje zelf, is een veilig plekje, waar de planten op hun gemak allerlei plannetjes ten uitvoer kunnen brengen. Zie maar eens in den zomer naar de boomen; in ’t hoekje van elken bladsteel vindt ge daar een klein groen puntje; in dat kleine groene puntje wordt de groei voor den volgenden zomer voorbereid. Wanneer in den [188]herfst de bladeren afvallen, dan zijn op dat plekje, al geheel gereed, takken, bladeren en bloemen voor het volgende jaar.

Maar om op onze Kikkerbeet terug te komen, „Kikkergeld” zeggen ze in Harlingen. In het voorjaar vormt dat reeds knoppen in de bladoksels (zoo heeten de veilige plekjes tusschen de bladstelen en de stengel). Die knoppen groeien op lange stelen uit, doch deze stelen groeien niet opwaarts, zooals die der bladeren, maar evenwijdig aan de oppervlakte van ’t water—horizontaal dus. Ze groeien vrij snel (soms wel 1 cM. per dag) totdat ze ongeveer 1 dM. lang zijn, wanneer de knop zich niet meer in de schaduw der bovendrijvende bladeren bevindt. Dan houdt de groei van de steel op, maar de knop, die aan het einde er van zit, begint zich nu te ontwikkelen en zendt twee, drie, vier, vijf blaadjes omhoog, die, aan de oppervlakte drijvende, een nieuw kikkerbeetplantje lijken. Dat is het dan ook inderdaad, het krijgt worteltjes en brengt zelfs binnen korten tijd behalve bloemen—die ook al uit de bladoksels te voorschijn komen—op zijn beurt weer van die „uitloopers” voort.

Ieder plantje kan verscheidene uitloopers uitzenden, zoodat het u wel gebeuren kan, dat als ge een bloempje uit het water wilt trekken—een netwerk van twintig, dertig plantjes, door draadvormige strengels saamverbonden, er uit haalt.

Scheeren (Stratiotes) groeien precies op dezelfde manier—zij kunnen dus evengoed als kikkerbeet—zonder zaadvorming blijven voortbestaan. Dat kroos, op dergelijke wijze bijna, door uitbotting zich vermenigvuldigt, hebben we reeds gezien—gij begrijpt nu ook, dat onze kans op kroosbloempjes bedroefd klein is—de kroosplantjes kunnen ze missen.


Maar ’s winters? Hoe komen al die losdrijvende planten, kroos, blaasjeskruid, waterviolier, kikkerbeet, scheeren—den winter door? [189]

Dat plompen- en fonteinkruid en waterranonkel en watergentiaan het ’s winters wel kunnen uithouden, is licht te begrijpen. We zeiden het vroeger reeds—hun eigenlijk lichaam zit beneden, onder den bodem in de modder, waar het bijna nooit vriest! Voordat de modder bevriest, zou eerst de geheele sloot in een ijsklomp moeten veranderen en anderhalven Meter diep vriest het niet licht—’s winters zijn door hoogen waterstand de slooten meestal nog dieper. De winterkwartieren van kikvorsch en salamander, van de larven van Hydrophilus en Dytiscus en van nog zoo vele andere waterbewoners, zijn dus ook een veilig verblijf voor de laatstgenoemde planten. Maar de eersten—die losdrijvers? Hadden ze nu maar zaden? Zaden kunnen wel tegen de koude, of zijn ze niet gehard, dan worden ze wel tegen de vorst beschermd. Hottonia en Utricularia—die de mooiste bloemen hebben en het hoogst boven water uitsteken, brengen het nog wel zoover, dat ze zaden vormen—maar vast durven ze er toch niet op te rekenen.

Ze nemen andere maatregelen tegen den winter en wij moeten op een helderen Octoberdag er nog maar weer eens op uit—om te zien welke.

Het jaar wordt al oud—de wilgen zijn wit, veel witter dan in den zomer en van vele boomen bedekken de leege, dorre bladeren reeds den grond. Er zijn maar weinig bloemen te zien; in en om onze slooten en vaarten bijna geene. De laatste zwaluwen scheren langs het water en in de weide vertoonen zich de eerste bonte kraaien. De rietzangers, die zich in den zomer zonder ophouden lieten hooren, zijn reeds lang heen, in de verte tegen de donker grijsgrauwe rietzoom zwemt een zwarte koet met langzaam schokkende bewegingen. Aan een slootkant, een paar weilanden van ons, staat een groote vogel met langen nek en lange pooten; we behoeven ons niet in te spannen, om te [190]zien of het een ooievaar of een reiger is—roodpoot bontmantel is al in Egypte of aan de Kaap—en de grauwe schrokkerige hongerlijder moet hier maar zien, hoe hij den winter zal doorworstelen.

De sloot draagt nog zijn groene mantel, maar er komen kale plekjes in en vlekjes ook. De plompbladen zijn weer donker, niet purper bruin, zooals in Mei, doch vuilzwart—ze zijn aan ’t rotten en zullen weldra wegzinken. Daar drijft ook kikkerbeet. Grijpt er met de hand naar, dan kunt ge meteen voelen, dat het water nog zoo kil niet is, als ge in deze maand zoudt verwachten. Ge zoudt er nog wel in kunnen zwemmen,—als wij soms nog om ’t een of ander belangrijks moeten waden, kunnen we het ook nog gerust doen—voor half November zit er geen kramp in het water.

Maar ge houdt reeds eenige kikkerbeet-rozetten in de hand en ge hebt het winter-mysterie van de plant al voor uwe oogen. Het komt natuurlijk weer uit de bladoksels. Een stuk of vier uitloopers zijn het, maar iets anders gevormd dan die in het voorjaar groeiden. De knoppen zijn grooter en vaster, de stelen korter. Houdt ge het plantje in het water, dan ziet ge, dat die stelen ook niet horizontaal verloopen, maar onder het gewicht der zware knoppen naar beneden ombuigen. De voorjaarsknoppen ontwikkelen zich naar boven, deze echter zoeken den bodem. In een paar dagen laten ze los, zinken, en wachten beneden het voorjaar af. De oude plant kan nu ook gerust verzinken en vergaan.

Winterknoppen van Kikkerbeet (boven), Hoornblad (links onder) en Fonteinkruid (rechts).

Winterknoppen van Kikkerbeet (boven), Hoornblad (links onder) en Fonteinkruid (rechts).

Wat verder is een plek met fonteinkruid—crispus is het. Ofschoon het door zijn wortelstok er zeker van kan zijn, den winter te overleven, neemt het nog andere maatregelen. Zie maar naar de toppen der drijvende takken. Daar hebben zich wat blaadjes gevormd, die veel korter maar tegelijk veel dikker en steviger zijn dan de andere. [193]Ook staan ze veel dichter bij elkander. Als nu de drijvende takken gaan verrotten, blijven deze toppen levend—ze zakken ook naar den bodem, waar de vergane bladeren een beschermend modderlaagje over hen heen vormen. Scheren zien we niet—die moeten we ook niet aan de oppervlakte, maar op den bodem zoeken. We vinden spoedig een ondiep plekje, dat er mede bevloerd is, en wat zien we nu? De oude scheren zijn allemaal donker, sommige zijn al vergaan, maar daartusschen liggen honderden jonge scheertjes. Die overwinteren daar op den bodem, als volkomen plantjes.

Eigenlijk zijn de winterknoppen van het fonteinkruid ook nog plantjes, maar minus de wortels, en wanneer we een winterknop van de kikkerbeet uit elkander halen, dan vinden we binnen de buitenste harde blaadjes, die een beschermend omhulsel vormen, ook een klein kikkerbeetplantje, maar dicht ineengedrongen, en kleurloos en stijf. Bij de drie planten, die wij gevonden hebben, komt het dus hierop neer, dat een verkleind plantje den bodem opzoekt en daar in min of meer gunstige omstandigheden den winter doorbrengt.

De gunstige omstandigheden bestaan hierin, dat de knoppen of planten (want de winterscheeren zijn volkomen planten) kleinere afmetingen aannemen, dat ze bedekt worden door de overblijfselen der vergane, oude planten en dat ze zooals Hydrocharis, soms in een beschermend omhulsel opgeborgen zitten.

Maar het is te koud, om hier zoo stilletjes over al die dingen te staan keuvelen, en om zes uur is het donker. Laat ons nog eens verder zien. Daar is hoornblad ook, dat heeft zijn winterknoppen ook al klaar, op de manier van het fonteinkruid, maar de verdeelde blaadjes zitten zoo dicht op elkander, dat ze afzonderlijk haast niet in het oog vallen—het geheel is een ruige bol. Nu weet ik nog ergens een plek, waar Hottonia’s gestaan hebben. Wat een verschil met [194]Juni. Nu geen lichtkaarsjes, maar een vuile, grauwe massa, waaruit wat scheeve stengels omhoogsteken. Tusschen de rottende bladeren vinden we nog aan de stelen vastzittend eenige groene ballen—juist als bij het Hoornblad—dat zinkt alles naar den bodem in de modder. En het kroos?

Als we over een paar maanden gaan schaatsenrijden, dan zullen we nog wel eens langs slooten komen, waar het ons in onze vaart stuiten zal, vooral wanneer het wat gedooid heeft. Het rot niet weg gelijk de andere planten, maar leeft tot in den winter en vriest dan in. Voor dien tijd heeft het echter reeds zijn overwinteringsknoppen naar omlaag gezonden, want als het ijs in Maart uit de slooten verdwijnt, dan is het oude kroos dood en zinkt weg. Als ik u nu nog vertel, dat het Blaasjeskruid op dezelfde manier overwintert als Hottonia, dan kunnen we wel naar huis gaan.

We nemen wat winterknoppen mede voor ons aquarium. Zullen ze zich daar—in de lauwe warmte van onze woonkamers eerder ontwikkelen en vroeger weer naar boven komen drijven dan in de vrije natuur?

Neem maar eens de proef. Tot zoolang, vaarwel!—We moeten toch nog eens samen op kroosbloempjes uit!

J. P. T.

[195]