Sprieten van den spinnenden waterkever; rechts in stand van ademhaling.

Sprieten van den spinnenden waterkever; rechts in stand van ademhaling.

Die lucht is het, die de buik van den kever onder water verzilvert. Aan geen der elf geledingen van den spriet van een geranden watertor merkt ge iets dergelijks op; ze worden naar het eind toe iets korter; alleen het laatste lid is weer wat verlengd en knopvorming. [44]

Waarom nu de pikzwarte op zoo’n ingewikkelde wijze zijn levenslucht moet binnenhalen, heel anders dan de gerande? Zeer waarschijnlijk staat dat met de ligging der luchtbuis-openingen in verband. Bij de gerande liggen de grootste en de meeste op den rug onder de dekschilden, bij de pikzwarte zooals gezegd is, aan de onderzijde van het borstschild. Hoe dit ook zij, ge kunt er zeker van zijn, dat ook hier de levenswijze uitstekend past bij de inrichting van het lichaam.

Me dunkt, ge zult nu al wel iets meer in onze kevers zien dan griezelige beesten; ge moet nu wel een beetje eerbied gekregen hebben voor het leven van zulke merkwaardige ingerichte diertjes, en daarmede eerbied voor de schepping, de geheele Levende Natuur, waarin ze zich in verloop van eeuwen zoo ontwikkelen konden.

Om de Levende Natuur te kunnen bewonderen en eerbiedigen, behoeven we niet eens te ontleden of microscopisch te onderzoeken. Reeds een weinig meer dan oppervlakkig beschouwen, toont ons overal om ons heen, die wonderlijke overeenstemming, die harmonie tusschen inrichting, tusschen de kleuren en vormen, en de levenswijze.

Als we de inrichting en de beteekenis van zoo’n paar sprieten of dekschilden voor de ademhaling ons zelf duidelijk gemaakt hebben, zijn we tevreden er mee, en is het ons wonderlijk genoeg,—toch kunt ge er zeker van zijn, dat ge nog maar een tipje van den sluier heb opgelicht, die voor de meeste menschen die wondere inrichting bedekt.

Onder die dekschilden hebt ge ongetwijfeld bij uw onderzoek een paar gevouwen en naar binnen gedeeltelijk omgeslagen, bruine vliezige voorwerpen gevonden—de vleugels.

Vleugels? vraagt ge nu; waartoe dienen dan wel vleugels voor een dier, dat zijn geheele leven in het water doorbrengt? [45]

Alweêr een mooie gelegenheid om op het eeuwig verband tusschen levenswijze en inrichting te wijzen.

Waar hebt ge uw kever gevangen? In een stilstaand water, een sloot, aan twee kanten door een dam of een overweg afgesloten. Maar waar moet nu de kever blijven en zijn voedsel vinden, als de zomer eens weinig regen brengt en veel warmte? Als de sloot uitdroogt? Zonder die vleugels, zijn laatste toevlucht in dat geval, moest hij ellendig omkomen. En waar konden die onmisbare redmiddelen beter, veiliger voor beschadigen of nat worden, geborgen worden, dan in de waterdichte luchtkamer onder de schilden?

Nog vóor de nood aan den kever komt, door droogte of schaarschte van voedsel, klimt hij tegen een waterplant of tegen den slootkant op, waarbij hem de doornige uitsteeksels aan de schenen van nut zijn; daar pompt hij zich terdege vol lucht, de holle aderen in de vleugels ook; de schemering breekt aan, hij spant de vleugels uit, en zoekt een goed heenkomen. Brommend, snorrend, zoo luid als een meikever, zeilt hij met den wind achter de dekschilden voort, tot hij een waterplas, die woning en spijs belooft, in het oog of in den neus krijgt; die neus zit in de sprieten.

Zoo komt het, dat wij onzen kever vaak aantreffen in kleine en zeer ondiepe waterplassen, in open regenbakken of watertonnen, in dorpsgoten soms. In den drogen zomer van ’92 schrikten de wandelaars in de Utrechtsche straat te Amsterdam op warme avonden herhaaldelijk op, en sloegen een snorrenden waterkever van zich af.

Ook de menschen dwingen hem vaak, zich van zijn vleugels te bedienen. Toen eenige jaren geleden de breede sloot achter de Leeuwenhoekstraat bij het Staatsspoorstation gedempt werd, wemelde het ’s avonds, in den omtrek van ’t Amstelhotel, van allerlei waterkevers. Ze vlogen tegen de ballon van het electrisch licht en vielen op den grond. [46]

De jongens uit mijn klasse brachten er ’s morgens verscheidene levend mee, zoowel verschillende soorten van gerande, als de groote en de kleine pikzwarte.

Nu weet ge meteen, dat ge uw aquarium tegen den avond dekken moet, als ge op zoo’n verhuizing van uw gevangenen niet gesteld zijt.

Een tuinman vertelde mij lang geleden, dat hij vaak groote waterkevers op de glazen van zijn broeikassen vond, die daar op hun rug lagen te spartelen. Wellicht hebben die kevers de glazen, glinsterend door de ondergaande of opkomende zon, voor een waterplas aangezien.

Hebt ge in uw bak met gerande watertorren plaats gevonden voor een paar waterplanten met een vrij dikken stengel, dan kunt ge het misschien treffen, dat een van de gevangen kevers u nog wat anders te zien geeft.

Let goed op de bewegingen der wijfjes; ziet ge ze van tijd tot tijd een stengel met de voorpooten stijf omklemmen, de zwempooten schuin omhoog trekken en het achterlijf heftig krommen of schielijk bewegen, dan zijn ze van plan eieren te gaan leggen. Als de gevangenis maar niet al te ongeriefelijk is, of niet geheel ontbloot van waterplanten, dan nemen ze het weinige, dat er is, voor lief en beginnen de taak, die het voortbestaan van de soort verzekert.

De punt van het achterlijf wordt sterk verlengd; twee puntige mesjes komen te voorschijn, en daar tusschen een kleine legboor, waarmee een gleufje of gaatje in een stengel wordt gestoken: in, of bij elk gaatje, dat is moeilijk te onderscheiden, wordt een eitje bevestigd. Niet veel, een dertig hoogstens, althans in gevangenschap. Die eitjes zijn soms wit, soms oranje, soms rood van kleur, langwerpig en betrekkelijk groot: 2 à 3 millimeter.

In ’t midden een kikkerlarve, gegrepen door een larve van een geranden watertor (links), door de larve van een waterjuffer of libel (rechts). In den hoek onderaan; een waterwants; rechts boven een schaatsenlooper.

In ’t midden een kikkerlarve, gegrepen door een larve van een geranden watertor (links), door de larve van een waterjuffer of libel (rechts). In den hoek onderaan; een waterwants; rechts boven een schaatsenlooper.

Is dit afgeloopen, heeft het keverwijfje haar voornaamste taak volbracht, dan leeft zij niet lang meer. Verdere zorg, [49]voor de eieren draagt ze niet, bescherming schijnt overbodig en uitbroeden kan zij ze natuurlijk niet; kevers hebben immers geen warm bloed, zooals de vogels. Alleen past ze op, dat de eieren niet te diep in het water komen, opdat ze voldoende zonnewarmte kunnen krijgen.

Binnen 14 dagen wemelt het nu in het water van kleine doorschijnende larfjes; de vorm is niet duidelijk te onderscheiden, maar verzorgt ge ze goed met fijne stukjes eiwit of vleeschvezels, dan groeien ze verbazend snel. In een dag of vijf zijn ze een centimeter lang; ze krijgen dan een nieuwe huid, weer een dag of wat later zijn ze al twee maal zoo lang en vervellen opnieuw, tot drie of viermaal toe.

Hun eetlust is verwonderlijk sterk; maar hoe zorgvuldig gij ze ook van voedsel voorziet, hun aantal vermindert voortdurend; waarschijnlijk verslinden de sterkeren de zwakken, zoodat er op het laatst niet veel overblijven.

Die zijn dan ook krachtig ontwikkeld. Hun vorm is nu in het water goed na te gaan; ge zult dieren te zien krijgen, zooals ge er misschien reeds te gelijk met uw volwassen tor hebt gevangen. Haast in geen enkel opzicht zijn ze met den geranden watertor te vergelijken. (Zie fig. blz. 43).

Kam-salamander of Groote Watersalamander. Het mannetje boven, pronkend voor het wijfje. In het midden een driestekelig stekelbaarsje in ’t prachtkleed.

Kam-salamander of Groote Watersalamander. Het mannetje boven, pronkend voor het wijfje. In het midden een driestekelig stekelbaarsje in ’t prachtkleed.

We hebben hier met twee gedaanten van hetzelfde dier te doen, die bijna evenzeer van elkaar verschillen, als de rups van zijn vlinder.

In vraatzucht doen de larve en de kever evenwel voor elkaar niet onder, in strijdlust evenmin. Daarin verschillen kevers en vlinders hemelsbreed.

De volwassen larve grijpt met zijn geduchte kaaktangen alles aan wat binnen zijn bereik komt, onverschillig of het een kikkerlarve, een stekelbaarsje, een salamander of een waterslak is; voor een jonge snoek is hij ook niet bang. Groot of klein, dood of levend—alles is van zijn gading. Een mond heeft hij niet; en dit was ook overbodig, [50]want hij zuigt zijn prooi met dezelfde tangen uit, waarmede hij die grijpt en doodt.

Die zuighaken zijn hol en hebben dicht bij de scherpe punt een opening, waaruit aan weerskanten een buisje naar binnen gaat; die buisjes zijn met het bloote oog vrij goed te zien, ze vereenigen zich nog in den kop van de larve, en vormen samen een wijdere buis, die door het geheele lichaam heen zichtbaar is.

In hun geliefkoosde houding, met den kop naar beneden, het lichaam naar voren gekromd, de zes onevenredig lange pooten wijd uitgespreid, hangen ze met het achterlijf aan de oppervlakte. Daar zijn twee pijpjes, luchtbuizen, door haren omgeven, te onderscheiden. Zoo hangen ze als dood, aan de oppervlakte op den loer; tot een argeloos vischje of een salamander binnen het bereik van pooten of zuigtangen komt. De salamander kwiekt luid, als hij zich door zijn doodsvijand voelt aangrijpen. Hij worstelt lang, maar als ge hem niet snel van zijn bespringer verlost, is het met hem gedaan. Hij mag duiken, uit het water opspringen, in het water pijlsnel voortschieten,—hij raakt zijn bloedzuiger evenmin kwijt als de haas, die door een wezel besprongen is.

Eens komt echter ook voor dit monster de tijd, dat zijn eetlust vermindert, dat hij traag en lusteloos wordt. Hij is nu volwassen, en tweemaal zoo lang als de kever, uit welks eieren hij voortgekomen is.

Hebt ge ze zelf zoover groot kunnen brengen, of, wat veel gemakkelijker is, een aantal volwassen larven geschept, dan kost het niet veel moeite, de gedaanteverwisseling na te gaan.

Zet in een goudvischkom een steen, die van den bodem, tot even onder het oppervlak van het water reikt en daarop een stuk van een dikke graszode.

Op een goeien morgen zijn de larven uit de kom verdwenen. [51]Onderzoekt ge een week later voorzichtig een gedeelte van de zode, dan vindt ge allicht een of meer holten, zoo groot als een vingerhoed, en daarin een witte of gele pop. Die verschilt in vele opzichten van een vlinderpop, die ge zeker wel eens gezien hebt; vooral doordat de deelen van den toekomstigen kever zeer duidelijk te onderscheiden zijn.

Pop van Dytiscus marginalis.

Pop van Dytiscus marginalis.

Na een week of drie scheurt de pophuid open en de volkomen kever treedt er uit te voorschijn. Of liever treedt nog niet te voorschijn, hij is nog niet vertoonbaar, zijn chitine-huid is nog week als was en bijna even geel; zijn pooten nog te zwak om te roeien of te kruipen, zijn vleugels nog niet droog genoeg.

In twee of drie dagen is hij donkergroen van kleur geworden en voelt hij zich sterk genoeg om de aarde, die hem van het water scheidt, op zij te ruimen en in zijn element de kost te zoeken.

Precies zoo gaat het in de sloot toe. Wordt hij daar niet op het laatste oogenblik verrast door een waterrat of een mol, die aan de sloot zijn drinkgang komt aanleggen, dan is hij straks even bekwaam in het grijpen van zijn prooi, in het zwemmen, duiken of vliegen, als zijn soortgenooten, die al veel eerder ontpopt zijn; een les van hen heeft hij niet noodig; wel wordt hij, al doende, slimmer en handiger. Zijn jeugdige leeftijd is voor de ingewijden in de geheimen van een moddersloot, alleen kenbaar aan zijn lichtere onderzijde en de bijzonder sterk glanzende dekschilden.

En de voortplanting van de pikzwarte? „Dat zal zooveel verschil niet zijn,” zegt ge wellicht, even goed als ik vroeger. „Eieren leggen, larven uitkomen, vervellen, groeien en nog eens vervellen, dan verpoppen en uitkomen,—dat liedje [52]kennen we al van buiten!” Precies, maar ge kunt dan even zoo goed zeggen dat het leven van alle menschen zoo ongeveer gelijk is; geboren worden in dit jaar, kind, jongeling of meisje, volwassen, dan oud worden en sterven tot besluit in dat jaar; zoo ging het Napoleon en zoo ging het Rembrandt, maar toch met verschil niet waar? Ja, was er niet veel meer op te merken in de geschiedenis van de menschen of van de natuur, dan was het werkelijk niet de moeite waard, algemeene, vaderlandsche of natuurlijke historie te bestudeeren.

Evenmin als het leven van alle menschen gelijk is, evenmin en nog veel minder is dat het geval met twee diersoorten, al zijn het beide ook waterkevers. Als ge ééns een paartje pikzwarten in een kom of aquarium gehouden hebt dan wed ik, dat ge elk volgend jaar zorgen zult, er niet zonder te zijn. Loont het al de moeite, gerande torren groot te brengen, onze Hydrophilus geeft nog heel wat anders te zien. Hij vergenoegt zich niet, zooals de gerande, met zijn eieren hier of daar aan een waterplant vast te hechten, zonder er zich verder om te bekommeren.

Ziet ge in April of Mei het wijfje van Hydrophilus van tijd tot tijd met blaadjes eendenkroos, met groene draden of met een grooter blad van een of andere waterplant heen en weer zwemmen, dan begint straks een aantrekkelijke werkzaamheid, die nog maar bij één andere waterkever opgemerkt is.

Hij doet het evengoed in een kom water als in de breede sloot. Laat de gelegenheid niet ontglippen, een kever onder water een nest te zien bouwen voor zijn eieren en zijn jongen, een nest dat minstens even kunstig en doelmatig ingericht is, als dat van een vink of wielewaal.

Een nest onder water? Ja, hoe zou men het anders kunnen noemen? Ga maar eens nauwkeurig na, wat de [53]kever daar met dat blad uitvoert; maar stoor hem niet; als ge hem aanraakt, houdt hij er mee op, en dan hangt het van het toeval af, of ge er juist bij zult zijn, als hij weer begint.

Kijk, het wijfje legt zich op den rug onder dat blaadje fonteinkruid, dicht bij de oppervlakte, zij beweegt het achterlijf voortdurend heen en weer; daar keert ze het blad om en om: witte draden zijn er in de dwarste over heen gespannen: nu neemt zij het weer op de buik, draad bij draad komt uit vier buisjes aan het achterlijf te voorschijn; de twee grootste buisjes zijn bij het spinnen en weven duidelijk te zien.

Geopend nestje van Hydrophilus

Geopend nestje van Hydrophilus

geteekend naar C. Mulder.

In een half uur tijds heeft de kever zich een boezelaar geweven, die ze stijf tegen de kanten van het lijf drukt, over de verhoogde kiel heen, daardoor krijgt die boezelaar een lichte ronding; de voorpooten liggen op de boezelaar, de middel- en achterpooten er onder; zoo rust de tor eenige oogenblikken uit.

Maar er is haast bij den arbeid; ze schuift met inspanning van alle pooten den boezelaar af, grijpt hem met de voorpooten of de kaken, en manoevreert net zoo lang, tot de lap netjes achter op den rug komt te liggen; nu keert de kever zich op nieuw om en begint van vorenaf. Al weer is in een drie kwartier een boezelaar klaar, maar die is onder de hand met het lapje op den rug saamgesponnen; zoo is een rokje ontstaan; dit wordt van onder dicht gemaakt, en daar zit nu de tor halverwegen in een witachtige zak.

Daarmee schijnt het uit te zijn, want er is geen beweging [54]meer te bespeuren; ja toch, het is net, of het achterlijf uiterst langzaam, hoe langer hoe verder, voor uit den zak wordt uitgeschoven. En zoo is het ook; maar wat daarbij gebeurd is, kunt ge eerst later begrijpen; dan wordt het duidelijk, waarom de kever zoo stil zat: ze heeft een vijftig eitjes onder in den zak gelegd, op rijtjes naast en op elkaar, maar eerst heeft ze nog met een laagje spinsel den bodem belegd. (Zie fig. blz. 49).

Het afwerken van ’t mastje.

Het afwerken van ’t mastje.

(Boven op ’t water gezien, daardoor is alleen het achterlijf zichtbaar).

Nu is het achterlijf bijna geheel uit het nestje gekomen, en de kever haast zich, er een vlak dekseltje op te weven; over dwars, over langs, of het schering en inslag was, gaan de draden over elkaar; dat moet wel gauw gaan, anders komt er misschien water in.

Larven van de spinnende waterkever met stekelbaarsje.

Larven van de spinnende waterkever met stekelbaarsje.

(Naar de natuur).

Ik heb meer dan eens gelezen, dat natuuronderzoekers hebben opgemerkt, hoe het mannetje, hierbij het wijfje ondersteunt; hij houdt het nestje in den goeden stand, zoodat het wijfje alleen maar heeft te weven; gezien heb ik het [57]nooit, wel zag ik eens het mannetje voortdurend om het nestbouwende wijfje heen zwemmen, misschien wel, om de wacht te houden; een enkelen keer zag ik hem op het nestje zitten, terwijl het wijfje bezig was; ik heb toen iemand die het weten kon, gevraagd wat dat beteekende en kreeg ten antwoord: „dat dient om het lichte nestje onder te houden tot het klaar is.”

De bovenhelft van het nest heeft de tor met licht weefsel gevuld,—onderin liggen de eieren; zoo is er al niet veel kans van omslaan, als het straks zal gaan drijven. Waterproef is het ook, en lucht en voedsel is er in voor de jonge larfjes.

Toch heeft de tor haar taak nog niet naar haar zin volbracht. Bij hevigen wind zou het hulkje toch nog kunnen vergaan; zij zal er een mastje opzetten; slaat het scheepje dan soms op zijde, dan zal het kleverig mastje het water raken, daarop steunen, om zich later weer op te richten als de vlaag voorbij is. (Zie fig. blz. 11 en blz. 50.)

Dat mastje spint ze in opgerichte houding, met den kop naar beneden, de draden legt ze in de lengte tegen elkaar; elke volgende een eind langer dan de vorige, zoo kan het mastje een paar centimeter lang worden. Ook hierbij hebben sommigen het mannetje zien helpen; wanneer het mastje zoo hoog is geworden, dat het achterlijf van het wijfje er niet meer bij kan, drukt het mannetje door zijn gewicht het nestje onder.

Als ge zoo iets bijzonders merkt, noteer het dan. Lang niet alle pikzwarten bouwen op dezelfde wijze. Ik heb niet ’t geluk gehad, het ooit te zien; wel nam ik in dit voorjaar waar, dat het wijfje het best alleen af kan. Zij richt zich met ’t grootste gemak half uit het water en bespint den top van het mastje met haar penseelachtige spinbuizen. De bijgevoegde teekening heb ik gemaakt, terwijl ’t diertje bezig was. [58]

Is het wijfje eens begonnen eieren te leggen, dan kunt ge gerust het nestje verplaatsen, of het in de hand nemen met den kever er bij, om beter waar te nemen. Het diertje laat zich niet meer storen, en gaat zelfs op uw hand, buiten het water, verder met het eieren leggen of met het dekseltje te maken.

Leg het maar weer in het water; zie eens, hoe het dier om het nestje heendraait, hier en daar nog wat bijflikt, verschikt of aanvult,—en teeken den datum van het eierenleggen aan. Tien dagen later moet ge van tijd tot tijd naar het nestje kijken; dan beginnen soms de larven al te leven in het nest. Het kan geen kwaad, ten minste als ge meer dan één nestje hebt, eens voorzichtig een stuk uit het dek van het scheepje te steken of te knippen; dan kunt ge de verandering en de kleurwisseling, die er binnen in plaats grijpt, ook zien.

Binnen 14 dagen zijn alle larfjes uitgekomen, ze eten den eersten dag spinsel en eierhulsels, maar den volgenden dag reeds begint hun moordtocht door het water in uw kommen; dan is er geen slakje, geen wormpje meer veilig voor hun kaken; ze groeien verbazend snel en worden larven, zoo leelijk, zoo griezelig, dat ik, en velen met mij, ze niet zonder een kleine rilling van afkeer kunnen aanpakken, en we zijn anders niet zoo vies of angstvallig op het stuk van insecten-aangrijpen.

De larve van de gerande is een monster, maar—’t is hem aan te zien; die van de spinnende waterkever evenwel is een dikke weeke, zwarte, sterk gerimpelde worm, die zich dood houdt, als ge hem opvischt, en die dubbelgevouwen als een slappe vellerige darm voor u ligt; ge wilt het vieze ding met den vinger op zij gooien, maar op eens hoort ge een vrij sterk, gillend geluid en, plotseling zich opblazend en zich krommend, slaat het verraderlijk schepsel zijn kaken in uw vel; als ge hem eenmaal kent, zult ge op uw hoede [59]zijn, en hem eenvoudig met uw tangetje uit de mee opgeschepte planten oppikken.

Merkt deze larve in het water gevaar, dan omgeeft hij zich plotseling met een zwart vocht, waardoor hij zich aan de vervolging door zijn vijanden in de sloot onttrekt, evenals de inktvisch dit doet in de zee.

In uw aquarium kunt ge hem gemakkelijk voeden, hij vreet alles en nog wat; in korten tijd is hij volwassen, en op dezelfde wijze als bij de gerande moet ge het aanleggen, om het bijterig, roofziek gedrocht over te halen, zich in de mooie, belangwekkende, spinnende waterkever te veranderen.

Geheel op dezelfde manier gaat deze gedaanteverwisseling niet, maar de verschillen merkt ge, als ge beide kevers kweekt, zonder aanwijzing van anderen, licht zelf op. Let vooral eens op den zonderlingen stand van de pop in de holte; de vijf haken aan den kop zijn steunsels.

Vreemd, niet waar, dat met die verandering niet alleen de oude vorm verdwijnt, maar ook de geheele aard, de geheele levenswijze van het dier verandert.

Hebt ge succes gehad met uw kweekerij, zijn de larfjes goed uitgekomen in de flesschen of kommen, waarin de ouders waren, dan is het zaak alle bewoners van die flesschen een ander plaatsje te geven, of er blijven ten slotte niet anders over, dan òf de larven van Dyticus òf die van Hydrophilus. Dyticus is de latijnsche naam voor de gerande watertorren, het woord beteekent „duikelaar”.

Beter nog is het, alle jonge larven weer in dezelfde sloot te werpen, waaruit de kevers geschept zijn.

Hebt ge daartoe geen lust of gelegenheid, breng er dan een paar waterwantsen en eenige scorpioenen in (zie de teekening blz. 19 en 43) of anders een stuk of twee, drie stekelbaarsjes; ge weet wel, die kleine, 4 à 5 cM. lange [60]vischjes, met 3 of 11 stekels op den rug. Ze zijn in elke sloot bij massa’s te vinden. De elfstekelige noemen de jongens hier moddermannetjes. Die lieve diertjes met hun snoekenbek zorgen wel, dat de larven niet te sterk vermenigvuldigen; dat doen ze in de sloot ook.

Wemelt het in den tijd, dat de eieren van Dyticus uitkomen, in alle slooten en plassen van jonge larven,—een veertien dagen later, maakt ge ze niet meer met elke schep buit. Zorgen de volwassen gerande torren, dat de stekeltjes niet oppermachtig worden in het water,—diezelfde stekelbaarsjes houden duchtig huis onder de keverlarven. Toch blijven in de meeste slooten deze vischjes ten slotte de baas. Ze zijn ook zoo strijdlustig en zoo vraatzuchtig tevens, dat ze heele slooten ontvolken, tot ze dan zelf bij gebrek aan voedsel te gronde gaan, want zij kunnen het water in geval van hongersnood niet verlaten, zooals de meeste andere slootdieren.

De sierlijke, vlugge, meestal driftige bewegingen van het stekeltje maken, dat het voor een poosje een vroolijk, levendig aanzicht aan het aquarium geeft.

Zijn manier van aanval en verdediging, zijn gezellige aard—ze zwemmen, als het aquarium niet te klein is, graag in scholen—alles aan het diertje trekt en boeit de aandacht; maar uw aquarium zou al te gauw leeg zijn.

Eén paartje moet ge in elk geval houden, al is het maar alleen om de levenswijze na te gaan, en u zelf daardoor te verklaren, hoe dat beestje zoo licht de overhand krijgt in de sloten, ook in groote plassen en vischvijvers, ja soms in de rivieren; zoo zelfs, dat de visschers of karperkweekers vaak verplicht zijn, er opzettelijk jacht op te maken. Want ze maken de teelt van alle andere visschen onmogelijk, doordien ze vischeieren en de jonge vischjes verslinden.

De stekels op den rug vallen hier in het oog; de driestekelige [61]soort, die het veelvuldigst voorkomt, zet de rugvin, waarvan de scherpe naalden de stralen zijn, meestal alleen bij den aanval op,—de tien of elfstekelige is veel wilder en strijdlustiger; die heeft zijn wapen bijna voortdurend in gereedheid.

Behalve die geduchte stekels, heeft hij er nog een paar, die niet dadelijk in het oog vallen; deze liggen op de plaats, waar zich bij de meeste andere visschen de buikvinnen bevinden, en zijn naar achteren plat tegen het lichaam aangedrukt. Alleen in doodsgevaar zet hij ze op, en de andere visschen schijnen de vervaarlijke priemen niet gering te schatten, die hun in den bek blijven steken, als ze op visschenmanier hun kleinere stamgenooten in willen slokken. De snoek zelfs blijft met zijn bek wel van het kleine stekeltje af, en de eend raakt ze ook maar zelden aan. Aan een dood stekeltje staan die zij-pennen bijna altijd opgezet, en aan zoo eentje kunt ge ook nog voelen, dat het een goed gewapende bek heeft; nog beter kunt ge de aanwezigheid van de fijne tandjes bemerken, door het gehoor, wanneer ge namelijk met een speld of een griffelpunt over de kaakranden strijkt.

Zoo gewapend, zoo gevreesd en tegelijk van zoo’n goede eetlust voorzien, moet het vischje in de vijvers wel lastig en voor het voortbestaan der overige waterbewoners gevaarlijk worden. Maar in de natuur wordt het evenwicht niet zoo licht verbroken; er is voor gezorgd, dat de boomen niet tot in de wolken doorgroeien.

Heel vaak ziet ge stekeltjes, die lang niet zoo levenslustig zijn als hun kameraadjes; ze zijn anders heel dik en schijnen ook gezond, maar het is slechts in schijn; over een paar dagen ligt het vischje herhaaldelijk op zij aan de oppervlakte, en eindelijk sterft het; dan komen kleine, platte witte draden uit zijn lichaam te voorschijn, die over de oppervlakte heenkronkelen; [62]het zijn een soort lintwormen, die het vischje de dood hebben aangedaan.

Maar nauwelijks hebben de eenden in de sloot of de vijvers die dingetjes bemerkt, of ze schieten er op af, en de wormpjes zijn naar binnen en dood; dood, jawel, maar nog niet geheel en al; de wormpjes hadden ontelbare eieren bij zich, die levend het lichaam van de eend weer verlaten, niet als eieren, maar als uiterst kleine, alleen met een vergrootglas zichtbare diertjes; ze draaien en kronkelen met behulp van fijne trilhaartjes door het water, en bij het ademhalen door de stekeltjes, geraken ze weer tusschen hun kieuwen en zoo in het lichaam, waar ze zich opnieuw tot wormen ontwikkelen.

Zoo komen er vele stekeltjes in den vijver om het leven, maar hun dood is toch niet geheel nutteloos voor de andere stekeltjes, al is het erg voor hen die dat lot treft; op die wijze wordt een al te sterke vermeerdering tegengegaan, die ten slotte immers den hongerdood van allen moest ten gevolge hebben.

Zorg nu vooral, wanneer ge uit een groot aantal stekeltjes een paartje uitzoekt, om in het aquarium te houden, dat ge gezonde neemt; bemerkt ge, dat een enkele erg op zijde zwemt, neem hem dan uit de flesch, vóór dat hij sterft; wel schijnt het waar te zijn, dat de eieren van de stekelwormpjes eerst een eendenmaag moeten passeeren, om weer voor andere stekeltjes gevaarlijk te kunnen zijn; maar zeker is dat nog niet, en er zijn nog andere vischparasieten, waardoor uw ziek stekeltje aangetast kan zijn; die konden ook de overige wel eens besmetten.

Een parasiet die in Amsterdam veel op stekelbaarsjes gevonden wordt, heb ik hier zeer vergroot geteekend. De jongens noemen het dier stekel-botje; werkelijk een goede naam. De parasiet is zoo plat en rond als een bot, maar de grootte [63]is niet meer dan een halve centimeter. Ook is’t stekel-botje natuurlijk geen visch; ’t is een kreeftachtig dier, familie van de daphnia’s, cyclops, garnalen, waterspringers en zoo veel andere zoetwater schaaldieren.

Stekeltjes-bot.

Stekeltjes-bot.

Vischparasiet, die zich vastzuigt op het stekelbaarsje. (Sterk vergroot; ’t dier is 3 à 4 mM. hoogstens).

Ik zei, dat ge een paartje moest nemen, een mannetje [64]en een wijfje, of, zooals het bij de visschen heet, een hommer en kuiter; het mannetje kunt ge in Mei, Juni of Juli gemakkelijk onderscheiden aan de kleur; zijn keel en borst prijken dan met goudroode, paarse en purperen kleuren; ook is hij veel onstuimiger dan de wijfjes; hij valt op alles aan, en jaagt onophoudelijk de wijfjes uit elkaar, die vaak in een hoekje van de waterkom bij elkaar schuilen en haast niet voor den dag durven komen.

Neem zoo’n wakker kereltje apart, geef hem één, hoogstens twee groote wijfjes tot gezelschap. Zorg nu vooral voor kleine waterplanten, kroos, hoorn- of duizendblad, of nog beter voor een kleine hoeveelheid waterdraden; zoo heeten heel eigenaardig, die frischgroene draadvormige planten, die ge in elken sloot kunt vinden en die bij elke schep in het net raken. De boeren noemen ze ook wel vlag of flap; zij zijn het, die in het najaar die gele vellen op het water vormen.

Stoor nu uw beestjes niet, kijk steeds op een afstand naar hun doen en laten; hebt ge maar een beetje geduld en geluk tevens, dan bemerkt ge op een goeden dag in Juni midden of in een hoek van het aquarium een kluwen van door elkaar gevlochten waterdraden, zoo groot als een walnoot. Bij nader bekijken, bespeurt ge, dat het een liggend tonnetje zonder bodem of deksel is, waarbij het mannetje de wacht houdt.

Blijft hij voortdurend in de buurt van het nestje—ge begrijpt wel, dat het groene kokertje zoo iets is—dan hebt ge veel kans een aantrekkelijk natuurtafereeltje te zien afspelen; ik herinner me, dat ik het als kleine schooljongen eens gezien heb in een aquarium, dat in mijn geboorteplaats voor de winkelkast van een horlogemaker stond; op een school, waar ik later kwam, hadden we ook jaren achtereen stekelnestjes. Het nestje dat de tien-stekelige soort maakt, ligt zelden op den grond. [65]

Het mannetje jaagt onophoudelijk het wijfje na, drijft het in een hoek, bijt het er weer uit, tot het hem gelukt, het wijfje dwars door het open nestje te drijven; maar de opening is wat nauw, het wijfje kan er amper door heen, het blijft met haar stekels in de draden zitten en.… legt haar eieren in het nestje neer.

Maar nu moet het er weer uit, het krijgt een paar happen in den staart, weg is het; ook niet in de buurt blijven, neen, een heel eind uit de voeten: eierendiefje als het is, zou het haar eigen eieren niet sparen, maar het waakzame mannetje is op zijn hoede,—hij kent zijn volkje.

Een paar malen schuift hij zelf door het tonnetje heen; daarbij laat hij wat homvocht (ge kent de hom van de haring wel) uit zijn lichaam op de kuit vallen; de eieren worden daardoor bevrucht, zooals men zegt; zonder dat homvocht zouden er geen jonge vischjes uitkomen; net zoo min als er weer jonge planten uit zaden kunnen komen, indien er geen stuifmeel op den stamper van de bloem is geraakt; in den stamper waren die zaden, net als witte eitjes, aanwezig.

Als het mannetje zich uit het nestje gewerkt heeft, maakt hij de beide openingen wat nauwer en blijft in den omtrek kruisen; ieder die in de buurt komt, wordt met opgezette stekels verdreven.

Na een week, soms eerder, dat hangt van de temperatuur van het water af, komen de jonge vischjes uit; al zien ze er eerst wat vreemd uit door den dikken kop en een soort van zak, die aan de keel hangt, het zijn toch al vischjes; met een gedaanteverwisseling hebben we hier niet te doen, dat is duidelijk.

Als de vischjes ongeveer een centimeter groot zijn, maakt de zorgvolle vader de openingen van het nest wat wijder, en de jongelui mogen eens even buiten komen; het lijkt [66]wel een nevelwolkje in het lichtgroene water. Nog een paar dagen—en papa gaat met zijn familie uit zwemmen. Wee het wijfje of het kevertje of de salamander, die te dicht bij de school kleintjes komt; het mannetje hapt als een dolle in ’t rond, zijn stekels worden ieder oogenblik in een dreigenden stand gebracht.

Al zijn er waterplanten in de sloot of in ’t aquarium, dan bouwt het driestekelig stekeltje zijn nestje toch op den bodem. Als de eiertjes er in zijn, spoelt hij er zaadkorreltjes over heen, zoodat er niet veel van te zien is. Alleen een kleine opening in den bodem, waar wat wortelvezels of grashalmpjes uitsteken, duidt de plaats aan, waar het nest verscholen is. Toch kunt ge ’t wel vinden en het machtig worden, nu ge zijn aard en levenswijze kent. Ziet ge in Mei of Juni zoo’n eenzaam stekeltje in zijn bruiloftspak driftig op dezelfde plaats heen en weer zwemmen, dan kunt gij er zeker van zijn, dat zijn nest niet ver af is.

Breng langzaam uw stok in het water—het stekeltje zwemt er als dol om heen; nader met den punt den bodem en strijk er mee heen en weer—op het oogenblik dat de punt het nest raakt, vliegt het diertje, dat nu bijna geheel purperrood wordt, naar den bodem, bijt in den stok en tracht dien met zijn bek weg te stooten. Zoo slim als een kievit of leeuwerik is het stekeltje dus niet; zonder heel veel moeite kunt ge het nestje met zijn bewaker, die het niet verlaat, opscheppen, in uw flesch mee naar huis nemen en voorzichtig in een groot aquarium overbrengen. Vindt het diertje, wat echter lang niet altijd gebeurt, daar zijn nestje terug, dan herstelt en verzorgt hij het als te voren. Zijn roode kleur, die hij eerst verloren had, komt dan ook weer terug.

Misschien hebt ge dan ook gelegenheid, eens op te merken, hoe aardig hij zoo’n ingegraven nestje van de noodige zuurstof voorziet. Hij staat soms minutenlang loodrecht boven [67]de opening, den kop naar benedenen, drijft met alle vinnen en met den zijwaarts gebogen staart een bestendigen stroom van versch water, in en door het eiernest heen.

Nestbouwende visschen zijn er maar weinig; in ons land maar één; en opmerkelijk is ’t, dat het stekeltje, die ééne, zoo’n gering aantal eieren legt, een twintig of dertig hoogstens, en die zijn soms nog van meer dan één wijfje afkomstig. Dat voor de veiligheid van al de honderdduizenden eieren, die een haring of een kabeljauw schiet, niet gezorgd behoeft te worden, is duidelijk; als er maar een klein deel van uitkomt, zal de visch niet uitsterven.

Maar het stekeltje heeft er in vergelijking zoo weinig, daarom zorgt het mannetje er zoo goed voor. Daarom? Och, dat is maar bij wijze van spreken,—het stekeltje met zijn goudroode borst, weet van de inrichting in de natuur immers niets. Het is geen mensch, die vergelijken, nadenken en oordeelen kan, wat nuttig voor hem of zijn nakomelingen is. Hij doet het, omdat hij het moet doen, hij kan niet anders, de natuurdrift dwingt hem er toe, en—als wij het hem zien doen, bewonderen wij niet alleen dat redelooze vischje, maar in dat vischje de wijze inrichting der levende wereld zelve, Hem, die in dat vischje die drift heeft ingeschapen, of gezorgd heeft, dat die er in den loop der tijden in kon ontstaan.

Maar hoe nu onze kleintjes in het leven te houden, om ze te zien wassen? Dat is zeer lastig in een kleine flesch, iets minder in een groot aquarium, maar toch in beide mogelijk.

Houd bij alle pogingen, die ge doet, om uw dieren of planten in het leven te houden, toch steeds in gedachten, dat daartoe vier zaken onmisbaar zijn: voedsel, lucht, licht en reinheid. Het laatste klinkt misschien wat vreemd voor dieren uit een moddersloot, maar de ondervinding zal het u leeren. Alles wat dood is, plant of dier, moet zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, of uw vischteelt mislukt deerlijk. [68]

De 3 meest voorkomende vormen van slakkenhuisjes in de sloot. Poelslak. Moeras-hoornslak en Trechterslak.

De 3 meest voorkomende vormen van slakkenhuisjes in de sloot. Poelslak. Moeras-hoornslak en Trechterslak.

Nu behoeft ge niet alles zelf te doen, ge kunt een reinigingsdienst instellen zonder bezwaar voor uw zakgeld. Breng een flinke hoeveelheid kleine slakken in de flesschen; die nemen het grootste deel van uw taak over. ’t Doet er niet toe, of het gewone waterslakken, met min of meer langwerpige huisjes,—of wel slakken met platte huisjes zijn, waarvan de windingen naast elkaar in plaats boven elkaar liggen—posthoorntjes, zeiden wij jongens; planorbis heeten ze in de dierkunde. Zie de teekeningen hierbij. Groote slakken betalen zich zelf voor hun diensten, door uw waterplanten aan te tasten, en dat is lastig. Ofschoon ook al weer niet zoo heel erg; want in een studieaquarium plaatst ge toch geen dure of zeldzame planten.

Ook wordt die schade weer eenigszins vergoed, door de gelegenheid, die zij u geven, hun eigenaardige vreetmanieren en bewegingen na te gaan; hun spreekwoordelijke traagheid maakt dit bijzonder gemakkelijk, en aan zoo’n slakkengang zit nog meer vast, dan gij, zoo oppervlakkig beschouwd, zoudt denken.

In elk geval, het reinhouden van uw vischkweekerij kunt ge gerust aan uw slakken overlaten; alleen groote doode dieren en planten moet ge noodzakelijk zelf weg nemen. Al gebeurt dat in de sloot, waar de stekeltjes toch opperbest gedijen, niet door menschenhanden, ge moet niet vergeten, dat uw best ingericht aquarium toch nog maar nagebootste natuur is. [69]

[71]

Wat het licht betreft, daarvoor is wel het gemakkelijkst te zorgen. Voor een venster, als het mogelijk is voor een, dat geopend kan worden, is de beste plaats; maar langdurig direct zonlicht is schadelijk, tenzij ge van een groote voorraad schaduwgevende planten voorzien zijt; drijvende, vooral kikkerbeet of duitblad, zijn voor het aanbrengen van schaduw zeer geschikt en dat goedje gedijt weer kostelijk, als ge veel vischjes kweekt; daar het op zijn beurt gebruik maakt van het koolzuur, dat uw diertjes in het water uitademen. Dus zoo ongeveer door dezelfde oorzaak, die de planten in een goed bevolkt en zonnig schoollokaal zoo flink doet wassen.

Door die drijvende waterplanten in ’t aquarium te brengen hebt ge dan meteen aan uw kweekelingen de noodige levenslucht verschaft; toch moeten er wat ondergedoken planten b.v. waterdraden en waterpest bij. Bovenal waterdraden, die scheiden veel gas af; ze zitten als de zon er maar eventjes door heen schijnt, zelfs in den winter bij de kachel, vol belletjes zuurstof. Deze zuurstof verrijkt de reeds in ’t water aanwezige lucht; die wordt voortdurend den bek in, en de kieuwen weer uitgestuwd; let maar eens op, hoe de borstvinnen onophoudelijk in beweging zijn (ook als uw vischjes stilstaan) om het verbruikte water weg te drijven, en ander aan te voeren.

Er komen soms ook wel ongenoode planten in uw flesschen, juist als ze goed verlicht zijn, Eerst zinken er lichtgroene bolletjes, als zeer kleine speldeknoppen door ’t water; die stipjes groen, blijven op den bodem liggen, of zetten zich tegen de kanten vast. Langzamerhand overtrekt nu een licht groen beslag de glaswanden; dat doet de visschen eer goed dan kwaad; het zijn uiterst kleine plantjes van dezelfde soort als de waterdraden, algen heeten ze; maar zij beletten u het gadeslaan van de dieren, en daarom is het toch in de eerste plaats te doen. [72]

Goudvisschen en bittervoorns eten graag algen, maar die zouden meteen de jonge kweek-vischjes uit de wereld helpen, dus dat gaat niet.

Welnu, zet wat meer en wat grooter slakken in het water, die maaien heel aardig die algenwei af; hun tong gaat onophoudelijk langs het glas en laat kaalgevreten strepen na. Daarentegen brengen ze er weer wat anders op, geleiachtige, langwerpige, doorschijnende massa’s van een paar centimeter lengte; als ge een goede loupe hebt, kunt ge daarin, na een paar dagen duidelijk kleine slakjes met huisje en al ontdekken, en van dag tot dag hun ontwikkeling uit de eieren nagaan.

Die slakkeneieren zijn meteen een gezocht voedsel voor uw jonge stekelbaarsjes, evenals muggenlarven, die overal in massa te scheppen zijn.

Dat ik u als voorwaarden tot het in leven houden van de pas uitgekomen vischjes ook het voedsel noemde, mag u wellicht wat onnoozel toeschijnen. Toch vroeg mij nog niet lang geleden, eens iemand, hoe het toch komen zou, dat zijn vischjes in het aquarium de één voor de ander na, stierven. Ik noemde allerlei dingen, die hij misschien verzuimd kon hebben, maar.… dit was het bepaald niet, en dat ook niet.

„Misschien geef je ze te veel voedsel?” vroeg ik.

„Voedsel?” zei hij. „Neen daaraan ligt het zeker niet, ze krijgen niets dan duinwater!”

Mal toch, dat zoo iemand niet begrijpt, dat ook visschen van honger kunnen sterven.

Het hangt juist van het voedsel af, of de teelt gelukken zal; veel, wat de volwassen vischjes verorberen kunnen, is voor de kleintjes ongeschikt,—omgekeerd niet. Slakkeneieren kunnen ze na een dag of tien al vrij goed van het glas krijgen, maar vóór dien tijd is er ook voedsel noodig. [73]

Nu zijn er gewoonlijk in het water, wel voor het bloote oog meestal onzichtbare diertjes, de infusiediertjes—ook al door Leeuwenhoek ontdekt,—maar die voorraad schijnt niet voldoende en te gauw uitgeput te zijn, bij de gezonde appetijt van de jonge visschen.

Ga liever tegen den avond van een zonnigen zomerdag nog eens naar een sloot in de buurt. Ver hoeft ge niet te loopen, of ge ziet, dicht aan den kant, een roodachtige wolk in het water; is de sloot door eendenkroos bedekt, schuif het dan voorzichtig op zij, en de wolk wordt hier of daar zichtbaar.

Breng op een eindje afstand van die wolk, uw groote flesch omgekeerd onder water, zoodat er weinig of geen lucht ontsnapt, keer hem dan midden in die wolk om. Dat is volstrekt geen gevaarlijk werkje, daar de wolk dicht bij de kant is, en ge altijd wel een vast plekje kunt vinden, om te staan; anders geeft ge uw linkerhand maar aan uw kameraad, die op den wal zit.

Hebt ge bijgeval geen kennis mee kunnen krijgen, of is de kant te steil, haal dan uw fijnmazig schepnet een paar keer door die zwevende wolk en keer het in het water van de wijdmondige flesch om.

Al dadelijk ziet ge in uw flesch, waaruit die wolk bestond; duizenden rondachtige diertjes huppen en schieten er door elkaar heen; wriemelende, geweiachtige sprieten doen dienst als springpooten bij de eene soort,—een vertakte staart bij de andere; want meestal hebt ge twee soorten watervlooien tegelijk geschept: daphnia, dat zijn die ronde, met hertengewei—cyclops zoo heeten die kleine met een staart en met vaak twee zakjes met zwarte stippen aan weerszijden van het lichaam; dit zijn wijfjes met eieren.

Hebt ge met uw groote stopflesch vlug en handig gemanoeuvreerd, dan wemelt het er in—behalve van daphnia’s en cyclopen—van allerlei grootere dieren; garnaalachtige [74]doorschijnende springers; larven van libellen, kenbaar aan hun langen staart van luchtbuizen; dikkoppige beestjes zonder pooten, zwart met grijzen buik: bullekopjes of donderpadden heeten ze hier en daar in ons land; allemaal toekomstige kikkers, salamanders of padden; draaitorren van allerlei soort, die even hun lustige quadrille aan de oppervlakte gestaakt hebben; muggelarven of poppen, net bokken met horens, die als dol over den kop buitelen; en.… jonge stekeltjes, die evenals die andere dieren daar in die daphniawolk kwamen soupeeren.